Een middagje niksen?!

Jacobspad: Noordscheveld – Vries

Dat klinkt verrassend, want ik bedoel hiermee dat we vanmiddag een stevige wandeling gaan maken. Veel mensen denken bij ‘niksen’ aan nietsdoen, lummelen, lanterfanten, kortom woorden die we associeren met luiheid of tijdverspilling. Niets is minder waar, want niksen blijkt een waardevolle activiteit voor onze mentale gezondheid te zijn. Wist je trouwens dat ‘niksen’ een werkwoord is dat in andere talen niet bestaat? Het was een aantal jaren geleden zelfs even een internationale hype. The Guardian schreef erover, net als The New York Times. Ook de BBC berichtte over de ‘Dutch art of doing nothing’ en verschillende lifestyle-sites beschreven het typisch Nederlandse niksen toen met tips om je te wapenen tegen het stressvolle, moderne bestaan. Dat Nederlandse niksen was in internationale ogen iets om jaloers op te worden. Altijd vertelden de internationale media er dan bij dat Nederland in de top vijf van gelukkigste landen ter wereld stond (inmiddels staan we op plek 7) en dat wij het dus konden weten. Ter verduidelijking: niksen staat voor niets doen zonder doel, tijd vrijmaken om gewoon te zijn, je gedachten te laten gaan waar ze maar naartoe willen. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat niksen positieve effecten heeft op onze mentale toestand. Wanneer we niets doen, wordt ons ‘default mode-netwerk’ in de hersenen actief, dat is vrij vertaald de ‘dwaalmodus van ons brein’. Deze dwaalmodus stelt de hersenen in staat om herinneringen te verwerken, emoties te reguleren en ruimte te creëren voor zelfreflectie. Niksen is dus goed voor je mentale gezondheid, het verhoogt je creativiteit en het versterkt zelfs je immuunsysteem.

Voor ons bestaat het niksen vandaag uit een wandeling van het Noordscheveld naar de Bonifatiuskerk in Vries. Een afstand van een ruime 7 km en daarmee alweer een stukje verder dan de vorige wandeling. Hopelijk met hetzelfde (positieve) resultaat?

De start van vandaag (IK)
Uitkijken op hoogte over de heide (RK)

Het Noordscheveld is een gedeeltelijk ontgonnen heideveld en alhoewel de heide alweer bijna uitgebloeid is, lijkt er toch een paarse waas over het veld te hangen. We lopen langs de rond van het veld en ontmoeten een groep donkere grazers vlak langs het pad, die gelukkig rustig blijven ‘niksen’ terwijl ze ons belangstellend bekijken.

Een paarse waas over het Noorscheveld (IK)
We worden in de gaten gehouden (RK)

Meteen na de heide zien we onze eerste ‘markesteen’, een grenssteen die de scheiding tussen twee of meer gebieden (marken) aangeeft. Omstreeks de 12e eeuw ontstond de behoefte om grondbezit en de daarbij behorende rechten vast te leggen. Het gebied bestaande uit veen, plassen, heide, weilanden en bossen was destijds gemeenschappelijk bezit, maar een toenemende (vaste) bevolking vroeg om een verandering. Buurschappen en hun kluften (een historische benaming voor een wijk, buurtschap of buurtgilde) vormden met het omliggende gebied een zogenaamde marke en er werden afspraken gemaakt met de omliggende marken over de grenzen van elkaars gebied. Deze gezamenlijk bepaalde grenzen werden bepaald door natuurlijke grenzen, zoals b.v. sloten, en door palen of grote stenen. Dat grenzen soms ook aanleiding waren voor conflicten blijkt uit vele mythen en sagen. De huidige boermarke is de opvolger van de oude marke. Door ontginningen van de heidevelden, aanleg van Staatsbossen en verkavelingen zijn veel van de oude grensaanduidingen verdwenen, maar sommigen liggen nog op hun oude plaats. De laatste jaren zet de Vereniging Drentse Boermarken zich in om verdwenen stenen op te sporen en terug te plaatsen op hun historische plek. Zo plaatste Boermarke Zeijen in 2005 19 markestenen (grensstenen) om de historische grenzen van het gebied opnieuw te markeren, mede mogelijk gemaakt door betrokken bewoners zoals de familie Brouwer. Toch mooi!

We slaan af bij de grenssteen (IK)

Het is heerlijk vandaag wandelweer vandaag en we lopen rustig verder, veelal over zandpaadjes, langs weilanden met mooie vergezichten om ons heen. Op de kruising bij de Wierbroeken zien we een volgende markesteen met zowaar een bankje erbij. Ideaal voor een kop koffie en een krentenbol. 

Veel zandpaden (RK)
Weidse blikken (RK)
Een prima lunchplekje bij een ‘historische’ grenssteen (RK)

De naam Wierbroeken spreekt tot mijn verbeelding. Een klein zoektochtje leert dat ‘broek’ een heel oud Nederlands woord is dat drassig land, moeras of laaggelegen weidegrond betekent. Vaak ging het om grond in een beekdal of dichtbij gelegen veengebied dat in de winter vaak overstroomde. ‘Wier’ kan zowel hoogte (zoals de ons bekende wierde) als waterplanten betekenen. Letterlijk betekent Wierbroeken dus ‘laaggelegen, moerassige gronden (broeken) bij een hoogte’ of ‘drassige graslanden waar veel waterplanten groeien’. Het is een typische naam die door vroege bewoners aan het landschap werd gegeven om het karakter van de bodem en de omgeving te omschrijven. Om ons heen kijkend denken wij dat de eerste beschrijving hier waarschijnlijk meer van toepassing is………..

