POËTISCH WANDELEN

Na de kou en de regen van de afgelopen dagen lijkt de lente nu eindelijk een aanvang te nemen. Hoewel het (nog maar) 16 graden is, schijnt de zon warm aan een strakblauwe hemel. Een ideale dag om een start te maken met een lange afstandswandeling. We hebben voor het Drenthepad gekozen omdat het zo makkelijk is vanuit huis. We willen ons avontuur starten met de etappe Veenhuizen-Broekdijk en daar aansluitend Broekdijk-Norg aan vastplakken. Samen een royale 10 km zoals later zal blijken. Ideaal met aan beide kanten zowel parkeergelegenheid als een ‘koffiekopje’. We laten onze fietsen achter in Norg en rijden verder naar Veenhuizen, waar we vlakbij het gevangenismuseum parkeren.

  • foto: IK – deze dubbele woning is in gebruik geweest als post van de Rijkspolitie.

Dit museum vertelt verhalen over verpaupering, misdaad en straf en dat is ook waarom Veenhuizen, ook tegenwoordig nog, bekend is. We lopen langs huizen met prachtige namen als ‘Toewijding’, ‘Bitter en Zoet’ en ‘Vertrouw op God’, wat respectievelijk een voormalig doktershuis, een voormalige apotheek en een voormalig ziekenhuis waren. Al  deze namen geven het unieke verleden van Veenhuizen weer. Er waren honderden dienstwoningen voor alle rangen en standen. Zo woonden de hoofdonderwijzer b.v. in ‘Orde en Tucht’ en de winkelier in ‘Zorg en Vlijt’. Hoe grappig dit misschien ook klinkt, Veenhuizen blijft vooral het imago houden van een gevangenisdorp, al wordt het vandaag de dag misschien meer bekeken vanuit een toeristisch oogpunt. Hoe is dit allemaal zo gekomen? Oorspronkelijk (in 1820) werd besloten een stuk grond rond het buurtschap Veenhuizen te kopen om een strafkolonie in te richten. De Maatschappij van Weldadigheid, die in 1818 was opgericht met het doel de armoede te bestrijden, bleek minder succesvol dan gehoopt. ‘Het tewerkstellen van onbenutte krachten op onbenutte grond’ resulteerde in de zogenaamde ‘vrije’ koloniën in o.a. zuidwest Drenthe, waar mensen op basis van vrijwilligheid naartoe gestuurd werden. Het idee erachter was om ‘de kolonisten in toom te houden door te zorgen dat ze het goed hebben, maar tevens dat zij strikt doen wat hun wordt voorgeschreven.’ Dit gaf echter onrust en verzet, waarop het plan voor de drie ‘gestichten’ in Veenhuizen ontstond, waar in eerste instantie vondelingen en wezen, maar later ook dronkaards en landlopers (gedwongen) werden ondergebracht in kazerneachtige gebouwen omgeven door een gracht en afgesloten met een ophaalbrug. Veenhuizen werd daarmee een wereld op zichzelf. In 1843 werden de gestichten voor de wezen gesloten en van 1845 tot 1886 werden in Veenhuizen gerepatrieerden uit Nederlands-Indië opgevangen die besmet waren met lepra. In 1859 werden de bedelaarsgestichten overgenomen door de rijksoverheid en omgevormd tot strafinrichtingen. Voor het gevangenispersoneel werd een klein dorp, om de inrichtingen heen, gebouwd. Pas sinds 1981 is er vrije toegang tot het dorp. Voor die tijd was het dorp verboden voor niet-gevangenispersoneel. We laten al deze informatie tot ons doordringen terwijl we langs de ‘Tuinen van Weldadigheid’, waar nu heel bijzondere (oude) groenten- en fruitrassen worden verbouwd, naar de begraafplaats (ook wel het vierde en laatste gesticht genoemd) lopen.

  • foto: RK – ooit een deel van iets groters?

Deze begraafplaats bevindt zich ongeveer twee kilometer buiten Veenhuizen op een wat hoger gelegen terrein, omdat op de oorspronkelijke begraafplaatsen bij de protestantse en katholieke kerken het grondwater al op circa 50 tot 80 centimeter diepte bereikt werd. Maatregelen om deze terreintjes te irrigeren werden te kostbaar gevonden. Op de  begraafplaats zijn verschillende vakken met overledenen te vinden. De ‘verpleegden’ (de bewoners) werden apart begaven, gescheiden van de ambtenaren. Ook protestanten en rooms-katholieken werden apart van elkaar begraven. In het begin werden de doden in naamloze graven begraven, later kwam hier verandering in en werden er ook bordjes bij de graven geplaatst. We zien ook graven van Belgische vluchtelingen uit WOI. Voor hen was Veenhuizen een opvangcentrum. Links in het midden verlaten we de begraafplaats weer langs een wit geschilderd ijzeren sierhekje. Ooit onderdeel van een groter geheel?

  • foto: IK – het lijkt wel wadlopen…….

We lopen door een prachtig natuurgebied. Ondanks het feit dat de geelrode wegwijzers over het algemeen goed zijn aangegeven, raken we hier toch de weg kwijt. Volgens het kaartje moeten we, over ‘een opstapje, knuppelpad en bruggetje diagonaal het weiland over tot aan de greppel’. Vandaar zijn we bijna bij ons eindpunt van het eerste stuk, zandweg Broekdijk. Hoewel het eerste stuk nauwelijks begaanbaar is, heel dicht langs schrikdraad en erg moerassig, zien we in de verte inderdaad het welbekende teken. Dit lijkt toch de juiste weg. Het opstapje over en we arriveren bij het genoemde bruggetje waarvan de ene kant weggezonken in het water ligt. Klopt dit wel? We lopen met een oud boekje als gids en zijn de enige wandelaars in de verre omtrek. Toegegeven op het eerdere stuk zijn we ook niet veel mensen tegengekomen, maar we wanen ons nu wel echt ‘alleen op de wereld’. We lopen nu door het ruige Hulsebosch, voeger Hollands Siberië genoemd, vanwege haar ongereptheid? Wij kunnen amper een pad vinden. Ik lees later dat dit een typisch gebied is waar grote Galloway koeien de begroeiing in toom moeten houden. We zien ze niet, maar de grote gaten die ze in het veen hebben achtergelaten wijst er wel op dat dit kan kloppen. We moeten goed uitkijken waar we lopen, niet alleen vanwege de gaten, maar ook vanwege het vele water. De ijdele hoop om droge voeten te houden moeten we resoluut opgeven. We zwoegen tot halverwege onze kuiten door de blubber, een associatie met wadlopen is duidelijk aanwezig! Dit beekdal, De Slokkert, schijnt ook ideaal te zijn voor zogenaamde ‘stilte-wandelingen’, want echte stilte is immers steeds zeldzamer en mogelijk daarom zoveel waardevoller geworden. Hier is deze stilte zeker nog te vinden. Volgens de site is het is ‘een uitgestrekt, vrij leeg gebied bestaande uit weidse verwilderde graslanden, waar koeien en Galloways grazen en waar vogels en reeën ongestoord hun gang kunnen gaan. Vaak is het alleen de wind die je hier hoort of wordt de stilte doorbroken door vogels. Kortom een ideale plek voor een stiltewandeling en een stukje mindfulness’. Het is hier zeker stil, we zien vlakbij ons een ree die ons lijkt te observeren en we horen talrijke vogels………..’in het laten varen van onze perceptie ontstaat ruimte om op een andere manier waar te nemen’.

