Deze Andalusische stad aan de voet van de Sierra Nevada is gevormd door verschillende culturen en zit vol opmerkelijke weetjes die veel verder gaan dan alleen het beroemde Alhambra. Zo was Granada in de 14e eeuw de grootste stad van Europa. Niet Londen, Parijs of Rome maar Granada had in die tijd de meeste inwoners. De stad bruiste van het leven met twee grote moskeeën: één op het Alhambra (het nu beroemde paleis- en fortcomplex) en een ander in het stadscentrum. Deze bloeitijd viel samen met het hoogtepunt van de Nasridische dynastie, de laatste Arabische islamitische dynastie die van 1237 tot 1492 over Granada heerste. Dat klinkt veelbelovend!
Hoewel de weersvoorspellingen nog niet veel beter zijn, proberen we onze tijd goed te gebruiken. We beginnen onze verkenning met de ‘Catedral de Granada’. Deze indrukwekkende kathedraal kent een bouwtijd van meer dan 180 jaar. Dit is een project geweest waarvan zelfs de achterkleinkinderen van de oorspronkelijke bouwers de voltooiing niet meer hebben meegemaakt! Dit imposante gebouw van 115 meter lang en 67 meter breed (ongeveer de grooste in Europa) werd gebouwd nadat de Arabieren in 1492 waren verslagen door de legers van Ferdinand II van Aragon. De moskee die er stond, werd met de grond gelijk gemaakt als symbool van het christelijke overwicht. De bouw werd pas in 1704 afgerond, dwars door de heerschappij van verschillende koningen, architecten en bouwstijlen heen. Er wordt zelfs verteld dat één van de architecten letterlijk stierf van uitputting door het toezicht op de bouw. Het resultaat is een mix van stijlen; van gotiek tot renaissance en barok. Ondanks zijn grootsheid mist de kathedraal een toren. Door geldgebrek en structurele twijfels werd er uiteindelijk maar één van de twee geplande torens gebouwd. Zelfs 180 jaar waren niet genoeg om het oorspronkelijke plan volledig uit te voeren ;).
De kathedraal is gewijd aan de Maagd van de Incarnatie, een verwijzing naar Maria, want ‘zij belichaamt de menswording (incarnatie) van God en wordt vereerd als een zuiver, nederig model van geloof’. Eén van de belangrijkste trekpleisters zijn de vijftien kapellen, waarvan de Capilla Mayor het absolute hoogtepunt is. Wat een pracht en praal. Ook kun je niet om de twee grote vergulde 18e eeuwse orgels heen. Twee orgels om een groots en ruimtelijk stereofonisch geluidseffect te creëren tijdens christelijke vieringen. De gedachte is dat deze opstelling, met een ‘Epistel-orgel’ en een ‘Evangelie-orgel’ tegenover elkaar, de muzikale ervaring in de grote ruimte versterkt. Wij kunnen het geluid niet beoordelen, maar kijken wel vol verwondering naar de overdaad om ons heen.
Vragen als ‘hoe konden zij in die vroegere arme tijden de bouw van zulke majestueuze kathedralen bekostigen?’ en ‘waarom laten die kerken zo’n grote weelde zien?’ komen haast ongewild naar boven. Naar blijkt ‘verdiende’ de kerk het geld hiervoor grotendeels met de verkoop van zogenaamde aflaten, een soort kwijtscheldingen. In de 11e eeuw bedachten ze dat niet alle zondaars onherroepelijk voor eeuwig en altijd in de hel hoefden te eindigen, maar dat er ook een soort doorgangshuis bestond; het vagevuur. Zondaars die het niet al te bont hadden gemaakt, werden daar ‘gezuiverd’ voordat ze alsnog de hemel in mochten. Hoelang ze moesten branden, hing af van de ernst van hun zonden. Bovendien konden ze hun verblijf bekorten door schenkingen aan de kerk te doen. In ruil daarvoor ontvingen ze aflaten, die meestal werden uitgedrukt in het aantal dagen of jaren waarmee hun vagevuur straf werd bekort. Gaandeweg werd een godsdienstig doel steeds minder belangrijk en kwam er een directe band tussen geldsom en aflaat. Aflaten waren gewoon bij de kerk te koop en werden gretig verhandeld, waarbij het om enorme bedragen ging. Tussen 1480 en 1520 was zeker twee derde van de bouwgelden daaruit afkomstig.