Springbalsemien langs de kant van de weg (RK)
Zonnestralen laten de spinnenwebben tussen de bramenstruiken zien (RK)

Inmiddels zijn we al dichtbij ons eindpunt Vries, een esdorp tussen De Hondsrug en natuurgebied De Holten. Sinds de ontwikkeling van het dorp op deze plek en tot op de dag van vandaag is de brink het middelpunt van het dorp. Het centrum rond de brink is sinds 1970 dan ook een beschermd dorpsgezicht. Hier staat eveneens de (deels) 12e eeuwse tufstenen Bonifatiuskerk, één van de oudste kerken van Drenthe en tevens ons eindpunt van vandaag. Het verhaal gaat dat de prediker Willehad in 775 de Drenten tot het christendom bekeerde en hier het eerste houten kerkje in Drenthe bouwde. De kerk is in de jaren na WOII gerestaureerd, waarbij verschillende bijzondere vondsten werden gedaan. Misschien wel de meest spraakmakende en het grootste mysterie tot nu toe zijn de kindergraven in deze Bonifatiuskerk. Tijdens een restauratie in 1947 werden er bij graafwerkzaamheden skeletjes van 153 baby\s en peuters ontdekt. Uit onderzoek is gebleken dat de kinderen daar rond 900 gelijktijdig zijn begraven. Het is tot op de dag van vandaag onduidelijk wat er met de kinderen is gebeurd, maar er is de afgelopen decennia wel veel gespeculeerd over hun lot. Zo zouden ze ritueel geofferd zijn of zouden ze zijn vermoord door Noorderlingen (Vikingen of Noormannen) of er zou mogelijk een epidemische ziekte zijn uitgebroken waar voornamelijk kinderen aan stierven. Zoals gezegd, het blijft speculatie.

Bonifatiuskerk Vries (IK)

De kerk is dus gebouwd in de 12e eeuw en werd destijds gewijd aan Bonifatius. Bonifatius (rond 672 – 754) was een Engelse monnik en bisschop die bekendstaat als de belangrijkste christelijke missionaris en kerkhervormer in de vroege middeleeuwen in West-Europa. Verwijzend naar zijn belangrijkste missiegebieden wordt hij ook wel de ‘apostel van Duitsland en Friesland’ genoemd. De paus verleende Bonifatius (geboren als Winfried) op 15 mei 719 het recht om het Evangelie te verkondigen onder de heidenen in Duitsland. Het is zo goed als zeker dat de paus hem bij deze gelegenheid zijn nieuwe naam gaf ter bekrachtiging van zijn missie. Overeenkomstig een oud gebruik koos hij daarvoor de naam van de heilige van de voorafgaande dag (14 mei dus), in dit geval Sint Bonifatius van Tarsus (?-307). De naam Bonifatius betekent ‘weldoener’ of ‘goed fortuin’. Het is kenmerkend voor Winfried’s missiezucht, dat hij na die tijd zijn oude naam nooit meer heeft gebruikt. Bonifatius is in Nederland beschermheilige van Friesland, Utrecht, Haarlem en het bisdom Groningen-Leeuwarden (omvat ook Drenthe) en verder van Engeland en van vele Duitse streken en steden. Hij is bovendien de schutsheilige (heilige beschermer) van o.a. bierbrouwers, boekhandelaren, kleermakers en transportarbeiders.

De heilige wordt vaak afgebeeld met een doorboorde bijbel (internet)

Het doopvont uit de 13de eeuw, waar het doopwater in werd bewaard, is tegen het eind van de 19de eeuw verkocht aan het Drents Museum. Nu heeft het museum dit doopvont in bruikleen aan de kerk beschikbaar gesteld, waardoor wij het kunnen bewonderen. 

Het doopvont uit de 13e eeuw (IK)
Mooie details komen onder het pleisterwerk vandaan (RK)

Naast de kerk, moet het vrouwenmars monument ‘Het verhaal’ te zien zijn. Dat bewaren we maar voor de volgende keer wanneer we vanuit Vries verder zullen lopen. Deze wandelingen, dit ‘niksen’ houden we erin! Volgens een wijsheid van Winnie de Pooh mogen we wel wat meer de tijd nemen om niets te doen: ‘Mensen zeggen dat niets onmogelijk is, maar ik doe elke dag niets’. Pas als we niets doen, kan ons hoofd een beetje opgeruimd worden. Komt er ruimte vrij voor nieuwe dingen en voor creativiteit………… Het was een fijn middagje niksen vandaag!


Verrassende verhalen

Jacobspad: Norg – Noordsche Veld

We gaan het weer eens proberen. Hoewel mijn knie nog steeds pijnlijk is, moet je af en toe je grenzen verleggen om te ontdekken waar je staat, nietwaar? De keus valt daarom op een relatief kort stuk van ongeveer 6 km, wat later een kleine 5 km blijkt te zijn. Voldoende voor een eerste test met weersomstandigheden die niet beter kunnen zijn. Heerlijk!

We gaan het weer proberen …… (IK)

We starten in Norg dat al bestaat sinds het begin van de middeleeuwen (grofweg van 500 tot 1500 na Christus). Norg wordt voor het eerst vermeld in een oorkonde van het bisdom Utrecht uit 1139, waarin de bisschop van Utrecht opbrengsten uit kerken in Drenthe overdraagt. Dit zogenaamde landrecht ging alleen over de verhouding tussen de Drenten en hun landheer, de bisschop; t.w. het strafrecht en het strafrechtproces, de rechterlijke organisatie en dan speciaal het functioneren van de Etstoel (was tot 1791 het hoogste rechtscollege en bestuursorgaan in de provincie Drenthe) en (uiteraard) de bisschoppelijke belastingheffing. Het burgerlijk recht ontbrak hierin geheel. 

Voor de periode van het ontstaan van Norg en omgeving als vaste woonkern wordt ca 700 na Christus gehanteerd. Dit is gebleken uit archeologische opgravingen waarbij plattegronden van een kleine groep boerderijen tevoorschijn zijn gekomen. Uit onderzoek is verder naar voren gekomen dat  er in de 9e of 10e eeuw al een kerk in Norg stond. Die kerk, gemaakt van hout, heeft er vermoedelijk tot in de 11e eeuw gestaan. Daarna kwam er op dezelfde plek een grotere houten kerk. Toen die vervolgens door een brand verloren ging, werd halverwege de 13e eeuw een nieuwe kerk in steen gebouwd. De kerk werd gewijd aan de heilige Sint-Margaretha van Antiochië.

