Velen vinden Sevilla de mooiste stad van Spanje. Daarover kunnen wij, met onze bescheiden ervaring in Spanje, niet echt meepraten, maar onze eerste indrukken zijn zeker positief. Het is een bruisende stad en wereldberoemd vanwege zijn monumenten, tradities en cultureel erfgoed. Het is tenslotte de geboorteplaats van het flamenco dansen.
Sevilla kende een belangrijke bloeiperiode in het tijdperk dat de Moren Spanje en zuidelijk Portugal bezet hadden. Uit de Moorse periode, die tot halverwege de dertiende eeuw duurde, zijn er amper overblijfselen te zien in Sevilla. Desondanks wordt het uiterlijk van het centrum toch voor een redelijk groot deel bepaald door de periode dat de Moren hier de baas waren. Dat komt door de zogenaamde ‘Mudejarstijl’, die vooral in Sevilla duidelijk zichtbaar is. Deze kunststijl is een mengeling van moslim- en christelijke kunstvormen, ze is als het ware het samengaan van twee artistieke tradities en wordt vooral gekenmerkt door de decoratie van gevels en binnenruimtes met azulejos. Deze keramische tegels zijn door de Moren vanuit het Perzische rijk meegenomen naar Spanje en Portugal. De vorm waarin je deze tegels nu nog in Sevilla en elders in Spanje ziet, is een verbasterde vorm van de oorspronkelijke tegels. Een mooi voorbeeld van de Moorse invloeden en de decoraties met azulejos is het Koninklijk Paleis van Sevilla.
Daarnaast is de Giralda één van de weinige gebouwen dat nog echt uit die periode stamt. Deze toren is nu onderdeel van de Kathedraal van Sevilla, maar was oorspronkelijk een minaret van de moskee die op deze locatie stond. Zowel het paleis als de kathedraal met de toren behoren dan ook tot de meest bijzondere hoogtepunten van de stad.
Onze afspraken zijn gemaakt, waarmee we ons kunnen aansluiten in de lange rij wachtenden. Vooral voor het paleis zijn de controles streng. De koning van Spanje verblijft hier wanneer hij Sevilla bezoekt, daarom worden er allerlei veiligheidsmaatregelen genomen inclusief ‘bodyscan’ en ‘bagage controle’. Het is waarschijnlijk het oudste koninklijk paleis van Europa dat als zodanig nog in gebruik is. Het Alcázar Real de Sevilla, zoals het paleis officieel heet, kent een lange geschiedenis. De naam ‘Alcazar’ betekent kasteel in het Spaans en is afgeleid van het Arabische woord al-qasr (vesting of paleis). Van oorsprong stond er op de plek van het Alcázar eerst een Romeins en daarna een Visigotisch (Germaans) fort. De eerste opdracht tot het bouwen van een paleis werd gegeven door Kalief Abd al-Rahmán II (uit Córdoba) rond 844. Hij overleefde de bouw niet en zijn zoon Abd al-Rahmán III maakte het af in 914. Uit deze periode stammen de vestingmuren die het terrein omringen.
Na de overwinning op de Moren in de veertiende eeuw werd het paleis onder leiding van Alfons X van Castilië uitgebreid en aangepast naar de behoeften en wensen van de christenen. In 1364 gaf Koning Pedro I van Castilië opdracht tot de bouw van een nieuw paleis op dezelfde locatie. Doordat er vele Moorse bouwmeesters bij de bouw betrokken waren, kreeg het rijk versierde paleis een duidelijke mudéjar-stijl. In de loop der jaren regeerden hier diverse koningen die elk hun eigen stempel op het paleis drukten. Naast Moorse details vind je er tegenwoordig ook gotische en barokke elementen naast versieringen uit de renaissance. Smullen dus voor de architectuur liefhebbers onder ons. Zelfs als je dit allemaal niet weet, zijn de indrukken overweldigend. Niet voor niets staat het paleis sinds 1987 op de werelderfgoedlijst van Unesco en is het sindsdien het decor geweest in diverse films, zoals Lawrence of Arabia (1962) en Kingdom of Heaven (2005). Ook voor de televisieserie Game of Thrones werd in en om het paleis gefilmd (2014).
We lopen het paleis binnen via de ‘Puerta del León’, een knalrode poort en onderdeel van de 12e eeuwse vestingmuren. Met een afbeelding van een gekroonde leeuw die een kruis vasthoudt in de stenen muur, is de ingang van het Alcázar evenzo statig als afschrikwekkend. De lokale bevolking noemt het ‘De Leeuwenpoort’ en terecht. De toegang is beslist indrukwekkend te noemen.
