DOOR HET RAVIJN

Onverwachts hebben we een middag ‘vrij’, het weer is redelijk, dus …… wat let ons. Vandaag hebben we, evenals de afgelopen dagen, te maken met wisselvallig zomerweer. Het weerbericht van vandaag luidt dan ook: ‘het wisselvallige zomerweer houdt aan met kans op buien. Tijdens de buien is een klap onweer niet uitgesloten. Ook zijn er droge momenten met af en toe ruimte voor de zon. Aan de temperatuur verandert weinig, met overdag een graad of 20.’ We zijn hiermee op alles voorbereid. In Nederland wordt er veel over het weer gepraat, gemiddeld drie minuten per dag volgens een studie. De uitkomst van een ander onderzoek, door een Nepalese professor, stelt dat het iets met de Nederlandse genen te maken moet hebben en dat dit fenomeen gevormd is door het veroveren van land op de zee en door de eeuwenlange afhankelijkheid van het weer, bijvoorbeeld voor de oogsten. Hij ziet het praten over het weer ook als een sociaal smeermiddel, want het weer is voor iedereen hetzelfde. Of je nou rijk bent of oud, in de regen worden we allemaal nat. Een waarheid waar je niet omheen kunt, een waarheid als een koe. Zo’n spreekwoord komt waarschijnlijk uit onze oude, agrarische cultuur, waarin koeien een vanzelfsprekend onderdeel van het leven vormden. Ik lees echter ook een heel andere verklaring en wel eentje uit de Koran. Het tweede en langste hoofdstuk van de Koran heet  ‘Al-Baqarah’ (de koe) en opent met: ‘Dit is een volmaakt en waar boek. Aan zijn waarheid is geen twijfel.’ Dit klinkt toch ontegenzeggelijk ook als een logische verklaring voor ‘een waarheid als een koe’?

Wandelen over de Hondsrugweg

Net buiten Gieten lopen we over de Hondsrugweg. Over het hoogste punt van de weg kijk je uit over weilanden en landerijen in het oude gletsjerdal.  De Hondsrug is een langgerekte zandrug die zich uitstrekt van Emmen tot in de stad Groningen. Hij maakt deel uit van een groter geheel van zandruggen en stroomdalen in Drenthe en Groningen dat wel het Hondsrugsysteem wordt genoemd. De Hondsrug heeft een lengte van 70 kilometer en een gemiddelde hoogte van 20 meter boven NAP. Toch is het grootste deel van de Hondsrug slechts enkele meters hoger dan de omliggende ‘dalen’. Grappig om te weten is dat de hoogste noordelijke ‘heuvel’ (ongeveer 9 meter boven NAP) duidelijk te zien is in de Groningse Herestraat. Vandaar dat de zijstraat daar het Hoogstraatje heet. 

Schilderij Klein Hilbingshof (bron: internet)

Bij het buurtschap Bonnen lopen we langs ‘Klein Hilbingshof’, een boerderijtje dat mogelijk een kasteel is geweest? Wat is hier het verhaal? ‘Of het echt een kasteel was, dat is de vraag’, zegt de dorpshistoricus. ‘Wel weten we zeker dat er een Havezate stond. Dat heette eerst het Huis te Bonnen en later werd het Havezate Entinge.’ Om het een en ander verder te kunnen vertellen, noem ik eerst even ter verduidelijking een aantal begrippen. Dingspels (voormalige rechtsgebieden), kerspels (kerkgemeenten), buurtschappen en eigenerfden met waardelen (grondbezitters met aandelen) in de marke (het gebied wat bij een dorp hoort) zijn kernbegrippen in het Drenthe van weleer. Het verhaal gaat verder wanneer de toenmalige burgemeester uit de stad Groningen in 1605 een waardeel in de marke Bonnen koopt, waar hij een huis op laat bouwen, het Huis te Bonnen. In de daaropvolgende decennia wordt het Huis te Bonnen genoemd in akten, documenten en oorkonden, waardoor we steeds weten wie er woonden, en wat ze deden. Het Huis kwam uiteindelijk in handen van de gebroeders Hilbing uit Gasselte. Zij waren in december 1768 voor 6738 gulden spekkoper. Je bent een spekkoper als je geluk in zaken hebt gehad. Wat deden de Hilbings met het Huis? Ze lieten het slopen! Waarschijnlijk voor de bouwmaterialen, want daar was in die tijd een enorme behoefte aan. Wat er nu nog van over is, is slechts een weiland met de restanten van een gracht en een oprijlaan met oude eiken. Aan deze eigenaar(s) ontleent het in 1604 gebouwde keuterboerderijtje Hilbingshof, ooit het oudste pand in Gieten, zijn naam. Klein Hilbingshof brandde in 2012 echter tot de grond toe af. Het is daarna opnieuw opgebouwd, maar de charme van het meer dan 400 jaar oude gebouw is met de brand verdwenen. Hoe zit dat dan met de connectie met Het Huis? Helaas schijnt het boerderijtje er nooit een onderdeel van te zijn geweest …….. waarmee het hele verhaal uiteindelijk een desillusie is. 

Het diepste punt in het ravijn

Ons volgende hoogtepunt is het ravijn. Jawel, we kennen in Nederland een heus ravijn! Bij een ravijn, een diepe, steile insnijding in een terrein, denk je niet meteen aan Drenthe, toch? De Grand Canyon of Yosemite in Amerika zijn dan meer voor de hand liggend. Desondanks is het ravijn bij Gasselte een (lokaal) begrip. Om de oude spoorlijn van Assen naar Stadskanaal de Hondsrug af te laten dalen, is er een ravijn gegraven. De trein zou het achttien meter hoogteverschil tussen Gieten en het Hunzedal nooit kunnen overbruggen, daarom werd een groot deel van het spoor tussen Gieten en Gasselte diep ingegraven in de Hondsrug. Het zand werd weer gebruikt voor de aanleg van de spoorlijn door het veengebied tussen Gasselte en Stadskanaal. Om het een en ander nog even in perspectief te zetten: de Grand Canyon is met een diepte van bijna 1.500 meter de meest spectaculaire kloof ter wereld.

