Pelgrimage

Uithuizen-Oldenzijl

Pelgrimeren is ‘reizen naar een heilige plaats’. Vroeger was dit eigenlijk de meest gebruikte omschrijving, want pelgrimeren was vooral een religieus gebeuren. Pelgrims gingen op stap om te bidden, een heilige te vereren, boete te doen of om vergeving te vragen. Maar zoals alles verandert, kan iedereen tegenwoordig het begrip pelgrimeren op zijn of haar eigen manier invullen, dus ook in een niet-religieuze betekenis. Pelgrimeren is populair en zeker pelgrimeren naar Santiago de Compostela. De camino’s naar Compostela spreken velen aan vanwege hun geschiedenis, cultuur, natuur en religie. In onze individualistische maatschappij van nu is er steeds meer behoefte aan rust, bezinning, beleving van diepere waarden en/of aan contact met de medemens. Dat vind je zowel op de camino’s naar Compostela als op meer stille, minder belopen, camino’s (paden).

Voor ons dichtbij huis start het Jacobspad wat deel uitmaakt van de bovengenoemde grote pelgrimsroute. Vanuit Uithuizen starten jaarlijks vele pelgrims op weg naar ‘de heilige Jacobus in het Sterreveld’. Een naam die tot de verbeelding spreekt en wel om een beetje extra uitleg vraagt. Jacobus de Meerdere (Major, de oudste leerling) was één van de twaalf discipelen van Jezus. Hij was samen met zijn broer Johannes visser en boette netten. Boeten betekent herstellen van grote gaten in de netten en dit is symbool geworden van boete doen: door boete te doen, herstel je de fouten die je zelf gemaakt hebt. Jacobus is vooral bekend geworden vanwege het feit dat zijn graf in Santiago de Compostela zou zijn. Het verhaal gaat dat twee leerlingen het lichaam van Jacobus (Sant Iago) na zijn dood, in een bootje begeleid door een engel, hebben meegenomen naar Spanje, waar hij door hen werd begraven. Zijn graf werd in de 9e eeuw gevonden omdat er een ster verscheen boven het graf, vandaar de naam ‘campus stella’ (veld van de ster of sterrenveld), verkort tot Compostela. Samen Santiago de Compostela. Op deze plek is later de beroemde kathedraal gebouwd. Bijzonder om over de achtergrond van deze bekende namen te horen. 

Het welbekende teken van dit pelgrimspad

Vandaag maken wij een start met onze eigen pelgrimage of bedevaart in de vorm van een eerste stukje Jacobspad. We starten in Uithuizen bij, hoe kan het ook anders, de St. Jacobus de Meerdere kerk. Helaas is de kerk zelf gesloten, maar het is overduidelijk dat het pad hier begint, want voor de kerk staat het Jacobus monument dat twee Jacobsschelpen, de pelgrimsstaf en een ransel laat zien. De schelp is een herkenningsteken geworden voor elke pelgrim op weg naar Santiago de Compostela. De schelp is ook een verwijzing naar ‘onze’ Jacobus. Volgens een legende kwam een ridder met een paard in zee terecht. Hij bad vervolgens tot Jacobus voor hulp waarop hij, bedekt met schelpen, weer aan land kon komen. Anderen beweren dat de schelp verwijst naar de pareloester. De pelgrimstocht wordt in dit kader gezien als de zoektocht naar de kostbare parel, waarbij de parel staat voor de diepste zin van het menselijk bestaan. De schelp is de moederschoot en de parel het embryo of het begin van het nieuwe leven. Hoe dan ook, het monument staat vooral symbool voor de betekenissen die de pelgrim overdenkt op zijn of haar pad. De twee gesloten schelpen geven de suggestie dat het gaat om een noot (of vrucht) die onderweg geplukt en gegeten wordt. De onderste schelp kun je zien als een kom die regenwater opvangt om je dorst te lessen en jezelf te verfrissen. De andere schelp is dan het deksel dat je bescherming kan bieden. Het golfpatroon op de schelpen tenslotte staat voor water wat symbolisch is voor ‘leven’ in het algemeen. Naast op schelpen op een sokkel staat de pelgrimsstaf (de pelgrim zoekt rust) waaraan een ransel hangt.

Het Jacobus monument voor de Jacobus de Meerdere kerk (IK)
De tekst op de sokkel (RK)

We zien de eerste aanwijzing in de vorm van de schelp op een lantarenpaal en gaan enthousiast op pad, al is het dan zonder staf en ransel.

De eerste aanwijzing (RK)

We lopen dwars door het dorp. Uithuizen is ontstaan in de 10e eeuw. Mensen gingen wonen in de ‘Uthuzen’, wat ‘uiterste huizen’ betekent. Op deze plek werden de eerste huizen naast de wierde i.p.v. op de wierde Brunwerd gebouwd. Brunwerd kreeg hierdoor de naam Oldorp (het oude dorp). Bij Uithuizen hebben vele steenhuizen en borgen gestaan, maar de belangrijkste borg was toch wel, de nog altijd bestaande, Menkemaborg, een steenhuis uit de 14e eeuw.

