Genieten en bezinnen

Jacobspad: Wirdum – Wittewierum

‘Pelgrim zijn draait om een avontuurlijke geest en de bereidheid om Gods stem in je leven te ontdekken.’ Tenminste dat was het gevoel bij de allereerste pelgrims toen zij van huis en haard vertrokken en verder liepen dan wat ‘normaal’ was. Pelgrimeren was en is sowieso een fysieke reis, er is inspanning voor nodig. Van etappe naar etappe, van kilometer naar kilometer en soms van blaar naar blaar. Maar pelgrimeren is bovenal ook een spirituele reis, vol lessen. Dat is voor de tegenwoordige ‘pelgrim’ waarschijnlijk meestal anders, maar wat maakt het pelgrimeren nu dan nog steeds zo bijzonder? Ik lees en ontdek dat een pelgrimstocht je bovenal leert dat er geen grenzen zijn. Dat je altijd een beetje meer kunt dan je denkt. Het leert je hoe sterk je kunt zijn, zowel fysiek als mentaal. Als je denkt dat je geen stap meer kunt zetten, als je geen energie meer hebt, haast omkomt van de dorst, als je doorweekt of koud bent en nog een paar kilometer te gaan hebt… een pelgrimstocht leert je dat je het kunt! Het doel is ook niet de eindbestemming, maar het onderweg zijn. Een pelgrimsroute is bovenal een route waarop je wandelend kunt genieten en bezinnen. Mooi toch?

We beginnen in Wirdum bij de kerk en lopen via het ‘dronkemanspad’, wat aangegeven wordt met een lang verticaal bord. Het waarom van deze naam en/of de vorm van het bord wordt mij niet helemaal duidelijk. Er wordt gesuggereerd dat het misschien een grap over dronkenschap is (‘de bordenmaker was dronken…’) of mogelijk verticaal omdat het zo’n leuk bord is voor een kroeg of iets dergelijks en dat het idee is dat een verticaal bord minder aantrekkelijk is om te stelen? Wie het weet, mag het zeggen.

Bijzondere naam voor een paadje (IK)

Even verderop lopen we langs een bord waarop staat vermeld dat er aan de overkant in het grasland een tijdelijke erebegraafplaats is geweest voor Canadese soldaten. Het verhaal gaat dat op de middag van 25 april 1945 de gesneuvelde Canadese korporaal Alfred Edwards werd begraven op een tijdelijke begraafplaats in het dorpje Wirdum. Hij was de eerste van in totaal 44 Canadezen die hier een rustplaats vonden. Allen kwamen om bij de strijd om Appingedam en Delfzijl. De graven werden gedolven door gevangen genomen NSB’ers. In het voorjaar van 1946 werden alle lichamen overgebracht naar de erebegraafplaats in Holten. ‘Iedereen wist dat dit zou gebeuren, maar de Wirdumers hadden best nog wel wat langer voor de graven willen zorgen. Toch hebben ze, door op deze wijze de doden te eren, hun grote dank aan de bevrijders kenbaar kunnen maken.’  

Dit bord is alles wat er is overgebleven (IK)

Bij heel veel huizen zien we ook een speciale (regionale) bevrijdingsvlag wapperen als symbolisch eerbetoon aan de vele slachtoffers die hier in april en mei van 1945 nog zijn gevallen tijdens hevige gevechten tussen de Canadezen en de Duitsers. Op de vlag staan verschillende symbolen: het gemeentewapen, de fakkel van het 4 en 5 mei-comité, de Canadese Maple Leaf en het logo van 80 jaar vrijheid.

Bijzonder vrijheidsvlag (internet)

We lopen Wirdum uit langs mooie huizen met grachten en steken de Wirdumerdraai over om aan de andere kant verder te wandelen langs het Damsterdiep. De naam komt van de vroegere draaibrug, die in de jaren tachtig van de vorige eeuw werd vervangen door een ophaalbrug. Het is hier prachtig met volop groen, rust en stilte. We zien zowaar een bankje langs het water waar we niet zomaar aan voorbij kunnen gaan. Je moet je momentjes pakken, nietwaar?