Verder over het oude, denkbeeldige spoor (RK)

De spoorlijn is vandaag de dag verdwenen, maar het ravijn ligt er nog en is een bijzonder opvallend stukje natuur geworden. Het is hier inderdaad mooi. We lopen over de historische spoorbrug , linksaf de trap omlaag en vervolgen onze route door het ravijn. Wanneer je onder de oude spoorbrug staat, heb je het diepste punt bereikt.

Door het ravijn was een korte, maar zeker weer een bijzondere, route langs plekken waar de mens resoluut de schep in of haar stempel op de Hondsrug heeft gezet.

STRUINPAADJES

Struinen is ‘rondsnuffelen om te zien of je iets kunt vinden’. Op struinpaden kun je dat letterijk doen. Je loopt dan buiten de gebaande wegen en er zijn geen aanduidingen van een route waardoor je zelf je eigen weg kunt vinden. Een uitdaging op zich. Voor ons ligt het toch anders, want wij volgen wel de ons inmiddels zo bekende geel-rode strepen, de tekens waarmee de weg voor ons is uitgezet. Struinen betekent echter ook ‘het spoor volgen’. Kijk daarmee zijn we er. We voelen ons soms net spoorzoekers en het gebeurt regelmatig dat we even het spoor bijster zijn. Het draagt allemaal bij aan het avontuur. Ik lees dat struinen kan bestaan uit een zoektocht naar het verleden, als het ware een tijdreis te voet, waarbij je zoekt naar sporen van tijden die zijn verdwenen. Het lijkt erop dat we vandaag naar zulke sporen gaan zoeken. 

Mooie paadjes (RK)

We starten in Anloo en lopen langs akkers vol mais richting de boswachterij van het dorp, plaatselijk beter bekend als het Evertsbos. De boswachterij behoorde vroeger tot het landgoed Terborgh wat wordt beschreven als één van de mooiste landgoederen van Drenthe. Er wordt in de beschrijving verder niets gezegd over een (vroegere) burcht, borg of havezate. Wel wordt er gesteld dat een wandeling door dit gebied van rond de 160 ha een aaneenschakeling is van ‘hoogtepunten van de Drentse landschapsgeschiedenis, ‘ingekleurd’ met sporen van prehistorische bewoning, bijzondere plekken uit WOII, een prachtig Pinetum en een bijzondere begraafplaats voor urnen’.

Mammoetboom Evertsbos (bron: internet)

De dorpelingen noemden dit gebied het Evertsbos, naar de familie Everts, de eigenaren van het landgoed. In 1914 werd het eerste bos geplant op grond die de familie stukje bij beetje had aangekocht. Het Evertsbos kenmerkt zich nu, ruim honderd jaar later, door een grote variatie in begroeiing en aanplanting. Er zijn lanen en houtsingels aangelegd, waartussen gemengd bos groeit. Everts liet het bos aanleggen omdat hij – naar eigen zeggen – als houtimporteur veel bomen had laten sneuvelen en hij wilde hiermee bomen aan de natuur teruggeven. In de boswachterij zijn in de loop der tijd een aantal uitheemse bomen aangeplant, zoals de mammoetbomen of reuzensequoia. Deze altijd groene naaldboom wordt gekenmerkt door een roodbruine stam met een zachte dikke bast, die wel 50 tot 60 cm dik kan worden. We zien deze stammen wel, ze vallen op door hun uiterlijk, maar we realiseren ons pas veel later welke bomen we hier nu eigenlijk gezien hebben. Ik had, met de kennis van nu, beslist nog eens beter gekeken. De oudst levende bomen van deze ‘sequoiadendron giganteum’ zijn naar schatting tussen de 2000 en 3000 jaar oud en tussen de 50 tot 80 meter hoog. Haast onvoorstelbaar! Ter vergelijking: de bomen hier zijn veel jonger en (nog maar) rond de dertig meter hoog. De grootste mammoetboom heeft zelfs een naam. De ‘General Sherman Tree’ in het Sequoia National Park in Californië, heeft een hoogte van ruim 83 m, een omtrek van 31 m bij de bodem en 26 m op borsthoogte en een vermoedelijke ouderdom van 2300 tot 2700 jaar. Wat kun je daar nu nog op zeggen?

Volgens onze gegevens bevat het Evertsbos veel historische sporen uit allerlei tijden, waaronder enkele grafheuvels en een hunebed met de prozaïsche naam D11. Bordjes onderweg wijzen de weg naar een oorlogsmonument. Wij laten het links liggen, maar het verhaal vertelt dat zich tijdens WOII een hol met onderduikers op het landgoed bevond. Van de acht onderduikers werden er in september 1944 drie gevangen genomen en in Westerbork ter dood gebracht. Later, kort voor de bevrijding, werden op deze plaats tien verzetsstrijders uit Groningen geëxecuteerd. Het gedenkteken werd in de eerste plaats voor deze tien mensen opgericht, later zijn de drie in Westerbork omgebrachte onderduikers toegevoegd.

Haast sprookjesachtig (RK)

We zien inderdaad vele grafheuvels onderweg, waardoor we denken dat dit gebied wel dichtbevolkt moet zijn geweest. De zon schijnt bij vlagen prachtig door de bomen en laat ons haast sprookjesachtige taferelen zien.  Het is inderdaad waar dat de ‘verloren tijd’ veel meer aanwezig is dan je je realiseert, tenminste …. als je er oog voor hebt.

Verschillende soorten coniferen (RK)

De familie Everts nam ook het initiatief tot de aanleg van een naaldbomen tuin omdat Everhard Everts, door zijn zakenreizen naar Scandinavië en Noord Amerika, gefascineerd raakte door de naaldbomen die hij onderweg zag.  Het Pinetum Ter Borgh (1953) kent maar liefst 500 verschillende coniferen. Het ziet er indrukwekkend uit met coniferen in alle vormen en maten, maar tegelijkertijd lijkt het alsof veel planten het moeilijk hebben. Eist de droogte van voorgaande jaren nu haar tol of is dit gewoon een momentopname? Aanvankelijk was het pinetum zo’n kleine 2 ha groot en werd er van de meeste bomen of struiken slechts één exemplaar geplant. In 1993 werd een gedenksteen bij de ingang geplant in de vorm van een gespleten zwerfkei met de namen van Everhard Everts en zijn drie zusters.