Naast bidden en missen had de kathedraal nog een doel, namelijk als grafkapel. De Capilla Real is gebouwd in opdracht van koningspaar Isabel en Ferdinand om als grafkerk te dienen voor henzelf en hun opvolgers. De preekstoel in de ruimte had als voornaamste doel om diplomaten en adellijken te kunnen toespreken. Daarom staat de preekstoel tegenover de zetel van de koning, terwijl de praalgraven van Isabel en Ferdinand tussen de banken voor de diplomaten en de preekstoel staan. Zo konden de diplomaten niet zien, welke aanwijzingen de koningen aan de predikant gaf……
Via Plaza de Bib-Rambla, het centrale plein in het winkelgebied en centrum van Granada, gaan we met een klein busje naar het Alhambra, het ‘achtste wereldwonder’ volgens de Spanjaarden. Het is een prachtig middeleeuws paleis- en fortcomplex en staat bekend om zijn Moorse architectuur, mooie tuinen en als ‘rood kasteel’ (Al-Hambra). Het ontwerp dat voor Alhambra werd gemaakt had oorspronkelijk zes paleizen, talloze badhuizen, twee torens en een irrigatiesysteem genaamd ‘acequias’, dat de afhankelijkheid van de opvang van regenwater wegnam. De belangrijkste onderdelen van het Alhambra anno nu zijn: de Nasiridische paleizen (van de laatste Arabische, islamitische dynastie), de Generalife (het zomerpaleis met grote, prachtige tuinen en waterpartijen), het Alcazaba (een militaire vesting met torens met een panoramisch uitzicht over Granada) en het paleis van Karel V wat later midden in het complex werd toegevoegd. Keizer Karel V trouwde in 1526 met Isabella van Portugal en bracht zijn wittebroodsweken door in de Nasiridische paleizen van het Alhambra. Hij bedacht toen dat hij zich hier wilde vestigen en gaf opdracht om ter plekke een eigen paleis voor hem te bouwen. Volgens sommigen doet dat paleis afbreuk aan de uitstraling, maar gedane zaken……. Jaarlijks bezoeken toch ongeveer 2,5 miljoen mensen deze eeuwenoude fortificatie. Wil je echter, zoals wij, op de bonnefooi het complete Alhambra met de paleizen zien, dan is de kans heel erg groot dat het uitverkocht is. Vooraf via internet reserveren, waarbij je een vaste toegangstijd krijgt voor de Nasridische paleizen, is een must. Jammer, maar gelukkig kunnen we nog wel terecht in het Alcazaba en de Generalife.
Waar de Alcazaba het oudste deel is met robuuste torens, dikke muren en smalle doorgangen kenmerkend voor een militair fort, werd het zomerpaleis gebruikt als plek om uit te rusten en tot rust te komen buiten de drukte van het hofleven. Wat de Generalife zo bijzonder maakt, is de combinatie van architectuur en tuinen. Anders dan de paleizen in het hoofdcomplex was dit geen plek voor officiële ontvangsten of staatszaken, maar een rustoord waar de heersers zich konden terugtrekken. De ligging net buiten de versterkte muren van het Alhambra gaf de Generalife een eigen sfeer: minder formeel, meer gericht op ontspanning en het genieten van het landschap. Het hart van de Generalife wordt gevormd door de ‘Patio de la Acequia’, een langgerekte binnenplaats met een smal kanaal dat van begin tot eind doorloopt. Dit is een van de bekendste plekken binnen het Alhambra waar de combinatie van water, beplanting en symmetrische vormen goed laat zien hoe belangrijk rust en balans waren voor de Nasridische heersers. Rondom deze patio vind je verschillende kamers en galerijen die vroeger dienst deden als privévertrekken en plekken om te schuilen tegen de hitte.
Vanaf de bovenste gedeelten kijk je uit over het Alhambra en de stad Granada. Deze uitzichten maken duidelijk waarom dit zomerpaleis juist hier werd aangelegd: dicht bij het hof, maar ver genoeg om afstand te nemen van de drukte en de hitte van het dagelijkse bestuur. Heel bijzonder! We hebben vast wat gemist met de paleizen, maar de tuinen maakte veel goed, helemaal omdat de regen even verstek liet gaan om plaats te maken voor een (waterig) zonnetje.
Op de heuvel tegenover het Alhambra ligt de oude Arabische wijk El Albaicín. In de 13e eeuw was het een welvarende wijk met de nodige paleizen en een doolhof van smalle straatjes en pleinen in combinatie met veel witgekalkte huizen. Na de verovering (van Granada) in 1492 door de katholieke koningen werden in deze wijk, zoals overal, de oorspronkelijke moskeeën afgebroken en vervangen door kerken. De wijk is het beste te voet te verkennen aangezien de straatjes steeds smaller worden. Het is een hele klim naar boven, maar zo krijg je wel verreweg de beste indruk van deze bijzondere plek. Dat klinkt natuurlijk heel aantrekkelijk, maar het regent (nog) steeds zo hevig dat we besluiten om in plaats daarvan een flamenco dans te bezoeken in de ernaast gelegen wijk Sacromonte.
