Uitwaaien op Borkum

WaddenWandelen

Toch bijzonder om te ontdekken dat het Duitse waddeneiland Borkum een onderdeel is van de lange afstandswandeling door ‘ons’ Waddengebied. Dat komt natuurlijk omdat dit eiland de meest oostelijke grens vormt van het Werelderfgoed Waddenzee, dat wordt omschreven als ‘een uniek landschap van slikken, kwelders, duinen, geulen en zandplaten’. De Waddenzee is het grootste ononderbroken getijden-systeem ter wereld en strekt zich uit langs de kusten van Denemarken, Duitsland en Nederland. Nergens anders bestaat er ‘zo’n dynamisch landschap met een veelheid aan leefgebieden die gevormd zijn door wind en getijden. De biodiversiteit op wereldschaal is afhankelijk van de Waddenzee’. Tijd om het een en ander zelf eens te gaan ontdekken!

Met een blauwe trein van Arriva naar de Eemshaven reizen, roept nostalgische herinneringen op aan de vroegere ‘Blauwe Engel’, die werd ingezet op de weinig rendabele lijnen in de dunbevolkte delen van ons land, zoals ook Oost Groningen. Deze lijnen waren te duur om te elektrificeren en dreigden daardoor te verdwijnen. In 1954 werd daarom een speciaal type dieseltrein ontwikkeld met een opvallende blauwe kleur en op de neus een logo met twee vleugels. Vanwege deze opvallende details werd de trein in de volksmond al snel de ‘Blauwe Engel’ genoemd. Volgens een nieuwsartikel uit die tijd was deze naam goed gekozen: ‘want behalve dat de kleur van dit nieuwe materieel geparenteerd is aan het blauw van de hemel, is de gang van deze treinstellen als op vleugelen.’ In de jaren zestig koos de NS voor een uniforme kleur voor alle treinen en werden alle ‘Blauwe Engelen’ rood geverfd. De bijnaam bleef echter bestaan, ondanks de veranderde kleur.

Een klein uurtje later stappen we uit op station Eemshaven en lopen we, met een aantal andere ‘Borkumgangers’, richting de haven waar de veerboot al ligt te wachten. In de verte zie je Borkum liggen, want hemelsbreed ligt het maar zo’n 15 km verderop. Waarom is Borkum eigenlijk een Duits eiland terwijl het zo vlak boven Groningen ligt en ‘onze’ Waddenzee begrenst? Vroeger, in de Franse tijd (1794 – 1814) behoorde Borkum wel tot Nederland, maar na 1815 kwam het eiland (weer) onder Duits bewind. Door haar strategische ligging werd Borkum begin 20e eeuw een belangrijke militaire post en is sindsdien Duits gebleven. In de jaren voor WOI erkende Winston Churchill het belang van Borkum voor de Duitse marine. Het eiland was makkelijk te verdedigen maar moeilijk te veroveren. Voor een (Britse) aanval was een basis in de buurt nodig waarvoor Churchill Ameland koos. Nederland was in die tijd neutraal en het binnenvallen van Ameland zou oorlog betekenen. Uiteindelijk ging dit plan toch niet door……..

Borkum is het kleinste waddeneiland van dit streekpad. Met een grootte van +/- 30 km2 is het net iets kleiner dan Schiermonnikoog (ongeveer 40 km2). Toch is het de grootste van de zeven Duitse ‘Ostfriesische Inseln’ boven de regio Niedersachsen. Na Borkum zijn dat Juist, Norderney, Baltrum, Langeoog, Spiekeroog en Wangerooge. Qua inwonersaantal is er wel een groot verschil. Waar Schiermonnikoog nog geen duizend (vaste) inwoners heeft, wonen er op Borkum ruim vijf keer zoveel. Het toeristenseizoen niet meegerekend. Dat is ook wel te zien wanneer we het stadje binnenrijden met het historische boemeltje, die de veerhaven met het centrum verbindt. Dit is beslist geen eilanddorp, dit lijkt haast een klein stadje. 

Met het treintje van de veerhaven naar de stad (RK)
Nostalgisch (RK)

De afstand tussen de haven en Borkum-Stad is 7,5 kilometer en de rit in het treintje duurt een kwartiertje. Dat was vroeger anders. In 1879 werd de lijn aangelegd als paardentram om de materialen voor de bouw van een vuurtoren gemakkelijker van de haven naar de bouwplaats in het centrum van Borkum te vervoeren. Zo’n vier jaar later stapte de eigenaar over van paarden op stoom en in 1888 werd het spoor versterkt om zowel passagier- als goederenverkeer mogelijk te maken. In 1993 werden zowel de spoorlijn als het wagenpark geheel vernieuwd, nu gebruik makend van diesellocomotieven. Tegenwoordig wordt de historische stoomlocomotief ‘Borkum’ weer regelmatig ingezet als toeristische trekpleister om de vele treinhobbyisten te plezieren.

Borkum is anders! Natuurlijk zijn alle Waddeneilanden anders en is het je eigen subjectieve voorkeur waardoor het ene eiland je meer aanspreekt dan het andere. Borkum is echter anders dan de Nederlandse eilanden door ‘een combinatie van een Duitse kuuroordcultuur, een nostalgisch stadsgevoel met de Borkumer Kleinbahn, en een unieke, pollen-arme zeelucht’. Toeristen kwamen al vroeg in de geschiedenis naar Borkum om er te kuren. Door de ligging, ver in de Noordzee, is de lucht vrij van pollen, wat het een ideale bestemming maakt voor mensen met allergieën. De gezonde zeelucht (met een hoog jodiumgehalte) zorgt er bovendien voor dat Borkum een perfecte plek is voor wellness en thalassotherapie. Dit laatste is een therapeutische behandelmethode die gebruikmaakt van helende elementen uit de (mariene) omgeving. Het is gebaseerd op het gebruik van verwarmd zeewater, algen, modder, zeelucht en zand. Dit heeft zeker een behoorlijke aantrekkingskracht, want we zien een hoog rollator gehalte om ons heen. 😉

We starten onze wandeling in Ostland om van daaruit terug naar Borkum-stad te lopen. We lezen dat Borkum oorspronkelijk uit twee afzonderlijke eilanden bestond, Westland en Ostland, die door een smal water van elkaar gescheiden waren. Door de bouw van een dam en de daarop volgende vorming van nieuwe duinen in het voormalige zeegat kwamen beide eilanden in 1860 aan elkaar vast te zitten. Vanaf toen was Borkum één geheel. Het ‘tussendoormeer’ (Tüskendörsee) onderweg vormt de oude scheidslijn.

