Drentse duinen

Jacobspad: Lieveren-Langeloërduinen-Norg

Eigenlijk is het merkwaardig om over duinen in Drenthe te spreken, toch? Bij duinen denk je immers vooral aan de natuurlijke (dus niet door mensen aangelegde) zandbergen langs de kust die ervoor moeten zorgen dat de zee het land niet binnen kan stromen. De zee is in Drenthe echter ver te zoeken! De ‘Drentse’ duinen zijn dus anders en worden ter onderscheiding ook wel landduinen of stuifzanden genoemd. ‘Een geducht natuurverschijnsel’, zo werden de stuifzanden ruim een eeuw geleden genoemd. In feite waren de zandverstuivingen (‘duinen’) echter meer het resultaat van het werk van de mens dan dat van de natuur.

De meeste stuifzanden ontstonden in de 18e en 19e eeuw toen vele tienduizenden schapen dagelijks de Drentse heidevelden afstruinden op zoek naar alles wat eetbaar was. Ook werden er regelmatig karrenvrachten heideplaggen gestoken om de mest te gebruiken voor de akkers. Het gevolg van dit alles was dat de heide op veel plekken verdween en het witte zand eronder vrij spel kreeg. In periodes van droogte en harde wind kregen deze zandverstuivingen de kans om flink te groeien.

Vanaf de 18e eeuw benoemden de boermarken (organisaties waarbij lokale boeren gezamenlijk verantwoordelijk waren voor het beheer van gemeenschappelijke gronden) ‘zandheren’ om de strijd tegen het zand te coördineren. Ze lieten aarden wallen tegen het oprukkende zand bouwen en er werden bomen en houtwallen langs de essen (met mest opgehoogde akkers) geplant om het zand vast te leggen. Pas in het begin van de vorige eeuw werden de zandverstuivingen echt bedwongen door het op grote schaal planten van vooral grove den. Tegenwoordig wordt er juist veel moeite gedaan om het stuifzand open en daarmee actief te houden, want zonder ingrijpen verandert het stuifzand snel in bos.

We zijn langzamerhand wel heel nieuwsgierig geworden naar dit duinlandschap! Ik lees in een column van Janny van der Heijden dat nieuwsgierigheid net is als zout? Een snufje brengt smaak, teveel bederft het gerecht en wie helemaal niet proeft, mist uiteindelijk waar het eigenlijk om gaat. Wij gaan proeven met smaak, want een smaakbeleving is tenslotte een dans van al je zintuigen!

We starten weer in Lieveren waar het op zondag een stuk drukker lijkt te zijn dan op een doordeweekse dag. We lopen over de Zuidesch richting Norg en vinden net buiten het dorp een heerlijk plekje voor ons eerste kopje koffie. Lekker in de zon aan een picknicktafel die met een grote ketting verankerd ligt aan een hunebed-kei. Zou dit een bescherming voor de wind of tegen vandalisme zijn? Onze logeerhond Nova doet alsof ze al een marathon achter de rug heeft en zakt heerlijk languit in het gras. Zelfs een slok water of een meegebracht hondenbrokje kan haar niet tot enige activiteit verleiden. Dat belooft nog wat ;).

Ook het Drenthepad gaat hier langs…….
Mooie paden, maar helaas voor Nova …..

Even verderop lopen we over het Oostervoortse Diep of Kleine Diep. Net ten zuiden van Lieveren vloeit het samen met het meer westelijk gelegen Groote Diep en wordt dan het Lieversche Diep genoemd dat verderop overgaat in het Peizerdiep. Het hele Drentse Aa gebied is eigenlijk een eeuwenoud landschap gevormd door diepen, diepjes, lopen en loopjes. Lange tijd was het Oostervoortsche diep vooral gericht op de landbouw. Het waterpeil moest laag blijven en daarvoor werd water uit de beek weggevoerd. Dit leidde tot problemen want in natte periodes werd het omliggende land te nat en in droge periodes liep de beek zo goed als leeg. Daar is, met de inzichten van nu, wat aan gedaan. Met het plaatsen of juist weghalen van kades, een speciale stuw, een gemaal en een waterwindmolen wordt tegenwoordig de waterberging verbeterd en de wateroverlast beperkt.  

Oostervoorste Diepje

Ons volgende dorp is Langelo. Net als veel andere dorpen in Drenthe, is Langelo zowel een brink- als een esdorp. Een brink was meestal een open stuk grasland (al dan niet met bomen) waar het vee gezamenlijk kon grazen. De es, oftewel het akkerland waar landbouw werd bedreven, bevond zich naast of rondom het dorp. Deze manier van landbouw en veeteelt beoefenen, stamt al uit de Germaanse tijd. Voorheen rondtrekkende stammen gingen zich permanent vestigen en werkten als gemeenschap samen op de gronden die bij hun dorp hoorden. Toen er steeds meer dorpjes ontstonden, begonnen de boeren in een dorp zich te organiseren om hun belangen en hun gronden veilig te stellen. Dit wordt de Boermarke of kortweg Marke genoemd. De bij een dorp behorende gronden werden op de grens afgezet met zogenaamde markestenen. Tijdens het lopen komen we zo’n grenssteen tegen. Een grote kei, waar nu heel modern een plaatje op is geplaatst. Vroeger was dit natuurlijk niet het geval, toen kenden de boeren de grenzen uit hun hoofd. 

De brink in Langelo
De grens

Langelo is één van de kleinste brinkdorpen van Drenthe. Zo’n 65 jaar geleden wist een lagere (basis)school meester zijn leerlingen al te vertellen dat ‘Langelo’ zoiets betekende als ‘langgerekte open plek in het bos’. Hoe hij aan die wijsheid kwam is niet duidelijk en ook niet hoe die open plek in het bos dan was ontstaan. Het is wel bekend dat er hier, al ver voor het begin van de jaartelling, landbouw voorkwam, waarbij de boerderijen onderdeel vormden van de ontginning. Dit wordt ook wel bosakkeren genoemd. De boerderijen gingen slechts 20 tot 30 jaar mee, waarna er een nieuwe boerderij vlakbij gebouwd werd. De plek van de oude boerderij werd dan weer in gebruik genomen als akkerland. Dit leidde er toe dat het oorspronkelijke loofbos een steeds opener landschap werd. Een dergelijk bos wordt ‘loo’ genoemd. Bijzonder toch? 

Mooi lijnenspel

Vervolgens lopen we door de Langeloërduinen, een eeuwenoud stuifzandgebied gevormd door mens en natuur. De naam verwijst naar het nabijgelegen Langelo, waarvan de boeren vroeger gezamenlijk gebruik maakten van dit gebied. Ze lieten hier hun schapen grazen, verzamelden hout of staken turf. Ooit was het gevolg een kale vlakte met stuivend zand, ontstaan door eeuwenlange overbegrazing, houtkap en turfwinning. De wind kreeg vrij spel en vormde glooiende duinen.