In de 15e eeuw vestigde zich hier een grote groep Spaanse zigeuners, de gitano’s. De zigeuners maakten hun woningen door stukken uit de heuvel te hakken. Dit leidde tot de typische grotwoningen waar de wijk nu om bekend staat. De grotwoningen hebben vaak slechts twee of drie kamers. In dezelfde eeuw kreeg de heuvel (Valparaiso) de status als heilige berg, omdat ze dachten in grotten van de heuvel restanten aan te treffen van de patroonheilige van de stad, San Cecilio. De letterlijke betekenis van Sacromonte is dan ook heilige berg. Deze gitano’s stonden niet alleen bekend om hun typische grotwoningen, maar ook om de flamenco. De zigeuners van Granada kennen zelfs hun eigen vorm van flamenco, de zambra mora, een combinatie van de traditioneel Spaanse flamenco en de sensuele Arabische buikdans. Toeristisch en een belevenis die we toch niet mogen missen?
Zo betreden wij nieuwsgierig een traditionele (kleine) grotwoning (een tablao; bar met show) en zitten we even later met onze voeten praktisch op de dansvloer. Dichterbij kan bijna niet! Dit belooft een intieme, intensieve ervaring te worden. We ontdekken dat een show uit ‘live gitaar, gepassioneerde zang (cante jondo) en expressieve dans’ bestaat. Een diepgewortelde traditie, gekenmerkt door krachtige emoties, snel voetenwerk en een directe verbinding tussen artiesten en publiek. Mijn buurvrouw is een Spaanse woonachtig op de Canarische eilanden, die praktisch geen woord Engels spreekt (mijn Spaans is ook niet geweldig), maar ze maakt mij met handen en voeten en veel expressie duidelijk dat ze hier is met vele vrouwelijke familieleden en dat deze show het echte werk is. De artiesten hebben er zin in en zwepen elkaar op tot grote(re) hoogten. Met de toegift gaat het publiek los. Dit lied kent iedere Spanjaard kennelijk. Wij kijken verbaasd om ons heen en joelen mee waar we kunnen invallen. Inderdaad een ervaring!
Op de terugweg stoppen we nog even bij ‘het mooiste plein van de stad’, het Plaza de San Nicolás in Albaicín. Vanaf hier heb je namelijk een geweldig uitzicht op het Alhambra en op, als je ze tenminste kunt zien, de besneeuwde toppen van de Sierra Nevada. Dit is het Mirador San Nicolás en hier maak je de foto die op vrijwel elke ansichtkaart van Granada staat. Dat is tenslotte niet voor niets, denk ik dan maar. Prachtig, ondanks de gestage drup die het uitzicht wat versluiert.
We wagen ons ook aan een tapas tour, de ‘ultieme manier om de stad te ervaren, aangezien je bij elk drankje een gratis tapa krijgt’. Dat hebben wij ook al diverse keren ervaren. Net als in de rest van Spanje zijn tapas ook hier enorm populair. Het grote voordeel van een studentenstad als Granada is de traditie dat je een gratis tapa krijgt bij elk drankje en vaak een andere tapa bij een tweede drankje. Tussen de verschillende bars is het ook vaak een wedstrijd om de klant met de beste tapas te winnen. Hoe bijzonder ook, wij willen graag meer informatie over de tapas en alles wat daarbij komt kijken. Het hoe, waar, wat en waarom als het ware.
Onze Amerikaanse gids Bruce weet hier wel raad mee. Hij woont alweer een aantal jaren met zijn Spaans partner in deze stad en vindt het heerlijk om andere buitenlanders mee op sleeptouw te nemen om verhalen en anekdotes te vertellen onder het genot van. Zo vertelt hij over één van de typische gerechten van Granada: de Sacromonte omelet. De échte omelet wordt gemaakt met gekookte kalfshersenen en testikels van een stier, allemaal gesneden, gebakken en uiteindelijk gemengd met opgeklopte eieren. Wijselijk heeft Bruce dit vandaag niet op het menu staan bij één van de vijf cafeetjes waar wij aanschuiven of is dit toch een gemiste kans? Ik weet niet eens precies meer wat we allemaal geproefd hebben, wel dat elk cafe ook nog een glas wijn voor ons erbij serveerde. Zelfs met halve glazen of soms eentje overslaan, werd de stemming onderling steeds gezelliger. Een leuke groep, vol ervaringen, interesses en de bijbehorende verhalen.
Bruce vertelt ons tot besluit nog een leuk weetje over de naam van de stad. Granada stamt af van het Spaanse woord voor granaatappel. De granaatappel was een symbolische vrucht in de Islamitische cultuur en wordt geassocieerd met vruchtbaarheid, leven en overvloed. Volgens de legende koos de stichter van Granada, de Berberse koning Alhamar, deze naam voor de stad vanwege de overvloed aan granaatappelbomen in de omgeving. Over Moorse invloeden gesproken!
We hebben dan misschien andere dingen gedaan vanwege de regen, maar hebben wel het gevoel dat we Granada (een beetje) hebben leren kennen.