Klinkers i.p.v. schelpen (RK)
Het is prachtig groen om ons heen (RK)

Grappig genoeg zijn de schelpenpaadjes, zo kenmerkend op ‘onze’ eilanden, hier vooral klinkerpaadjes. Aan weerszijden zien we veel bloeiende duinroosjes en geurende kamperfoelie. Het is echt prachtig groen om ons heen. Tegelijkertijd is het niet overal zo rustig vanwege vele fietsers die over dezelfde smalle paadjes willen als wij. We lopen dus meestal als een rijtje eendjes achter elkaar. Goed voor de innerlijke rust en de verdieping in jezelf zullen we maar zeggen! Lopend afstand nemen van de waan van de dag. Ik heb gelezen dat dit je tot je eigen kern kan brengen, wat verfrissend en verrijkend moet zijn. Je voelt dan weer wat er werkelijk toe doet en wat eigenlijk niet belangrijk is. Zou een dag of zelfs minder al voldoende zijn om werkelijk tot die kern te komen? Hoe dan ook, het is sowieso genieten. Zeker wanneer we na onze koffiestop verder lopen over het strand. 

De bevoorrading onderweg is dik in orde (RK)

Het strand is haast eindeloos breed met tussen ons en de zee een, naar het lijkt, nieuw opkomende duinenrij. Het is een strand dat om diverse redenen wordt bejubeld. Een Duits tijdschrift schrijft zelfs dat je bijna nergens ‘de lege accu’ beter kunt opladen dan op ‘de mooiste zandhoop ter wereld’. Door de grote afstand tot het vasteland heerst hier, zoals eerder gezegd, een uniek hoogzeeklimaat: arm aan pollen, zouthoudend en bijzonder weldadig voor de luchtwegen. Een wandeling langs de waterkant wordt hierdoor tegelijkertijd ook een gezondheidskuur. Altijd goed, toch?

Een opkomende duinenrij? (RK)
Een gezondheidskuur langs het strand (RK)

Naarmate we dichterbij ‘de bewoonde wereld’ komen, neemt ook het aantal activiteiten op het strand toe. Het blijkt dat dit stuk strand één van de meest uitgelezen strandzeil locaties van Europa is voor zowel beginners als profs. Als de wind goed is, kunnen de strandzeilers snelheden van wel 130 km per uur halen. Indrukwekkend!

Strandzeilers (RK)

We lopen de duinen over richting de strandpromenade die ons van bovenaf weer een andere blik op het Noordzeestrand geeft. Hier zie je opeens de zogenaamde ‘strandkorven’ op het strand zelf, terwijl aan de andere kant van de promenade een luxueus kuuroord opduikt. We wanen ons in een andere wereld. Het geheel doet mij denken aan een decor voor een Agatha Christie crimi. ‘Moord in een strandkorf’ klinkt zeker als een spannende mogelijkheid. De bonte verzameling van tentjes en korven, die schots en scheef door elkaar staan, geven het strand een heel eigen aanblik. Het zandstand zelf is wit. Volgens de eilandbewoners heel bijzonder. Zo zelfs dat je dit zand in een museum dichtbij kunt vergelijken met strandzand van over de wereld.

Vanaf de hoger gelegen wandelpromenade (RK)
Een bonte verzameling (RK)

Vol indrukken dwalen we even later door het stadje, waar het inmiddels behoorlijk druk is geworden, op zoek naar een terrasje voor een late lunch. Zo dichtbij en toch zo anders. Voor herhaling vatbaar, want we hebben b.v. nog geen vissershuisje met walviskaken gezien!

Op weg naar een late lunch (RK)

Drentse duinen

Jacobspad: Lieveren-Langeloërduinen-Norg

Eigenlijk is het merkwaardig om over duinen in Drenthe te spreken, toch? Bij duinen denk je immers vooral aan de natuurlijke (dus niet door mensen aangelegde) zandbergen langs de kust die ervoor moeten zorgen dat de zee het land niet binnen kan stromen. De zee is in Drenthe echter ver te zoeken! De ‘Drentse’ duinen zijn dus anders en worden ter onderscheiding ook wel landduinen of stuifzanden genoemd. ‘Een geducht natuurverschijnsel’, zo werden de stuifzanden ruim een eeuw geleden genoemd. In feite waren de zandverstuivingen (‘duinen’) echter meer het resultaat van het werk van de mens dan dat van de natuur.

De meeste stuifzanden ontstonden in de 18e en 19e eeuw toen vele tienduizenden schapen dagelijks de Drentse heidevelden afstruinden op zoek naar alles wat eetbaar was. Ook werden er regelmatig karrenvrachten heideplaggen gestoken om de mest te gebruiken voor de akkers. Het gevolg van dit alles was dat de heide op veel plekken verdween en het witte zand eronder vrij spel kreeg. In periodes van droogte en harde wind kregen deze zandverstuivingen de kans om flink te groeien.

Vanaf de 18e eeuw benoemden de boermarken (organisaties waarbij lokale boeren gezamenlijk verantwoordelijk waren voor het beheer van gemeenschappelijke gronden) ‘zandheren’ om de strijd tegen het zand te coördineren. Ze lieten aarden wallen tegen het oprukkende zand bouwen en er werden bomen en houtwallen langs de essen (met mest opgehoogde akkers) geplant om het zand vast te leggen. Pas in het begin van de vorige eeuw werden de zandverstuivingen echt bedwongen door het op grote schaal planten van vooral grove den. Tegenwoordig wordt er juist veel moeite gedaan om het stuifzand open en daarmee actief te houden, want zonder ingrijpen verandert het stuifzand snel in bos.

We zijn langzamerhand wel heel nieuwsgierig geworden naar dit duinlandschap! Ik lees in een column van Janny van der Heijden dat nieuwsgierigheid net is als zout? Een snufje brengt smaak, teveel bederft het gerecht en wie helemaal niet proeft, mist uiteindelijk waar het eigenlijk om gaat. Wij gaan proeven met smaak, want een smaakbeleving is tenslotte een dans van al je zintuigen!