Herinnering aan het verleden

De begroeiing die je nu ziet, is het resultaat van herstel en beheer door de tijd heen. Wist je trouwens dat een zandverstuiving extreme temperatuurverschillen kent? Er is niets dat de warmte vasthoudt of koelte brengt. Op het heetst van een zomerdag kan de temperatuur vlak boven de grond waarden van rond de 50 graden bereiken, terwijl deze ‘s nachts weer tot op het vriespunt kan dalen. Onder deze omstandigheden kunnen slechts enkele soorten mossen en korstmossen aan de rand van de zandverstuiving groeien. Het beheer van dit gebied richt zich nu voornamelijk op ‘boomheide’: open bos van inheemse soorten met daaronder een kruidenlaag met vooral heide. De ontwikkelingsmogelijkheden van het bos worden echter beperkt door de versnipperde eigendomsituatie en de aanwezigheid van veel vakantiehuisjes. Al zien sommige van die huisjes er wel heel krakkemikkig uit ……. Toch is en blijft het een prachtig en zeer uitnodigend wandelgebied. We wandelen genietend over de zandpaden, tussen heide, bos en zandverstuivingen door, terwijl we her en der sporen van het verleden tegenkomen. Wat wil je nog meer? 

Uitnodigend wandelgebied
Eeuwenoude paden

In de verte zien we de kerktoren van Norg al opdoemen. Norg staat bekend als één van de best bewaarde esdorpen van Nederland. In de oudste vermelding (1139) van het bisdom Utrecht wordt het geschreven als Nurch. De verklaring voor de naam is waarschijnlijk dat het een afgeleide is van de richtingaanduiding ‘noord’, wat verwijst naar de ligging. De bisschop van Utrecht was niet alleen een kerkelijk leider, maar ook de wereldlijk heer van Drenthe. Norg was namelijk onderdeel van de ‘Norchse’ goederen, die de ridderfamilie ‘van Norch’ in leen had van de bisschop. De invloed van de bisschop in Drenthe nam af toen Karel V in 1528 de macht overnam, waarmee een einde kwam aan het bisschoppelijk tijdvak.

Veel lelietjes van dalen (symbool voor geluk en liefde) onderweg

De hervormde Sint Margarethakerk, ons einddoel van vandaag, herinnert nog aan de middeleeuwse geschiedenis. De verhalen over deze bakstenen kerk gewijd aan Sint Margaretha zijn voor een volgende keer. Al is het wel bijzonder dat deze dame in de derde eeuw in het ministaatje Antiochië, op de grens van het huidige Syrië en Turkije, leefde. Zij had zich al vroeg tot het Christendom bekeerd, tegen de wil van haar directe omgeving in, met als gevolg dat zij uiteindelijk werd onthoofd. Hierdoor werd zij een soort martelares die in de Middeleeuwen sterk werd vereerd, waardoor haar naam aan diverse kerken, waaronder deze, is verbonden. Waarom zij (van zover weg) hier zo belangrijk werd, maakt (mij) nieuwsgierig. Wordt vervolgd!

De Kleibosch

Jacobspad: Roderwolde-Lieveren


We starten vandaag bij de Jacobskerk in Roderwolde. Vandaar lopen we via Foxwolde en de Kleibosch verder langs de Scharenhulsedijk naar esdorp Lieveren, ons eindpunt van vandaag. Al met al een wandeling van zo’n 8 kilometer, wat al weer een beetje verder is dan de 6 km van vorige week. Het lopen is nog niet pijnvrij, maar het gaat steeds een beetje beter!

De brem staat volop in bloei

Qua weer zijn de voorspellingen ‘overwegend droog’, althans voor het noorden, al moet je zulke voorspellingen soms met een korreltje zout nemen ;(. We beginnen in ieder geval wel zonder paraplu (capuchon), maar houden dat niet lang vol. Een gestage miezer, die steeds feller naar beneden komt, maakt de wereld om ons heen langzaam maar zeker grauwer, grijzer en kleiner. Dit hadden we niet besteld! Gelukkig is het niet echt koud en staat er praktisch geen wind. Als is dat laatste misschien juist geen goed teken? Een (on)bekend Nederlands spreekwoord over regen in mei zegt: ‘Een natte mei geeft boter in de wei’, wat betekent dat regen in mei zorgt voor een goede grasgroei en dus een goede melkproductie. Dat moet ons ingedutte ‘boerenbloed’ toch een beetje aanspreken ;-D. Een ander citaat, toegeschreven aan Bob Marley, luidt als volgt: ‘sommige mensen voelen de regen, anderen worden gewoon nat’. Een beetje cryptisch, maar het geeft een perspectief over ons. Hoe wij, ieder voor zich, het leven ervaren. Het suggereert dat hoewel we allemaal vergelijkbare omstandigheden meemaken, onze innerlijke ervaringen enorm kunnen verschillen. Vind je nat worden alleen maar vervelend of voelt de regen als iets positiefs, biedt het nieuwe kansen? Misschien een beetje (te) diepzinnig voor de regen die wij nu ervaren?

Natgeregend……

Foxwolde is een klein buurtschap met een geschiedenis die teruggaat tot in de Middeleeuwen. Vanaf de hoger gelegen dijk alhier (een langgerekte zandrug in het veengebied boven Roden) begonnen mensen toen met de ontginning van het veen. In een oorkonde uit 1313 komt de plaats al voor onder de naam Fokeswolde. Wolde duidt op een bosrijke omgeving, terwijl Fokse kan slaan op een naam van een persoon (Fokke of Fokko) of op het roofdier vos, waarmee de naam verwijst naar een bos waarin vossen zaten. Waarschijnlijk was hier al in de vijftiende eeuw een zogeheten tichelwerk (een plek waar zowel klei gewonnen, verzameld en gebakkens werd) van het cisterciënzer klooster van Aduard. Ter plekke werden dakpannen en kloostermoppen in veldovens gebakken en vervolgens vervoerd via het Peizerdiep.  Hierdoor bleven zogenaamde kleidobben achter in het landschap, de oude winputten. Na verloop van tijd verboste het gebied, vandaar de naam Kleibosch. De potklei (zeer zware klei) is hier ontstaan in de Elster-ijstijd, bijna een half miljoen jaar geleden. Het landijs bereikte in die periode alleen Noord-Nederland en vormde diepe tunnel-dalen. In deze diepe dalen kon sediment langzaam bezinken en zo vormde zich de fijn gelaagde potklei afzettingen. Bij het smelten van het ijs bleef er fijne donkergrijze klei achter. Op sommige plekken ligt het potklei zelfs tot aan het maaiveld, zoals hier bij Foxwolde. Deze bijzondere klei zorgt ervoor dat de grond slecht waterdoorlatend is, waardoor het gebied in het voorjaar erg nat kan zijn. Tal van uitgegraven kleidobben en restanten van oude kanaaltjes herinneren aan de industriële bedrijvigheid van toentertijd. Met de verwoesting en opheffing van het klooster van Aduard aan het einde van de 16e eeuw kwam een einde aan de bloei periode. Wat wij nu lijken te herkennen als ‘kolken’ (diepe watergaten ontstaan door vroegere dijkdoorbraken) zijn dus waarschijnlijk oude opgravingsputten of kleidobben.

Uitleg onderweg
Aan informatieborden geen gebrek

De huidige boerderij ‘Tichelwerk’ is gebouwd op een verhoogde huisplaats (wierde) waar ooit een vaste ticheloven met enkele huizen heeft gestaan. Het eigendom van het huidige Tichelwerk was in de 16e eeuw in de handen van het klooster van Bergum en daarna van de familie van Ewsum. Deze familie was een invloedrijk adellijk geslacht (jonkers) in de late Middeleeuwen, afkomstig uit de Ommelanden van Groningen. Door haar machtspositie en bezittingen heeft de familie een blijvende stempel gedrukt op het Groninger landschap en de geschiedenis.