  • foto: RK – droge voeten kunnen we verder wel vergeten

Met de aankomst op Broekdijk zijn we weer op droge grond aangekomen. We soppen genoeglijk verder op zoek naar een rustpunt. Een dikke boomstam biedt uitkomst. Hier ontmoeten we andere wandelaars, die duidelijk een iets andere route lopen. We moeten dus toch maar een nieuwer boekje aanschaffen ;). Het is werkelijk heerlijk weer en alles om ons heen groeit, bloeit en bruist van het leven. We genieten van de vogelgeluiden en het uitbundig bloeiende fluitenkruid. Elk jaargetijde heeft haar eigen charme, maar het voorjaar is toch wel heel mooi met al die intense kleuren. De Chileense dichter Pablo Neruda (1904-1973) zei ooit: ‘ook al zouden we alle bloemen plukken, de lente zullen we niet kunnen tegenhouden’. Dat gevoel dus. We zijn op weg naar Westervelde, een klein esdorp waar de huizen typerend in een cirkel rond de brink (open ruimte) staan. De naam wordt verklaard als een aanduiding van de windstreek -‘wester’ – en open vlakte of heide – ‘veld’. We lopen langs een soort theehuisje, wat een tuinkoepel blijkt te zijn behorend bij Huis te Westervelde, het meest historische pand van het dorp. Het huis is plaatselijk meer bekend als de Tonckensborg of het Tonckenshuis, naar de familie die er al vanaf de 18e eeuw woonachtig is en nog steeds woont. Bijzonder! Ernaast ligt het historische pand De Jufferen Lunsingh. In het  oorspronkelijke huis, het gedeelte waar nu de ‘Cognackamer’ en de keuken zijn, woonden van 1724 tot 1780 vijf vrijgezelle zusters: de jufferen Lunsingh. Toen de laatste zus in 1780 overleed, ging het bezit over op de kinderen van hun enige getrouwde zus. In het begin van de negentiende eeuw kwam de boerderij in het bezit van de welgestelde notaris en burgemeester Johannes Tonckens door diens huwelijk met een erfgenaam Lunsingh. Tegenwoordig is het een zogenaamd ‘landhuishotel restaurant’ waarin veel details bewaard zijn gebleven. Net  buiten Westervelde ligt het hunebed D2. Het is een portaalgraf, wat wil zeggen dat het is gemaakt met zowel draag- als sluitstenen aan de uiteinden en is afgedekt door dekstenen. D2 is gebouwd tussen 3400 en 3100 v.Chr. en mist de helft van zijn dak, waarschijnlijk omdat de ontbrekende dekstenen ooit zijn gebruikt  als bouwmateriaal of iets dergelijks.

  • foto: RK – een stukje oerbos

We vervolgens onze weg door het Norgerholt, een stukje oerbos. Het is een eeuwenoud malebos van hulst en zomereik. Hulst werd in het verleden gebruikt voor het vegen van schoorstenen, eik voor de bouw. De naam ‘malebos’ is afkomstig van de maalmannen. Vroeger werden gronden (waaronder ook bossen) gemeenschappelijk gebruikt en waren ze geen particulier eigendom. Men had ‘aandelen’ in een stuk bos. Deze ‘aandeelhouders’ werden maalmannen genoemd. Hoewel de bosbodem oeroud is, zijn de bomen die er nu nu staan dat niet. De oudste eiken zijn rond 1850 geplant, de jongsten zo’n vijftig jaar geleden. Hoe het ook zij, het is hier prachtig. We lopen rond een grote plas die mooi verstild in haar omgeving past. Dit is genieten! Nog een klein stukje langs de weilanden en ons eindpunt doemt al aan de horizon op. Het zit erop, dit smaakt naar meer……..

Een beetje vakantie

Deze titel hoort bij een ontdekkingswandeling rondom en in onze nieuwe plaats. Een plaats waar je, zoals zo vaak, gewoon langsrijdt zonder dat je er verder veel van weet. Een eerste indruk is niet altijd bepalend. Het loont de moeite om verder te kijken, dieper te graven en het verhaal erachter te ontdekken. Aan de hand van de volgende foto’s moet dat lukken.    

foto; RK
foto: RK

We zien hier o.a. een overgebleven bunker, die ooit een onderdeel is geweest van de Atlantikwall in WOII. Deze meer dan 5000 kilometer lange verdedigingslinie strekte zich uit van Noorwegen tot aan de Spaans-Franse grens en moest een invasie van de Geallieerden verhinderen. In Nederland waren langs de hele Noordzeekust bunkers en luchtafweergeschut geplaatst en waren mijnenvelden en tankversperringen aangelegd. Noordzeekust? Groningen ligt toch aan de Waddenkust? De verdediging in deze plaats was dan ook niet bedoeld om een aanval van zee te voorkomen, de Wadden zijn te ondiep voor een invasievloot, hier was het belangrijkste doel het bestrijden van vijandelijke jagers en bommenwerpers. De muren van de bunker in kwestie zijn ruim drie meter dik en je kunt de schade van de inslagen nog goed zien.

Een van de andere foto’s laat zien dat onze plaats inderdaad direct aan de Waddenzee ligt. Je hebt van hieruit een prachtig zicht op een uniek stukje Werelderfgoed (sinds 2009). Volgens hun eigen website is ‘de Waddenzee, een gebied dat zich uitstrekt langs de kusten van Denemarken, Duitsland en Nederland, het grootste getijden-systeem ter wereld, waar natuurlijke processen ongestoord kunnen plaatsvinden. In het kader van de Trilaterale Waddenzee Samenwerking dragen de drie aangrenzende landen samen de verantwoordelijkheid voor het behoud van dit onvervangbare ecosysteem, ten behoeve van de huidige en toekomstige generaties.’

foto: RK
foto: RK

Wat is een plaats zonder standbeelden? We hebben tijdens al onze omzwervingen nog geen dorp of stad ontdekt zonder bronzen, stenen of stalen vertegenwoordigers ter nagedachtenis van iets of iemand. Twee beelden die hier niet vertegenwoordigd worden, maar die zeker de moeite van het vermelden waard zijn, zijn van Abel Tasman en Maigret.

Waarom staan beide mannen hier? Abel Janszoon Tasman (1603-1659) was een Nederlandse ontdekkingsreiziger in dienst van de VOC. Tasman had als opdracht het land te onderzoeken dat toen bekendstond als Nieuw Holland (het tegenwoordige Australië), waarvan de westkust al door Nederlanders ontdekt was, om vast te stellen of het land deel uitmaakte van het vermeende Terra Australis, een zuidelijk continent, dat zou moeten bestaan om de aarde in evenwicht te houden. De VOC hoopte dat door deze reis dit onbekende continent voor de handel geopend en vervolgens geëxploiteerd zou kunnen worden. Het ligt misschien voor de hand dat er in onze plaats ook gedroomd werd van verre reizen en grote ontdekkingen? Maigret is een heel ander verhaal. In 1928 koopt schrijver Georges Simenon (1903-1989) een boot. Hiermee trekt hij door Frankrijk en later ook door Duitsland, België en Nederland. Onderweg beschrijft hij alles wat hij ziet en giet dat vervolgens in een roman of in een detectiveverhaal. In 1929 ontdekt Simenon een gat in zijn kotter ‘Ostrogoth’ en spoed hij zich naar de dichtstbijzijnde plaats. De werkzaamheden aan het schip veroorzaken te veel lawaai om rustig te kunnen schrijven. Daarom laat Simenon een oude, volgelopen schuit leegpompen en maakt daar zijn kantoor. Twee kisten: één om op te zitten en één voor zijn typemachine. Daar schrijft hij in 5 dagen een nieuwe roman: Maigret en de onbekende wreker; de ‘geboorte’ van zijn beroemde personage Maigret. In totaal zal Simenon 75 detectiveromans en 28 korte verhalen over commissaris Maigret schrijven. Een van deze verhalen is ‘Maigret in Holland’, dat zich afspeelt in onze plaats. In dit verhaal beschrijft Simenon de plaats als een klein stadje waarvan de huizen hem aan speelgoed doen denken. De uitgever van het werk van Simenon (Bruna) bood onze plaats ter gelegenheid van het verschijnen van het duizendste ‘Zwarte Beertje’ (1966), een bronzen beeld van Maigret aan.