Hunebed D11 (RK)

Vlakbij deze coniferen tuin, op een open plek midden in het bos, ligt hunebed D11. Wanneer ik informatie over dit hunebed op zoek, staat er: ‘dit is een tamelijk ‘gewoon’ hunebed, het is niet erg groot, niet erg klein, heeft geen speciale kenmerken maar is  gelukkig ook niet erg beschadigd.’  ‘Hoe kleiner de verwachting, hoe groter de vervulling’, een uitspraak van de aforist Erwin Koch (1932-), is hier zeker voor ons van toepassing. Hunebed D11 ligt namelijk prachtig, haast wat verscholen, temidden van hoge bomen in een spel van licht en donker. Vier dekstenen rusten op tien zij- en twee sluitstenen. Helaas ontbreekt de vijfde deksteen, maar voor de rest is het negen meter lange hunebed intact. Misschien dat andere hunebedden nog indrukwekkender zijn, maar deze mag er, wat ons betreft, zeker zijn.

reis naar de eeuwigheid (RK)

Al meer dan 12.000 jaar wonen en werken er mensen op de Hondsrug, want daar heeft onze tocht ons ondertussen gebracht. Steeds zochten de mensen de beste plek om hun overledenen te gedenken. In de Nieuwe Steentijd bouwden ze hier hunebedden, in de Late Steentijd grafheuvels of tumuli en tijdens de Late Bronstijd legden ze urnenvelden aan. Het was gebruikelijk de urnen in de grond, onder kleine heuveltjes, te plaatsen, omringd door een kringgreppel. Dit gebruik vindt eigenlijk nog steeds plaats op de ‘bijzondere begraafplaats voor urnen’, waarmee de oude grafcultuur een sprong in de toekomst heeft gemaakt. Om de Amerikaanse schrijver Brad Herzog te citeren: ‘eerbied voor het verleden is belangrijk, maar ontzag voor de toekomst ook.’ We treffen een mooie open plek omgeven door ruisende beuken aan. De bodem is bedekt met een laag bladeren en lijkt op strategische plaatsen te zijn voorzien van dikke stenen. Het geheel straalt iets sereen, iets rustgevend uit. Een boog vormt de ingang waarop de tekst ‘een reis van het verre verleden via het heden naar de eeuwigheid’ is te lezen. Eenmaal op het terrein ontwaren we opeens diverse spades, of in ieder geval de stelen daarvan, die in de grond zijn gestoken. Ze markeren de tumuli van dit urnenveld. De tumuli liggen ruim geplaatst en zijn gemarkeerd met gletsjerstenen van de Hondsrug. Hoe bijzonder is dit? Een terrein gekenmerkt door natuurschoon en stilte, ver weg van bebouwing en autowegen en helemaal gewijd aan het herdenken. Al deze elementen of ‘sporen van verleden tijden’ geven ons beslist het gevoel van een reis in de tijd. 

Onder de N34 door naar de andere kant

Terug in het heden zijn we aangekomen bij de N34. We gaan verder aan de andere kant van deze drukke verkeersweg richting Gieten. Gieten ligt aan de kruising van de rijkswegen N33 en N34, beide belangrijke middeleeuwse routes. Deze beide wegen behoorden tot de eerste in Drenthe die in de 19e eeuw werden verhard en zijn van groot belang geweest voor de ontwikkeling van het gebied. Op de kaart lijkt dit vervolg een wat ‘recht toe, recht aan’ wandeling te worden, voornamelijk door of langs weilanden. Niets is minder waar. Zo zie je maar dat je niet alles op uiterlijk alleen moet beoordelen. We lopen grotendeels over de Oude Groningerweg, een vroegere belangrijke handelsroute tussen Groningen en Coevorden. In de late Middeleeuwen bestond het ons omringende landschap uit eindeloze heide en zandruggen. Etenswaren als kaas, traan, boter en stokvis werden met paard en wagen vanuit Groningen naar Coevorden en de Duitse handelsplaatsen vervoerd en andersom kwamen zandsteen, hout, rogge, wol, canvas en andere handel naar Groningen.

De hei begint al te bloeien
Klein Duimpje in het land der reuzen…… (RK)

De hele weg werd en wordt nog steeds bepaald door kilometerslange zandruggen zoals de Hondsrug.  Op weg naar het Zwanemeerbos lopen we opeens over een stuk overgebleven heide. Weliswaar geen ‘eindeloze heide’, maar zeker wijds en uitnodigend als rustpunt om er nog even langer van te kunnen genieten. Dat meerdere mensen er zo over denken, blijkt wel uit de hoogte van het strategisch geplaatste bankje. De grond eronder is helemaal uitgesleten (of weggespoeld?), waardoor ik me een beetje als Klein Duimpje in het land der reuzen voel. We nemen onze tijd en nemen alles om ons heen goed op, want dat ‘verbreedt’ immers je wereld en geeft je ervaringen waar je nog vaak over kunt praten. Psychologen zijn het erover eens dat ervaringen je veel gelukkiger maken dan materiële zaken, reden genoeg om er zo vaak als je kunt op uit te gaan! 

Zwanemeerbos (RK)

De weg loopt verder dwars door het Zwanemeerbos bij Gieten, een natuurgebied wat bestaat uit een zogenaamd ‘eikenhakhout complex’. In het verleden werd het grondgebied van Drentse dorpen verdeeld in ‘marken’, gezamenlijke grondgebieden van de boeren om hun boerenbedrijven te kunnen laten voortbestaan. Het ging daarbij om veen, dat brandstof leverde, om bos, voor de levering van bouwmaterialen en brandstof, om heide, waar de schapen graasden en om de weide en hooilanden langs de riviertjes. De scheiding tussen de marken was exact bepaald en met twee stenen op elkaar gemarkeerd. Hieruit stamt nog ons spreekwoord “de onderste steen boven”, als we iets heel precies willen weten.