Het vee dat hier wordt geweid, bestaat voornamelijk uit Groninger blaarkoppen, ‘een dubbeldoelrund gekenmerkt door een solide bouw, mooie verhoudingen en een gepaste bespiering’. In andere woorden: een vlees-melkkoe (60%-40%), egaal zwart of rood van kleur met een witte kop en gekleurde kringen rond de ogen; de blaren. Geen ‘gewone’ koe, maar een heel oud Gronings ras. Vroeger stonden ze overal in de Groningse weilanden. Tegenwoordig zijn ze schaars en behoren ze net als ‘onze’ bonte bentheimers (varkens), de Nederlandse toggenburgers (geiten) en de Groninger meeuwen (kippen) tot levend erfgoed. Ze worden ook wel ‘polderpanda’s’ genoemd. Vanwege de blaren rond de ogen, maar ook omdat ze zo lief en onschuldig zijn. Blaarkoppen zijn rustiger dan veel andere koeienrassen en daardoor makkelijker in de omgang. 


Polderpanda’s

Volgens een beschrijving is De Kleibosch aan het eind van de winter of vroeg in het voorjaar vaak bedekt met bloeiende bosanemoontjes (Anemone nemorosa). De witte bloemen staan zo dicht bij elkaar dat je zou kunnen denken dat er nog plakken sneeuw in het bos liggen. Ze bloeien echter maar kort, net voordat de bladeren aan de bomen komen, dus we hopen dat we deze weelde tijdens onze wandeling vandaag nog kunnen zien……..

Bloeiende bosanemoontjes in De Kleibosch (foto internet)

Helaas zien we de bosanemonen niet, wel heel veel pluisbollen van de paardenbloem. Mooi om te zien in zulke grote hoeveelheden. Wist je trouwens dat de knalgele paardenbloem vaak wordt vergeleken met de zon en symbool staat voor de vervulling van wensen en het uitkomen van dromen? De pluisjes van de paardenbloem brengen je geluk en helpen je herinneren dat niets onmogelijk is in jouw leven; dat je alles kunt bereiken wat je wilt. Met zo’n verhaal kijk je toch met andere ogen naar deze weidebloem die wij vaak meer zien als onkruid in eigen tuin. Omdat de paardenbloem belangrijk is voor insecten en vlinders en daarmee ook voor de vogels, moet je de bloem juist in je tuin laten staan. Tijd voor een herwaardering?

Goed voor de biodiversiteit 😉
Tijd voor een herwaardering?

Inmiddels zijn we in de buurt van Lieveren. Het is een esdorp, dwz een historisch type nederzetting op zandgronden, ontstaan in de Middeleeuwen en gekenmerkt door een geconcentreerde dorpskern, een gemeenschappelijke akker (de ‘es’) en een centrale brink. Er zijn hier zelfs restanten gevonden uit de IJzertijd bij het huidige Lieversche diep. Dit komt omdat een belangrijke verbindingsroute door Drenthe, de Koningsweg (Hereweg), bij Lieveren een doorwaadbare plek in het Peizerdiep had. In 1480 duikt voor het eerst de naam Tho Liveren op. De naam is vermoedelijk afgeleid van ‘bij de lieden van de familie Livere’, een familie die er destijds woonde.

Het laatste stuk vlak voor Lieveren

‘Melksikken’ is een historische schimpnaam voor de inwoners van Lieveren, die verwijst naar de vele kleine boeren die daar werkzaam waren. Deze boeren hielden vaak maar één of enkele koeien, ook wel bekend als ‘arbeiderskoeien’, om in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Het was beslist geen vetpot!

Wilde knoflook langs de kant van de weg

Lieveren is ook nu nog een klein dorp met zo’n 250 inwoners. Het café, ’t hart van Lieveren,’ is nog zo ongeveer de enige voorziening en een bekende plek midden in het dorp. Een vroegere boerderij met een in 1890 toegevoegd cafe. Inmiddels is het schuugedeelte geheel tot woonhuis verbouwd en is het woonhuis volledig in gebruik als cafe. Een gevonden beschrijving geeft een idee: ‘Echt woar luu ik stapde noar binnen en t was asof ik tig joar trugge in tied ging. Waaiers boven toneelpaneeln, karpettn op toafel, olle cafébiljart, grode stamtoafel, caféstouln dei joe veurvast bekend veurkomen en zwaart wit fotoos van verainns aan de muure. Je moutn dr noit hengoan as je hoast hebben, t is n kroeg, cafe woar je zen wordn, zulfs ik….’

’t hart van Lieveren

Uniek landschap

Jacobspad: Zanddijk (Onlanden)-Roderwolde

Het is alweer een tijd geleden dat we voor het laatst gelopen hebben. Na augustus vorig jaar kreeg ik meer en meer last van mijn linker knie. Onderzoek wees uit dat er weliswaar vocht in de knie zit, maar alle banden en zichtbare delen op de echo zagen er wel goed uit. Het ‘probleem’ zit daarmee dieper in de knie en het advies is fysiotherapie om alle spieren rondom aan te sterken. Inmiddels ruim een half jaar verder gaat het beter en wil ik de draad weer oppakken met een kortere wandeling van ongeveer 6 kilometer. Eens kijken hoe het ‘soft’ wandelen in de praktijk gaat bevallen. 😉

Het traject van de Zanddijk in De Onlanden naar Roderwolde is daar, volgens mij, een ideaal stuk voor. Volgens de beschrijving ‘voert het wandelaars door een ruig, jong natuur- en waterbergingsgebied met weidse uitzichten, grasdijken, moerasgebieden en vaak de aanwezigheid van ooievaars of de zeearend.’ Vooral in het voorjaar moet het hier een eldorado voor vogels zijn. Het verhaal dat tientallen veldleeuweriken onderweg voor een muzikaal feest kunnen zorgen, spreekt tot mijn verbeelding. Genoeg te zien en te genieten en vast zeer geschikt om het tempo te vertragen. Twee vliegen in één klap?

De ‘schelp’ is soms lastig te vinden

We starten bij ‘de Onlanderij’. Dit vroegere boerenerf aan de Madijk in Eelderwolde is al enkele jaren een poort tot natuurgebied De Onlanden. Oorspronkelijk werd dit gebied gekenmerkt door heidevelden die werden doorkruist door kleine, vochtige graslanden. Het water uit de beken van Drenthe kwam hier samen om vervolgens naar de Waddenzee te stromen. In het verleden heeft de stad Groningen meerdere malen te maken gehad met wateroverlast omdat het water bij hevige regenval te snel richting Groningen werd afgevoerd. Met de herinrichting van het gebied kreeg dit natuurgebied ook de functie van waterreservoir om mogelijke overstromingen in de toekomst te voorkomen. De natuur heeft zich daarna snel aangepast en ontplooit zich langzaam weer naar een waterrijk gebied met een natuurlijk fluctuerend waterpeil. Natuurmonumenten heeft (onderhoud)hulp van een kudde Exmoor pony’s, stoere oerpaardjes die zonder problemen het hele jaar buiten kunnen blijven. Dit paardenras is zeldzaam geworden, waardoor deze nieuwe kudde ook kan bijdragen aan het behoud van deze bijzondere soort. Leuk weetje is dat van de opbrengst van de Groene 4 Mijl in 2016 en 2017 een aantal van deze paardjes zijn aangeschaft. Door de begrazing met de pony’s, samen met de (zomer)begrazing door 400 koeien, wordt het gebied veel afwisselender wat weer gunstig is voor de verscheidenheid aan planten en dieren. Ze hopen hier bijvoorbeeld veldleeuweriken, roerdompen, paapjes, porseleinhoentjes en misschien zelfs de grauwe klauwier te zien, aldus een boswachter.