Een beetje vervormde foto van de Margarethakerk in Norg (IK)

Margaretha (ook wel St. Margriet of St. Marina genoemd) werd volgens de overlevering in Antiochië geboren, een stad in het uiterste oosten van de Middellandse Zee, ten noordwesten van Syrië. Oude legenden vertellen dat zij door haar vader, een heidense priester, tijdens de christenvervolgingen in de 4e eeuw is verstoten omdat ze weigerde te trouwen met de Romeinse stadsprefect die in haar ogen een heiden was. Deze ambtenaar accepteerde dit niet en sleepte haar voor het gerecht. Margaretha was een bijzonder mooie vrouw en zelfs de rechters begonnen met haar te flirten. Toen Margaretha hier niet op inging, werd ze (extra) streng gestraft. Ze zou gestoken zijn met brandende fakkels en in kokende olie zijn gedoopt. Margaretha gaf echter niet toe en bleef trouw aan haar geloof. De bevolking was hierdoor zo onder de indruk dat velen zich tot het christendom bekeerden. Al deze bekeerlingen werden rond het jaar 305, tegelijkertijd met Margaretha, onthoofd. Volgens een andere legende zou Margaretha gewerkt hebben als herderin. De prefect zag de ‘schone christelijke maagd’ en werd verliefd op haar. Nadat Margaretha weigerde in te gaan op zijn avances, zou deze haar hebben laten arresteren. Ze werd vervolgens gemarteld, waarbij haar huid met ijzeren kammen werd opengehaald en zij met brandende fakkels zou zijn bewerkt. Hierop werd zij in een kerker gesmeten, waar zij op wonderlijke manier genas van haar wonden. In haar cel werd Margaretha verschillende keren bezocht door de duivel in de gedaante van een draak. De draak probeerde haar te wurgen, maar iedere keer wist Margaretha de ban te verbreken door een kruisteken te maken. In een andere versie van de legende zou Margaretha zelfs door de draak zijn opgegeten en erin geslaagd zijn uit zijn buik te ontsnappen. Opnieuw lieten hierop vele streekgenoten zich dopen. Ook in deze versie van de legende wordt Margaretha uiteindelijk met alle bekeerlingen onthoofd. Met recht een kerk met een verhaal! Margaretha wordt aangeroepen bij barensweeën en zwangerschappen (vanwege haar ontsnappen uit de buik van de draak) en tegen onvruchtbaarheid. Zij is de patrones van de kraamverzorgsters, vroedvrouwen en bijzonder genoeg ook van de landbouw. Alhoewel misschien is dat ook wel logisch.  

St Margaretha wordt vaak afgebeeld met een draak (internet)
Tegenover de kerk een gevangen draak, dat kan geen toeval zijn….. (RK)

Grappig weetje is nog dat de gedenkdag van deze heilige Margaretha op 20 juli is. Deze dag wordt in de ‘weerfolklore’ ook wel Sint-Margriet genoemd, het begin van de warmste periode van het jaar, de hondsdagen. Het is tegelijkertijd een zogenaamde merkeldag, d.w.z. een dag die bijzonder belangrijk is voor het lot van de mens of het weer volgens het volksgeloof. In de volksmond wordt 20 juli ‘Pisgriet’ genoemd naar een legende waarin een (andere?) Margriet 6 weken (!) achter elkaar geplast zou hebben. Vandaar ook bekende weerspreuken als: ‘Als Margriet pist in het riet, zes hele weken boerenverdriet’ (regen op 20 juli betekent een natte zomer) of ‘met Sint Margriet droog, zes weken zon in het oog’ (droog weer op 20 juli brengt zes weken zon). Ik houd van die verhalen waarin allerlei aspecten bij elkaar komen en met elkaar worden verbonden!

Eenmaal buiten Norg lopen we langs de Peesterweg tot we af kunnen slaan naar een schelpenpad. De naam Peest is mogelijk afgeleid van het Latijnse (Romeinse) Pastio of Pieste, wat (varkens-)weide betekent. Het laat raden waarom ;). In Peest staat de ‘Lebbestaok’. Op deze plaats, toen nog ‘woeste heide’, zou ooit een oud boerinnetje, vrouw Lebbe, zijn omgekomen. De boeren uit Peest wilden niet voor de begrafeniskosten opdraaien en beweerden dat de vrouw niet in hun marke lag. De boeren uit Zeijen waren ervan overtuigd dat de vrouw wél in de Peester marke lag. Uiteindelijk hebben de boeren van Zeijen de vrouw begraven met de  voorwaarde dat de vindplaats tevens de scheiding werd tussen de beide markes. Het schijnt dat Peest toen heel wat hectares van haar marke is kwijt geraakt. Vroeger werd deze plek aangegeven door middel van een geschilde jonge eik. Nu staat er een gedenksteen. 

Grensafscheiding Lebbestaok (IK)
Het verhaal van vrouw Lebbe (IK)
Het is mooi onderweg (IK)

In WOII vonden de Duitsers dat er een vliegveld moest komen bij Peest. In het drassige gebied werden 4 landingsbanen aangelegd voor ‘vliegveld Norg’. De landingsbanen bleken echter veel te drassig voor vliegtuigen, waardoor het vliegveld slechts één keer gebruikt is. Ook werd er een waterbekken gegraven in de vorm van een vliegtuig, dat vanuit de lucht goed te herkennen was. Anderen beweren trouwens dat de afgraving een hakenkruis moest voorstellen. Dit waterbekken, Westerveen (in de volksmond ook wel Hitlerring), diende eveneens als watervoorziening in geval van brand. Naast het vliegveld en het Westerveen werd tenslotte een dikke bunker gebouwd, die gebruikt werd als telefooncentrale. Deze bunker is nog steeds te bezichtigen. Al met al hebben we Peest nog niet zo goed bekeken als het verdient!

Sporen van WOII: ‘vliegveld Norg’ (internet)
Een poot van het waterbekken (IK)
Op zoek naar de bunker zien we toch iets onverwachts (RK)
Volgens de beschrijvingen bevindt de bunker zich ergens? (RK)

We lopen verder richting het Noordsche Veld dat al in de prehistorie werd bewoond, waardoor het nu ook archeologisch een interessant gebied is. Hier vind je een groot complex raatakkers (prehistorische akkers of ‘celtic fields’) en een groot aantal grafheuvels, de Negen Bergen genoemd (al zijn het er in werkelijkheid meer). Voor WOII waren er zeker meer grafheuvels te zien. De Duitsers hebben hier echter tijdens de oorlog een schijnvliegveld aangelegd en daarbij is veel vernield. Dit ‘vliegveld’, compleet met houten vliegtuigen, was als afleiding bedoeld, vooral vanuit de lucht gezien, zodat het militaire vliegveld Norg meer beschermd zou zijn. Het verhaal gaat  dat de Engelsen dit snel in de gaten hadden en daarom voor de grap houten nepbommen laten vallen……… 

Onderweg (RK)

‘Celtic fields’ zijn kleine, blokvormige akkertjes uit de IJzertijd. De afzonderlijke akkertjes, van ongeveer 35 bij 35 meter, waren omringd door lage wallen. Die wallen zijn vooral in heide- en bosgebieden nog herkenbaar. De naam is te danken aan 19e eeuwse archeologen, die een verband legden met de Kelten. Hoewel al snel werd aangetoond dat dit onjuist was, bleef de naam tot op de dag van vandaag bestaan.