Het is vochtig in het bos

In het Zwanemeerbos bevindt zich nog altijd de wal die de scheiding tussen de marken van Gieten en Eext aangaf. Naast een mooie natuur en vele wandelpaden bevinden zich ook hier allerlei sporen uit het verleden, waaronder 26 grafheuvels. Uit onderzoek is gebleken dat deze grafheuvels hoofdzakelijk uit de ijzertijd (tussen 800 v. Chr. en het begin van de jaartelling) stammen. De meeste heuvels zijn ‘brandheuvels’, d.w.z. dat de kern bestaat uit de houtskool van een crematie met soms wat resten van aardewerk.

Prachtig lunchplekje (RK)

In het bosgebied ligt ook het Zwanemeer, een waterplas ontstaan na de zandwinning in het gebied. Het meer is laaggelegen tussen vrij steile, beboste oevers. Prachtig plekje! Al die sporen uit het verleden leveren verrassende ontdekkingen op die vragen om de verhalen te ontrafelen die erbij horen. 

‘POMPEÏ’ van Drenthe

Bij Pompeï denk ik meteen aan verwoestingen en opgravingen op grote schaal. Weet je nog? Een uitbarsting van de vulkaan de Vesuvius markeerde in 79 het abrupte einde van de Romeinse stad Pompeï. Bedolven onder een laag as en puin conserveerde de vulkaan het dagelijks leven van al haar inwoners. Sindsdien wordt er al honderden jaren gegraven in de dikke aslagen die de stad hebben bedolven. Tegenwoordig is een groot gedeelte van de stad reeds opgegraven, maar nog lang niet alles. Wat heeft die uiteenzetting nu met Drenthe te maken? Het blijkt dat wij in Nederland een eigen archeologisch terrein hebben….. in Drenthe. Sinds 2000 is De Strubben Kniphorstbosch, een gebied tussen Schipborg en Anloo, het eerste, en tot nu toe het enige, archeologisch reservaat van Nederland. We gaan dit gebied vandaag doorkruisen. Onnodig om te zeggen dat onze verwachtingen hoog gespannen zijn? 

Strubben (RK)

De dubbele naam van het gebied is te danken aan de hier veel voorkomende ‘strubben’ of ‘stobbige eiken’ en aan de familie Kniphorst die in de 19e eeuw eigenaar en ontginner was van de toenmalige heidevelden om er een bos aan te leggen voor de houtteelt. ‘Strubben’ (strubbe betekent kreupelhout) zijn typisch Drents, het zijn ‘eiken die stelselmatig afgevreten werden door schapen en daardoor opzij zijn gaan groeien’. Het hout werd hier vroeger om de 10 tot 15 jaar gekapt door zogenaamde ‘eekschillers’. Zij verkochten de eikenbast aan de leerindustrie voor het maken van looizuur en de bundeltjes hout als brandhout in de dorpen. Op de stronken liepen dan weer nieuwe eikenstammen uit, waar de schapen graag aan knabbelden. Toen de schapen verdwenen, zijn de eiken in grillige vormen verder gegroeid met fantastische bomen als resultaat. We blijven ons verbazen. 

De eik in volle glorie (RK)

Hebben eiken nog een bijzondere betekenis?  Even zoeken leert dat eiken waardigheid, wijsheid en de verbinding tussen hemel en aarde symboliseren. Het Griekse woord voor eik is ‘drus’ wat lijkt op het woord druïde (Keltische priesters die ook wel ‘eikmensen’ genoemd werden). Eens per jaar klommen de Druïden, gekleed in witte gewaden, in hun eiken om er met gouden sikkels maretakken uit te snijden. Een overblijfsel van dit oude gebruik is de mistletoe met Kerst. De eik was trouwens voor veel volkeren een magische boom. Voor prehistorische volkeren vormde de eik een kanaal waarmee de kracht van de goden op de mensheid kon worden overgebracht. Dit werd zichtbaar wanneer een eik na een blikseminslag in brand vloog. Bij de Germanen was de eik gewijd aan Donar, de God van donder en bliksem. Het is opvallend dat de bliksem vaker eiken treft dan andere bomen. Misschien omdat eiken vaak op kruispunten van ondergrondse wateraders staan? Bij onweer zou het veiliger zijn om onder een beuk te schuilen dan onder een eik……..getuige het gezegde: ‘eiken moet je wijken, maar beuken moet je zeuken’.

Restanten van het militair oefenterrein

Dit hele gebied werd duizenden jaren geleden al bewoond en haar bewoners hebben overal opvallende en zichtbare sporen achtergelaten, zoals hunebedden, grafheuvels en zelfs een galgenberg, maar ook minder in het oog springende overblijfselen als karrensporen en bomkraters uit WOII zijn hier terug te vinden. Wij lopen ondertussen langs een voormalig militair oefenterrein. We zien geen bomkraters noch de twee overgebleven bunkers uit die tijd. Hoewel de bunkers nu niet meer als zodanig worden gebruikt, spelen ze tegenwoordig een belangrijke rol als overwinteringsplek voor vleermuizen. In het najaar gaan vleermuizen namelijk op zoek naar een rustige, vochtige, donkere en vorstvrije plek met een constante temperatuur om te overwinteren. Een bunker is dus de perfecte plek. 

Even pauze (RK)

We lopen verder door een klaphek en wandelen zo het gebied van de grote grazers binnen. Het is hier inderdaad prachtig. We lopen langs grafheuvels, waarvan er zo’n zestig in het gebied liggen, en fantaseren wat we zouden ontdekken als we zo’n heuvel af zouden graven. Zo merkwaardig is dat niet, ’liefhebbers’ van oudheden doen dat immers al eeuwenlang in het archeologisch zo rijk bedeelde Drenthe. Albert Egges van Giffen (1884-1973), voor ons bekend vanwege de afgravingen bij Ezinge, is de archeoloog met de meeste opgravingen in Drenthe. Hij werd door de Drentse bevolking dan ook liefkozend ‘het Spittertien’ (de kleine graver) genoemd.