Langs de Zanddijk

Ha, de veldleeuwerik……. We doen ons best, maar zo’n klein vogeltje (16-18 cm) is moeilijk met het blote oog te ontdekken. We verdiepen ons snel in de uiterlijke kenmerken en leren dat de veldleeuwerik een lichtbruin verenkleed heeft met een licht bruin gestreepte borst. Deze strepen contrasteren met een witte buik. Ze kunnen een korte, stompe kuif oprichten en ze hebben een relatief korte snavel. Zonder verrekijker een onmogelijkheid ;).

Zien is kennen

Hun geluid dan? Dat muzikale feest? De ‘uitbundig klinkende zang’ van de veldleeuwerik wordt als volgt beschreven: ‘dit kan op mooie dagen in het voorjaar van grote hoogte gehoord worden. De mannetjes maken spectaculaire zangvluchten. Eerst klimmen ze luid zingend tot een hoogte van soms meer dan honderd meter, waarna ze ook weer zingend omlaag vliegen om in de buurt bij het vrouwtje te landen. Een uitzonderlijk record ligt op 56 minuten.’ Klinkt bijzonder, maar ik denk dat het vogeltje vandaag overstemd wordt door de ganzen en de kraaien, die natuurlijk veel meer kabaal kunnen produceren!

Langzaam maar zeker wordt het steeds minder druk om ons heen. We kruisen het gekanaliseerde riviertje de Gouwe en genieten van de wereld om ons heen.

Uitkijken over de Gouwe

Vreemd om je te realiseren dat er rond 1300 al monniken door dit moerasgebied liepen. Ze waren op weg van het klooster in Aduard naar de kerk in Vries. Volgens de overlevering pauzeerden zij vaak bij een hoger gelegen zandkop die boven het moeras uitstak. Er zou op dit punt destijds een beeld hebben gestaan en daarom heeft de uitkijktoren die nu op deze plek staat de naam ‘Het Beeld’ gekregen. Langs het pad hier naar toe staan een paar figuren van monniken en een paar bankjes. Verwijzingen naar de geschiedenis van dit gebied. Wij lopen hier niet langs, maar zien even verderop in de fietstunnel wel een verwijzing in de vorm van een muurschildering.

De monniken liepen hier vroeger ook al ……

We zijn inmiddels vlakbij het tolhuis aan de andere kant van de Groningerweg. Tot ongeveer 150 jaar geleden waren er in Drenthe alleen maar zandwegen. Moeilijk om op te lopen of om met paard en wagen over te rijden, vooral na een flinke regenbui. Eén van de belangrijkste wegen in de gemeente Noordenveld is de Groningerweg die vanaf Smilde, via Norg, Roden en Peize naar Groningen loopt. Deze weg tussen Roden en Peize naar de stad is in 1884 aangelegd, evenals het (bijbehorende) tolhuis. De verharding en ook het onderhoud van de weg was duur. Daarom werd er langs deze weg tol geheven, want als je de weg wilde gebruiken, dan moest je daarvoor betalen. Een postwagen moest bijvoorbeeld 10 cent betalen en een kar met een geit ervoor 3 cent. Inmiddels is het tolhuis als woonhuis in gebruik waarmee de oorspronkelijke indeling met bergruimte, koe- en varkensstal verdwenen is. Het blijft leuk om je te verdiepen in kleine beetjes geschiedenis onderweg.

We lopen verder richting het Peizerdiep. Tussen de diverse dorpen stromen verschillende beekjes die samenkomen in het Peizerdiep, dat bij Peizermade overgaat in het Aduarderdiep en uiteindelijk richting de Waddenzee stroomt. In de tijd voor de aanleg van goede wegen (ruwweg voor 1900) was vervoer over water één van de belangrijkste transportmiddelen voor zowel goederen als personen. De dorpen Peize en Roderwolde hadden dan ook een kleine haven. De oude vaarverbinding sloot aan op het Hoendiep waardoor een verbinding met de stad Groningen een feit was. Het haventje van Peize bestaat niet meer en het haventje van Roderwolde is in de zeventiger jaren gedempt. In 2006 is het haventje van Roderwolde weer in ere hersteld na initiatieven vanuit de bevolking. Het Peizerdiep is nog steeds bevaarbaar, maar vanwege de lagere waterstand en de brug in de A7, slechts voor kleine boten zoals b.v. kano’s.

Het zand nodig voor de werkzaamheden in De Onlanden komt over het Peizerdiep
Haventje in Roderwolde

Dan doemt Roderwolde op. Van verre zien we zowel de molen als de witte kerk, tevens ons einddoel van vandaag. Windmolen Woldzigt is de grootste molen en volgens de Roderwolders (en velen met hen) ook de mooiste molen van Drenthe. In 1852 lieten twee zwagers hem als oliemolen bouwen. De namen van beide heren staan op een gevelsteen vermeld. Via de Schipsloot recht tegenover Woldzigt konden lijnzaad en koolzaad worden aangevoerd. Van het lijnzaad maalden ze lijnolie voor de verffabrieken en persten ze veekoeken. Koolzaadolie werd vroeger veel als lampolie gebruikt. Na een paar jaar werden op de zolder molenstenen geïnstalleerd voor het malen van graan. De molen, een achtkante bovenkruier met stelling, is niet alleen bijzonder vanwege de ouderdom en de gaafheid, maar ook vanwege het feit dat de molen twee functies kent, die bovendien springlevend zijn. Er wordt nog regelmatig olie geslagen, waarbij op een ambachtelijke wijze lijnolie wordt verkregen. In 2016 ging molen Woldzigt samen met molen De Hoop in Norg en de Paiser Meul in Peize over van de gemeente Noordenveld naar Stichting Het Drentse Landschap; ‘een stichting die zich inzet voor het behoud van de Drentse natuur en zich sterk maakt voor het in stand houden van ons culturele erfgoed.’

Hoog boven de bomen

Roderwolde is weer een dorp met een Jacobskerk, gewijd aan Sint Jacob, de apostel. Even ter herinnering: Sint Jacob maakte deel uit van de groep apostelen die tot de directe kring van Jezus behoorde en was één van de eerste martelaars van de Katholieke Kerk door zijn leven te geven voor Jezus. Na de dood van Christus begon Jacobus (Santiago in het Spaans) mensen in Hispania te bekeren.

De kerk was sinds de oprichting een ‘zelfstandige, bisschoppelijke eigenkerk’, dat wil zeggen dat de bisschop de kerk uit eigen middelen heeft gesticht. De keuze van de beschermheilige St. Jacob bevestigt de hoge ouderdom van de kerk: na de 12e eeuw werden weinig kerken meer gewijd aan St. Jacob of andere apostelen. Vermoedelijk dateert het eerste kerkje van Roderwolde uit de tweede helft van de elfde eeuw. Het was van hout gebouwd, zoals dat in deze streken vaker het geval was. Ongetwijfeld hebben de monniken uit Aduard later een belangrijke rol gespeeld bij de bouw van de eerste stenen kerk. Het is zeker dat de kerk was gebouwd met kloostermoppen gebakken van klei uit de directe omgeving. In de Kleibosch (Foxwolde) lag een dikke laag potklei dicht aan de oppervlakte. Ook aan turf en hout, de brandstoffen nodig voor het bakken van de stenen, was in deze streek geen gebrek.