Het eerste kunstwerk dat ik je graag had willen laten zien, maar dat helaas nog niet is teruggeplaatst, is van een tien meter hoge conische zuil die omwikkeld is met een roestvrijstalen band. Dit beeld van Chris Verbeek (2000) is een hommage aan de één van de bekendste zangers uit Groningen die weliswaar op veel plaatsen in de provincie heeft gewoond, maar hier is gestorven. Op de band staat een deel van zijn misschien wel bekendste lied: ‘Ik wait, der is n tied van komen, En ook een tied van goan, En alles wat doar tussen ligt, Ja,dat is mien bestoan.’

foto: RK
foto: RK

Het beeld van Albert Zweep (1995) is een eerbetoon aan het zware bestaan van de havenarbeiders van vroeger. Met hun handen verstouwden ze toentertijd dagelijks gemiddeld 80 ton per persoon! Het beeld van een havenarbeider roept meteen de gedachte op aan ‘De Dokwerker’ van Mari Andriessen in Amsterdam. Maar er zijn grote verschillen, met name in intentie. Het Amsterdamse beeld is een monument ter nagedachtenis aan het oorlogsverzet onder de dokwerkers, terwijl Zweep met zijn beeld een commentaar wil leveren op het zware bestaan van het havenpersoneel. In plaats van een strijdbare, onverzettelijke houding te kiezen, plaatste hij de man in een zittende houding, uitblazend van het harde gezwoeg (‘eem poestn’). ‘Door de figuur iets meer dan levensgroot weer te geven, in een stoere houding, wijdbeens met de kolenschoppen van handen op de knieën steunend, wilde hij het beeld een heroïsche kracht en waardigheid meegeven.’ Dit laatste beeld staat vlak achter de Grote Waterpoort uit 1833, gebouwd ter vervanging van de voorgaande waterpoort uit 1715. De poort werd in de jaren 70 gerestaureerd en is nog steeds in gebruik als coupure. Bij een hoge vloed wordt de poort afgesloten door middel van een metalen deur. Aan de havenzijde vind je een steen met inscriptie die de springvloed van 1962 markeert. De allerhoogste waterstand werd echter in november 2006 gemeten. Door een noordwesterstorm stond het water er tijdens hoogtij toen 4,83 meter boven NAP. Naast de Grote Waterpoort kent deze plaats (natuurlijk) ook een Kleine Waterpoort. Dat brengt ons bij de andere foto.

foto: RK

De Kleine waterpoort is, net als de Grote Waterpoort, gebouwd om de bewoners te beschermen tegen hoog water. Op het moment dat het water dreigt te stijgen, kan de draaideur handmatig worden gesloten. Deze kleine poort wordt ook wel de De Ruyterpoort genoemd omdat de vloot van de West-Indische Compagnie hier in 1665 dankzij Michiel de Ruyter aan land kwam. Plaatselijke schilderverenigingen schilderden het tafereel op de wanden van de poort. De creatieve geesten van deze plaats hebben zich sowieso flink uitgeleefd (in positieve zin). Op diverse plaatsen langs onze wandeling vinden we oude foto’s die een complete gevel van een huis bedekken. Een letterlijke samenvloeiing van oud en nieuw en daarmee een leuke achtergrond voor eigen creativiteit ………

Nog een laatste weetje voordat de oplossing bekend gemaakt wordt. De inwoners van onze plaats werden vroeger ‘Kraabers’ (krabben) genoemd. De verklaring: ‘waarom precies wait ik nait, moar t zal wel met het daaiertje te moaken hebben dei hier in t woater zwemt.’ Duidelijk toch? 

Onze plaats wordt op haar eigen website omschreven als: ‘Waar je op de achtergrond de meeuwen hoort, de ziltige geur van het slik ruikt en waar je vanaf de dijk Duitsland ziet liggen. De stad is al honderden jaren onlosmakelijk verbonden is met schepen en water. Een stad vol met avontuurlijke verhalen over bezettingen en overstromingen. De nieuwe zeedijk beschermt bewoners tegen de stormvloeden.’ Dit is een inkoppertje…….de stad van dit verhaal is Delfzijl (Delfziel) inclusief de belangrijkste haven van noord Nederland.

Delfzijl wordt daarom wel ‘de Groninger poort naar de Waddenzee’ genoemd.   

foto: RK
foto: RK

De naam Delfzijl betekent ‘sluis (zijl) in de Delf’, waarbij Delf de oude naam is voor het Damsterdiep. Al heel vroeg moet hier bewoning zijn geweest, een gevonden hunebed onder een wierde ten oosten van Delfzijl evenals opgravingen rond latere wierden zijn hier getuigen van. Als plaats ontstond Delfzijl rond de dertiende eeuw toen de eerste sluis werd gebouwd. Tijdens onze wandeling komen we langs gedenktekens voor drie zijlen (sluizen), ‘de drie Delfzijlen’, t.w. de Slochter-, de Scharmer- en de Dorpsterzijl. Bij deze sluizen ontstond al snel bewoning toen er een sluiswachter aangesteld werd. Dit was het begin van het ontstaan van het huidige Delfzijl.

Ik lees dat Delfzijl een aantal schijnbare tegenstellingen verenigt: land en water, zout en zoet, stad en platteland, oorlog en vrede. Volgens het bericht zijn dit juist de fundamenten onder het bestaan en de bloei van de havenstad. Recente onderzoeken tonen echter aan dat het smelten van ijskappen op Antarctica ertoe kan leiden dat de zeespiegel veel sneller stijgt dan tot nu werd aangenomen. Onderzoekers van de Universiteit Utrecht sluiten een stijging van 1.8 meter aan het einde van de eeuw niet uit. Zijn onze dijken en de dijken rond Delfzijl in het bijzonder daar wel tegen bestand? Volgens NOS-weerman en poolonderzoeker Peter Kuipers Munneke is dit onderzoek van cruciaal belang voor het beleid van de Nederlandse kustverdediging. ‘Je kunt eigenlijk wel zeggen dat de zeespiegelstijging in Nederland en de bescherming van onze kust afhangt van het ijs op Antarctica’, zegt hij. Daarbij komt dat de zeespiegelstijging bij Delfzijl jarenlang groter was dan uit officiële meetgegevens bleek doordat er geen rekening werd gehouden met de bodemdaling. Recentelijk zijn ze begonnen met de uitwerking van de plannen van de overheid en het deltaprogramma Wadden, waarbij dubbele dijken een hoofdrol spelen. Als een alternatief van ‘normale’ dijkversterking (verhoging, aardbevingsbestendig maken en evt. verleggen) wordt nu gebruikt gemaakt van ‘een systeem met dubbele keringen met een tussengebied’. D.m.v. het aanleggen van getijden duikers in de eerste kering kan slib het achterliggende gebied instromen. Door aanslibbing zal dit gebied zich langzaam verhogen. Gekeken wordt of hier dan mogelijkheden zijn voor b.v. landbouw in brakke grond, garnalen kwekerijen of verbouw van zilte ‘gewassen’ als zeekraal etc. 