Het Damsterdiep (IK)
Een ‘geniet’ momentje (IK)
Of een ogenblikje van bezinning? (RK)

Het volgende dorpje op onze weg is Garrelsweer, waar volgens de geruchten de Tachtigjarige Oorlog eigenlijk is begonnen. De Slag bij Heiligerlee in 1568 wordt gezien als het begin van de Tachtigjarige Oorlog met Spanje. Slechts weinigen weten, dat er voorafgaand aan die slag ook al een gewelddadig treffen tussen de beide partijen was. Twee dagen voor ‘Heiligerlee’ vochten de Spaansen en de Staatsen tegen elkaar bij Garrelsweer. Zo schrijft Johan Rengers, die in het begin van de 17e eeuw de machtigste en rijkste jonker van Fivelingo was, hierover: ‘Reeds den volgenden dag (21 mei) rukte hij (Graaf Aremberg van Spaanse zijde) met al zijn troepen en met 6 stukken geschut, die hij in Groningen had gevonden, naar Wittewierum uit, in de richting van Appingedam, waar hij de hoofdmacht van Graaf Lodewijk (broer van Willem van Oranje) gelegerd vond.’ Dit is toch het echte begin van de Tachtigjarige Oorlog? In Garrelsweer weten ze dat zeker :).

Tussen Garrelsweer en Wittewierum ligt natuurgebied Hoeksmeer, een reservaat voor weide-, water- en moerasvogels, bestaande uit graslanden, moeras, een oude kreekloop en een ondiepe plas waar o.a. de kievit, grutto en tureluur voorkomen. De buitenste schil van het gebied is weiland. Hoewel het gras kort gehouden moet worden voor de weidevogels, wordt er pas gemaaid nadat de jonge vogels volwassen zijn. Doordat de graslanden ook bemest worden, zijn er veel wormen en insecten. Ook heeft Natuurmonumenten het waterpeil verhoogd zodat de wormen minder diep in de grond zitten. Er wordt alles aan gedaan om het een waar vogelparadijs te laten zijn. Het doet ons een beetje denken aan de Onlanden. We horen onderweg de kievit, kijken naar de capriolen van een paar grutto’s en zien vooral ongelooflijk veel ganzen. Het blijkt dat hier jaarlijks tienduizenden ganzen overwinteren. Eerder trokken vrijwel alle ganzen in het voorjaar weer weg richting het hoge noorden. De laatste jaren zijn er echter steeds meer ganzen die het hele jaar blijven, zogenaamde ‘overzomeraars’.

Watermolen Meervogel voor natuurgebied Hoeksmeer (RK)
Heel veel ganzen in dit natte gebied (RK)

Inmiddels zien we het kerkje van Wittewierum al in de verte.

Het kerkje van Wittewierum (RK)

Wittewierum is onlosmakelijk verbonden met de naam van abt Emo. Deze Emo is vermoedelijk omstreeks 1175 geboren bij Westeremden. Hij studeert artes liberales in Orléans, theologie in Parijs en kerkelijk en burgerlijk recht in Oxford. Zijn opvolger abt Menko noemt Emo de meest geleerde man van heel Frisia (de Latijnse benaming voor het land waar in de Romeinse tijd de Frisii of Fresones woonden, dat is het kustgebied van Noord-Nederland). Emo voelt zich aangetrokken tot het kloosterleven en belooft het aftakelende klooster van zijn kinderloze en lastige neef Emo van Romerswerf weer tot bloei te brengen. In 1211 schenken de inwoners van Wierum hun dorpskerk aan kloostergemeenschap Romerswerf. De nog bestaande beroemde kroniek van klooster Bloemhof (door Emo en later Menko) vertelt uitgebreid over het kerkje van Wittewierum en de gebeurtenissen in de regio. Het was vast geen gemakkelijke tijd, want er wordt vooral veel geschreven over oorlogen, ruzies, stormen, natuurrampen, ziektes en misoogsten. Ernestus, een lokale potentaat, was het trouwens niet eens met de schenking van de kerk en wordt door de bisschop van Munster in het gelijk gesteld. Abt Emo reist vervolgens midden in de winter naar Rome (zo’n 2000 km), waarbij hij besneeuwde bergpassen trotseert evenals aanvallen van wilde dieren. Dat is nog eens een pelgrimstocht! Op 19 januari 1212 bereikt hij uitgeput Rome. Paus en curie spreken tenslotte recht, verwerpen de aanspraken van de bisschop en herstellen Emo in zijn waardigheid. Hij mag zich aansluiten bij de orde van de premonstratenzers (norbertijnen) van de Abdij van Prémontré. Emo verhuist het klooster naar Wierum, waar het zo’n 350 jaar zou bestaan, totdat het in 1561 wordt opgeheven. Het klooster is de plaats en dus gaat de plaats Wittewierum heten naar de (witte) pij van de kloosterlingen. Emo noemt het mannenklooster in Wittewierum voortaan Bloemhof (Hortus floridus). De huidige kerk is gebouwd op het fundament en de pijlers van de middeleeuwse kerk.