Het huidige kerkje is gebouwd in 1831. De stenen van de strakke witte kerktoren zijn echter nog afkomstig van de voormalige 12e-eeuwse dorpskerk. Boven het informatiebord hangt een witte Jacobsschelp, om een ieder er aan te herinneren dat deze kerk aan het pelgrimspad naar Sint Jacob in Spanje, richting Santiago de Compostela, ligt.

We zijn op de juiste weg 😉

De huidige klok dateert uit 1634. Mogelijk zijn de oude middeleeuwse klokken in de onrustige jaren daarvoor geroofd en geconfisqueerd om er kanonnen van te gieten voor het leger van prins Maurits. Toen na de Reformatie de rust min of meer terugkeerde, besloten de kerkvoogden een nieuwe klok te laten gieten. De nieuwe klok werd in 1630 besteld dankzij geleend kapitaal van enkele gegoede ‘kerspellieden’. Tijdens de laatste oorlog dreigde de klok door de Duitsers in beslag genomen te worden. Op de envelop van een briefje, dat in januari 1943 werd verzonden, ter kennisgeving van de in beslag name, heeft een Rowolmer met woedende uithalen gekrast: ‘Klokken in beslag genomen door de Moffen.’ De klok is dus toch weggehaald door de Duitsers en werd, zoals later bleek, naar Hoogeveen overgebracht naar het depot van de Inspectie van de Kunstbescherming. In april 1945 schreef dezelfde secretaris aan de kerkelijke gemeente van Roderwolde dat de oude klok de oorlogsjaren had overleefd en teruggevoerd zou worden naar Roderwolde.

Grappig weetje is dat er in 2002, door een groepje enthousiaste Rowolmers, een oppervlakkig onderzoek is gedaan naar de fundamenten van de oude kerk. Deze liggen nog steeds ongeschonden omstreeks 50 cm onder het maaiveld, waardoor de exacte ligging van de kerk midden op het kerkhof gemakkelijk valt te traceren. Ondanks het feit dat de kerk helaas gesloten was, zijn we toch weer veel te weten gekomen over vooral de uiterlijke kenmerken ……..

SEVILLA; de koekenpan van Europa (Spanje)

Sevilla heeft een bijzondere kleur (‘tiene un color especial’) zeggen ze in Spanje. Wij hebben deze bruisende stad een paar jaar geleden al uitgebreid te voet ontdekt en ervaren, dus kunnen we ons nu verheugen op een relaxte herontdekking met ‘nieuwe ogen’. Deze stad is naast alle bekende bezienswaardigheden immers ook de geboorteplaats van de traditionele flamenco en beroemd om zijn tapas. Vanwege de extreem hoge temperaturen in de zomer wordt de stad ook wel ‘de koekenpan van Europa’ genoemd. Sevilla is één van de warmste steden van Europa, Waar hebben we dat eerder gehoord? In de zomer kunnen de temperaturen oplopen tot zo’n 45 graden. De meeste inwoners trekken dan richting zee om daar verkoeling te zoeken.

Sevilla is trouwens een handels­haven ……… zonder zee. Eén van de meest verrassende weetjes over de stad is dat de handels­haven op 70 kilometer van de kust, aan de Guadalquivir rivier, ligt. In de 16e eeuw was het één van de belangrijkste havens ter wereld. Hier kwamen schepen vol goud, specerijen en exotische producten aan vanuit de ‘Nieuwe Wereld’. Omdat Sevilla niet direct aan zee ligt, konden alleen kleinere schepen de stad bereiken, maar dat hield de stad niet tegen om een centrale rol te spelen in de handel met Amerika. Zelfs nu is Sevilla’s haven nog steeds actief en de enige echte rivierhaven van Spanje, waar schepen tot 5.000 ton de stad kunnen binnenvaren en de eeuwenoude band met de zee levend te houden.

We logeren deze keer hartje centrum aan een pleintje vol sinaasappelbomen. Sevilla schijnt de meeste sinaasappelbomen ter wereld te hebben – naar schatting zo’n 50.000! Deze traditie gaat terug tot de tijd van Al-Andalus, de middeleeuwse moslimstaat alhier van 711 tot 1492. Ze geloofden dat het planten van een sinaasappelboom geluk bracht. Als bijkomend voordeel werden de vruchten gebruikt voor medicinale doeleinden. In de lente verspreiden de bloesems (azahar) een heerlijk zoete geur door de stad. Een nadeel is dat naar schatting 90% van de inwoners in meer of mindere mate hooikoorts heeft…..

We logeren aan een sfeervol pleintje (RK)

Daarnaast zijn al die miljoenen kilo’s sinaasappels veel te bitter om te eten. Ze worden gebruikt als veevoer, in cosmetica, voor marmelade en zelfs om elektriciteit op te wekken! Hoe dat precies in z’n werk gaat? Elektriciteit uit sinaasappels wordt opgewekt via vergisting van het sap, waarbij methaangas ontstaat voor biogas en elektriciteit. Een proefproject in Sevilla toonde aan dat 1000 kg sinaasappels 50 kWh aan stroom levert, wat genoeg is om vijf huishoudens per dag van energie te voorzien.

Een kilo sinaasappels telt ongeveer 3-8 vruchten, afhankelijk van de grootte en gezonde bomen leveren gemiddeld zo’n 200 – 350 sinaasappels per seizoen. Laten we eens uitgaan van 5 sinaasappels per kilo en 300 sinaasappels per boom (60 kilo per boom), dan leveren al die bomen, na vergisting, volgens een snel rekensommetje, samen zo’n 3.000 kWh op, toch genoeg voor 300 huishoudens……… Mits je er niets anders mee doet, natuurlijk. Over duurzame alternatieve energie gesproken ;).

Overal zie je sinaasappelbomen
De sinaasappel zijn veel te bitter om zo te eten

Om de grote kathedraal van Sevilla kun je niet heen. Merkwaardig is het om te horen dat deze kathedraal (evenals in andere grote steden) eeuwenlang het doelwit is geweest van een bijzondere vorm van graffiti. In het begin van de 19e eeuw zijn hier op de zijmuur rode anagrammen geschilderd door afgestudeerde studenten. Alleen degenen die zijn doctoraat behaalde, mocht zijn persoonlijke anagram voor de eeuwigheid op de kathedraal zetten als eerbetoon aan de wetenschap. Zou deze traditie nog steeds in ere worden gehouden?

Je anagram voor de eeuwigheid

Terwijl we langs de kathedraal en de Giralda toren (ooit een minaret) lopen, zien we opeens een groepje vrouwen die met elkaar op de foto gaan in hun flamenco outfit. Iedereen om ons heen stopt en haalt zijn of haar telefoon tevoorschijn. De dames verblikken of verblozen niet door alle aandacht. Sterker nog, we worden getrakteerd op een spontane gracieuze demonstratie van enkele dames. Het wordt opeens erg dringen geblazen om de groep goed te fotograferen, hahaha.

Zomaar op straat

Behalve de kathedraal is Sevilla ook een stad vol prachtige paleizen en herenhuizen, waarvan Casa de Salinas, een privé paleis, er eentje is die we nog niet eerder hebben gezien. Het is een ‘hidden gem’, aan de buitenkant haast onopvallend in het straatbeeld, maar van binnen vol rustige patio’s, prachtige mozaïeken en zuilengalerijen. Extra bijzonder is dat het geen doorsnee museum is, maar een echte woonplek. Casa de Salinas werd gebouwd in de 16e eeuw, een tijd waarin veel rijke families in Sevilla grote herenhuizen lieten bouwen rond mooie binnenplaatsen. De prachtige binnenplaats van Casa de Salinas werd in de tweede helft van de 16e eeuw regelmatig gebruikt voor premières van toneelstukken.