We starten weer in Lieveren waar het op zondag een stuk drukker lijkt te zijn dan op een doordeweekse dag. We lopen over de Zuidesch richting Norg en vinden net buiten het dorp een heerlijk plekje voor ons eerste kopje koffie. Lekker in de zon aan een picknicktafel die met een grote ketting verankerd ligt aan een hunebed-kei. Zou dit een bescherming voor de wind of tegen vandalisme zijn? Onze logeerhond Nova doet alsof ze al een marathon achter de rug heeft en zakt heerlijk languit in het gras. Zelfs een slok water of een meegebracht hondenbrokje kan haar niet tot enige activiteit verleiden. Dat belooft nog wat ;).

Ook het Drenthepad gaat hier langs…….
Mooie paden, maar helaas voor Nova …..

Even verderop lopen we over het Oostervoortse Diep of Kleine Diep. Net ten zuiden van Lieveren vloeit het samen met het meer westelijk gelegen Groote Diep en wordt dan het Lieversche Diep genoemd dat verderop overgaat in het Peizerdiep. Het hele Drentse Aa gebied is eigenlijk een eeuwenoud landschap gevormd door diepen, diepjes, lopen en loopjes. Lange tijd was het Oostervoortsche diep vooral gericht op de landbouw. Het waterpeil moest laag blijven en daarvoor werd water uit de beek weggevoerd. Dit leidde tot problemen want in natte periodes werd het omliggende land te nat en in droge periodes liep de beek zo goed als leeg. Daar is, met de inzichten van nu, wat aan gedaan. Met het plaatsen of juist weghalen van kades, een speciale stuw, een gemaal en een waterwindmolen wordt tegenwoordig de waterberging verbeterd en de wateroverlast beperkt.  

Oostervoorste Diepje

Ons volgende dorp is Langelo. Net als veel andere dorpen in Drenthe, is Langelo zowel een brink- als een esdorp. Een brink was meestal een open stuk grasland (al dan niet met bomen) waar het vee gezamenlijk kon grazen. De es, oftewel het akkerland waar landbouw werd bedreven, bevond zich naast of rondom het dorp. Deze manier van landbouw en veeteelt beoefenen, stamt al uit de Germaanse tijd. Voorheen rondtrekkende stammen gingen zich permanent vestigen en werkten als gemeenschap samen op de gronden die bij hun dorp hoorden. Toen er steeds meer dorpjes ontstonden, begonnen de boeren in een dorp zich te organiseren om hun belangen en hun gronden veilig te stellen. Dit wordt de Boermarke of kortweg Marke genoemd. De bij een dorp behorende gronden werden op de grens afgezet met zogenaamde markestenen. Tijdens het lopen komen we zo’n grenssteen tegen. Een grote kei, waar nu heel modern een plaatje op is geplaatst. Vroeger was dit natuurlijk niet het geval, toen kenden de boeren de grenzen uit hun hoofd. 

De brink in Langelo
De grens

Langelo is één van de kleinste brinkdorpen van Drenthe. Zo’n 65 jaar geleden wist een lagere (basis)school meester zijn leerlingen al te vertellen dat ‘Langelo’ zoiets betekende als ‘langgerekte open plek in het bos’. Hoe hij aan die wijsheid kwam is niet duidelijk en ook niet hoe die open plek in het bos dan was ontstaan. Het is wel bekend dat er hier, al ver voor het begin van de jaartelling, landbouw voorkwam, waarbij de boerderijen onderdeel vormden van de ontginning. Dit wordt ook wel bosakkeren genoemd. De boerderijen gingen slechts 20 tot 30 jaar mee, waarna er een nieuwe boerderij vlakbij gebouwd werd. De plek van de oude boerderij werd dan weer in gebruik genomen als akkerland. Dit leidde er toe dat het oorspronkelijke loofbos een steeds opener landschap werd. Een dergelijk bos wordt ‘loo’ genoemd. Bijzonder toch? 

Mooi lijnenspel

Vervolgens lopen we door de Langeloërduinen, een eeuwenoud stuifzandgebied gevormd door mens en natuur. De naam verwijst naar het nabijgelegen Langelo, waarvan de boeren vroeger gezamenlijk gebruik maakten van dit gebied. Ze lieten hier hun schapen grazen, verzamelden hout of staken turf. Ooit was het gevolg een kale vlakte met stuivend zand, ontstaan door eeuwenlange overbegrazing, houtkap en turfwinning. De wind kreeg vrij spel en vormde glooiende duinen.

Herinnering aan het verleden

De begroeiing die je nu ziet, is het resultaat van herstel en beheer door de tijd heen. Wist je trouwens dat een zandverstuiving extreme temperatuurverschillen kent? Er is niets dat de warmte vasthoudt of koelte brengt. Op het heetst van een zomerdag kan de temperatuur vlak boven de grond waarden van rond de 50 graden bereiken, terwijl deze ‘s nachts weer tot op het vriespunt kan dalen. Onder deze omstandigheden kunnen slechts enkele soorten mossen en korstmossen aan de rand van de zandverstuiving groeien. Het beheer van dit gebied richt zich nu voornamelijk op ‘boomheide’: open bos van inheemse soorten met daaronder een kruidenlaag met vooral heide. De ontwikkelingsmogelijkheden van het bos worden echter beperkt door de versnipperde eigendomsituatie en de aanwezigheid van veel vakantiehuisjes. Al zien sommige van die huisjes er wel heel krakkemikkig uit ……. Toch is en blijft het een prachtig en zeer uitnodigend wandelgebied. We wandelen genietend over de zandpaden, tussen heide, bos en zandverstuivingen door, terwijl we her en der sporen van het verleden tegenkomen. Wat wil je nog meer? 