foto: RK

Wanneer we kijken naar de laatste foto, dan blijkt dit een foto te zijn uit het aan Delfzijl vastliggende dorp Farmsum, wat nu wordt gezien als een wijk van Delfzijl. Rond het jaar 1000 werd voor het eerst gesproken over Farmsum (Faarmsom) onder de toenmalige naam Fretmarashem, wat zoveel betekent als ‘woonplaats van Fretmar. Kennelijk een belangrijk man. Aan het einde van de 14e eeuw was ondermeer de rechtspraak in handen van de familie Ripperda, bewoners van de borg in Farmsum. Vlakbij de kerk herinnert een oude geselpaal nog aan deze tijd. Aan een geselpaal, schandpaal of kaakweed iemand als strafmaatregel vastgebonden en te kijk gesteld. Het werd gezien als een onterende straf, je stond letterlijk ‘voor paal’. Het publiek mocht je bekogelen met rot fruit en andere dingen en mocht je ‘verrot schelden’, waar graag en met veel enthousiasme gehoor aan werd gegeven. Het spreekwoord ‘iets aan de kaak stellen’ komt voort uit deze straf.

Nieuwe kans?

Een nieuwe plaats biedt nieuwe kansen zullen we maar zeggen. Onze fotograaf heeft zich wederom goed uitgesloofd om details van de gekozen plaats visueel aantrekkelijk weer te geven, waarbij hij niet tegelijkertijd het antwoord wil geven op de vraag om welke plaats in Groningen het deze keer gaat. Geen sinecure!   

foto: RK
foto: RK

‘Onze’ plaats mag niet ontbreken op de lijst van mooiste dorpjes van de provincie Groningen. Dat begint al veelbelovend, toch? Wanneer het dorp precies is ontstaan, is niet bekend, maar de oudste vermelding is te vinden in de vita (meervoud vitae: de eigenlijke levensbeschrijving van een heilige) van Liudger (744-809). Liudger, ook wel de ‘apostel der Groningers’ genoemd, is een 8e eeuwse missionaris in het gebied van de Friezen (de huidige provincie Groningen wordt in die dagen ook wel het gebied der Friezen genoemd). Hij voltooide het werk waarvan evangeliepredikers als Willibrord en Bonifatius de grondleggers zijn geweest. Liudger bereikte veel vanwege zijn grote voordeel dat hij de landstaal sprak. Volgens overlevering heeft de genezing van de blinde bard Bernlef echter eveneens een grote rol in zijn succes gespeeld. Op één van zijn vele reizen in het noorden ontmoette Liudger deze bard en wilde hij hem tot het christendom bekeren. Bernlef zou als reactie hebben geantwoord: ‘als uw God zo machtig is, toon mij dan een teken’. Een uitdaging die aangenomen moet worden ;). De heilige legde vervolgens zijn handen op de ogen van de bard, sprak daarna een gebed uit en voilà ….. de blinde kon opeens weer zien. Genoeg reden om zijn naam te onthouden, toch?! 

foto: RK
foto: RK

Ons dorp kent een eeuwenlange geschiedenis, waarin de bewoners steeds meer grip op het hen omringende landschap kregen. Ook de lager gelegen delen rondom de wierde werden in gebruik genomen. Ten zuidoosten van de oorspronkelijke dorpswierde werd een klooster gesticht dat uitgroeide tot één van de grootste van Nederland. Het klooster had veel grond en verschillende boerderijen in bezit. Vermoedelijk heeft dit klooster een belangrijke rol gespeeld bij het droogleggen van de kleddernatte wildernis ten zuiden van het dorp. De buitendijkse gebieden ten noorden van het dorp werden in eerste instantie gebruikt als weiland, maar na inpolderingen in de 18de en 19de eeuw maakten de weilanden plaats voor vruchtbare akkers. Met name door de bloeiende akkerbouw kon het dorp in de 19de en 20ste eeuw uitgroeien tot een groot dorp met vele voorzieningen. De welvaart van die periode wordt onder andere weerspiegeld door vele mooie villa’s, veelal ontworpen in de stijl van de Amsterdamse School (een bouwstijl, verwant aan het expressionisme, die zich kenmerkt door gebruik van expressieve en fantastische vormen).

Ons dorp was in vroeger jaren onderdeel van een trekvaart route.Tussen 1663 en 1863 was het een komen en gaan van trekschuiten over de Groninger wateren. Het was de snelweg van die tijd, met een vaste dienstregeling. In het landschap zijn allerlei herinneringen bewaard gebleven. Denk aan rolpalen, oude veerhuizen, bruggen en oude namen als ‘Jaagpad’ of ‘Trekweg’. In ons dorp is het een oude herberg, met de prachtige naam ‘Rust een weinig’, bij de brug waar vroeger een trekvaart halte was. Het is tegenwoordig in gebruik als een woonhuis. Een grappig verhaal is dat toen in de 19e eeuw de scheepvaart terugliep en de herberg veel klandizie moest missen, de herbergier een oplossing ‘moest’ bedenken om dit probleem op te lossen. Na enige tijd bedacht hij een gewaagd plan, alleen maar geschikt voor zonnige zomerdagen. Zijn dochters moesten overgehaald worden om mee te werken. Dat deden ze! Een turfschipper zou zo zijn afgeleid dat hij zelfs met zijn schip uit de bocht vloog…  Driemaal raden wat de oplossing van die herbergier was (hahaha).

foto: RK
foto: RK

Bovenstaande foto’s laten ons zien dat de Joodse gemeenschap een belangrijke rol in het dorp heeft gespeeld. De eerste joodse families vestigden zich hier rond eind 18e eeuw. Voor hen en de latere joodse inwoners vormden de handel in vee en vlees de voornaamste bronnen van bestaan. Het aantal Joodse inwoners in het dorp was in de komende jaren echter nooit hoog genoeg om een zelfstandige gemeente te vormen, dit tot hun grote ontevredenheid, want de afstand naar de dichtstbijzijnde synagoge was gewoon te groot en kostte daardoor teveel tijd. Toen in het midden van de 19e eeuw hun aantal dusdanig was toegenomen dat ze ‘minjan’ konden vormen, regelden ze onmiddellijk hun eigen godsdienstoefening in een gehuurde ruimte in het dorp. Minjan is het aantal van tien volwassenen, dat vereist is voor het gemeenschappelijk gebed in een synagoge. Ook voor het zeggen van het kaddisj (gebed voor een dode) bij de begrafenis is de aanwezigheid van een quorum van tien personen vereist. In die tijd was ons dorp, volgens overlevering, ‘een heel gezellig, levendig dorp met veel geluiden’. Het had, om maar een paar dingen te noemen, acht slagers van wie vier joodse, een huissynagoge, een hbs (in 1886 werd hier de eerste rijks hbs op het platteland opgericht), een fanfare en allerlei verenigingen. 