Eén van de hoogtepunten in het paleis zelf is de Patio de las Doncellas, ook wel ‘de binnenplaats van de maagden’ genoemd vanwege de legende dat de Moorse overheersers jaarlijks honderd maagden van hun kolonies eisten als eerbetoon aan het ‘Christelijk koninkrijk van Iberië’. In het midden bevindt zich een spiegelbad met een verzonken tuin die in 2004 door archeologen werd ontdekt, voordien was de hele grond bedekt met marmer. De galerij met gekartelde bogen geeft toegang tot de ontvangstzalen.
Indrukwekkend is ook de Salón de Embajadores, oftewel de ambassadeurszaal, met haar schitterende koepel. Deze zaal, ook wel de Troonzaal genoemd, was de kamer van Pedro van Castilië en heeft een prachtige met goud beklede koepel die hoog oprijst. Er wordt wel gezegd dat de zaal zowel de hemel als de aarde voorstelt en de superieure rol weergeeft die aan de koning is toebedeeld. Toe maar! Hier vond ook het huwelijk plaats van Karel I en Isabel van Portugal in 1526. Later zouden de balkons gebruikt worden om hoogwaardigheidsbekleders, die de koning bezochten, te bespioneren.
Aan het begin van de 16e eeuw liet Koning Ferdinand II van Aragon het ‘Casa de Contractación’ bouwen. Dit gebouw werd het symbool van de Spaanse wereldhandel. Verder werden hier reizen gepland en goedgekeurd waarvan misschien één van de meest bekende wel de grote reis van Magellan rond de wereld is (in 1519). Ook ontvingen de koning en zijn vrouw Columbus op deze plek nadat hij voor de tweede keer terugkeerde uit Amerika en werd Américo Vespuccio de eerste directeur van de zeevaartschool. Grote namen passen hier. We kijken onze ogen uit en wijzen elkaar steeds op nieuwe details. Er is gewoon zoveel te zien!
Het andere imposante en bijzondere hoogtepunt is de, er vlakbij gelegen, kathedraal (Catedral de Santa Maria de la Sede). Dit kolossale gebouw nam de plaats in van een vroegere moskee. Eind dertiende eeuw werd besloten de moskee zo af te breken dat het in een christelijk gebouw veranderd kon worden. Van de oorspronkelijke moskee bleven slechts enkele onderdelen grotendeels gespaard, met name de voorhof (Patio de los naranjos ofwel Sinaasappelhof) met de fraai bewerkte Puerta del Perdón en de minaret (de tegenwoordige Giralda). De sinaasappelhof was ooit het voorhof van de moskee. Hier vind je nog de bron die het water leverde voor de reinigingsrituelen.
De vijftiende eeuwse kathedraal is naar alle waarschijnlijkheid de grootste kerk ter wereld. De ambitie om dat te worden werd in ieder geval overduidelijk opgeschreven: ‘een gebouw, zo groot dat komende generaties ons voor gek verklaren’. De binnenkant van de gotische kathedraal bestaat uit indrukwekkende kunstwerken en eeuwenoude glasschilderingen en heeft details waar je (ook weer) uren naar kan kijken. Je vindt er o.a. het praalgraf van ontdekkingsreiziger Christoffel Columbus, al is niet met zekerheid te zeggen dat hij er ook daadwerkelijk begraven ligt. De bronzen kist van Columbus wordt gedragen door vier bewerkte figuren die de Spaanse koninkrijken van Castilië, León, Aragón en Navarra representeren. Er is ook een Columbus-bibliotheek aanwezig met vele boeken, tekeningen, manuscripten en andere objecten die te maken hebben met het leven van Columbus.
Het (absolute) hoogtepunt is echter de Capilla Mayor (hoofdkapel) met het imposante hoofdaltaar, de ‘Retablo Mayor’, wat helemaal bestaat uit verguld houtsnijwerk. In het midden van dit grootste altaarstuk ter wereld uit 1482 zie je het beeld van de Virgin de la Sede, de maagd van de zee, ons beter bekend als Maria met baby Jezus. Daaromheen worden uit hout gesneden scenes getoond uit het leven van Christus en zijn moeder. Dit hele altaar is zo veel omvattend dat vele mensen, ook wij, even plaatsnemen op de stoelen voor het hek om in alle rust steeds nieuwe details te kunnen ontdekken. Zoveel goud, zoveel allure, hoewel prachtig roept het bij ons ook wel wat ongemakkelijke vragen op. Zoveel geld moet toch ergens vandaan komen?!