De binnenplaats als decor

Het huis kent een lange, bewogen geschiedenis. Ooit stond het bekend als Casa de Jaén, genoemd naar de eerste eigenaar: Baltasar Jaén. In die tijd maakte het huis deel uit van een chique buurt vol invloedrijke families. Nadat vele erfgenamen van Baltasar Jaén hier hebben gewoond, hield het landgoed Jaén in 1843 uiteindelijk op. Het huis had ondertussen al heel wat meegemaakt. In de vroege 19e eeuw werd het bezet door Napoleontische troepen, later diende het als woonhuis, drukkerij, school en zelfs internaat. Ook had op een gegeven moment een vrijmetselaarsloge, bestaande uit leden van de Sevilliaanse elite, het huis in gebruik. Bij hun vertrek lieten ze niet alleen geruchten achter over duistere rituelen en begraven lichamen, maar ook ging er een verhaal rond dat er ergens in het huis een geheime schat lag. Vele mensen gingen vervolgens overal gaten in muren en vloeren boren, totdat ze per ongeluk een oude septic tank doorbraken… met alle gevolgen van dien. Pas in 1930 kwam er een beetje rust in het huis, toen het herenhuis eigendom werd van de familie Salinas. Sindsdien is het tot aan de dag van vandaag in handen van deze familie, die het pand meerdere malen gerestaureerd heeft, waardoor de originele 16e-eeuwse elementen weer tot leven zijn gewekt.

Veel oorspronkelijke details
Spel van licht en donker (RK)

De muren zijn bedekt met tegels gemaakt in Triana. Wanneer je de tweede patio betreedt zie je een prachtig mozaïek uit de 2e eeuw, gewijd aan Bacchus, welke afkomstig is van de archeologische opgravingen van de Romeinse stad Itálica.

Tegels uit Triana (RK)
Mozaïek van Bacchus

We lopen vol verwondering rond, terwijl we luisteren naar de verhalen op onze koptelefoontjes. Het lijkt alsof de tijd hier even heeft stilgestaan! De met de hand beschilderde tegels, houten plafonds met prachtige patronen, balkons en elegante zuilen, alles vertelt iets over de tijd waarin het gemaakt is. Kleuren en vormen zijn met zorg uitgekozen zodat alles perfect met elkaar matcht. Sommige kamers zijn ingericht alsof je zo even kunt aanschuiven aan tafel. Dat is eigenlijk ook zo, want al die kamers worden na de openingstijden voor bezoekers gewoon weer door de familie gebruikt.

Alsof je zo kunt aanschuiven……. (RK)

Overal in Sevilla zie je een bijzonder stadslogo. Je ziet het woord ‘NO8DO’ op putdeksels, op gevels van gebouwen, de stoep, op vlaggen etc. De 8 in het midden is een knot wol (in het Spaans madeja) en dus staat er ‘NO MADEJA DO’, dat wil zeggen; no me ha dejado. De betekenis is: ‘zij/hij heeft me niet verlaten’, maar het is niet helemaal duidelijk waar deze tekst oorspronkelijk vandaan komt. NO-DO werd ook in andere religieuze Europese steden gebruikt in de Middeleeuwen. Het zijn de eerste letters van Nomine Domine, te vertalen als ‘in de naam van God.’ Het 8 teken zou dan staan voor ‘nodus’ of knoop, in dit geval een symbool van loyaliteit. Je hoort vaak dat de Sevillianen geloven dat het staat voor de trouwheid van hun stad aan Koning Alfonso X, de Wijze, toen deze in de 13e eeuw in oorlog was met zijn zoon Sancho. Sancho gaf toen toestemming om deze tekens te gebruiken als eer aan zijn vader Alfonso, omdat Sevilla hem als koning trouw bleef.

Het stadslogo (foto internet)

We horen dat er meer lokale legendes verbonden zijn aan Sevilla. Misschien wel de bekendste is die van Don Juan, een beruchte rokkenjager en een ‘vrije geest’. Hoewel de historische juistheid van deze figuur omstreden is, houdt het verhaal over zijn heldendaden en zijn uiteindelijke lot het publiek al eeuwenlang bezig. Zeg nou zelf: wie kent hem niet? Legendes van een betoverde tuin en een Moorse prinses spelen zich logischerwijs af in en rondom het Alcázar Paleis. Er wordt gezegd dat er in het paleis een betoverde tuin verborgen ligt, een geheim paradijs vol exotische planten, geurige bloemen en een glinsterende fontein. Alleen mensen met een zuiver hart en een ware liefde voor de natuur kunnen dit verborgen juweeltje ontdekken. We hebben het paleis tijdens onze vorige trip uitgebreid bezocht, maar helaas……. De Moorse prinses was verliefd geworden op een christelijke ridder. Toen hun verboden liefde werd ontdekt, moest de prinses de stad ontvluchten. Ze zwoer echter op een dag terug te zullen keren om zich met haar geliefde te herenigen. Sommigen geloven dat de geest van de prinses nog steeds rondwaart in het paleis van Alcázar, op zoek naar haar verloren liefde. Grappig om je te realiseren dat legendes vaak gebaseerd zijn op een (kleine) historische kern die in de loop der tijd is aangedikt met fantasie elementen. Veel van deze legendes hebben een dramatische, mysterieuze of soms trieste wending, terwijl anderen juist inspirerend, wonderbaarlijk of zelfs triomfantelijk zijn. Keuze genoeg!

Verwondering vind je overal (RK)

Het is inmiddels lekker buiten; fris met een beetje zon en een temperatuur van net boven de 20 graden C. Prima weer om ‘een terras te pakken’. Dat is geen probleem, want je vindt op elke hoek wel een sfeervol barretje of restaurant.

Salud!

Ons wordt aangeraden om de ‘Mercado de Triana’, een overdekte markthal in de wijk Triana, te bezoeken. Dat klinkt aantrekkelijk. Pas bij de Trianabrug realiseren we ons dat we hier de vorige keer ook geweest zijn. Niet erg, hoewel we ook deze keer niet erg onder de indruk zijn van de markt zelf. Zijn we al te verwend geraakt?

Net over de Triana brug vlakbij de markt

De wijk Triana is zeker leuk om nog eens door te lopen. Volgens de mythologie is deze wijk gesticht door Astarte, de godin van de vruchtbaarheid. Toen Hercules (zoon van oppergod Zeus en een halfgod met bovenmenselijke kracht en moed) achter Astarte aanzat, vluchtte zij naar de oevers van de Guadalquivir rivier en zo ontstond de wijk Triana. Hoe het ook zij, het resultaat was (en is) een levendige volkswijk, een authentieke (zigeuner)wijk met kleine straatjes die ook wel werd beschouwd als ‘de andere kant’. Vroeger zeiden mensen uit Triana die de brug overgingen naar het centrum zelfs dat ze ‘naar Sevilla’ gingen. De Trianeros beschouwen Triana nog steeds als los van Sevilla. Van oudsher lag Triana centraal ten opzichte van alle belangrijke (water)wegen van de stad en was de handelswijk beroemd om zijn typische Azulejos tegels en aardewerk. De Azulejos zijn keramiektegels met een typisch blauwe beschildering. Door de ligging had de wijk regelmatig te maken met overstromingen, want er waren geen dijken om het water tegen te houden. In de tweede helft van de 20e eeuw is de Guadalquivir rivier aangepast en sindsdien zijn er gelukkig geen overstromingen meer geweest.