De kooplieden, evenals de andere joodse inwoners, uit het dorp wilden natuurlijk graag in hun eigen dorp begraven worden op een eigen Joodse begraafplaats. Omdat de gemeente geen grond ter beschikking wilde stellen, deden de Joden een verzoek bij de Hervormde Gemeente, die hen in 1885 een deel van hun eigen begraafplaats verkocht. Op deze joodse begraafplaats staan tegenwoordig 29 grafstenen, waarvan de oudste uit 1887 stamt. Daarnaast is er nog een gedenkteken (uit 1948) voor 22 Joodse slachtoffers van WOII. In de herfst van 1942 zijn namelijk vrijwel alle Joodse inwoners van dit dorp gedeporteerd en omgekomen in de vernietigingskampen. Ook is er in 1977 een monument opgericht voor een plaatselijke joodse schrijver, die eveneens in 1942 is omgekomen in Auschwitz. Deze schrijver, Benjamin Broekema, is het enige kind van slager Jozef Broekema en zijn vrouw Reina van Dam. Zijn vader is ziekelijk en thuis hebben ze het niet breed. Daarom moet de getalenteerde Benjamin direct na de lagere school bij vader in de zaak. Hij is een kind dat opvalt, kan goed voetballen, is al jong geïnteresseerd in politiek, speelt toneel, wordt lid van de toneelvereniging en de fanfare, maar ‘Poere’ (zoals hij in het dorp genoemd wordt), voelt zich vooral schrijver. Hij ontwikkelt zich tot één van de meest productieve toneelschrijvers van het noorden. Zijn meeste werken zijn in het Gronings.

Ook hier hebben de inwoners van het dorp een schimpnaam waaronder ze bekend staan, n.l. ‘bloklichters’. Met ‘blok’ wordt hier het kerkblok of offerblok bedoeld. Hierin werden de offergiften gestort. De scheldnaam betekent dus ‘dieven die de offerbus leeghalen’ of in mooi Gronings: ‘het schient dat in t verleden offerblok in de kerk leegstolen is’. 

Is het je ondertussen al duidelijk geworden over welke plaats dit verhaal gaat? Nog een weetje dan, voordat ik overga tot de onthulling ;). Recentelijk is de laatste waddenbank in dit dorp onthuld. De, in totaal, tien banken zijn ingelegd met een patroon van deels spiegelende tegeltjes. Een deel van elke bank heeft de Waddenkust als vast thema. De rest wordt gevuld met eigen verhalen uit het betreffende dorp. De verhalenbanken zijn onderdeel van het project ‘Kiek over Diek’, een 90 km lang fietspad over, voorlangs en achterlangs de dijk, en zijn bedoeld als rustpunt en ontmoetingsplek. Het fietspad loopt van Lauwersoog tot aan Nieuwe Statenzijl.

Het wordt inmiddels de hoogste tijd om het een en ander te verklappen, indien je de oplossing nog niet bedacht hebt.    

foto: RK
foto: RK
foto: RK

Zeg je ‘Op Roakeldais’, dan zeg je Warffum (Waarvum). Dit internationale folkloristisch dansfestival wordt sinds 1966 elk jaar in Warffum gevierd. De aanleiding voor dit dansen was een reactie op het rapport ‘bedreigd bestaan’ van de RUG waarin in 1959 werd geconcludeerd dat de toekomst van Noord-Groningen er somber uitzag. Leegloop door een trek naar de stad, scherpe scheidslijnen tussen de dorpen op het gebied van religie en sociale positie (‘dorpisme, groepisme en kerkisme’) werden gezien als struikelblokken. De oplossing werd gezocht in ‘samenwerking tussen verschillende gemeenschappen, zodat een goed sociaal-cultureel klimaat zou bijdragen aan de leefbaarheid van de streek’. De stichting ‘Opbouw de Recreatie Warffum’ nam de uitdaging aan. De Grunneger Daansers (een folkloristische dansgroep met Groninger klederdracht) uit het nabijgelegen Zandeweer vierde haar 10 jarig bestaan in 1966, maar hadden eigenlijk ruimte op het feest naar behoren te vieren.  Daarom werd uitgeweken naar Warffum, tien kilometer verderop. Als naam voor het festival werd gekozen voor ‘Op Roakeldais’, wat in het Gronings zoveel betekent als ‘op goed geluk’. Het is eigenlijk bijzonder te noemen dat juist voor nostalgie en folklore werd gekozen om Warffum en omgeving weer een boost te geven.

De naam Warffum is naar alle waarschijnlijkheid afgeleid van de woorden ‘warf’ en ‘heem’. Warf is een oud Fries woord voor een volksvergadering waar recht werd gesproken. Heem is afkomstig van het Germaanse woord ‘haima’, wat woning betekent. Het zwaard in het wapen van Warffum is een verwijzing naar deze plaats waar recht werd gesproken. 

De tweede foto laat een deel van een groter beeld zien; een tevreden, rustende en misschien genietende man. Het doet mij denken aan de zanger Ede Staal (1941-1986) die in Warffum geboren is. Een documentaire over zijn leven beschrijft hem als volgt: ‘Ede Staal bezong het Groninger land en de Groningers zoals niemand anders dat kon. Zijn donkere warme stem, zijn grappige én melancholieke liedjes hebben zowel Groningers als mensen ver daarbuiten tot fan voor het leven gemaakt’. In 2017 komt zijn muziek op Spotify. Als het aan lezers van Dagblad van het Noorden ligt, wordt de Ede-classic ’t Het nog nooit zo donker west’ het populairst op de Ede Staal-playlist. Toch is ‘Mien Hoogeland’ het eerbetoon aan zijn geboortegrond: ’t Is ’n doevetil, ’s durpsstroat, ’t Is ’n olde bakkerij, ’t Binnen de grote boernploatsen, Van Waarvum, Oskerd, zo noar Meij……..’

Dat brengt mij meteen naar de laatste foto. Voor Meij kun je immers ook Brij of Breij zingen? Grenzend aan Warffum ligt Breede (Brij of Breij), de naam een samentrekking van ‘brede’ en ‘Aa’ wat ‘brede waterloop’ betekent. De kerk van Breede is een zaalkerkje dat waarschijnlijk rond 1300 werd gebouwd in dezelfde periode dat ook het dorpje ontstond. In dat jaar werd de kerk afgescheiden van Warffum (in 1971 is de kerkelijke gemeente weer gefuseerd met Warffum). Het kerkgebouw verviel vervolgens, maar werd na een inzamelingsactie door bewoners en mensen uit de omgeving tussen 1981 en 1983 hersteld. Het kerkje kreeg vervolgens een multifunctionele bestemming. Het doet tegenwoordig dienst als trouw- en als uitvaartlocatie. Daarnaast vinden er regelmatig concerten, tentoonstellingen en lezingen plaats. Voor de geïnteresseerden: de kerk is opgetrokken in romano-gotische stijl (bouwstijlen uit de 13e en 14e eeuw). Het dak was oorspronkelijk bedekt met ‘monniken en nonnen’ (bij elkaar horende, overlappende dakpannen, die om en om gelegd worden), maar tegenwoordig met blauw geglazuurde ‘holle pannen’ oftewel Hollandse dakpannen (kenmerkend doordat het waterafvoerend gedeelte een gebogen vorm heeft). 

Vlakbij de kerk ligt de Breedenborg, een blokvormige borg uit 1857. De Breedenborg is een van de weinige borgen waarvan het bouwjaar bekend is. In dit jaar werd namelijk door Johan(nus) (of Jan) Braemsche (geboren in Emden) een stuk grond bij Breede gekocht (van wie is onbekend) voor de bouw van een borg. Hij was eerder tijdens een conflict tussen de graaf van Oost-Friesland en de stad Emden gevlucht naar de Ommelanden, waar hij zonder problemen werd opgenomen in de Ommelander adel. De oorspronkelijke borg is tot 1737 in het bezit geweest van adellijke families. Pas bij een ingrijpende verbouwing in 1850 kreeg de borg haar huidige uiterlijk. De tuin van de borg werd in de negentiende eeuw aangelegd met elementen uit de Engelse landschapstuin.

