Jacobspad: Oldenzijl – Zeerijp – Eenum – Wirdum
De dag begint mistig, maar de zon wint al snel aan kracht en tegen de tijd dat wij voor de kerk in Oldenzijl staan, is de lucht strakblauw en kan het eerste laagje kleding alweer uit. De vroeg 13e eeuwse kerk staat vlak langs de weg op een hoge wierde en is gewijd aan Sint Nicolaas, de beschermheilige van o.a. zeevarenden, schippers en bootwerkers. Ooit lag Oldenzijl aan de Fivelboezem, de verwijde monding van de voormalige rivier Fivel.
De rivier begon, evenals de Hunze, als een veenrivier. Het water van de Fivel kwam van de hoogveenmoerassen rond Slochteren, Hoogezand en Kolham en stroomde vervolgens naar de kust. De naam Fivel betekent trouwens ‘de reusachtige’ of ‘de verschrikkelijke’, het moet dus wel een behoorlijke rivier geweest zijn ;).
Na Oldenzijl begint, volgens het boekje, de ‘Groninger Meseta’. Even nalezen leert dat een ‘meseta’ een Spaanse hoogvlakte is, die bestaat uit grote vlakke vlaktes in het midden van Spanje. De vergelijking van het Groninger Hogeland met de Spaanse hoogvlakte brengt het uiteindelijke eindpunt van deze pelgrimsroute, Santiago de Compostela, misschien in gedachten al een klein beetje dichterbij? Een ander kenmerk is dat het op de Spaanse hoogvlakte vaak en hard kan waaien, een vergelijking die (over het algemeen) zeker ook op kan gaan voor dit vlakke Groninger land.
Vandaag hebben we echter geen last van de wind en lopen we heerlijk te genieten van alle vergezichten terwijl we ons ondertussen proberen voor te stellen hoe het hier vroeger voor de pelgrims moet zijn geweest. Op het vlakke land zien zelfs wij al overal om ons heen kerktorens net boven de bomen uitpieken. De dorpjes liggen hier niet ver uit elkaar. Waarschijnlijk herkenden de pelgrims de verschillende torenspitsen en wisten ze naar welk dorp ze liepen. Voor de pelgrim in de Middeleeuwen was de kerk immers overal aanwezig, niet alleen als een statische aanwezigheid van kerken, kloosters, abdijen, kapellen, scholen en torens, maar als een levende aanwezigheid doordrongen in alle facetten van het leven.
Pelgrimage is overigens geen typisch christelijke aangelegenheid. Ook voor de komst van het christendom werden in Europa bedevaarten gemaakt. Mensen reisden toen al naar bepaalde plaatsen, waarschijnlijk in de hoop op genezing van een kwaal of een verwonding. Rondom Stonehenge zijn b.v. lichamen van zieken gevonden die, zo konden archeologen aantonen, van ver waren gekomen. In het boeddhisme zijn vier belangrijkste bedevaartsplaatsen, gelegen in India en Nepal, verbonden met de vier belangrijkste gebeurtenissen in het leven van Gautama Boeddha. Boeddha zei zelf dat het bezoeken van deze vier plaatsen een sterke emotie voort zal brengen in gelovigen. Onder de belangrijke boeddhistische bedevaartsplaatsen in andere landen behoren o.a. de Schwedagon pagode in Yangon (Myanmar) en de Smaragdgroene Boeddha in Wat Phra Kaew in Bangkok (Thailand). We hebben beiden gezien en er zeker vol bewondering naar gekeken. Is dat de sterke emotie of is dat toch alleen weggelegd voor de ‘echte’ boeddhisten? Het hindoeïsme kent eveneens een traditie van vier belangrijke bedevaartsoorden (de Char Dham) en het geloof dat reizen naar deze plaatsen leidt tot ‘moksha’. Dat is bevrijding uit het samsara, de eeuwige cirkel van dood en reïncarnatie die wordt bepaald door karma. We weten allemaal dat moslims een bedevaart, de hadj, kennen naar Mekka in Saoedi-Arabië. Dit is één van de vijf zuilen van de islam en een verplichting voor iedere moslim om (als de omstandigheden het toelaten) eenmaal in het leven de hadj te volbrengen. Zo zijn er vast nog wel meer voorbeelden te bedenken. De vraag die nu naar boven komt is: met welke (geestelijke) overwegingen loopt de pelgrim annex wandelaar van vandaag de dag? Duidelijk is zeker dat overal de eigen ervaring centraal staat, onafhankelijk van het wel of niet praktiseren van welke religie dan ook. Het gaat voor iedereen om het eigen persoonlijke doel of dat nu een religieuze insteek heeft of niet.