Op weg naar de markesteen (RK)

Eén van de grootste grafheuvels is de Galgenberg. Een naam die weinig aan de verbeelding overlaat. We zien bovenop de heuvel een markesteen (grenssteen) staan. Volgens de informatie gaat het hier om een steen waarmee een soort ‘drie gebieden punt’, oftewel de samenkomst van drie markegrenzen t.w. Anloo, Schipborg en Zuidlaren, wordt aangegeven. Heel lang geleden begroeven mensen hun doden o.a. in een grafheuvel. Waarschijnlijk werden er meerdere mensen in één grafheuvel begraven. Later zijn in de grafheuvels voorwerpen gevonden die samen met de doden werden begraven, omdat er gedacht werd dat de doden deze in een volgend leven weer zouden kunnen gebruiken. Voor mannen waren dat bijlen, speerpunten en potten van aardewerk, terwijl vrouwen vooral sieraden en potten meekregen. In de Middeleeuwen werden diezelfde grafheuvels gebruikt om boeven en dieven te straffen. Op deze opvallende plekken werden veroordeelden opgehangen, waarna ze er dagenlang bleven hangen om een ieder te laten zien dat het echt slecht afloopt met mensen die niet willen deugen. De galg die er ooit stond, is gelukkig verdwenen, maar de grenssteen staat er al sinds de zestiende eeuw! 

Enorme zwerfkeien vormen samen hunebed D8 (RK)

Vlakbij de Galgenberg ligt hunebed D8 langs de weg die ons dwars door het Kniphorstbos voert. Rond elk hunebed hangt nog iets van de mystiek van vijftig eeuwen geleden, ‘toen de kolossale stenen gevaarten indringers duidelijk maakten dat de mensen die hier woonden, hun voorouders hoog achtten.’ Wat weten we eigenlijk van de hunebedbouwers, van hun leven, hun gewoontes en hun geloof? Het wordt tijd om in ieder geval mijn kennis te vergroten. Hunebedbouwers worden ook wel de mensen van de Trechterbekercultuur genoemd. Vele eeuwen geleden leefden op en rond de Hondsrug jagers die achter het wild aantrokken en leefden van alles wat ze in de natuur vonden. Rond 5000 v.Chr. kwam er langzaam maar zeker een einde aan het zwervende bestaan van de bewoners en werden ze boeren die bij hun akkers en weidegrond bleven wonen. Ze maakten aardewerk versierd met allerlei motieven. Vanwege de wijd uitlopende hals hebben archeologen dit de naam trechterbekercultuur gegeven. Archeologen gaan ervan uit dat de mensen van de trechterbekercultuur de eerste boeren waren die zich permanent in Drenthe hebben gevestigd.

Een blik onder de deksteen (RK)

Het is niet bekend wat de hunebedbouwers precies geloofden, maar we weten wel dat de hunebedbouwers prachtige graven voor hun doden bouwden. In deze hunebedden of stenen grafkamers werden eveneens meerdere mensen begraven en ook hier kregen de overledenen geschenken mee, zoals eten en drinken in potten, maar eveneens gereedschap, sieraden en wapens. Deze grafgiften bewijzen dat ook de hunebedbouwers geloofden in een tweede leven of leven na de dood. Eerder dachten mensen dat alleen reuzen (hune = reus) zulke grote stenen konden tillen en stapelen, maar tegenwoordig weten we dat elk hunebed is gebouwd door het vele werk van heel veel mensen. Hunebedden waren eveneens een plek waar mensen bij elkaar kwamen om na te denken, om vragen te stellen en om belangrijke gebeurtenissen bij te wonen. Een hunebed was dus zowel een graf als een plek met een speciale betekenis. De zware zwerfkeien, waarvan de zwaarste meer dan 4 ton wegen, spreken nog steeds enorm tot de verbeelding! Het is jammer dat hun namen niet bijdragen aan de mystiek van weleer. 

Veel oude karrensporen (RK)

Karrensporen ontstaan in de tijd dat dit gebied nog één groot heideveld was, gebruikten de kerktorens van Zuidlaren, Anloo en Gieten als oriëntatiepunten. De sporen werden verlegd als ze onbegaanbaar werden, maar de kerktorens bleven de bakens onderweg. Het was dus wel belangrijk dat deze torens genoeg van elkaar verschilden om ze individueel te herkennen. In de eerste reis- en zakatlasjes uit de achttiende eeuw stonden de silhouetten van de verschillende kerktorens eveneens als verre bakens aangegeven. Die van Anloo met haar vierkante toren en het ‘parmantige dakruitertje’ is ook nu nog duidelijk herkenbaar, lijkt me.

Langs de bosrand (GK)

We verlaten het bos langs een een rij beukenbomen en lopen vervolgens langs een bosrand en verschillende akkers richting de kerk van Anloo. De romaanse Sint-Magnuskerk van Anloo, gebouwd rond 1100, is genoemd naar Magnus, bisschop van Trani, die na zijn marteldood heilig werd verklaard. Oorspronkelijk was de kerk een ‘eigenkerk’ van de aartsbisschop van Utrecht, die hier recht sprak. Later werden er in deze kerk zittingen gehouden van de Etstoel, tot 1791 het hoogste rechtscollege in de provincie Drenthe. De Etstoel sprak niet alleen recht, het stelde ook regels vast. Sinds de jaren ’80 keert het dorp Anloo op de derde dinsdag van augustus terug in de 17e eeuw. Helaas zal dit festijn ook dit jaar geen doorgang vinden als gevolg van de corona pandemie.

Maria in het kraambed

De deuren van de kerk staan uitnodigend open en die kans willen we niet voorbij laten gaan. Binnen worden we enthousiast ontvangen. Voortvarend licht onze vertelster ons in over alle verhalen die bij deze kerk horen. We zien de witgekalkte muren uit de tijd van de reformatie en de daaronder deels blootgelegde muurschilderingen. Op de muur naast het ‘melaatsen poortje’ zien we een voorstelling van Maria in het kraambed met op haar buik haar ‘kindeke’. Heel bijzonder volgens onze dame, want het kraambed wordt meestal overgeslagen in de verhalen en de uitbeeldingen daarvan. We leren hier meer over de pragmatische kanten van het geloof. De herenbank is bijvoorbeeld voor de vroegere toegangsdeur voor de vrouwen gezet vanwege een verbouwing. De redenering was dat die deur wel afgesloten kon worden omdat de hoge herenbank niet meer op zijn oude plaats paste en vrouwen minder belangrijk waren in het grotere geheel. Of zou het toch zo kunnen zijn dat het inzicht in die tijd veranderde en mannen en vrouwen daarom de kerk door dezelfde deur mochten betreden? Voortschrijdend inzicht……………… En passant horen we nog dat de uitdrukking ‘rijke stinkerds’ voortkomt uit de gewoonte rijke mensen te begraven in de kerk, hetgeen uiteraard gaat stinken na verloop van tijd.