Uitnodigend wandelgebied
Eeuwenoude paden

In de verte zien we de kerktoren van Norg al opdoemen. Norg staat bekend als één van de best bewaarde esdorpen van Nederland. In de oudste vermelding (1139) van het bisdom Utrecht wordt het geschreven als Nurch. De verklaring voor de naam is waarschijnlijk dat het een afgeleide is van de richtingaanduiding ‘noord’, wat verwijst naar de ligging. De bisschop van Utrecht was niet alleen een kerkelijk leider, maar ook de wereldlijk heer van Drenthe. Norg was namelijk onderdeel van de ‘Norchse’ goederen, die de ridderfamilie ‘van Norch’ in leen had van de bisschop. De invloed van de bisschop in Drenthe nam af toen Karel V in 1528 de macht overnam, waarmee een einde kwam aan het bisschoppelijk tijdvak.

Veel lelietjes van dalen (symbool voor geluk en liefde) onderweg

De hervormde Sint Margarethakerk, ons einddoel van vandaag, herinnert nog aan de middeleeuwse geschiedenis. De verhalen over deze bakstenen kerk gewijd aan Sint Margaretha zijn voor een volgende keer. Al is het wel bijzonder dat deze dame in de derde eeuw in het ministaatje Antiochië, op de grens van het huidige Syrië en Turkije, leefde. Zij had zich al vroeg tot het Christendom bekeerd, tegen de wil van haar directe omgeving in, met als gevolg dat zij uiteindelijk werd onthoofd. Hierdoor werd zij een soort martelares die in de Middeleeuwen sterk werd vereerd, waardoor haar naam aan diverse kerken, waaronder deze, is verbonden. Waarom zij (van zover weg) hier zo belangrijk werd, maakt (mij) nieuwsgierig. Wordt vervolgd!

De Kleibosch

Jacobspad: Roderwolde-Lieveren


We starten vandaag bij de Jacobskerk in Roderwolde. Vandaar lopen we via Foxwolde en de Kleibosch verder langs de Scharenhulsedijk naar esdorp Lieveren, ons eindpunt van vandaag. Al met al een wandeling van zo’n 8 kilometer, wat al weer een beetje verder is dan de 6 km van vorige week. Het lopen is nog niet pijnvrij, maar het gaat steeds een beetje beter!

De brem staat volop in bloei

Qua weer zijn de voorspellingen ‘overwegend droog’, althans voor het noorden, al moet je zulke voorspellingen soms met een korreltje zout nemen ;(. We beginnen in ieder geval wel zonder paraplu (capuchon), maar houden dat niet lang vol. Een gestage miezer, die steeds feller naar beneden komt, maakt de wereld om ons heen langzaam maar zeker grauwer, grijzer en kleiner. Dit hadden we niet besteld! Gelukkig is het niet echt koud en staat er praktisch geen wind. Als is dat laatste misschien juist geen goed teken? Een (on)bekend Nederlands spreekwoord over regen in mei zegt: ‘Een natte mei geeft boter in de wei’, wat betekent dat regen in mei zorgt voor een goede grasgroei en dus een goede melkproductie. Dat moet ons ingedutte ‘boerenbloed’ toch een beetje aanspreken ;-D. Een ander citaat, toegeschreven aan Bob Marley, luidt als volgt: ‘sommige mensen voelen de regen, anderen worden gewoon nat’. Een beetje cryptisch, maar het geeft een perspectief over ons. Hoe wij, ieder voor zich, het leven ervaren. Het suggereert dat hoewel we allemaal vergelijkbare omstandigheden meemaken, onze innerlijke ervaringen enorm kunnen verschillen. Vind je nat worden alleen maar vervelend of voelt de regen als iets positiefs, biedt het nieuwe kansen? Misschien een beetje (te) diepzinnig voor de regen die wij nu ervaren?

Natgeregend……

Foxwolde is een klein buurtschap met een geschiedenis die teruggaat tot in de Middeleeuwen. Vanaf de hoger gelegen dijk alhier (een langgerekte zandrug in het veengebied boven Roden) begonnen mensen toen met de ontginning van het veen. In een oorkonde uit 1313 komt de plaats al voor onder de naam Fokeswolde. Wolde duidt op een bosrijke omgeving, terwijl Fokse kan slaan op een naam van een persoon (Fokke of Fokko) of op het roofdier vos, waarmee de naam verwijst naar een bos waarin vossen zaten. Waarschijnlijk was hier al in de vijftiende eeuw een zogeheten tichelwerk (een plek waar zowel klei gewonnen, verzameld en gebakkens werd) van het cisterciënzer klooster van Aduard. Ter plekke werden dakpannen en kloostermoppen in veldovens gebakken en vervolgens vervoerd via het Peizerdiep.  Hierdoor bleven zogenaamde kleidobben achter in het landschap, de oude winputten. Na verloop van tijd verboste het gebied, vandaar de naam Kleibosch. De potklei (zeer zware klei) is hier ontstaan in de Elster-ijstijd, bijna een half miljoen jaar geleden. Het landijs bereikte in die periode alleen Noord-Nederland en vormde diepe tunnel-dalen. In deze diepe dalen kon sediment langzaam bezinken en zo vormde zich de fijn gelaagde potklei afzettingen. Bij het smelten van het ijs bleef er fijne donkergrijze klei achter. Op sommige plekken ligt het potklei zelfs tot aan het maaiveld, zoals hier bij Foxwolde. Deze bijzondere klei zorgt ervoor dat de grond slecht waterdoorlatend is, waardoor het gebied in het voorjaar erg nat kan zijn. Tal van uitgegraven kleidobben en restanten van oude kanaaltjes herinneren aan de industriële bedrijvigheid van toentertijd. Met de verwoesting en opheffing van het klooster van Aduard aan het einde van de 16e eeuw kwam een einde aan de bloei periode. Wat wij nu lijken te herkennen als ‘kolken’ (diepe watergaten ontstaan door vroegere dijkdoorbraken) zijn dus waarschijnlijk oude opgravingsputten of kleidobben.

Uitleg onderweg
Aan informatieborden geen gebrek

De huidige boerderij ‘Tichelwerk’ is gebouwd op een verhoogde huisplaats (wierde) waar ooit een vaste ticheloven met enkele huizen heeft gestaan. Het eigendom van het huidige Tichelwerk was in de 16e eeuw in de handen van het klooster van Bergum en daarna van de familie van Ewsum. Deze familie was een invloedrijk adellijk geslacht (jonkers) in de late Middeleeuwen, afkomstig uit de Ommelanden van Groningen. Door haar machtspositie en bezittingen heeft de familie een blijvende stempel gedrukt op het Groninger landschap en de geschiedenis.