Lopen we hier langs de Celtic fields? (RK)

Bij het Noordsche Veld in Peest is een bijzondere vindplaats ontdekt; een Neanderthaler vindplaats waar honderden werktuigen van zo’n 50.000 jaar geleden zijn gevonden. Wat deze plek voor de wetenschap nog waardevoller maakt, is dat de gereedschappen hier precies daar worden gevonden waar ze tienduizenden jaren geleden zijn achtergelaten. Vuistbijlen, schaven en messen: gereedschap dat gebruikt werd om te jagen, huiden te bewerken of hout te snijden. Jarenlang werd de exacte locatie van deze vondsten bewust niet gedeeld, want ‘je wilt niet dat mensen zelf met schepjes op pad gaan’. Nu is de provincie eigenaar van de akker geworden en kan het verhaal wél worden verteld wat echter niet betekent dat het gebied vrij toegankelijk is voor een eigen zoektocht. Ik weet op dit moment nog niet precies waar deze vindplaats ligt en of we er langs zullen lopen, maar ook dit verhaal is intrigerend en zal ons vast bezighouden op het volgende stuk. 

Drentse duinen

Jacobspad: Lieveren-Langeloërduinen-Norg

Eigenlijk is het merkwaardig om over duinen in Drenthe te spreken, toch? Bij duinen denk je immers vooral aan de natuurlijke (dus niet door mensen aangelegde) zandbergen langs de kust die ervoor moeten zorgen dat de zee het land niet binnen kan stromen. De zee is in Drenthe echter ver te zoeken! De ‘Drentse’ duinen zijn dus anders en worden ter onderscheiding ook wel landduinen of stuifzanden genoemd. ‘Een geducht natuurverschijnsel’, zo werden de stuifzanden ruim een eeuw geleden genoemd. In feite waren de zandverstuivingen (‘duinen’) echter meer het resultaat van het werk van de mens dan dat van de natuur.

De meeste stuifzanden ontstonden in de 18e en 19e eeuw toen vele tienduizenden schapen dagelijks de Drentse heidevelden afstruinden op zoek naar alles wat eetbaar was. Ook werden er regelmatig karrenvrachten heideplaggen gestoken om de mest te gebruiken voor de akkers. Het gevolg van dit alles was dat de heide op veel plekken verdween en het witte zand eronder vrij spel kreeg. In periodes van droogte en harde wind kregen deze zandverstuivingen de kans om flink te groeien.

Vanaf de 18e eeuw benoemden de boermarken (organisaties waarbij lokale boeren gezamenlijk verantwoordelijk waren voor het beheer van gemeenschappelijke gronden) ‘zandheren’ om de strijd tegen het zand te coördineren. Ze lieten aarden wallen tegen het oprukkende zand bouwen en er werden bomen en houtwallen langs de essen (met mest opgehoogde akkers) geplant om het zand vast te leggen. Pas in het begin van de vorige eeuw werden de zandverstuivingen echt bedwongen door het op grote schaal planten van vooral grove den. Tegenwoordig wordt er juist veel moeite gedaan om het stuifzand open en daarmee actief te houden, want zonder ingrijpen verandert het stuifzand snel in bos.

We zijn langzamerhand wel heel nieuwsgierig geworden naar dit duinlandschap! Ik lees in een column van Janny van der Heijden dat nieuwsgierigheid net is als zout? Een snufje brengt smaak, teveel bederft het gerecht en wie helemaal niet proeft, mist uiteindelijk waar het eigenlijk om gaat. Wij gaan proeven met smaak, want een smaakbeleving is tenslotte een dans van al je zintuigen!

We starten weer in Lieveren waar het op zondag een stuk drukker lijkt te zijn dan op een doordeweekse dag. We lopen over de Zuidesch richting Norg en vinden net buiten het dorp een heerlijk plekje voor ons eerste kopje koffie. Lekker in de zon aan een picknicktafel die met een grote ketting verankerd ligt aan een hunebed-kei. Zou dit een bescherming voor de wind of tegen vandalisme zijn? Onze logeerhond Nova doet alsof ze al een marathon achter de rug heeft en zakt heerlijk languit in het gras. Zelfs een slok water of een meegebracht hondenbrokje kan haar niet tot enige activiteit verleiden. Dat belooft nog wat ;).

Ook het Drenthepad gaat hier langs…….
Mooie paden, maar helaas voor Nova …..

Even verderop lopen we over het Oostervoortse Diep of Kleine Diep. Net ten zuiden van Lieveren vloeit het samen met het meer westelijk gelegen Groote Diep en wordt dan het Lieversche Diep genoemd dat verderop overgaat in het Peizerdiep. Het hele Drentse Aa gebied is eigenlijk een eeuwenoud landschap gevormd door diepen, diepjes, lopen en loopjes. Lange tijd was het Oostervoortsche diep vooral gericht op de landbouw. Het waterpeil moest laag blijven en daarvoor werd water uit de beek weggevoerd. Dit leidde tot problemen want in natte periodes werd het omliggende land te nat en in droge periodes liep de beek zo goed als leeg. Daar is, met de inzichten van nu, wat aan gedaan. Met het plaatsen of juist weghalen van kades, een speciale stuw, een gemaal en een waterwindmolen wordt tegenwoordig de waterberging verbeterd en de wateroverlast beperkt.  

Oostervoorste Diepje

Ons volgende dorp is Langelo. Net als veel andere dorpen in Drenthe, is Langelo zowel een brink- als een esdorp. Een brink was meestal een open stuk grasland (al dan niet met bomen) waar het vee gezamenlijk kon grazen. De es, oftewel het akkerland waar landbouw werd bedreven, bevond zich naast of rondom het dorp. Deze manier van landbouw en veeteelt beoefenen, stamt al uit de Germaanse tijd. Voorheen rondtrekkende stammen gingen zich permanent vestigen en werkten als gemeenschap samen op de gronden die bij hun dorp hoorden. Toen er steeds meer dorpjes ontstonden, begonnen de boeren in een dorp zich te organiseren om hun belangen en hun gronden veilig te stellen. Dit wordt de Boermarke of kortweg Marke genoemd. De bij een dorp behorende gronden werden op de grens afgezet met zogenaamde markestenen. Tijdens het lopen komen we zo’n grenssteen tegen. Een grote kei, waar nu heel modern een plaatje op is geplaatst. Vroeger was dit natuurlijk niet het geval, toen kenden de boeren de grenzen uit hun hoofd. 