Het oorspronkelijke woonhuis ‘Breedenborg’, gelegen binnen de grachten, werd in 1963 met ruim 6 ha grond aangekocht door de gemeente Warffum. De toenmalige beheerder van de boerderij ‘Breedenburg’, Jelle Gaaikema, gaat met zijn gezin in de bungalow wonen, die op Het Kampke ernaast gebouwd is. In 1964 verpacht de gemeente het gebouw met het doel ‘het gebouw en de bijbehorende omgeving dienstbaar te maken aan de recreatie in die zin, dat de bevordering van de dagrecreatie en goede vakantiespreiding wordt nagestreefd’. Dit blijkt geen succes. Daarop wordt de borg in 1967 verbouwd tot een horecagelegenheid. Helaas verwoestte een uitslaande brand de borg in 1982 bijna helemaal. Pas in 1992 wordt het huis in oude stijl herbouwd. De kelder is bewaard gebleven en dateert nog uit de zestiende eeuw. De borg is nog omgeven door de oude gracht. Na de herbouw werd het gebouw eigendom van het bedrijf Koop Tjuchem die er een opleidings- en congrescentrum in vestigde. De Breedenborg is helaas niet toegankelijk voor publiek. Mocht je toch een beetje verleden willen proeven, dan kan dat in het openlucht museum van Warffum. Het geeft een inkijkje in het leven op het platteland van ruim honderd jaar geleden. De website roemt: ‘kijk rond in twintig oude gebouwen en ervaar hoe de mensen er vroeger woonden en werkten. Woonkamers, slaapkamers en werkplaatsen zijn met zoveel oog voor detail ingericht, dat het lijkt alsof de bewoners even weg zijn.’ Hier is ook de waddenbank, waarover ik eerder schreef, geplaatst. Helaas is het museum in deze corona tijd gesloten, maar het staat zeker op ons lijstje van ontdekkingen in een toekomstige, meer open, wereld.  

Voor de liefhebbers

‘Nogmaals voor de liefhebbers, welke plaats is hier afgebeeld?’ Deze keer lijkt de oplossing wat moeilijker te vinden, waardoor een beetje extra uitleg en verdieping hier mogelijk kan helpen?  

foto: RK
foto: RK

De eerste twee foto’s geven weinig prijs. Het laat je, met een beetje fantasie, zien dat het dorp niet zo groot is en voorzien is van een rand natuur. Hier word je dan ook langs geleid op de (mooiste) wandeling door de plaats. Het aan de rand van het dorp geplaatste kunstwerk ‘door een roze bril’ (nu niet meteen gaan opzoeken!) van Kees Romkema moet de omgeving kleur geven en ons tegelijkertijd een goede blik bieden op ‘de schitterende uitgestrektheid en kleurencombinaties die de regio ons te bieden heeft’. Grappig detail is dat kandidaten van de plaatselijke PvdA de roze bril in 2018 (tijdelijk) rood gespoten hebben. Hiermee vroegen ze aandacht voor het kijken door een rode bril. Zij beweren dat de regio weliswaar veel goeds en moois te bieden heeft (rooskleurig), maar dat er ook veel te verbeteren valt. Het ontbreekt veel mensen immers aan zekerheid; de zekerheid om niet in armoede te hoeven leven terwijl we zo’n welvarend land hebben. In deze regio komen armoede en gebrek, vaak gepaard gaan met uitzichtloze schulden, namelijk veel voor.

foto: RK
foto: RK

De tweede serie foto’s laten respectievelijk een smal straatje zien met een huis vol dichtgetimmerde ramen en daarnaast een mooi bogenspel van ramen welke onmiskenbaar tot een kerk behoren. Dichtgetimmerde huizen vaak met duidelijk zichtbare lange balken ter ondersteuning en getekend door scheuren van diverse formaten, doen denken aan een aardbevingsgebied. In 2015 heeft in deze omgeving een beving met een kracht van 2.5 op de schaal van Richter plaatsgevonden. Volgens de berichten werd de beving ingeluid ‘met gerommel in de verte, gevolgd door een lichte knal’. Nu, in 2021, is besloten dat er in ieder geval 350 huizen in dit dorp worden versterkt als een direct gevolg van deze en andere bevingen. 

Omtrent de naam van de kerk is wat verwarring ontstaan. Naar nu blijkt, in de oudste geschriften, is de kerk gewijd aan de heilige St. Dionysius en niet zoals eerder gedacht aan de apostel Jacobus de Meerdere. In die oudste schriftelijke documenten van de kerk staat ‘Dionysius’ ook afgebeeld op de stempels die de pastoors gebruikten om hun brieven en belangrijke documenten mee te verzegelen. Op deze stempels staat een bisschop (te zien aan de mijter), die zijn hoofd in zijn handen draagt……het kenmerk van St. Denis, zoals hij ook wel heet. Wie was Dionysius eigenlijk? Dionysius was in de derde eeuw bisschop van Parijs toen de stad nog voornamelijk Keltisch was. De bisschop was zo populair onder de bevolking dat de heidense priesters zich zorgen begonnen te maken, want door zijn preken verruilden velen hun geloof in de oude godenwereld voor het Christendom. De druïden voelden zich dermate bedreigd dat ze Dionysius een kopje kleiner wilden maken, letterlijk. Aldus geschiedde, op de heuvel waar zij hun heiligdom hadden en die nu bekend staat als Montmartre. Volgens de legende pakte Dionysius na de executie rustig z’n hoofd op en wandelde er nog zo’n tien kilometer mee rond, ondertussen lustig predikend. Ondanks dit wonderbaarlijke verhaal werd de heilige in ‘onze’ plaats niet altijd met evenveel eerbied en respect behandeld. Een pater uit de 17e eeuw heeft het volgende verhaal opgeschreven. Op de zolder van de kerk, inmiddels is de kerk allang in protestante handen, werd een lang vergeten houten beeld van een heilige ‘met sijn afgehouwen hooft in de hand’ gevonden. ‘Wat moet je er mee?’, zal de koster gedacht hebben, waarop hij het beeld heeft ‘neergesmeten ende gepresenteert aan een Holtcoper’. De houtkoper heeft het daarna ‘met een bijl ‘aen stucken gehouwen int vijver (vuur) geworpen’. Dit had hij beter niet kunnen doen, want zeer kort daarna is zijn vrouw bevallen van een kreupele zoon, die tot op de dag van vandaag kreupel langs de wegen gaat. Dionysius wil dus respect! 