‘Rijke stinkerds’ (RK)

Al met al een wandeling met vele indrukken en wetenswaardigheden. Als PompeÏ staat voor ontdekkingen en verrassingen, dan is dit gebied de naam Pompeï van Drenthe zeker waardig. 

BEREND BOTJE

Soms hoor je een naam en dan weet je onmiddellijk waarover of zoals in dit geval over welke plaats het gaat. ‘It’s all in the name.’ Vandaag speelt Zuidlaren dus de hoofdrol in ons wandelavontuur. We starten in Midlaren en lopen, met een kanaal links van ons, eigenlijk bijna meteen door een weiland richting het Zuidlaardermeer, het grootste meer in Drenthe met een oppervlakte van maar liefst 671 ha. Het is stil om ons heen op het zoemen van een paar insecten en een het getjilp van een enkele vogel na. 

Ook aan de insecten wordt gedacht

Het meer is, in tegenstelling tot het Paterswoldsemeer en het Leekstermeer, niet ontstaan door menselijke activiteit (het graven van turf), maar heeft een natuurlijke oorsprong. In de Middeleeuwen was hier, door een directe verbinding met de zee, bij stormvloed veel wateroverlast en kon hier geen veen gevormd worden. Het meer lag wel op de route van de turfvaart van de Oostermoerse venen (ten oosten van de Hondsrug) naar de stad Groningen en moest door de zogenaamde ‘schuitenschuivers’ regelmatig worden uitgediept, met name waar de Hunze in het meer uitmondt. 

Uitgestrektheid
De fotograaf in actie

Wij weten op het moment van lopen nog niets van deze wetenswaardigheden en genieten vooral van de uitgestrektheid van het water om ons heen. In de verte is een zeilschool druk met het geven van een praktijkles en iets dichterbij vaart een zeilbootje met mooie bruine zeilen rustig heen en weer. Het is dat we nog maar net op stap zijn, dit zou een fantastische koffiestop kunnen zijn!

We laten het meer achter ons liggen en stappen rustig verder naar De Groeve, de naam van de vaarverbinding van het meer met het dorp Zuidlaren evenals het woongebied eromheen. Kennelijk is dit stukje een geliefd ommetje voor de lokale bevolking, we zien in korte tijd zoveel wandelaars voorbij komen dat het opvalt. Langs Molen de Wachter lopen we het haventje van het dorp binnen. Hier vele kleine sloepjes en motorbootjes met inspirerende namen als ‘dolfijn’ en ‘dobbertie’. De molen werd hier in 1851 gebouwd. Niet helemaal gebruikelijk voor die tijd werd deze ingezet als oliemolen. Dit had alles te maken met de belasting, die was voor olie veel lager dan voor koren. Na verloop van tijd werd toch de mogelijkheid om koren te malen toegevoegd en voor een Groningse firma werd later nog een specerijenmalerij gecreëerd. Deze molen is nu de enige molen in Nederland die deze drie verschillende malerijen heeft. Alleen dat al maakt de molen zo bijzonder. Naast een molenmuseum is De Wachter ook vooral een ambachtenmuseum. Bijna 200 vrijwilligers houden verschillende ambachten in leven. Je kunt hier b.v. kijken naar het werk van een smid, een bakker en een kruidenier. Veel van deze vrijwilligers, waaronder ook zij die de stoommachines draaiende houden, hebben in het verleden daadwerkelijk dat ambacht uitgevoerd, waardoor de traditie in leven wordt gehouden. De geur van olie en diesel walmt uit de geopende deuren naar buiten en er klinkt gelach boven het lawaai van de draaiende machines uit. We bedwingen onze nieuwsgierigheid echter en bedenken dat we dit museum misschien beter op een ander moment kunnen bezoeken…….zeker nu we misschien een extra stukje van ons pad in onze gedachten hebben voor vandaag. 

Straaltje zonlicht door de bomen (RK)

We lopen door een stukje prachtig bos van havezate (burcht) Laarwoud. Het tegenwoordige gebouw, we zien er slechts een glimp van, dateert uit het begin van de zeventiende eeuw, maar de oorspronkelijke havezate is waarschijnlijk ouder. De bewoners van huizen als deze hadden een hogere status dan andere dorpsbewoners. Ze hadden bijvoorbeeld een eigen bank in de dorpskerk en mensen namen altijd hun hoed of pet af wanneer ze de bewoners tegenkwamen. Sinds 2004 wordt het huis weer particulier bewoond, voordien was het de lokatie van het gemeentehuis van Zuidlaren. Desondanks blijft Laarwoud wel haar functie behouden als trouwlocatie (één vleugel en tuin). Ook het achter de havezate liggende bos werd aan de nieuwe eigenaar verkocht. Drenthepad-ters mogen hier, net als andere wandelaars, gelukkig nog steeds gewoon doorheen lopen om hun weg (proberen) te vervolgen. Proberen, want de herkenningstekens zijn hier sterk verouderd en afgesleten, waardoor we het bos goed bewonderd hebben op zoek naar het juiste pad.

Zoveel keuzes (RK)

Eenmaal weer op de goede weg komen we uit op één van de zeven brinken van Zuidlaren. Vroeger kwamen hier koeien en schapen samen, nu zijn het open grasvelden met eiken en populieren eromheen. De grootste brink is een begrip, want al meer dan 800 jaar wordt hier de jaarlijkse paardenmarkt gehouden. Niet alleen voor de koukleumen een belangrijke dag (volgens een oud Drents gebruik mocht de kachel pas aan op de dag van de Zuidlaardermarkt, d.w.z. op de derde dinsdag in oktober), maar zeker ook voor de paardenhandelaars en de feestvierders. Ter gelegenheid van de 800e markt werd in 2000 door (toen nog) prins Willem Alexander een beeldengroep onthuld, waarmee op realistische wijze de paardenhandel wordt uitgebeeld. Het paard dat model heeft gestaan voor dit beeld heette Tinus. Leuk om te weten, een naam geeft het beeld iets eigens. De naam Tinus betekent trouwens ‘oorlog’, laten we hopen dat die betekenis niet symbool staat voor de jaarlijkse handel alhier. 