De brink in Langelo
De grens

Langelo is één van de kleinste brinkdorpen van Drenthe. Zo’n 65 jaar geleden wist een lagere (basis)school meester zijn leerlingen al te vertellen dat ‘Langelo’ zoiets betekende als ‘langgerekte open plek in het bos’. Hoe hij aan die wijsheid kwam is niet duidelijk en ook niet hoe die open plek in het bos dan was ontstaan. Het is wel bekend dat er hier, al ver voor het begin van de jaartelling, landbouw voorkwam, waarbij de boerderijen onderdeel vormden van de ontginning. Dit wordt ook wel bosakkeren genoemd. De boerderijen gingen slechts 20 tot 30 jaar mee, waarna er een nieuwe boerderij vlakbij gebouwd werd. De plek van de oude boerderij werd dan weer in gebruik genomen als akkerland. Dit leidde er toe dat het oorspronkelijke loofbos een steeds opener landschap werd. Een dergelijk bos wordt ‘loo’ genoemd. Bijzonder toch? 

Mooi lijnenspel

Vervolgens lopen we door de Langeloërduinen, een eeuwenoud stuifzandgebied gevormd door mens en natuur. De naam verwijst naar het nabijgelegen Langelo, waarvan de boeren vroeger gezamenlijk gebruik maakten van dit gebied. Ze lieten hier hun schapen grazen, verzamelden hout of staken turf. Ooit was het gevolg een kale vlakte met stuivend zand, ontstaan door eeuwenlange overbegrazing, houtkap en turfwinning. De wind kreeg vrij spel en vormde glooiende duinen.

Herinnering aan het verleden

De begroeiing die je nu ziet, is het resultaat van herstel en beheer door de tijd heen. Wist je trouwens dat een zandverstuiving extreme temperatuurverschillen kent? Er is niets dat de warmte vasthoudt of koelte brengt. Op het heetst van een zomerdag kan de temperatuur vlak boven de grond waarden van rond de 50 graden bereiken, terwijl deze ‘s nachts weer tot op het vriespunt kan dalen. Onder deze omstandigheden kunnen slechts enkele soorten mossen en korstmossen aan de rand van de zandverstuiving groeien. Het beheer van dit gebied richt zich nu voornamelijk op ‘boomheide’: open bos van inheemse soorten met daaronder een kruidenlaag met vooral heide. De ontwikkelingsmogelijkheden van het bos worden echter beperkt door de versnipperde eigendomsituatie en de aanwezigheid van veel vakantiehuisjes. Al zien sommige van die huisjes er wel heel krakkemikkig uit ……. Toch is en blijft het een prachtig en zeer uitnodigend wandelgebied. We wandelen genietend over de zandpaden, tussen heide, bos en zandverstuivingen door, terwijl we her en der sporen van het verleden tegenkomen. Wat wil je nog meer? 

Uitnodigend wandelgebied
Eeuwenoude paden

In de verte zien we de kerktoren van Norg al opdoemen. Norg staat bekend als één van de best bewaarde esdorpen van Nederland. In de oudste vermelding (1139) van het bisdom Utrecht wordt het geschreven als Nurch. De verklaring voor de naam is waarschijnlijk dat het een afgeleide is van de richtingaanduiding ‘noord’, wat verwijst naar de ligging. De bisschop van Utrecht was niet alleen een kerkelijk leider, maar ook de wereldlijk heer van Drenthe. Norg was namelijk onderdeel van de ‘Norchse’ goederen, die de ridderfamilie ‘van Norch’ in leen had van de bisschop. De invloed van de bisschop in Drenthe nam af toen Karel V in 1528 de macht overnam, waarmee een einde kwam aan het bisschoppelijk tijdvak.

Veel lelietjes van dalen (symbool voor geluk en liefde) onderweg

De hervormde Sint Margarethakerk, ons einddoel van vandaag, herinnert nog aan de middeleeuwse geschiedenis. De verhalen over deze bakstenen kerk gewijd aan Sint Margaretha zijn voor een volgende keer. Al is het wel bijzonder dat deze dame in de derde eeuw in het ministaatje Antiochië, op de grens van het huidige Syrië en Turkije, leefde. Zij had zich al vroeg tot het Christendom bekeerd, tegen de wil van haar directe omgeving in, met als gevolg dat zij uiteindelijk werd onthoofd. Hierdoor werd zij een soort martelares die in de Middeleeuwen sterk werd vereerd, waardoor haar naam aan diverse kerken, waaronder deze, is verbonden. Waarom zij (van zover weg) hier zo belangrijk werd, maakt (mij) nieuwsgierig. Wordt vervolgd!

De Kleibosch

Jacobspad: Roderwolde-Lieveren


We starten vandaag bij de Jacobskerk in Roderwolde. Vandaar lopen we via Foxwolde en de Kleibosch verder langs de Scharenhulsedijk naar esdorp Lieveren, ons eindpunt van vandaag. Al met al een wandeling van zo’n 8 kilometer, wat al weer een beetje verder is dan de 6 km van vorige week. Het lopen is nog niet pijnvrij, maar het gaat steeds een beetje beter!

De brem staat volop in bloei

Qua weer zijn de voorspellingen ‘overwegend droog’, althans voor het noorden, al moet je zulke voorspellingen soms met een korreltje zout nemen ;(. We beginnen in ieder geval wel zonder paraplu (capuchon), maar houden dat niet lang vol. Een gestage miezer, die steeds feller naar beneden komt, maakt de wereld om ons heen langzaam maar zeker grauwer, grijzer en kleiner. Dit hadden we niet besteld! Gelukkig is het niet echt koud en staat er praktisch geen wind. Als is dat laatste misschien juist geen goed teken? Een (on)bekend Nederlands spreekwoord over regen in mei zegt: ‘Een natte mei geeft boter in de wei’, wat betekent dat regen in mei zorgt voor een goede grasgroei en dus een goede melkproductie. Dat moet ons ingedutte ‘boerenbloed’ toch een beetje aanspreken ;-D. Een ander citaat, toegeschreven aan Bob Marley, luidt als volgt: ‘sommige mensen voelen de regen, anderen worden gewoon nat’. Een beetje cryptisch, maar het geeft een perspectief over ons. Hoe wij, ieder voor zich, het leven ervaren. Het suggereert dat hoewel we allemaal vergelijkbare omstandigheden meemaken, onze innerlijke ervaringen enorm kunnen verschillen. Vind je nat worden alleen maar vervelend of voelt de regen als iets positiefs, biedt het nieuwe kansen? Misschien een beetje (te) diepzinnig voor de regen die wij nu ervaren?