Voor de kerk een oude begraafplaats (IK)
De stenen symboliseren Emo’s reis naar Rome (IK)

In de kerk hangen aan weerszijden van het pad twee rouwborden van de familie Rengers. Deze borden zijn voor Lambert Schotte Rengers en zijn vrouw Ambrosia Elisabeth Bentinck van Schoonheten van Diepenheim, die beiden in 1779 overleden. Beide rouwborden bevatten hun eigen wapen met eromheen de 32 kwartierwapens van hun voorgeslachten. In het bovenste vak zijn een aantal doodssymbolen en een opengeslagen boek met het jaartal van overlijden te zien. In het onderste vak staat een opschrift met de functies die beiden tijdens hun leven vervulden. Zoals gezegd speelde de familie Rengers een zeer belangrijke rol in dit gebied.

Aan weerszijden rouwborden van de familie Rengers (RK)
Detail van het rouwbord (RK)

De begraafplaats buiten is verwaarloosd, maar laat indrukwekkende teksten zien op de achterkant van sommige grafstenen. Elke steen een eigen (geïnterpreteerd) verhaal. Op deze plek in Wittewierum komen genieten en bezinnen (of reflecteren, overpeinzen, filosoferen) absoluut heel dicht bij elkaar.

Een tragisch verhaal (IK)
Graf van een zeeman of visser? (IK)


Van kerk naar kerk

Jacobspad: Oldenzijl – Zeerijp – Eenum – Wirdum

De dag begint mistig, maar de zon wint al snel aan kracht en tegen de tijd dat wij voor de kerk in Oldenzijl staan, is de lucht strakblauw en kan het eerste laagje kleding alweer uit. De vroeg 13e eeuwse kerk staat vlak langs de weg op een hoge wierde en is gewijd aan Sint Nicolaas, de beschermheilige van o.a. zeevarenden, schippers en bootwerkers. Ooit lag Oldenzijl aan de Fivelboezem, de verwijde monding van de voormalige rivier Fivel.

De Fivelboezem in vroegere tijden (internet)

De rivier begon, evenals de Hunze, als een veenrivier. Het water van de Fivel kwam van de hoogveenmoerassen rond Slochteren, Hoogezand en Kolham en stroomde vervolgens naar de kust. De naam Fivel betekent trouwens ‘de reusachtige’ of ‘de verschrikkelijke’, het moet dus wel een behoorlijke rivier geweest zijn ;).

De kerk van Oldenzijl (RK)

Na Oldenzijl begint, volgens het boekje, de ‘Groninger Meseta’. Even nalezen leert dat een ‘meseta’ een Spaanse hoogvlakte is, die bestaat uit grote vlakke vlaktes in het midden van Spanje. De vergelijking van het Groninger Hogeland met de Spaanse hoogvlakte brengt het uiteindelijke eindpunt van deze pelgrimsroute, Santiago de Compostela, misschien in gedachten al een klein beetje dichterbij? Een ander kenmerk is dat het op de Spaanse hoogvlakte vaak en hard kan waaien, een vergelijking die (over het algemeen) zeker ook op kan gaan voor dit vlakke Groninger land.

Kleurrijke tulpenvelden onderweg (RK)
Wijdse blik (RK)

Vandaag hebben we echter geen last van de wind en lopen we heerlijk te genieten van alle vergezichten terwijl we ons ondertussen proberen voor te stellen hoe het hier vroeger voor de pelgrims moet zijn geweest. Op het vlakke land zien zelfs wij al overal om ons heen kerktorens net boven de bomen uitpieken. De dorpjes liggen hier niet ver uit elkaar. Waarschijnlijk herkenden de pelgrims de verschillende torenspitsen en wisten ze naar welk dorp ze liepen. Voor de pelgrim in de Middeleeuwen was de kerk immers overal aanwezig, niet alleen als een statische aanwezigheid van kerken, kloosters, abdijen, kapellen, scholen en torens, maar als een levende aanwezigheid doordrongen in alle facetten van het leven.