Tinus wordt verkocht

Zeg je Zuidlaren, dan zeg je (ook) Dennenoord. Het kan dus niet missen, onze wandeling wordt vervolgd over het terrein van de psychiatrische inrichting. Vroeger moesten ‘krankzinnigen’ (zoals psychiatrische patiënten toen genoemd werden) vanuit het noorden helemaal naar Zutphen of Deventer, maar vanaf 1884 konden ze in Zuidlaren, in Dennenoord, terecht. Dennenoord moest een echt dorp worden waar patiënten zich thuis voelden. In de gebouwen woonden de patiënten samen als een soort gezin, met een huisvader en een huismoeder die ervoor zorgden dat alles goed ging. Patiënten konden in de tuin of in de werkplaatsen aan het werk, hetgeen gezond was volgens de dokters, en niemand hoefde en mocht dan ook niet van het terrein af om eten te kopen of de was te doen. Dennenoord was daardoor inderdaad een echt dorp geworden, maar wel een dorp met een toegangspoort en een hoog hek erom. Tegenwoordig worden hier nog steeds psychiatrische patiënten verzorgd, het meteen in het oog springende verschil is dat de hekken nu wagenwijd openstaan.

Tekst op het hoofdgebouw uit 1895

We wandelen rustig door de mooi aangelegde tuinen met slingerpaden, langs het hoofdgebouw en lunchen op een bankje bij het hertenkamp. Het blijft een bijzondere omgeving waarin veel mensen zich anders gedragen dan we gewend zijn. Heel vriendelijk, maar vaak zonder de gene en remmingen die wij in ons dagelijks leven wel ervaren.

Onder de weg door naar Schipborg

Ondertussen heb ik wat last van mijn knie, ik heb me waarschijnlijk ergens verstapt. Het is niet erg, wel vervelend. Het stuk naar Schipborg wil ik toch afmaken vandaag, maar het plan om er nog een stukje aan te plakken laten we varen. We lopen onder de weg door naar Schipborg om meteen na het viaduct naar rechts af te slaan. Schipborg, een klein dorpje vlakbij Zuidlaren, was voor 1600 bekend onder de naam Borck, hetgeen verwarring met het latere Westerbork opleverde. Vanaf 1600 heette de plaats een tijdlang Genneborck (genne = gindse), maar vanaf de 17e eeuw is de naam Schipbork of Schipborg in omloop. Borg of bork betekent boom, misschien een berk? De reden van het toevoegen van het voorvoegsel ‘schip’ is waarschijnlijk omdat het dorp, in tegenstelling tot Westerbork, bereikbaar was per schip. Er zijn ook mensen die schip zien als een meervoud van het Friese skêp ‘schaap’, maar dat lijkt onwaarschijnlijk aangezien het dorp niet in Friesland ligt. Toch nog onverwachts doemt het terras van herberg de Drentsche Aa op aan de horizon en even later laat ik me voldaan zakken in een heerlijke stoel met zicht op de rivier (beek) die dit landschap bepaalt.

Lodewijk Sigismund Gustaaf, Graaf van Heiden tot Laarwoud?

Ondertussen laat Berend Botje me nog niet los. Zullen we nog even door het centrum van Zuidlaren fietsen om meer te weten te komen over dit 19e eeuwse kinderliedje, want wie is nu toch Berend Botje? Er doen veel verhalen over hem de ronde. Sommige mensen beweren dat Berend Botje een boer uit Borger was. Hij voer over de Hunze naar de Zuidlaardermarkt, alwaar hij een vrouw (?) wilde kopen. Dat viel tegen, geen enkele vrouw wilde met hem mee. Hij ging daarop naar de kroeg om flink bier te drinken en werd zo dronken dat hij op weg naar huis in de Hunze viel en verdronk. Misschien is hij toen toch niet verdronken, maar stiekem naar Amerika vertrokken? Anderen geloven dat Berend Botje een visser was die op het wad bot (vis) wilde vangen en daarbij verdronk, waarop ‘zijn botten bij de botjes’ kwamen te liggen. Een enkeling bedacht dat Berend Botje mogelijk een bijnaam zou kunnen zijn voor Bommen Berend, de bisschop die in 1672 de stad Groningen met bommen bestookte. De meeste mensen geloven echter dat dit liedje gaat over Lodewijk Sigismund Gustaaf, Graaf van Heiden tot Laarwoud (1773-1850). Lodewijk werd geboren in Zuidlaren, reisde naar Amerika en later naar Rusland, waar hij in 1827 een belangrijke zeeslag won als baas van de Russische vloot. In 1832 keerde hij als held terug naar Zuidlaren, maar hij had het er niet meer naar zijn zin. Hij vertrok daarom naar Estland waar hij uiteindelijk ook is gestorven. ‘Nooit keert Berend Botje weerom.’ Klinkt logisch toch? 

Wat is de juiste weg????

DE LAATSTE BEEK

De vorige keer zijn we wat verder doorgelopen, wat het volgens ons gemakkelijker moest maken voor het traject van vandaag. Helaas zorgt het juist meer voor verwarring, want van welke kant je ook komt, overal zie je de bekende geel/rode strepen en alles in de omgeving lijkt (al) bekend. Even logisch nadenken leidt tenslotte wel tot de goede afslag en de juiste route door een laatste staartje van het landgoed Vosbergen. We lopen dit keer zo’n twaalf km., de afstand van Vosbergen naar Midlaren, alwaar we deze keer naast onze fietsen proberen uit te komen.