Natgeregend……

Foxwolde is een klein buurtschap met een geschiedenis die teruggaat tot in de Middeleeuwen. Vanaf de hoger gelegen dijk alhier (een langgerekte zandrug in het veengebied boven Roden) begonnen mensen toen met de ontginning van het veen. In een oorkonde uit 1313 komt de plaats al voor onder de naam Fokeswolde. Wolde duidt op een bosrijke omgeving, terwijl Fokse kan slaan op een naam van een persoon (Fokke of Fokko) of op het roofdier vos, waarmee de naam verwijst naar een bos waarin vossen zaten. Waarschijnlijk was hier al in de vijftiende eeuw een zogeheten tichelwerk (een plek waar zowel klei gewonnen, verzameld en gebakkens werd) van het cisterciënzer klooster van Aduard. Ter plekke werden dakpannen en kloostermoppen in veldovens gebakken en vervolgens vervoerd via het Peizerdiep.  Hierdoor bleven zogenaamde kleidobben achter in het landschap, de oude winputten. Na verloop van tijd verboste het gebied, vandaar de naam Kleibosch. De potklei (zeer zware klei) is hier ontstaan in de Elster-ijstijd, bijna een half miljoen jaar geleden. Het landijs bereikte in die periode alleen Noord-Nederland en vormde diepe tunnel-dalen. In deze diepe dalen kon sediment langzaam bezinken en zo vormde zich de fijn gelaagde potklei afzettingen. Bij het smelten van het ijs bleef er fijne donkergrijze klei achter. Op sommige plekken ligt het potklei zelfs tot aan het maaiveld, zoals hier bij Foxwolde. Deze bijzondere klei zorgt ervoor dat de grond slecht waterdoorlatend is, waardoor het gebied in het voorjaar erg nat kan zijn. Tal van uitgegraven kleidobben en restanten van oude kanaaltjes herinneren aan de industriële bedrijvigheid van toentertijd. Met de verwoesting en opheffing van het klooster van Aduard aan het einde van de 16e eeuw kwam een einde aan de bloei periode. Wat wij nu lijken te herkennen als ‘kolken’ (diepe watergaten ontstaan door vroegere dijkdoorbraken) zijn dus waarschijnlijk oude opgravingsputten of kleidobben.

Uitleg onderweg
Aan informatieborden geen gebrek

De huidige boerderij ‘Tichelwerk’ is gebouwd op een verhoogde huisplaats (wierde) waar ooit een vaste ticheloven met enkele huizen heeft gestaan. Het eigendom van het huidige Tichelwerk was in de 16e eeuw in de handen van het klooster van Bergum en daarna van de familie van Ewsum. Deze familie was een invloedrijk adellijk geslacht (jonkers) in de late Middeleeuwen, afkomstig uit de Ommelanden van Groningen. Door haar machtspositie en bezittingen heeft de familie een blijvende stempel gedrukt op het Groninger landschap en de geschiedenis.

Het vee dat hier wordt geweid, bestaat voornamelijk uit Groninger blaarkoppen, ‘een dubbeldoelrund gekenmerkt door een solide bouw, mooie verhoudingen en een gepaste bespiering’. In andere woorden: een vlees-melkkoe (60%-40%), egaal zwart of rood van kleur met een witte kop en gekleurde kringen rond de ogen; de blaren. Geen ‘gewone’ koe, maar een heel oud Gronings ras. Vroeger stonden ze overal in de Groningse weilanden. Tegenwoordig zijn ze schaars en behoren ze net als ‘onze’ bonte bentheimers (varkens), de Nederlandse toggenburgers (geiten) en de Groninger meeuwen (kippen) tot levend erfgoed. Ze worden ook wel ‘polderpanda’s’ genoemd. Vanwege de blaren rond de ogen, maar ook omdat ze zo lief en onschuldig zijn. Blaarkoppen zijn rustiger dan veel andere koeienrassen en daardoor makkelijker in de omgang. 


Polderpanda’s

Volgens een beschrijving is De Kleibosch aan het eind van de winter of vroeg in het voorjaar vaak bedekt met bloeiende bosanemoontjes (Anemone nemorosa). De witte bloemen staan zo dicht bij elkaar dat je zou kunnen denken dat er nog plakken sneeuw in het bos liggen. Ze bloeien echter maar kort, net voordat de bladeren aan de bomen komen, dus we hopen dat we deze weelde tijdens onze wandeling vandaag nog kunnen zien……..

Bloeiende bosanemoontjes in De Kleibosch (foto internet)

Helaas zien we de bosanemonen niet, wel heel veel pluisbollen van de paardenbloem. Mooi om te zien in zulke grote hoeveelheden. Wist je trouwens dat de knalgele paardenbloem vaak wordt vergeleken met de zon en symbool staat voor de vervulling van wensen en het uitkomen van dromen? De pluisjes van de paardenbloem brengen je geluk en helpen je herinneren dat niets onmogelijk is in jouw leven; dat je alles kunt bereiken wat je wilt. Met zo’n verhaal kijk je toch met andere ogen naar deze weidebloem die wij vaak meer zien als onkruid in eigen tuin. Omdat de paardenbloem belangrijk is voor insecten en vlinders en daarmee ook voor de vogels, moet je de bloem juist in je tuin laten staan. Tijd voor een herwaardering?

Goed voor de biodiversiteit 😉
Tijd voor een herwaardering?

Inmiddels zijn we in de buurt van Lieveren. Het is een esdorp, dwz een historisch type nederzetting op zandgronden, ontstaan in de Middeleeuwen en gekenmerkt door een geconcentreerde dorpskern, een gemeenschappelijke akker (de ‘es’) en een centrale brink. Er zijn hier zelfs restanten gevonden uit de IJzertijd bij het huidige Lieversche diep. Dit komt omdat een belangrijke verbindingsroute door Drenthe, de Koningsweg (Hereweg), bij Lieveren een doorwaadbare plek in het Peizerdiep had. In 1480 duikt voor het eerst de naam Tho Liveren op. De naam is vermoedelijk afgeleid van ‘bij de lieden van de familie Livere’, een familie die er destijds woonde.