Het vee dat hier wordt geweid, bestaat voornamelijk uit Groninger blaarkoppen, ‘een dubbeldoelrund gekenmerkt door een solide bouw, mooie verhoudingen en een gepaste bespiering’. In andere woorden: een vlees-melkkoe (60%-40%), egaal zwart of rood van kleur met een witte kop en gekleurde kringen rond de ogen; de blaren. Geen ‘gewone’ koe, maar een heel oud Gronings ras. Vroeger stonden ze overal in de Groningse weilanden. Tegenwoordig zijn ze schaars en behoren ze net als ‘onze’ bonte bentheimers (varkens), de Nederlandse toggenburgers (geiten) en de Groninger meeuwen (kippen) tot levend erfgoed. Ze worden ook wel ‘polderpanda’s’ genoemd. Vanwege de blaren rond de ogen, maar ook omdat ze zo lief en onschuldig zijn. Blaarkoppen zijn rustiger dan veel andere koeienrassen en daardoor makkelijker in de omgang. 


Polderpanda’s

Volgens een beschrijving is De Kleibosch aan het eind van de winter of vroeg in het voorjaar vaak bedekt met bloeiende bosanemoontjes (Anemone nemorosa). De witte bloemen staan zo dicht bij elkaar dat je zou kunnen denken dat er nog plakken sneeuw in het bos liggen. Ze bloeien echter maar kort, net voordat de bladeren aan de bomen komen, dus we hopen dat we deze weelde tijdens onze wandeling vandaag nog kunnen zien……..

Bloeiende bosanemoontjes in De Kleibosch (foto internet)

Helaas zien we de bosanemonen niet, wel heel veel pluisbollen van de paardenbloem. Mooi om te zien in zulke grote hoeveelheden. Wist je trouwens dat de knalgele paardenbloem vaak wordt vergeleken met de zon en symbool staat voor de vervulling van wensen en het uitkomen van dromen? De pluisjes van de paardenbloem brengen je geluk en helpen je herinneren dat niets onmogelijk is in jouw leven; dat je alles kunt bereiken wat je wilt. Met zo’n verhaal kijk je toch met andere ogen naar deze weidebloem die wij vaak meer zien als onkruid in eigen tuin. Omdat de paardenbloem belangrijk is voor insecten en vlinders en daarmee ook voor de vogels, moet je de bloem juist in je tuin laten staan. Tijd voor een herwaardering?

Goed voor de biodiversiteit 😉
Tijd voor een herwaardering?

Inmiddels zijn we in de buurt van Lieveren. Het is een esdorp, dwz een historisch type nederzetting op zandgronden, ontstaan in de Middeleeuwen en gekenmerkt door een geconcentreerde dorpskern, een gemeenschappelijke akker (de ‘es’) en een centrale brink. Er zijn hier zelfs restanten gevonden uit de IJzertijd bij het huidige Lieversche diep. Dit komt omdat een belangrijke verbindingsroute door Drenthe, de Koningsweg (Hereweg), bij Lieveren een doorwaadbare plek in het Peizerdiep had. In 1480 duikt voor het eerst de naam Tho Liveren op. De naam is vermoedelijk afgeleid van ‘bij de lieden van de familie Livere’, een familie die er destijds woonde.

Het laatste stuk vlak voor Lieveren

‘Melksikken’ is een historische schimpnaam voor de inwoners van Lieveren, die verwijst naar de vele kleine boeren die daar werkzaam waren. Deze boeren hielden vaak maar één of enkele koeien, ook wel bekend als ‘arbeiderskoeien’, om in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Het was beslist geen vetpot!

Wilde knoflook langs de kant van de weg

Lieveren is ook nu nog een klein dorp met zo’n 250 inwoners. Het café, ’t hart van Lieveren,’ is nog zo ongeveer de enige voorziening en een bekende plek midden in het dorp. Een vroegere boerderij met een in 1890 toegevoegd cafe. Inmiddels is het schuugedeelte geheel tot woonhuis verbouwd en is het woonhuis volledig in gebruik als cafe. Een gevonden beschrijving geeft een idee: ‘Echt woar luu ik stapde noar binnen en t was asof ik tig joar trugge in tied ging. Waaiers boven toneelpaneeln, karpettn op toafel, olle cafébiljart, grode stamtoafel, caféstouln dei joe veurvast bekend veurkomen en zwaart wit fotoos van verainns aan de muure. Je moutn dr noit hengoan as je hoast hebben, t is n kroeg, cafe woar je zen wordn, zulfs ik….’

’t hart van Lieveren

Groene oasen (Jacobspad)

Jacobspad: Stadspark-Piccardthof-Onlanden

De omschrijving van een oase is in dit geval ‘een rustige plaats met veel groen’. Deze bijzonder plekken vormen vandaag de rode (groene) draad van ons wandeling. Voor de pelgrims onder ons geeft zo’n groene oase een heel andere manier van rust dan het bidden in een kerk, getuige een pelgrimsverslag. ‘De stad achter me gelaten, een verademing op zich! Het lijkt wel of de groene oase me roept. Eén met de natuur en één met mezelf. Langzaam maar zeker vertraag ik naar mijn natuurlijke ritme. Langzaam maar zeker dwaal ik af, weg van de hectiek en dagelijkse gewoontes’ (Jacco Evers). Mooi toch?

Misschien met zo’n beeld voor ogen? (RK)
Of dromeriger zoals hier? (RK)

De eerste ‘oase’ voor ons is meteen het grootste groengebied van de stad; het Stadspark. De eerste plannen voor een groot stuk groen stammen uit het begin van de 20ste eeuw op initiatief van industrieel Jan Evert Scholten. Het doel was een park te creëren dat zich zou kunnen meten met de grote, destijds bekende parken van Wenen, Berlijn, Amsterdam en Den Haag. Op dit gebied boden de al bestaande parken in de stad, het Sterrebos en het Noorderplantsoen, naar zijn idee onvoldoende mogelijkheden.