Samlle straatjes (RK)

Sevilla was een heerlijke afsluiting van ons Moorse rondje. Wat hebben we veel gezien, geproefd en zelfs een beetje gewinkeld. Al zijn het dan vooral lekkere olijfoliën voor thuis. De Spaanse olijfolie, de basis van de mediterrane keuken, wordt tenslotte niet voor niets ‘de gouden nectar’ genoemd.

Sfeervolle winkelstraten

Natuurlijk hebben we ook weer gegeten bij ‘El Pasaje’, een restaurantje wat we ons nog bijgebleven is van de vorige keer en dat ook deze keer haar reputatie (voor ons) weer waarmaakt. We worden zelfs herkend, hetgeen goed is voor een traktatie in de vorm van een speciaal lokaal dessertwijntje.

MÁLAGA; het Barcelona van het zuiden (Spanje)

Eén van de meest bekende bijnamen van de stad is het Barcelona van het zuiden, vanwege ‘de combinatie van hippe restaurants, musea en stranden, het bruisende stadsleven en de toegang tot de Costa del Sol’. Zo’n grote veelzijdige stad als deze heeft echter al gauw meerdere bijnamen, het is maar net welke invalshoek je wilt benadrukken, nietwaar? Zo heeft de stad op populair niveau de bijnaam ‘la bella’ (de mooie) gekregen, terwijl ze in verschillende liederen ‘Bombonera’ (bonbondoos) wordt genoemd. Zeer waarschijnlijk vanwege het populaire stadion van Málaga CF, Estadio La Rosaleda, want een Bombonera wordt vaak geassocieerd met stadions met een intense sfeer waar het publiek dicht op het veld zit. Málaga wordt verder ook wel de ansjovisstad genoemd, de inwoners zelf zijn daardoor de ansjovissen (los boquerones), omdat dit typische visje een delicatesse is in de stad. Sowieso staat Málaga bekend om de grote hoeveelheden vis die hier gegeten wordt. Bij bijna elk restaurantje kun je wel een portie ‘pescaíto frito’  (gefrituurde vis) bestellen.

Een stad aan de Middellandse zee en maar zo’n 130 kilometer ten noorden van Marokko waardoor het de zuidelijkste (grote) stad van Europa is, vraagt om een plaatsje in onze ontdekkingstocht. Helemaal omdat Málaga 300 zonnige dagen per jaar telt. Met alle somberheid (qua weer dan) van de afgelopen dagen, zijn we wel toe aan een beetje zon! We rijden bijna recht naar het zuiden om de kustweg te nemen en zo alvast een indruk te krijgen van het leven aan de Middellandse zee. Dat is niet zo’n succes, want we zien vooral veel hoge flatgebouwen dicht op elkaar en zien maar heel weinig van de zee zelf. Gelukkig hebben we wel beter weer vandaag met af en toe een beetje zon. Dan ziet alles er toch meteen een heel stuk vriendelijker en uitnodigender uit.

De zuidelijkste (grote) stad van Spanje (RK)

Málaga is alweer de derde stad in ons rijtje belangrijkste Moorse steden in Andalusië. Hoewel Granada, Córdoba en Sevilla de absolute hoogtepunten zijn met een rijk islamitisch erfgoed, waaronder het Alhambra in Granada, de Mezquita in Córdoba en het Alcázar in Sevilla, is Málaga een stad waar je, ondanks het ontbreken van een grootse blikvanger, zeker genoeg invloeden uit de Moorse periode kunt zien. Volgens ons boekje combineert Málaga ‘historische charme met moderne cultuur: je vindt er bezienswaardigheden zoals het Alcazaba, het Romeins theater en het geboortehuis van Picasso’.

De bekendste en chicste hoofdstraat van Málaga

Wij starten onze tocht, hoe kan het ook anders, in het centrum bij de kathedraal aan het plein ‘Plaza del Obispo’. Vanuit alle kanten in de stad valt de toren van de kathedraal op, vooral omdat het er maar eentje is. In 1487 werd de stad Málaga veroverd door de Castiliaanse troepen. Zij verdreven de Moren en zorgden ervoor dat de grote Aljama Moskee met de grond gelijk werd gemaakt. Op deze plek moest de kathedraal ‘La Santa Iglesia Cathedral Basilicade la Encarnacíon’ komen. In 1528 zijn ze begonnen met de bouw om ruim 200 jaar door te werken aan de voltooing, al moet er wel bij vermeld worden dat het bouwproces heel vaak onderbroken werd vanwege geldgebrek. De linkertoren van 84 meter is hierdoor wel compleet, maar de rechtertoren is nog steeds maar half afgebouwd. Het geld dat iedere keer opnieuw apart werd gezet voor de rest van deze toren, werd uiteindelijk steeds weer uitgegeven aan andere dingen. In 1782 besloot ‘de stad’ dat de bouw van de kathedraal van Málaga klaar was, dan maar zonder complete rechtertoren. In de volksmond staat de kathedraal daardoor vooral bekend onder de toepasselijke naam ‘La Manquita’, wat zoiets als de ‘manke’ of (meer liefkozend) de ‘éénarmige dame’ betekent.

Die ene toren (RK)
In de ‘éénarmige dame’ (RK)

Het vlakbij gelegen Alcazaba (Moors fort) is mooi bewaard gebleven. De basis van het fort stamt uit de negende eeuw en is in de elfde eeuw verder uitgebreid als onderdeel van de vestingmuren die destijds rondom Málaga zijn gebouwd.

Het Alcazaba is mooi bewaard gebleven

Het geheel bestaat uit muren, wachttorens, patio’s en tuinen. Binnen de muren bevonden zich ook drie paleizen en een voormalig woongedeelte die de grandeur van vroeger nog steeds voelbaar maken. Vanuit het hoger gelegen Gibralfaro kasteel werd de vesting verdedigd, waarmee het fort een veilige plaats voor vorsten en gouverneurs was. De vesting heeft dubbele ringmuren en meerdere verdedigingstorens, ontworpen om zowel externe aanvallen als opstanden binnen de muren af te weren. De Arabische invloeden uit de tijd van de Moorse overheersing zie je duidelijk terug in het Alcazaba. Veel Arabische tekens, figuren en fraai versierde bogen. In de tuinen met vijvers zijn irrigatiesystemen aangelegd, iets waar de Moren in uitblonken.

Patio’s, zuilen en bogen (RK)
Mooie details langs de randen en het plafond

Na de christelijke verovering diende de Alcazaba aanvankelijk als koninklijke residentie. De ‘Torre del Cristo’, ofwel de toren van Christus, is later nog velen jaren gebruikt als kapel. Weer later trokken gewone bewoners in het fort en ontstond er een hele volkswijk binnen de muren. Deze huizen zijn in de 20e eeuw verwijderd tijdens de grootschalige restauratie.

De irrigatiesystemen zijn kunstig aangelegd (RK)

Omdat het fort tegen de Gibralfaroberg is aangebouwd, ligt het hoger dan de stad zelf. Het uitzicht vanuit de tuinen en vanaf de vestingmuren is zeker de moeite waard. Je ziet vanaf hier aan zeekant de haven van Málaga, terwijl de stadskant uitzicht biedt op het oude centrum en de bergen in de verte. In het zonnetje is dit absoluut geen verkeerde plek ;).