Het laatste stuk vlak voor Lieveren

‘Melksikken’ is een historische schimpnaam voor de inwoners van Lieveren, die verwijst naar de vele kleine boeren die daar werkzaam waren. Deze boeren hielden vaak maar één of enkele koeien, ook wel bekend als ‘arbeiderskoeien’, om in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Het was beslist geen vetpot!

Wilde knoflook langs de kant van de weg

Lieveren is ook nu nog een klein dorp met zo’n 250 inwoners. Het café, ’t hart van Lieveren,’ is nog zo ongeveer de enige voorziening en een bekende plek midden in het dorp. Een vroegere boerderij met een in 1890 toegevoegd cafe. Inmiddels is het schuugedeelte geheel tot woonhuis verbouwd en is het woonhuis volledig in gebruik als cafe. Een gevonden beschrijving geeft een idee: ‘Echt woar luu ik stapde noar binnen en t was asof ik tig joar trugge in tied ging. Waaiers boven toneelpaneeln, karpettn op toafel, olle cafébiljart, grode stamtoafel, caféstouln dei joe veurvast bekend veurkomen en zwaart wit fotoos van verainns aan de muure. Je moutn dr noit hengoan as je hoast hebben, t is n kroeg, cafe woar je zen wordn, zulfs ik….’

’t hart van Lieveren

Groene oasen (Jacobspad)

Jacobspad: Stadspark-Piccardthof-Onlanden

De omschrijving van een oase is in dit geval ‘een rustige plaats met veel groen’. Deze bijzonder plekken vormen vandaag de rode (groene) draad van ons wandeling. Voor de pelgrims onder ons geeft zo’n groene oase een heel andere manier van rust dan het bidden in een kerk, getuige een pelgrimsverslag. ‘De stad achter me gelaten, een verademing op zich! Het lijkt wel of de groene oase me roept. Eén met de natuur en één met mezelf. Langzaam maar zeker vertraag ik naar mijn natuurlijke ritme. Langzaam maar zeker dwaal ik af, weg van de hectiek en dagelijkse gewoontes’ (Jacco Evers). Mooi toch?

Misschien met zo’n beeld voor ogen? (RK)
Of dromeriger zoals hier? (RK)

De eerste ‘oase’ voor ons is meteen het grootste groengebied van de stad; het Stadspark. De eerste plannen voor een groot stuk groen stammen uit het begin van de 20ste eeuw op initiatief van industrieel Jan Evert Scholten. Het doel was een park te creëren dat zich zou kunnen meten met de grote, destijds bekende parken van Wenen, Berlijn, Amsterdam en Den Haag. Op dit gebied boden de al bestaande parken in de stad, het Sterrebos en het Noorderplantsoen, naar zijn idee onvoldoende mogelijkheden.

Een visie (RK)

Jan Evert Scholten (1849-1918) woonde in Groningen. Hij erfde een fortuin na zijn vader’s dood in 1892 en werd daarmee één van de meest vermogende mannen in Nederland. Hij zat zelf echter ook niet stil. Hij zette het vaderlijk bedrijf, het Scholten-concern, voort en breidde zijn industriële en zakelijke activiteiten verder uit. Hij liet in 1873 ‘buitenhuis’ Villa Gelria bouwen aan de Verlengde Hereweg. Hij bezat al, vanaf 1881, een woonhuis aan de Grote Markt; het Scholtenhuis. Dit statige pand aan de Grote Markt werd aan het einde van de 19e eeuw in opdracht van zijn vader Willem Albert Scholten gebouwd. In WOII werd het echter het hoofdkwartier van de regionale afdeling van de Sichterheitsdienst (SD). Het pand werd toen berucht om de vele martelingen die er plaatsvonden en werd daarom wel ‘het voorportaal van de hel’ genoemd. Scholten gaf ook een belangrijke aanzet voor de toeristische ontwikkeling van het Paterswoldsemeer. Zo bouwde hij in 1908 buitenhuis de Paalkoepel, richtte hij in 1912 van de Watersport Paterswolde op, liet hij in 1916 de Meerweg asfalteren en bouwde hij in 1917 de Buitensocieteit, het clubhuis van de zeilclub.

De erfenis van Scholten met de klok mee: de Paalkoepel, het grafmonument van de familie Scholten, het Stadspark (met een optreden van Sting) en Villa Gelria (DvhN 2023)

Tussendoor schonk hij de Stadjers, in 1913, een grote lap grond van 140 hectare met als doel: een openbaar park waar iedereen terecht kon voor sport, plezier en ontspanning. De ontwikkeling van het park heeft daarna toch nog heel wat voeten in de aarde gehad. Landschapsarchitect Leonard Springer (Springervijver in het park) werd ingevlogen om het geheel vorm te geven. Samen bedachten ze een plan om het braakliggende terrein om te toveren tot bijzonder natuurpark, geheel in Engelse landschapstijl. 

De toegang tot……. (IK)
De toegangstunnel is verrassend (RK)
Beide kanten van de toegangstunnel zijn bijzonder (IK)
Verderop veel graffiti (IK)
Oefening baart kunst, maar het wil nog niet zo lukken 🥴 (RK)

Aan de westkant kwam een gedeelte met een grote vijver en een paviljoen, wat ook dienst kon doen als tentoonstellingsruimte en/of een ruimte voor openbare bijeenkomsten. In het midden kwam een renbaan met een grasveld en aan de oostzijde een gedeelte met sportvelden en een ijsbaan. Uiteindelijk zijn alle ideeën gerealiseerd en kon de officiële opening in 1926 plaatsvinden.

Een moeder met kind in het gras bij het splinternieuwe Stadsparkpaviljoen, ca 1926 (Groninger Archieven)

Als eerbetoon is er in 1931 een monument voor Scholten geplaatst aan de Concourslaan, een prominente plek in het park. Boven op een kalkstenen muur staat een bronzen buste van Jan Evert Scholten die met een trotse het Stadspark inkijkt. Uit de muur waarop de sculptuur staat, zijn twee kinderfiguren in sportkleding gehouwen: een meisje met knotsen en een jongen met een discus. De bronzen plaquettes ernaast tonen een paard met een veulen en een paard met kar en wagen. Deze verwijzen naar de paardenfokkerij en de drafsport, twee liefhebberijen van Scholten. Op de hoeken van het monument zijn de wapens van Stad en Ommelanden aangegeven.