Een visie (RK)

Jan Evert Scholten (1849-1918) woonde in Groningen. Hij erfde een fortuin na zijn vader’s dood in 1892 en werd daarmee één van de meest vermogende mannen in Nederland. Hij zat zelf echter ook niet stil. Hij zette het vaderlijk bedrijf, het Scholten-concern, voort en breidde zijn industriële en zakelijke activiteiten verder uit. Hij liet in 1873 ‘buitenhuis’ Villa Gelria bouwen aan de Verlengde Hereweg. Hij bezat al, vanaf 1881, een woonhuis aan de Grote Markt; het Scholtenhuis. Dit statige pand aan de Grote Markt werd aan het einde van de 19e eeuw in opdracht van zijn vader Willem Albert Scholten gebouwd. In WOII werd het echter het hoofdkwartier van de regionale afdeling van de Sichterheitsdienst (SD). Het pand werd toen berucht om de vele martelingen die er plaatsvonden en werd daarom wel ‘het voorportaal van de hel’ genoemd. Scholten gaf ook een belangrijke aanzet voor de toeristische ontwikkeling van het Paterswoldsemeer. Zo bouwde hij in 1908 buitenhuis de Paalkoepel, richtte hij in 1912 van de Watersport Paterswolde op, liet hij in 1916 de Meerweg asfalteren en bouwde hij in 1917 de Buitensocieteit, het clubhuis van de zeilclub.

De erfenis van Scholten met de klok mee: de Paalkoepel, het grafmonument van de familie Scholten, het Stadspark (met een optreden van Sting) en Villa Gelria (DvhN 2023)

Tussendoor schonk hij de Stadjers, in 1913, een grote lap grond van 140 hectare met als doel: een openbaar park waar iedereen terecht kon voor sport, plezier en ontspanning. De ontwikkeling van het park heeft daarna toch nog heel wat voeten in de aarde gehad. Landschapsarchitect Leonard Springer (Springervijver in het park) werd ingevlogen om het geheel vorm te geven. Samen bedachten ze een plan om het braakliggende terrein om te toveren tot bijzonder natuurpark, geheel in Engelse landschapstijl. 

De toegang tot……. (IK)
De toegangstunnel is verrassend (RK)
Beide kanten van de toegangstunnel zijn bijzonder (IK)
Verderop veel graffiti (IK)
Oefening baart kunst, maar het wil nog niet zo lukken 🥴 (RK)

Aan de westkant kwam een gedeelte met een grote vijver en een paviljoen, wat ook dienst kon doen als tentoonstellingsruimte en/of een ruimte voor openbare bijeenkomsten. In het midden kwam een renbaan met een grasveld en aan de oostzijde een gedeelte met sportvelden en een ijsbaan. Uiteindelijk zijn alle ideeën gerealiseerd en kon de officiële opening in 1926 plaatsvinden.

Een moeder met kind in het gras bij het splinternieuwe Stadsparkpaviljoen, ca 1926 (Groninger Archieven)

Als eerbetoon is er in 1931 een monument voor Scholten geplaatst aan de Concourslaan, een prominente plek in het park. Boven op een kalkstenen muur staat een bronzen buste van Jan Evert Scholten die met een trotse het Stadspark inkijkt. Uit de muur waarop de sculptuur staat, zijn twee kinderfiguren in sportkleding gehouwen: een meisje met knotsen en een jongen met een discus. De bronzen plaquettes ernaast tonen een paard met een veulen en een paard met kar en wagen. Deze verwijzen naar de paardenfokkerij en de drafsport, twee liefhebberijen van Scholten. Op de hoeken van het monument zijn de wapens van Stad en Ommelanden aangegeven.

Het Scholten monument (RK)
Om de details wat beter te zien 😉 (IK)

Grappig genoeg lijkt de vlag van de Ommelanden veel op de Friese vlag. Dat blijkt ook wel te kloppen! Als gevolg van een gemeenschappelijk verleden lijken de vlaggen inderdaad op elkaar. Even nalezen leert dat de vlag van de Ommelanden gebaseerd is op het Ommelander wapen uit het laatste kwart van de 16e eeuw. De Ommelanders waren in die tijd in oorlog tegen de Spaanse koning Filips II (80-jarige oorlog). Mogelijk hebben ze daarom willen verwijzen naar de legendarische ‘Friese Vrijheid’, want de Friezen bestuurden zichzelf gedurende een groot deel van de Middeleeuwen en horigheid (dienstbaarheid aan een heer) kwam er niet voor. Het is wel goed om je daarbij te realiseren dat Friesland toen groter was dan de huidige provincie nu. Het hele Noord-Nederlandse en Noord-Duitse kustgebied werd aangeduid als Frisia, de Groninger Ommelanden dus ook. In wapenboeken verschenen vanaf de 15e eeuw afbeeldingen van wapenschilden van legendarische Friese koningen, zoals Redbad (Radboud) die waarschijnlijk leefde van 680 – 719. Hij stond in de vroege middeleeuwen bekend om zijn bijdrage aan het in leven houden van ‘de vurige Friese cultuur’.

De oudste afbeelding van het Ommelanden wapen ca 1590 (internet)

De Ommelander heren kozen voor een variant met drie blauwe schuine balken en elf rode harten, ook wel ‘waterroosplomben’ genoemd. De drie balken staan voor de drie Ommelanden Hunsingo, Fivelingo en Westerkwartier, de elf harten symboliseren de elf deelgebieden van de Ommelanden. De Friezen, dat wil zeggen de bewoners van de huidige provincie Friesland, hadden ondertussen voor een geheel ander wapen gekozen: twee gouden leeuwen op een blauw veld. Pas in 1830 werd het oude wapen van Redbad herontdekt en aan het eind van de 19e eeuw wapperde voor het eerst de hierop gebaseerde Friese vlag met de 7 rode ‘pompeblêden’ (een verwijzing naar de 7 historische gebieden waar de Friezen leefden). De Friese vlag is inmiddels veel bekender  geworden dan de Ommelander vlag, want tegen het veelvuldig gebruik in reclames kan een meer dan driehonderd jaar oudere geschiedenis niet op.

De provinciewapens van Friesland, Groningen en Drenthe op het voormalig onderkomen van het Nieuwsblad van het Noorden aan het Gedempte Zuiderdiep in Groningen (internet)

Leuk om zo lopend en genietend weer meer te leren over een stukje Groninger geschiedenis. Genieten is het zeker, want het is alweer lang geleden dat we zo in het Stadspark zijn geweest. 