Om de kathedraal heen zie je dikke kettingen hangen, deze stonden letterlijk voor de scheiding van de macht tussen de kerk en de staat. Achter deze kettingen hield de justitiële macht op, de burgers konden hier naartoe vluchten voor de harde hand van de staat en hun recht op asiel opeisen bij de kerk. Afhankelijk van de gepleegde misdaad bepaalde de kerk of deze verleend werd. In 1987 werd ook de kathedraal (inclusief Giralda) op de werelderfgoedlijst van de Unesco geplaatst.
Om de Giralda kun je niet heen. De toren van zo’n 100 m hoog is één van de belangrijk iconen van de stad en een herkenningspunt voor veel Sevillianen. Zoals al eerder genoemd was de Giralda oorspronkelijk gebouwd als minaret. Toen de Christenen Sevilla veroverden, kwam er een eind aan de Islamitische functie van het gebouw. Als je goed kijkt zie je met name in het onderste deel van de toren de overeenkomsten met minaretten uit Marokko; onder meer de minaret van de beroemde Koutoubia Moskee in Marrakech diende als voorbeeld. Oorspronkelijk was deze minaret, toen 76 m hoog, bekroond met vier grote gouden (of koperen) bollen waarvan men zei dat ze van op een afstand van 40 km te zien waren. De Giralda was zo belangrijk voor de moslims dat ze, bij de overgave van de stad, toestemming vroegen om de toren af te breken. De Spaanse commandant antwoordde met een zin die bewaard is in de Spaanse geschiedenis: ‘Als er maar één steen van de toren wordt weggenomen, worden ze allemaal gedood’. Erasmus (Nederlands filosoof 1469-1536) heeft ooit gezegd: ‘Gelijkheid verwekt geen oorlog’ en dat heeft nog niets aan kracht ingeboet.
De toren verloor zijn oorspronkelijke bollen bij een aardbeving in 1356 en werden meteen vervangen door een klok met een kruis erboven. Omdat Sevilla het alleenrecht had op de handel met het pas ontdekte Amerika ontwikkelde ze zich vanaf het begin van de 16e eeuw tot een der rijkste steden van het westen. De kerkelijke autoriteit besloot dan ook om de toren van een nieuwe top te voorzien en liet dit tussen 1558 en 1568 in renaissancestijl uitvoeren. Op de lagere bewaarde delen verscheen de nieuwe klokkentoren met op de top een grote windwijzer in de vorm van een vier meter hoog koperen beeld dat ‘geloof en vertrouwen’ voorstelt, bijgenaamd de Giraldillo, oftewel ‘dat wat ronddraait’. De echte (volledige) naam van deze vrouwelijke figuur luidt trouwens; ‘Triomf van het overwinnend geloof’. Het beeld werd in 1568 op de top geplaatst en in 1997 vervangen door een kopie in brons. Na de restauratie, die 600.000 euro kostte, werd het origineel teruggeplaatst en kreeg de kopie een plaats voor de zuidzijde van de kathedraal bij de Puerta del Principe, ook wel Puerta de San Cristóbal genoemd.
Je kunt naar de top van de toren. Het was zo ontiegelijk druk dat wij dat niet gedaan hebben. In de toren zijn geen trappen zoals je misschien wel zult verwachten. Je loopt via schuin oplopende gangen naar boven. Op dezelfde manier zoals vroeger de muezzin als hij de gelovigen vanaf de top van de toren tot gebed opriep. Dat is destijds een bewuste keuze geweest, zodat ook de paarden de tocht naar boven konden maken. Als je meerdere keren per dag de klok moet luiden, is dat ook wel een uitkomst.
Na al deze indrukken, verhalen en wetenswaardigheden zijn we toe aan een terrasje. We vinden toepasselijk stoelen onder de sinaasappelbomen waar we in alle rust de benen kunnen strekken en kunnen genieten van een welverdiend glaasje lokale witte wijn. Het leven is goed.
We hebben morgen nog een volle dag om alle andere hoogtepunten in Sevilla te bekijken en te ervaren. Voor vanavond rest ons de tapas ervaring!



