Het Scholten monument (RK)
Om de details wat beter te zien 😉 (IK)

Grappig genoeg lijkt de vlag van de Ommelanden veel op de Friese vlag. Dat blijkt ook wel te kloppen! Als gevolg van een gemeenschappelijk verleden lijken de vlaggen inderdaad op elkaar. Even nalezen leert dat de vlag van de Ommelanden gebaseerd is op het Ommelander wapen uit het laatste kwart van de 16e eeuw. De Ommelanders waren in die tijd in oorlog tegen de Spaanse koning Filips II (80-jarige oorlog). Mogelijk hebben ze daarom willen verwijzen naar de legendarische ‘Friese Vrijheid’, want de Friezen bestuurden zichzelf gedurende een groot deel van de Middeleeuwen en horigheid (dienstbaarheid aan een heer) kwam er niet voor. Het is wel goed om je daarbij te realiseren dat Friesland toen groter was dan de huidige provincie nu. Het hele Noord-Nederlandse en Noord-Duitse kustgebied werd aangeduid als Frisia, de Groninger Ommelanden dus ook. In wapenboeken verschenen vanaf de 15e eeuw afbeeldingen van wapenschilden van legendarische Friese koningen, zoals Redbad (Radboud) die waarschijnlijk leefde van 680 – 719. Hij stond in de vroege middeleeuwen bekend om zijn bijdrage aan het in leven houden van ‘de vurige Friese cultuur’.

De oudste afbeelding van het Ommelanden wapen ca 1590 (internet)

De Ommelander heren kozen voor een variant met drie blauwe schuine balken en elf rode harten, ook wel ‘waterroosplomben’ genoemd. De drie balken staan voor de drie Ommelanden Hunsingo, Fivelingo en Westerkwartier, de elf harten symboliseren de elf deelgebieden van de Ommelanden. De Friezen, dat wil zeggen de bewoners van de huidige provincie Friesland, hadden ondertussen voor een geheel ander wapen gekozen: twee gouden leeuwen op een blauw veld. Pas in 1830 werd het oude wapen van Redbad herontdekt en aan het eind van de 19e eeuw wapperde voor het eerst de hierop gebaseerde Friese vlag met de 7 rode ‘pompeblêden’ (een verwijzing naar de 7 historische gebieden waar de Friezen leefden). De Friese vlag is inmiddels veel bekender  geworden dan de Ommelander vlag, want tegen het veelvuldig gebruik in reclames kan een meer dan driehonderd jaar oudere geschiedenis niet op.

De provinciewapens van Friesland, Groningen en Drenthe op het voormalig onderkomen van het Nieuwsblad van het Noorden aan het Gedempte Zuiderdiep in Groningen (internet)

Leuk om zo lopend en genietend weer meer te leren over een stukje Groninger geschiedenis. Genieten is het zeker, want het is alweer lang geleden dat we zo in het Stadspark zijn geweest. 

Bijna vanaf het terras van het paviljoen (RK)
Wat is het aanzicht van het paviljoen veranderd…… (IK)

Aan de andere kant van de A7 ligt het Piccardthof, een volgende groene oase. Omstreeks 1938 werd in Groningen de Bond van Volkstuinders opgericht, die het gemeentebestuur vroegen een volkstuincomplex mogelijk te maken. In 1942 resulteerde dit in de oprichting van het complex door enkele stad-Groninger notabelen, waaronder Jan Hendrik Herman Piccardt, naar wie het volkstuincomplex is vernoemd. Piccardt vond het belangrijk dat mensen uit de stad een plek hadden waar ze hun eigen groente konden verbouwen en tussen het groen konden verblijven. De vereniging is ooit begonnen als moestuinen complex en later zijn daar de siertuinen bijgekomen. De nadruk ligt op tuinieren met respect voor de natuur. Zo bevinden zich op het terrein o.a. ook een vlindertuin, een bloementuin, een bloemenweide, een paddenpoel en een bijenstal. In 2009 ontving de Piccardthof de hoogste onderscheiding voor natuurlijk tuinieren. Het ruim 18 hectare grote gebied met meer dan 300 tuinen wordt beheerd door een Amateur Tuinders Vereniging.

Hier wonen veel ‘liefhebbers’ (IK)

Wij lopen er even binnen om een indruk te krijgen. Het is hier heerlijk rustig met overal bloeiende bloemen en veel groen. Haast jammer dat ons pad niet dwars door dit gebied gaat, maar er net langs. Alhoewel ook ‘onze’ weg is zeker de moeite waard met  hoge bomen aan beide kanten en een zandpad in het midden. We lopen eigenlijk, midden in de natuur en tegelijkertijd vlak langs Eelderwolde.

Het wordt al een beetje herfstig (IK)
Terwijl wij het zandpad oplopen, slaan zij af (RK)

Over de brug buigen we af naar de Madijk, de begrenzing van de Onlanden. De term onland wordt gebruikt voor woeste grond die vrijwel onbruikbaar is of was voor agrarisch gebruik. Het gebied wat we nu betreden, was oorspronkelijk een laaggelegen binnendelta tussen het Drentse zand en de Groningse zeeklei, waar vanaf het Drentse zandplateau de Drentse Aa en het Eelder- en Peizerdiep het gebied in stroomden. Nadat er in 1998 veel wateroverlast was en een aantal stadswijken van de stad Groningen dreigden te overstromen, is er besloten om het gebied om te vormen tot een waterberging. Hierdoor ontstond een natuurgebied van zo’n 2500 hectare. Het project kreeg de mooie en veelzeggende naam: ‘natte natuur voor droge voeten’. We komen hier al jaren en zien het ook elk jaar mooier, wilder, ruiger (welke term je ook wilt gebruiken) worden met een grote en toenemende diversiteit.

Een blik vanaf de Madijk (RK)

We sluiten onze wandeling van vandaag af bij de Onlanderij; de poort tot de Onlanden. De volgende keer lopen we verder door deze oase. Misschien ook met een gedachte zoals die van Jacco Evers: ‘de tocht geeft me alles wat ik nodig heb, vooral de stilte laat me dieper en dieper ademen.’