Uitkijken over de Middellandse Zee
Aan de andere kant de stad en de bergen

Tegen het Alcazaba aan ligt het Romeins theater of ‘Teatro Romano’, gebouwd in opdracht van de Romeinse Keizer Caesar Augustus. Waarschijnlijk werd het tot de derde eeuw zelfs nog gebruikt door de Moorse overheersers. Toch is het pas bij toeval in 1951 ontdekt tijdens de bouw van La Casa de la Cultura (gemeentelijk archief en bibliotheek). Eind jaren 80 is dit gebouw zelfs afgebroken om verdere opgravingen te kunnen doen. Het gehele theater bleek deels in de voet van de Gibralfaro berg en deels onder de gebouwen rondom verborgen te liggen. Bij de opgravingen bleek dat er grote delen van het theater waren verdwenen. De Romeinen hebben zelf een deel van het theater omgebouwd tot een soort fabriek. De Moorse overheersers hebben later een deel van het theater gebruikt voor de bouw van het Alcazaba. Zo zijn er verschillende marmeren Romeinse pilaren terug gevonden in het fort. Desondanks is de vorm van het theater nog wel goed zichtbaar. Bijzonder dat je er zo langs kunt lopen, een stukje geschiedenis dat moeiteloos aansluit bij het dagelijks leven.

Ook verrassend (voor mij) is dat Pablo Picasso (1881-1973) in Málaga geboren is. Het verhaal gaat dat het een zware bevalling was in het bijzijn van een oom, die arts was, en een vroedvrouw. De vroedvrouw dacht dat het kind dood was en besteedde alleen aandacht aan de moeder. Gelukkig redde zijn oom Pablo van de verstikkingsdood. Op het plein voor het geboortehuis vind je een bronzen standbeeld van de schilder zittend op een bankje. Het is wel even zoeken op het grote plein met alle drukte en levendigheid wanneer de zon net onder is gegaan, maar dan heb je ook wat ;).

Even buurten met een wereldberoemde man

Al op negen jarige leeftijd schilderde Pablo zijn eerste schilderij met olieverf; ‘de picador’, een stierenvechter in de arena. Vanaf 1894 hield Pablo een dagboek bij, waarin hij portretten en karikaturen tekende. Schilderijen signeerde hij in die jaren met P. Ruiz. Dit was de achternaam van zijn vader. Hij was n.l. het eerste kind van José Ruiz Blasco en María Picasso López. Zijn twee achternamen zijn conform het Spaanse naamstelsel achtereenvolgens de eerste achternaam van zijn vader en de eerste achternaam van zijn moeder. Merkwaardig is dat hij later onder zijn tweede achternaam Picasso bekend is geworden. Pablo vertrok als jong volwassene samen met een vriend per trein (een reis van enkele dagen) van Barcelona naar Parijs, toen dé wereldstad en centrum van de kunstwereld. Parijs was de ‘lichtstad’ met de Eiffeltoren die, evenals enige straten, omstreeks 1900 al verlicht werd met elektrisch licht. Hier ontmoette hij zijn eerste Parijse vriend, de journalist en dichter Max Jacob. Ze deelden samen een appartement; Max sliep ’s nachts, terwijl Picasso overdag sliep en ’s nachts werkte. Het waren tijden van armoede, kou en wanhoop. Veel van Picasso’s werk werd verbrand om de kleine woning warm te houden. Op de Wereldtentoonstelling van 1900 hing in het Spaanse paviljoen het schilderij ‘De laatste ogenblikken’ van de toen 19-jarige Picasso. Van dit schilderij is alleen nog een voorstudie over: Priester bezoekt stervende man uit 1899. Het echte schilderij is door hemzelf later overgeschilderd en als ondergrond gebruikt voor een schilderij met de veel positievere titel: la vie (het leven). In 1904 verhuisde Pablo definitief naar Parijs.

Een veel terugkerend motief in zijn oeuvre is de vrouwelijke vorm. Zijn vele minnaressen fungeerden tevens als zijn muzen. Telkens als Picasso weer een nieuwe minnares had, was dat duidelijk te zien in zijn werk door een wisseling in zijn stijl. Picasso wordt door velen gekarakteriseerd als een rokkenjager en een vrouwenhater, een ‘maltratador’ (een misbruiker), die ‘zijn’ vrouwen op een voetstuk zette en ze vervolgens keihard liet vallen. Hij zou daar zelf over gezegd hebben: ‘Voor mij zijn er maar twee soorten van vrouwen: godinnen en deurmatten’. Zijn kleindochter Marina Picasso schrijft in haar memoires over zijn behandeling van vrouwen: ‘Hij onderwierp ze aan zijn dierlijke seksualiteit, temde ze, betoverde ze, verslond ze en verpletterde ze op zijn doeken.’ Wauw, geen denderende persoonlijkheid, ook al is hij dan één van de bekendste Spaanse kunstschilders geworden.

Een nieuwe liefde en daardoor Een positieve kijk?
Symbool voor zijn haat-liefde verhouding tot de vrouw?

Málaga eert hem, vanwege dat laatste feit, dan ook met een eigen museum. Het museum, in een oud familiepaleis, is nog redelijk jong; het is in 2003 geopend en mede mogelijk gemaakt door de familie Picasso. De erfgenamen gaven toestemming om hun familiebezit voor 50 jaar in dit museum tentoon te stellen. De collectie bestaat uit ongeveer 200 werken (schilderijen, sculpturen en schetsen) van de kunstenaar. De meeste van zijn echt bekende werken vind je hier echter niet, die kun je zien in het Picasso museum van Barcelona of dat van Parijs, terwijl zijn bekendste werk ‘La Guernica’ in Madrid hangt.

Desondanks is hier genoeg te bewonderen en is de belangstelling groot. Ondanks vooraf geboekte tickets met een tijdslot zijn de rijen lang en is het binnen telkens even je kans afwachten om de werken goed te kunnen zien. Hier hangen een aantal stukken die nog nooit eerder in een ander museum getoond zijn. Het geheel wordt beschreven als een reis door Picasso’s kunst van vroege schetsen tot de laatste schilderijen uit de jaren zeventig. Echt de moeite waard!

De Stierenkop (1942) is gemaakt van een leren fietszadel en een fietsstuur

Na afloop slenteren we op ons gemakje door de stad, langs kleine straatjes en brede boulevards. Overal zijn mensen en de terrassen zitten bomvol. Wij weten nog net een lekker plekje in de zon te bemachtigen voor een lichte lunch. De bediening is helaas gehaast, de service nonchalant en de prijs exorbitant.

Verrassende straatjes
Vergeet niet om ook omhoog te kijken……
Een ander perspectief (RK)

Het aantal toeristen naar Málaga (voor een stedentrip of vakantie) verbreekt tegenwoordig alle records, waardoor hotels en appartementen als paddestoelen uit de grond vliegen. Málaga heeft bovendien een mooie grote haven waar steeds meer cruiseschepen aanmeren met vele honderden passagiers aan boord die ook graag de stad willen bezoeken. De keerzijde van een toeristenstad is dan dat authentieke winkels plaatsmaken voor toeristische voorzieningen, dat huisvesting een probleem wordt (we zien erg veel daklozen en bedelaars) en dat steeds meer lokale mensen hun stad verlaten om hun levensgeluk elders terug te vinden. Jammer! De gemeente probeert zeker mee te denken en heeft b.v. het centrum autovrij gemaakt en veel gebouwen gerenoveerd, waardoor de stad een stuk mooier is geworden. Maar of dit genoeg is…….