foto: RK

Lopend door het dorp zien we, haast verstopt op een groot plein, een klein bronzen beeldje gemaakt door Jaap van Meeuwen. Van Meeuwen maakt mensen en dieren in hun natuurlijke beweging van brons en ijzer. Zijn materiaal haalt hij van de sloop, al wordt dat door de ontwikkeling van nieuwere machines, steeds moeilijker. Dit kunstwerk heet ‘De Kedellapper’, de naam een verwijzing naar één van de vroegere scheldnamen van de inwoners van dit dorp. Ketellappers waren reizende vaklieden die kapotte ketels, potten en pannen herstelden. De andere schimpnaam voor de inwoners van dit dorp is ‘peerdevillers’ (paardenslachters). Voor deze personen bestond in het algemeen weinig achting. Bij bezoek werd hen geen stoel aangeboden en ze werden door de jeugd vaak uitgescholden. Een andere manier om te zeggen dat het hier om een van oorsprong arme streek, of een arm dorp, gaat? Ook het volgende verhaal getuigt hier van. ‘Mijn overgrootvader was dagloner bij de boer, maar daarnaast bezat hij ook een hondenkar. Daarop laadde hij zijn handel, zoals haring, mosterd, azijn, koffie, thee, koek en kruiden. Door weer en wind liep hij met z’n handel de huizen in het dorp en omstreken af. Het was moeilijk om iets te verkopen, want hij was niet de enige handelsman in het dorp. Samen kregen mijn overgrootouders achttien kinderen en had mijn overgrootje drie miskramen.  Wanneer de avonden lang en koud waren, was er immers geen betere plek dan de knusse bedstee; de lamp en de kachel konden dan uit. Ze verloren twaalf baby’s en vier kinderen in de leeftijd van 14, 22, 33 en 51 jaar. Het was ploeteren voor het dagelijks bestaan. Veel kinderen stierven in die tijd aan ‘lepelziekte’ (honger lijden).’

Heb je ondertussen al een idee over welk dorp het deze keer gaat? Ik heb nog een heel klein beetje aanvullende informatie voordat ik overga tot de ontknoping……………. 😉 Vroeger voeren de trekschuiten nog ver het dorp in. Op een gegeven moment is de haven gedempt en ten zuiden van het dorp verlegd, maar sinds 2019 is de haven terug in het centrum. Hier was het vroeger een drukte van belang. Er stapten passagiers op de schuit en er werd handel gedreven. Bakkers, slagers, kruideniers, iedereen had wel met de haven te maken. 

foto: RK
foto: RK

De laatste twee foto’s geven het antwoord, het zijn foto’s van twee belangrijke kenmerken van ……. Uithuizen (Oethoezen). De naam betekent overigens ‘huizen uit de wierde’. Dat heeft wellicht enige uitleg nodig? Uithuizen is namelijk op zich geen wierdedorp, maar is  wel ontstaan uit een wierde, de wierde Oldörp, dat vroeger Brunwerd heette. Dit gebied zou dateren uit ca. 500 na Chr. en ligt ten zuidwesten van Uithuizen. De naam Oldörp betekent zoveel als ‘oude dorp’. Waarschijnlijk is Uithuizen, het nieuwe dorp dus, ontstaan in de 10e eeuw, toen inwoners van het oude dorp zich op deze plaats vestigden. De naam Uithuizen is afgeleid van ‘uiterste huizen’ gezien vanuit Oldörp.

Van de Middeleeuwse steenhuizen is er één bewaard gebleven: de Menkemaborg. De eerste foto symboliseert deze uit de 14e eeuw bewaard gebleven borg (een Groningse variant van een burcht of versterkt kasteel). De borg is tegenwoordig een volledig ingericht huis waar een beeld gegeven wordt van het leven en wonen op een Groninger borg in de 18e eeuw. Volgens de beschrijving zijn ‘de vertrekken levendig ingericht alsof de bewoners zo terug kunnen komen’. De moeite waard dus. Een deel van het voedsel, dat m.b.v. de trekschuiten in het dorp werd aangevoerd, was voor de chique bewoners van de Menkemaborg bestemd. Zij kregen heerlijk eten voorgeschoteld in die tijd. Een 18e eeuwse kookschrift uit de keuken van de Menkemaborg is bewaard gebleven. Ik wil je het recept om ‘düiven te vüllen’ niet onthouden, want een heer had het recht om zelf duiven te houden zodat hij van een verse lekkernij kon genieten in de wintermaanden. ‘Neemt peterceli en kapt die klein en roertje met een ey, boter suker, genljber en Corinten Doetje dan in die Düiven.’ Boter, suiker en jenever (?), wat wil je nog meer? Aan de hand van de ongeveer honderd geneeskrachtige recepten, opgenomen in het kookboek en op losse velletjes kan aardig worden afgeleid welke kwalen veel voorkwamen. Recepten voor maagklachten, nier- en galstenen, hoest of verkoudheid en jicht komen meerdere keren voor. Maar ook recepten om tanden of ogen te genezen staan vermeld. Daarnaast recepten voor gezwellen, puisten, hartkloppingen, wormen, rugpijn, aambeien, brandzalf en zalf voor winterhanden en –voeten. Een bijzonder recept beschrijft het maken van een ‘mirakel plaester’ voor allerlei wonden. En wat te denken van een recept tegen de ‘dulligheit’ of ‘dummigheit’, zowel voor mensen als dieren? Bijzonder dat dit allemaal bewaard is gebleven!

De laatste foto geeft aan dat ons dorp vlakbij de (Wadden) zee ligt. Je ziet een gedeelte van de cortenstalen ‘Poort Kaap Noord’ van Rene de Boer dat fier op de Waddendijk staat. ‘De Hemelpoort’, zoals het kunstwerk in de volksmond wordt genoemd, markeert het meest noordelijke puntje van het vasteland van Nederland. Er vlak naast ligt het ‘Wellington monument’ van Uithuizen. Dit monument is opgericht ter nagedachtenis aan de voltallige bemanning van Wellington R3202 die is neergestort in de Noordzee en daar is omgekomen. Het monument bestaat uit zes basaltblokken, symbolisch voor de zes omgekomen bemanningsleden, van verschillende grootte en hoogte met daarop een herdenkingsplaquette. Het verhaal gaat dat in augustus 1940 het lichaam van een Engelse piloot op de dijk bij Uithuizen aanspoelde. Aangenomen werd dat zijn vliegtuig door het afweerschut op Rottumeroog was neergehaald. Vervolgens spoelden er elders drie bemanningsleden aan en allen werden geïdentificeerd. Twee andere lichamen konden niet geïdentificeerd worden, maar er werd wel aangenomen dat zij alle zes bij elkaar hoorden. Uit onderzoek blijkt later dat het vliegtuig in de nacht van 2 op 3 augustus, na Hamburg gebombardeerd te hebben, op de terugweg op 100 zeemijl van thuisbasis Marham met motorpech is neergestort. In 2015 zendt RAF Marham een plaquette voor de gehele bemanning, waarmee dit monument wordt opgericht op de Waddendijk bij de Noordkaap; het symbolische hart van de verschillende aanspoel-plekken van de bemanning.

Een makkie?

‘Een makkie deze keer …. welke plaats is hier afgebeeld?’ Deze optimistische woorden zijn de start van een nieuwe uitdaging uitgebeeld in acht foto’s. 