Bijna vanaf het terras van het paviljoen (RK)
Wat is het aanzicht van het paviljoen veranderd…… (IK)

Aan de andere kant van de A7 ligt het Piccardthof, een volgende groene oase. Omstreeks 1938 werd in Groningen de Bond van Volkstuinders opgericht, die het gemeentebestuur vroegen een volkstuincomplex mogelijk te maken. In 1942 resulteerde dit in de oprichting van het complex door enkele stad-Groninger notabelen, waaronder Jan Hendrik Herman Piccardt, naar wie het volkstuincomplex is vernoemd. Piccardt vond het belangrijk dat mensen uit de stad een plek hadden waar ze hun eigen groente konden verbouwen en tussen het groen konden verblijven. De vereniging is ooit begonnen als moestuinen complex en later zijn daar de siertuinen bijgekomen. De nadruk ligt op tuinieren met respect voor de natuur. Zo bevinden zich op het terrein o.a. ook een vlindertuin, een bloementuin, een bloemenweide, een paddenpoel en een bijenstal. In 2009 ontving de Piccardthof de hoogste onderscheiding voor natuurlijk tuinieren. Het ruim 18 hectare grote gebied met meer dan 300 tuinen wordt beheerd door een Amateur Tuinders Vereniging.

Hier wonen veel ‘liefhebbers’ (IK)

Wij lopen er even binnen om een indruk te krijgen. Het is hier heerlijk rustig met overal bloeiende bloemen en veel groen. Haast jammer dat ons pad niet dwars door dit gebied gaat, maar er net langs. Alhoewel ook ‘onze’ weg is zeker de moeite waard met  hoge bomen aan beide kanten en een zandpad in het midden. We lopen eigenlijk, midden in de natuur en tegelijkertijd vlak langs Eelderwolde.

Het wordt al een beetje herfstig (IK)
Terwijl wij het zandpad oplopen, slaan zij af (RK)

Over de brug buigen we af naar de Madijk, de begrenzing van de Onlanden. De term onland wordt gebruikt voor woeste grond die vrijwel onbruikbaar is of was voor agrarisch gebruik. Het gebied wat we nu betreden, was oorspronkelijk een laaggelegen binnendelta tussen het Drentse zand en de Groningse zeeklei, waar vanaf het Drentse zandplateau de Drentse Aa en het Eelder- en Peizerdiep het gebied in stroomden. Nadat er in 1998 veel wateroverlast was en een aantal stadswijken van de stad Groningen dreigden te overstromen, is er besloten om het gebied om te vormen tot een waterberging. Hierdoor ontstond een natuurgebied van zo’n 2500 hectare. Het project kreeg de mooie en veelzeggende naam: ‘natte natuur voor droge voeten’. We komen hier al jaren en zien het ook elk jaar mooier, wilder, ruiger (welke term je ook wilt gebruiken) worden met een grote en toenemende diversiteit.

Een blik vanaf de Madijk (RK)

We sluiten onze wandeling van vandaag af bij de Onlanderij; de poort tot de Onlanden. De volgende keer lopen we verder door deze oase. Misschien ook met een gedachte zoals die van Jacco Evers: ‘de tocht geeft me alles wat ik nodig heb, vooral de stilte laat me dieper en dieper ademen.’

Het regent….zonnestralen (Jacobspad)

Jacobspad: ‘photo walk’ Groningen (stad)

Het is deze dagen erg wisselvallig weer, waarbij enorme regenbuien afgewisseld worden met haast letterlijk ‘een regen van zonnestralen’. Het refrein van het nummer ‘het regent zonnestralen’ (Acda en De Munnik) betekent eigenlijk heel wat anders, maar het doet mij denken aan het weer van vandaag als ik om me heen kijk en de zonnestralen door de dikke donkere wolken in banen omlaag zie stralen.

We besluiten een ‘photo walk’ door de stad Groningen te maken. Dit onderdeel van het Jacobspad is tenslotte te leuk om over te slaan en bovendien staat de stad bekend om haar bijzondere historische kerken, die al eeuwenlang de skyline van de stad bepalen. Daarnaast zijn er nog de vele hofjes en gasthuizen, zoals b.v. het Jacob en Annagasthuis uit 1494, genoemd naar de heilige Anna (moeder van Maria) en de heilige Jacobus.

Een gasthuis is het Groningse equivalent van wat in andere steden vaak een hofje of een convent wordt genoemd. In de Middeleeuwen was een gasthuis vooral een huis waar zieken (pestlijders), armen en pelgrims werden opgevangen. De verhalen over de pelgrims van vroeger zijn bekend. Waarom ze op reis gingen, was vaak wel duidelijk, waarbij boetedoening één van de belangrijke redenen was. Wanneer je iets verkeerds had gedaan en je bleef daarmee doorlopen, dan kon je zomaar (na je dood) in het hellevuur komen en gemarteld worden door allerlei afgrijselijke duivels. Je kon dit echter als het ware afkopen door een pelgrimsreis te maken en onderweg alle mogelijke heiligen aan te roepen. Eenmaal in Santiago kon je je dan tenslotte rechtstreeks tot Jacobus te wenden en daar had je heel veel voor over. Je kon natuurlijk ook op (pelgrims)reis gaan, wanneer je iets heel graag wilde, zoals b.v. een genezing of een kind. Je hoorde toen zoveel wonderverhalen, dat een pelgrimstocht absoluut tot de mogelijkheden behoorde in een poging om zo’n diepe wens te vervullen. Tenslotte had je nog die pelgrims die bij een veroordeling als straf naar Santiago werden gestuurd. Ik heb gehoord dat er voor verschillende misdrijven bijbehorende straffen stonden. Voor diefstal, voor overspel en voor moord respectievelijk 1, 2 of 3 jaar op pelgrimage. Dan waren ze er in ieder geval mooi een tijdje vanaf. Zowel een biechtvader kon een bedevaart als boetedoening opleggen, de uitvoering was dan een voorwaarde voor vergeving, als ook een wereldlijke rechter. Er zat wel altijd een element van fysieke beproeving in; een lange afstand, blote voeten etc. Hoe het ook zij, in de stad was het voor een pelgrim vast en zeker geen probleem om een goede slaapplaats te vinden.