Met de Menkemaborg op de achtergrond

We lopen de brede oprijlaan van de borg op. Het is druk, we zijn niet de enigen die profiteren van een mooie dag! Het zonnetje schijnt uitbundig, dus we laten ons verleiden tot een kop koffie op het terras en proberen ondertussen wat meer te ontdekken over de familie Menkema (de oorspronkelijke bewoners). Van deze familie is helaas weinig bekend, maar we leren wel dat de geschiedenis van de Menkemaborg terug gaat tot de vroege 15e eeuw. Een gevelsteen in een muur van de borg vermeldt dat het ‘Menckemahues’ in 1400 verwoest wordt en daarna meerdere keren is verbouwd en vergroot. Verschillende families zoals de families Menckema en Clant bewoonden de borg en hebben er hun sporen achtergelaten. In 1682 werd de borg gekocht door Mello Alberda. Zijn zoon Unico Allard laat de borg rond 1705 ingrijpend verbouwen door de latere stadsbouwmeester van Groningen, Allert Meijer. De ingang wordt dan naar het noorden verlegd waardoor het huis een barokke symmetrische indeling krijgt. Voor het verfraaien van het interieur worden kunstenaars aangetrokken. De familie Alberda bewoonde de Menkemaborg als buitenhuis. In 1902 overlijdt de laatste bewoner van de Menkemaborg, Gerhard Alberda van Menkema en Dijksterhuis. In 1921 schenken zijn erfgenamen de borg aan wat nu het Groninger museum is. De borg en de tuinen worden gerestaureerd. De tuin wordt in 1923 opengesteld voor publiek, gevolgd door de borg zelf in 1927. De kamers, waaronder de grote zaal, herenkamer, studeerkamer, slaapkamer, keuken en kelders zijn volledig ingericht met mooie meubelen, zilver, porselein, koperwerk en portretten uit de 17de en 18de eeuw. De vertrekken zijn ‘levendig’ ingericht alsof ‘de bewoners zo terug kunnen komen’. Dit geeft een unieke inkijk van hoe het leven er vroeger uitzag.

Een luchtfoto van de borg (internet)

Hoe intrigerend ook, we hebben vandaag geen tijd voor de borg, ons einddoel ligt een stukje verder. We lopen om de grote gracht heen, langs de Menkemaheerd (heerd betekent boerderij) en volgen het Meedstermaarpad langs het Meedstermaar (maar betekent afvoerkanaal, gracht) en het Baalkjepad. ’t Baalkje is de naam van het ijzeren bruggetje waarmee je het (Uithuizer)meedstermaar kunt oversteken om langs boerderij ‘Iturea’ verder te lopen richting Oldenzijl.

Even genieten langs het Meedstermaar (IK)
Op het ‘Baalkje’ (RK)

Met deze boerderij is iets bijzonders aan de hand, want de eigenaren van deze boerderij betalen al sinds de Middeleeuwen een jaarlijks bedrag aan lampengeld aan de kerk. Daarmee werd oorspronkelijk de ‘godslampe’ brandend gehouden. Een godslamp verlichtte in de katholieke tijd het sacramentshuisje waarin de hostie werd bewaard. De olie die nodig was om de lamp brandend te houden, werd betaald uit de huuropbrengst van een stuk land behorend bij de boerderij die tegenwoordig ‘Iturea’ heet, Een vermelding van deze betaling is onder andere te vinden in het handschrift ‘Ommelands Eer’ (1664) van de jezuïetenpater Franciscus Mijleman: ‘Tot Oldenzijl was een eeuwelijcke brandende lampe geordonneert ende gefondeert. Noch allen jaere word sekere huusmansplaets aldaer (…) afgehaelt lampegeld.’ De lamp was in de zeventiende eeuw, na de overgang tot het protestantse geloof in 1594, al verdwenen, maar de betalingsverplichting bleef. Met andere woorden het gebruik overleefde de Reformatie en wist zich tot in de 21e eeuw staande te houden. Hoe dat kan? Dat is mogelijk omdat de betaling deel uitmaakt van de beklemming (vaste huur) en deze is door de eeuwen heen amper veranderd. In de achttiende eeuw bedroeg de termijn twee gulden en vijf stuivers. De tegenwoordige eigenaar van ‘Iturea’ betaalt ruim een euro per jaar aan de kerk. Een bescheiden bijdrage in de elektriciteitsrekening, want olie wordt al lang niet meer verbruikt voor de verlichting van de Oldenzijlster kerk. De betaling van lampengeld is redelijk uniek in Nederland gezien de lange tijd dat het zich weet te handhaven zonder ergens centraal te zijn geregistreerd. Dergelijke grondlasten worden wel ‘de levende dinosauriërs van het recht’ genoemd. Bijzonder toch?

We eindigen onze dag bij de kerk van Oldenzijl, het is tenslotte een pelgrimstocht ;). Een mooi gelegen, romaans kerkje uit de 13de eeuw waar we o.a. de wapenschilden van de families Alberda en Clant kunnen bewonderen. 

Het wapen rechts van de familie Alberda en links van de familie Clant (RK)
‘Rechts een omziende rood getongde gouden leeuw, links een omziende gesneuvelde gouden griffioen met opgeheven vleugel waarop drie zilveren vissen’

Plaats een reactie