Er zijn van die plaatsen die je alleen kent van naam, maar die je zelf nog nooit echt hebt verkend. Deze plaats is er, voor ons, eentje van. Helemaal omdat de plaats ook wel bekend staat met de eretitel ‘het Venetië van het noorden’. Is dat terecht of toch te hoog gegrepen? Ik lees dat de Venetiës van deze wereld hun eretitel danken aan de grote rol die het water er speelt, vooral als verkeersmiddel. Zeker als dit dan gecombineerd wordt met drukke (internationale) handelsactiviteiten. De stad Venetië geldt voor deze plaatsen als het archetype (een geïdealiseerd oermodel dat ten grondslag ligt aan latere varianten). Qua bouw lijkt ‘onze plaats’, tenminste volgens kenners, wel een beetje op Venetië. Maar je moet tegelijkertijd over heel wat fantasie beschikken om een overeenkomst met het Italiaanse Venetië te ontdekken. Hiermee alweer een eerste aanwijzing, alhoewel……er zijn zoveel plaatsen in Groningen waar het water een belangrijke rol speelt of speelde. 

foto:RK
foto: RK

Over de precieze ouderdom van deze plaats bestaat geen zekerheid. Volgens archeologische vondsten is gebleken dat de opkomst rond 1100 geweest moet zijn. De plaats ligt aan een water dat waarschijnlijk al voor het jaar 1000 is gegraven om de ontwatering van het achterland te verbeteren. Op de kruising van diverse water- en handelswegen ontstond daarna een nederzetting van schippers-, koop- en ambachtslieden. In een document uit 1224 is voor het eerst sprake van een markt- of vergaderplaats (Forum), waarmee waarschijnlijk deze plaats wordt bedoeld. Door de gunstige ligging, met een open verbinding met de zee, groeide de nederzetting in korte tijd uit tot een belangrijk handels- en marktcentrum. De groei van de plaats bleek ook uit de omvang van de plaatselijke kerk, die steeds groter werd en als het ware met de plaats meegroeide. De plaats had in de middeleeuwen niet alleen in economisch, maar ook in juridisch en bestuurlijk opzicht een centrumfunctie. Al in de 13e eeuw vergaderden hier de redgers (plattelandsrechters). De welvaart zorgde echter ook voor stevige conflicten met de stad Groningen, resulterend in rooftochten en belegeringen. Daarbij delfde deze plaats uiteindelijk het onderspit. De welvaart zakte in.

Tegenwoordig kent het centrum, sinds 1972, een beschermd gezicht. Het centrum was echter wel in verval geraakt, waarop de gemeente besloot het helemaal te restaureren in oude stijl. Zo kunnen wij nu genieten van een echt historisch centrum. Op een groot plein staat een beeld van een man met een, voor sommigen onder ons, bekende naam. Geboren in ‘onze’ plaats (waar we ondertussen verder over nadenken), werd hij uiteindelijk hoogleraar aan de universiteit van Leiden en een belangrijk rechtsvernieuwer vooral m.b.t. de handel en de scheepvaart. Tijdens de Tweede  Wereldoorlog werd hij landelijk bekend door de publieke protestrede die hij in 1940 hield als decaan van de Juridische Faculteit tegen het ontslag van zijn Joodse collega’s door de Duitse bezetter. Meteen daarna werd hij door de nazi’s opgepakt en gevangen gezet. Dit openlijke verzet tegen de Jodenvervolging wordt op 26 november herdacht met een jaarlijkse oratie (inaugurele rede) van zijn naam in Leiden en in lezingen in binnen- en buitenland over recht, vrijheid en verantwoordelijkheid.   

foto: RK
foto: RK
foto

In het straatbeeld geven tientallen oude panden en smalle straatjes sfeer aan de plaats. Er  is, al wandelend, veel kunst te zien. Kunst op straat, kunst aan gevels, kunst op daken, kunst achter glas, kunst onder een brug en nog veel meer. Wanneer je erop let, zie je gewoon steeds meer. De kunstig betegelde zuil hierboven is een herinnering en blijvend aandenken aan de oude gemeente omdat deze ondertussen niet meer als zodanig bestaat. Volgens de beschrijving is het ‘een replica waarop het historische en maatschappelijke verhaal in honderden gebakken tegels is afgebeeld’. De onderwerpen op de geschiedeniszuil zijn aangeleverd door mensen met historische kennis en de inwoners zelf. Je ziet nog net een stukje van de afbeelding met het woord ‘beving’. Zoals zovele plaatsen behoort ook deze tot het gebied waar de gaswinning heeft geleid tot aardschokken en bodemdaling. Dit zorgde en zorgt nog steeds voor veel problemen!

De laatste serie foto’s geven praktisch het antwoord op de vraag over welke plaats dit gaat. Het wordt daarmee tijd voor de onthulling. 

foto: RK
foto: RK

Steden zijn schaars in Groningen. Appingedam is naast de stad Groningen de enige plaats in de provincie met middeleeuwse stadsrechten. Daar hebben ze dan ook goed hun best voor gedaan. De rijkdom uit de tijd dat Appingedam een belangrijk handelscentrum was, is nog overal zichtbaar. De naam Appingedam is waarschijnlijk. een afleiding van de persoonsnaam Appe of Abbe, dan wel de familienaam Appinga of Abbinga. Appingedam betekent dan ‘dam bij de woonplaats van de mannen van Abbo’ of ‘dam bij de woonplaats van de familie Abbinga’. Een inwoner van Appingedam wordt vaak een Damster genoemd, hetgeen  ‘dambewoner’ betekent. Als scheldnaam kom ik terecht bij ‘vlinthippers’ (zij die over de straatkeien huppelen), ‘peerdekopers’ (vanwege de grote paardenmarkten) of Damster knollen (er werden veel knollen aangevoerd). Verklaringen van lokale Groningers voor de laatste bijnaam vertellen echter wat anders. ‘Damster knollen betaikent dat ze altied knollen achter de hakken haren’ of ’n Daam (Appingedammer) is krekt n knol in hoos; van verof liekt t n vlek, mor as t dichtbie bist din is t n gat’. Kun je het  nog volgen? 

De Damster stadsomroeper (bovenaan dit verhaal) is, volgens de beschrijving, parmantig en dienstbaar. Hij heeft zijn plek, op een druk punt bij een bankje, goed gekozen. Hier komen mensen samen, zelfs in deze tijd. Hier kun je dus de  nieuwtjes horen en verzamelen. De stadsomroeper is er dan snel bij om het nieuws verder rond te bazuinen. 

De foto van een acht meter hoog stalen beeld met ‘ogenschijnlijk lukraak opklaar gestapelde metalen schijven’ spreekt tot de verbeelding. Voor wie het niet herkent, ‘het is geen kunst, het is een krukas…..niet meer en niet minder’. Deze krukas, een essentieel onderdeel van verbrandingsmotoren, is een geschenk van Brons Industrie aan de stad Appingedam. De beroemde ‘Bronsmotorenfabriek’ van Jan Brons (1865-1954) werd in 1906 in Appingedam gesticht. In de topjaren na de Tweede Wereldoorlog werkten bijna 450 mensen in de fabriek. De krukas symboliseert de verbondenheid van dit bedrijf met de bevolking van Appingedam.

De laatste foto is een uitkijkje vanaf één van de vele smalle bruggetjes, waar je met een beetje wil in de verte één van de meest bijzondere bezienswaardigheden van de stad kunt zien; de hangende keukens. Deze zijn bewust niet in de fotogalerie opgenomen, dat zou al te gemakkelijk zijn geweest. Drie huizen langs het water van de Damsterdiep zijn waarschijnlijk in de middeleeuwen gebouwd. Tegenwoordig zijn het woonhuizen, maar omdat de gebouwen ooit zijn gemaakt als pakhuis, was er weinig ruimte voor een keuken in het woonhuis. ‘Om ruimte te creëren terwijl je huis ingeklemd staat tussen bebouwing en het water’, vertelt een bewoner, ‘bouw je heel praktisch een deel ervan gewoon boven het water.’ Hier komt de vergelijking met Venetië weer om de hoek kijken. Deze huizen staan in het water en de uitbouw (de keuken) is zwevend boven het water gebouwd.