Met al deze overpeinzingen staan we, voordat we het weten, voor de grote Jacobuskerk in Zeerijp. De bouw van deze kerk werd aan het eind van de13e eeuw uitgevoerd door kloosterlingen van Feldwerd, bij Delfzijl. Met de hoge gewelven en spitsboogvensters is een echt voorbeeld van de rijke romanogotiek en het is bovendien de laatste kerk die in deze stijl in Groningen is gebouwd. Ze hebben er wel de tijd voor genomen, want de bouw duurde ongeveer een eeuw. Sindsdien is er weinig aan veranderd.
We zien opvallende versieringen rondom de twee deuren aan de voorkant met witte, zwarte en rode blokken en afbeeldingen van planten. Sommigen denken dat deze versiering is aangebracht als verwijzing naar de Spaanse bedevaartplaats Santiago (Sint Jacobus) de Compostela. Spanje was immers tot 1492 gedeeltelijk in handen van de Arabieren en hun cultuur beïnvloedde die van de Spanjaarden. De vergelijking met versieringen in een moskee is daarom niet zo vreemd.
Als je verder naar binnen loopt vallen de muren meteen op. De muren zijn, zoals tussen 1250 en 1350 bij kerken binnen het bisdom Münster gebruikelijk was, warm rood geverfd met witte schijnvoegen.
Verder zien we een aantal grote rouwborden en verschillende grafzerken waaronder eentje van de familie Ripperda. Adelijke families trouwen regelmatig onderling en hun namen zien we dan ook overal weer terugkomen. Volgens overlevering is het belang van de familie Ripperda voor de Jacobuskerk als volgt: Maurits Ripperda (getrouwd met Margareta Clant van Menkema) schenkt grote bedragen aan de Jacobuskerk voor een nieuw orgel en een nieuwe preekstoel. Na zijn dood in 1665 wordt hij hiervoor herdacht met een rouwbord, het eerste dat in deze kerk wordt opgehangen.
We vervolgen onze weg naar Eenum en vinden een mooi idyllisch plekje aan het water voor onze lunch.
De wierde van Eenum werd al in 500 voor Christus bewoond, maar omdat deze wierde is afgegraven, is alleen nog een huiswierde overgebleven. De IJzerbaan is een schilderachtig weggetje dat de wierde oploopt naar de kerk, één van de oudste bakstenen kerken in de Ommelanden. Dit romaanse kerkje is gebouwd in de late twaalfde eeuw en is gewijd aan Sint Andreas. Naast zijn rol als beschermheilige van Schotland en verschillende andere landen, is Sint-Andreas ook de heilige van visverkopers, jicht, zangers, keelpijn, oude vrijsters, maagden, oude vrijsters en vrouwen die moeder willen worden. Een druk bezet man, lijkt me.
Het grootste deel van het interieur komt uit de 17e en 18e eeuw, waaronder een bijzonder Arp Schnitger orgel uit 1703. Voor orgelliefhebbers betekent de naam Arp Schnitger hetzelfde als Stradivarius voor violisten of Rembrandt voor schilders. Schnitger (1648-1719) was een orgelbouwer uit de zeventiende eeuw met een grote reputatie: zijn instrumenten hadden een herkenbare stijl en grote kwaliteit. Van Schnitger zijn dertig orgels in min of meer originele staat bewaard gebleven, waarvan er maar liefst elf in Noord-Nederland te vinden zijn. Verder zien we een gedenksteen van Reindt Alberda, één van de bewoners van Huis te Eenum (een voormalige borg die in 1800 gesloopt is) die dit orgel aan de kerk geschonken heeft.
Even verderop ligt ‘Kösters Toen’, de vroegere 19e eeuwse kosterij met een voor publiek gedeeltelijk toegankelijke siertuin. We lopen er met plezier doorheen en komen dan uit voor het vroegere armenhuis van de diaconie uit 1875. Hier woonden vroeger 4 gezinnen in met tot 10 kinderen elk. De tijden zijn wel veranderd!
We zijn alweer toe aan onze laatste kerk van vandaag, de kerk van Wirdum. Deze kerk is gebouwd aan het begin van de 13e eeuw en ligt eveneens op een wierde. In de noordmuur is een ‘knielnis’ of hagioscoop te zien, wat vrij bijzonder is. Hagio betekent heilig, en scoop komt van skopein, zien. Dus heilig kijken, iets heiligs zien? Hier konden mensen, die niet in de kerk konden of mochten komen, knielen in het gras, om zo door een laag venster te kunnen kijken en zodoende van buiten de mis volgen die binnen in de kerk werd gehouden.
Op het kerkhof ligt de oude gerichtssteen, een door andere keien ondersteunde platte grote steen, uit 1601. Het is de plaats waar de redger (rechter) in deze regio zitting houdt. Deze steen lag hier eeuwenlang, maar werd rond 1900 verplaatst naar Ekenstein. Ergens rond 2000 is de steen weer teruggeplaatst. Gelukkig maar.




