Mooie spiegelingen

Ondertussen hebben we de Drents-Groninger Wolden achter ons gelaten en zijn we beland in ‘het unieke beeklandschap van de Drentsche Aa’, waar de stroompjes en diepjes van de Drentsche Aa door een landschap slingeren dat er nog altijd uitziet zoals een eeuw geleden. Er wordt zelfs gezegd dat de Drentsche Aa de laatste beek in Nederland is die al eeuwen vrij door het landschap meandert, maar……. de Drentsche Aa bestaat eigenlijk helemaal niet. Nou ja, een klein stukje in de provincie Groningen heet daadwerkelijk Drentsche Aa, maar in Drenthe heeft de beek de naam van het dichtstbijzijnde dorp of veld waar hij langskomt. Bovendien noemen ze in Drenthe een beek geen beek, maar een loop, diep, stroom of Aa, wat, mijns inziens, toch voor een beetje verwarring zorgt. Zeker als je je bedenkt dat het stroomdal van de Drentsche Aa gezien wordt als Drenthe op haar best!

Kaart Drentsche Aa (bron: internet)

Het hele stroomdal van de Drentsche Aa is grotendeels gevormd door smeltijs aan het eind van de voorlaatste ijstijd, zo’n 200.000 tot 130.000 jaar geleden. Grote gletsjers schoven vanuit Scandinavië over het noorden van Nederland en veranderden het landschap. Wat achter bleef was een groot plateau van keileem doorsneden door metersdiepe geulen vol smeltwater, waaronder de tegenwoordige Drentsche Aa. De Drentsche Aa heeft dus talloze zijtakken en vele namen. Grappig om te weten is dat het Hoornse Diep, dat langs het Paterswoldsemeer loopt, een restant van de beek is en dat in de stad Groningen straatnamen als Hoge der A, Lage der Aa, de A-Straat en de A-Weg, evenals de namen van de A-brug en de Der Aa-Kerk nog aan de beek herinneren.

Dit hele gebied is zo’n 30.000 ha groot, heeft binnen haar grenzen 21 dorpen en gehuchten en bestaat voor meer dan de helft uit landbouwgrond. Hierdoor was een nationaal park in traditionele zin, voornamelijk natuurgebied, geen optie. Zo ontstond een bijzonder nationaal park dat haar eigen sfeer en identiteit heeft kunnen behouden.

Wie kent dit nog?

We steken het Noord Willemskanaal over en vlak daarna de A28, de snelweg van Groningen richting Zwolle, in de buurt van Glimmermade. Even verderop passeren we de oprijlaan van het ‘Huis te Glimmen’. In de middeleeuwen is er al sprake van een kasteel in Glimmen dat in 1226 werd verwoest. Later werd hier een buitenhuis gebouwd. Delen van het huidige pand zouden uit de 16e eeuw stammen en op nog oudere fundamenten zijn gebouwd. In de loop der eeuwen is het huis door verschillende families bewoond geweest, meestal welgestelde burgers uit de stad Groningen die in de zomer graag hun tijd wilden doorbrengen in de mooie omgeving van Glimmen. Aan het eind van de 19e eeuw was het landgoed in bezit van de familie Quintus naar wie het Quintusbos, een parkbos met boomsingels en een lange oprijlaan, is genoemd. Huis te Glimmen is het enige landgoed, binnen het Nationaal Landschap, aan de oostzijde van de Drentsche Aa.

Verrassend kunstwerk onderweg

Onderweg zien we veel bloeiende bermen. Vooral veel fluitekruid, een enkele berenklauw en heel veel bramen. Hoewel we die laatste plant in onze eigen tuin een ware ramp vinden, zien we hier mogelijkheden voor eind augustus, wanneer de eerste bramen vol en zwart zijn. Eind augustus zijn we toch nog wel bezig met ons pad? Verder zien we ook veel springbalsemien. Die plant roept bij mij herinneringen op aan biologielessen op de middelbare school. Ik moest me verdiepen in de balsemien, de plant ontleden en elke stap in een gedetailleerde tekening vastleggen. Helaas zijn die kunstwerken niet bewaard gebleven…… De reuzenbalsemien of springbalsemien is een eenjarige plant die tot 2.5 meter hoog kan worden. Doordat de balsemien zo hoog wordt en andere planten verdrukt, wordt het beschouwd als een invasieve plant. De verspreiding van de zaden gebeurt op een bijzondere wijze. Als je de rijpe vrucht aanraakt ‘schieten‘ er zaden uit de zaaddoos. In het najaar is elke aanraking voldoende om de zaden alle kanten op te laten ‘vliegen’. Daar waar natuurbeheerders dus niet zo blij zijn met deze plant, zijn imkers er juist heel tevreden mee, want bij de balsemien is de nectar afgifte altijd raak.  

De springbalsemien trekt aandacht (RK)

Een andere plant die veelvuldig voorkomt langs ons wandelpad, kan schadelijk zijn voor de gezondheid……. het RIVM adviseert consumenten zelfs om kruidenpreparaten met sint-janskruid (daar gaat het in dit geval om) niet te combineren met bepaalde geneesmiddelen. Maar ook zonder geneesmiddelen is dit kruid niet ‘ongevaarlijk’. Zo kan de huid verbranden van mensen die na het gebruik van sint-janskruid in de zon gaan zitten of kunnen na inname klachten als duizeligheid, diarree en angst optreden. Waarom zou je zulke preparaten dan toch gebruiken? Om beter te slapen of om je minder somber te voelen bij depressieve klachten. Misschien toch iets anders verzinnen? 

Sint-Janskruid
Deels samen met het Pieterpad

We lopen inmiddels op de Pollselaan en zijn onderweg naar het Noordlaarderbos. Het Noordlaarderbos (Groningen) en de Vijftig Bunder (Drenthe) is een eeuwenoud gebied met een rijke historie. Ik lees dat ‘het Noordlaarderbos voelt als een sprookjesbos, waar de Middeleeuwse karrensporen herinneren aan de handelsroute tussen Coevorden en Groningen die hier ooit liep. De sporen lopen langs grafheuvels en het Galgenbergje, de plek waar vroeger mensen aan de galg bungelden. Je zou willen dat dit bos kon praten en zo haar verhalen kon vertellen.’ Wij zien weinig van dit sprookje. Onze tekentjes leiden ons vooral over grote zandpaden met slechts een enkele uitstapje naar ‘het magische binnen’. Desondanks genieten we volop van de stilte, de natuur en elkaar. We zijn nog niet klaar met deze ‘laatste beek’ en verheugen ons nu alweer op de verrassingen van morgen.