De wandeling voert ons van de Reitdiepskade, over de Visserbrug (waar nu tijdelijk een noodbrug ligt) naar de Noorderhaven en via de Vijfde Drift, het Gasthuisstraatje, De Laan, de Uurwerkersgang naar het Academiegebouw, waar we bij Mr Mofongo op het terras genieten van een cappuccino met iets lekkers erbij. Hoewel de lucht steeds donkerder wordt, blijft het (voorlopig) droog.

Aan de Visserbrug wordt gewerkt! (IK)
Vanaf de noodbrug een kijkje richting de A-Kerk (RK)
Noorderhaven (RK)
Een eerbetoon aan de vrouwen die het beeld van het A-kwartier bepaalden – en nog steeds bepalen – maar die niet met hun naam de geschiedenis in gaan.’ (IK)
Gasthuisstraatje met Jacob en Annagasthuis (IK)
Academiegebouw RUG (IK)
Een traktatie (RK)

We lopen verder door de Rode Weeshuisstraat, via de Oude Ebbingestraat naar de Jacobijnerstraat en Kattenhage om uit te komen in de Prinsentuin. Net op tijd want de hemelsluizen openen zich fel en krachtig. Hoewel de loofbogen (of berceaus) niet echt afdoende zijn als bescherming, vangen ze voor ons wel de ergste regen op.

Op de binnenplaats ven het Rode- of Burgerweeshuis (IK)
Mooie gevels Oude Ebbingestraat (IK)
Ingang Prinsentuin (IK)
Loofboog of berceau om te schuilen (RK)

Het is gelukkig snel weer droog en we vervolgen onze wandeling via de Turfstraat naar de Gardepoort van het Martinikerkhof. Tot nu toe is het echt genieten van mooie stukjes stad.
Het wordt tijd om de nieuwste aanwinst van Groningen, het Forum, in de wandeling op te nemen. Overal om ons heen zien we mensen die familie of vrienden ‘hun’ stad van bovenaf laten zien. Ook voor ons is het telkens weer verrassend, helemaal als we d’Olle Grieze’ in de wolken weerspiegeld zien. Een uniek plaatje!

Duidelijke sporen uit het verleden (RK)
Het hart van de stad (RK)
Panorama over de stad vanaf het Forum dak (RK)
Weerspiegeling in het glas (RK)

We zijn alweer op de helft van onze ‘foto-loop’ en tot zover gaat het goed zowel met mijn knie als met mijn fototoestel. Allebei belangrijk nietwaar? In de Oosterstraat doen we even snel een paar boodschappen voor onze diverse projecten en slaan dan af naar de Papengang waar aan weerszijden van de smalle steegje prachtige muurschilderingen zijn aangebracht. ’s Avonds wordt het straatje tegenwoordig ook goed verlicht, waarmee het een echte aandachtstrekker is geworden; van smoezelig steegje tot aantrekkelijke achterafstraat. We komen uit in de Peperstraat, waar zich het oudste gasthuis van de stad bevindt: het Pepergasthuis (of Geertruidsgasthuis) gesticht in 1405. Het werd genoemd naar Sint Geertruid, de beschermheilige van pelgrims en reizigers. Een verstilde plek midden in het drukke centrum. 

Kunst in de Papengang (IK)
Vlakbij de Peperstraat (IK)
Binnen de poort van het Pepergasthuis (RK)

Via de Steentilstraat komen we uit op de Rademarkt en de daarbij behorende Radesingel. Hier ook weer een gasthuis (Anthony gasthuis) met daar tegenover de st. Jozefkerk. De officiële naam van de kerk is overigens de Kathedrale kerk van de H.H. Martinus en Jozef. Voor de ligging van deze katholieke kerk werd gekozen voor de zuidoostkant van de stad omdat hier net een wijk in aanbouw was (de Oosterpoort), speciaal voor arbeiders. Vandaar dat de kerk werd genoemd naar St. Jozef, timmerman en patroon van de werklieden. De bijnaam van de toren is dronkemanstoren omdat door de zeshoekige vorm vanuit elke positie twee klokken zichtbaar zijn.

De dronkemanstoren (IK)

Via de singels lopen we naar het Groninger museum voor een lunch en passen we onze wandeling nadien weer een beetje aan om langs en door het verbouwde station te lopen. Het wordt beslist grootsteeds al is het nog niet helemaal klaar.

Bekend o.a. om het kleurrijke gebouw (IK)
Stukje geschiedenis in de centrale hal van het station (IK)
Het peerd van Ome Loeks’ mag natuurlijk niet ontbreken (RK)

Rest ons nog de Ganzevoortsingel en de Museumbrug, waarmee we aan het einde zijn gekomen van een foto loopje door de ons al zo bekende stad. Grappige ontdekking (voor ons) is dat er aan het begin van de Ganzevoortsingel een Russisch-Orthodoxe kerk staat. Deze parochie in Groningen is in ons land een van de zes Russisch-Orthodoxe kerken (inclusief twee kloosters) onder de Moskouse jurisdictie. Deze kerk is gevestigd in een historisch pakhuis uit 1896 dat gebruikt werd voor de opslag van pinda’s. De voorgevel valt op door drie mozaïeken: rechts een afbeelding van Christus, links de Moeder Gods en boven de ingang een kruismozaïek met twee duiven en de Griekse letters Alfa en Omega, de eerste en de laatste letter van het klassieke Griekse alfabet. In bijbelboek Openbaring zeggen zowel God als Christus ‘Ik ben de Alfa en de Omega.’ Oftewel: ik ben het begin en het einde. Bijzonder toch?

Russisch-Orthodoxe kerk

Toelichting bij de titel:
‘Oh, oh, oh, even rustig ademhalen
Oh, oh, oh, lijkt of het regent als altijd
Maar het regent en het regent zonnestralen’
(Refrein ‘het regent zonnestralen’ van Acda en De Munnik)

In dit nummer blijkt dat Herman heeft besloten zijn hart te volgen. Dezelfde Herman zit een paar dagen later op een terras in Frankrijk. Iedereen denkt dat hij overleden is doordat de man die zijn auto gekocht heeft een ongeluk heeft gekregen. Herman kan eindelijk toch zijn dromen achterna.