Ode aan het platteland (IK)

Pelgrimage is overigens geen typisch christelijke aangelegenheid. Ook voor de komst van het christendom werden in Europa bedevaarten gemaakt. Mensen reisden toen al naar bepaalde plaatsen, waarschijnlijk in de hoop op genezing van een kwaal of een verwonding. Rondom Stonehenge zijn b.v. lichamen van zieken gevonden die, zo konden archeologen aantonen, van ver waren gekomen. In het boeddhisme zijn vier belangrijkste bedevaartsplaatsen, gelegen in India en Nepal, verbonden met de vier belangrijkste gebeurtenissen in het leven van Gautama Boeddha. Boeddha zei zelf dat het bezoeken van deze vier plaatsen een sterke emotie voort zal brengen in gelovigen. Onder de belangrijke boeddhistische bedevaartsplaatsen in andere landen behoren o.a. de Schwedagon pagode in Yangon (Myanmar) en de Smaragdgroene Boeddha in Wat Phra Kaew in Bangkok (Thailand). We hebben beiden gezien en er zeker vol bewondering naar gekeken. Is dat de sterke emotie of is dat toch alleen weggelegd voor de ‘echte’ boeddhisten? Het hindoeïsme kent eveneens een traditie van vier belangrijke bedevaartsoorden (de Char Dham) en het geloof dat reizen naar deze plaatsen leidt tot ‘moksha’. Dat is bevrijding uit het samsara, de eeuwige cirkel van dood en reïncarnatie die wordt bepaald door karma. We weten allemaal dat moslims een bedevaart, de hadj, kennen naar Mekka in Saoedi-Arabië. Dit is één van de vijf zuilen van de islam en een verplichting voor iedere moslim om (als de omstandigheden het toelaten) eenmaal in het leven de hadj te volbrengen. Zo zijn er vast nog wel meer voorbeelden te bedenken. De vraag die nu naar boven komt is: met welke (geestelijke) overwegingen loopt de pelgrim annex wandelaar van vandaag de dag? Duidelijk is zeker dat overal de eigen ervaring centraal staat, onafhankelijk van het wel of niet praktiseren van welke religie dan ook.  Het gaat voor iedereen om het eigen persoonlijke doel of dat nu een religieuze insteek heeft of niet.

Een verrassend beeld onderweg (RK)
Een stukje door het Riepster bos (IK)

Met al deze overpeinzingen staan we, voordat we het weten, voor de grote Jacobuskerk in Zeerijp. De bouw van deze kerk werd aan het eind van de13e eeuw uitgevoerd door kloosterlingen van Feldwerd, bij Delfzijl. Met de hoge gewelven en spitsboogvensters is een echt voorbeeld van de rijke romanogotiek en het is bovendien de laatste kerk die in deze stijl in Groningen is gebouwd. Ze hebben er wel de tijd voor genomen, want de bouw duurde ongeveer een eeuw. Sindsdien is er weinig aan veranderd.

We zien opvallende versieringen rondom de twee deuren aan de voorkant met witte, zwarte en rode blokken en afbeeldingen van planten. Sommigen denken dat deze versiering is aangebracht als verwijzing naar de Spaanse bedevaartplaats Santiago (Sint Jacobus) de Compostela. Spanje was immers tot 1492 gedeeltelijk in handen van de Arabieren en hun cultuur beïnvloedde die van de Spanjaarden. De vergelijking met versieringen in een moskee is daarom niet zo vreemd.

Moorse invloeden (IK)
Detail van de deurversieringen (RK)

Als je verder naar binnen loopt vallen de muren meteen op. De muren zijn, zoals tussen 1250 en 1350 bij kerken binnen het bisdom Münster gebruikelijk was, warm rood geverfd met witte schijnvoegen.

Het interieur valt op (RK)
De schelp als punt (IK)
De pelgrim staat centraal (IK)

Verder zien we een aantal grote rouwborden en verschillende grafzerken waaronder eentje van de familie Ripperda. Adelijke families trouwen regelmatig onderling en hun namen zien we dan ook overal weer terugkomen. Volgens overlevering is het belang van de familie Ripperda voor de Jacobuskerk als volgt: Maurits Ripperda (getrouwd met Margareta Clant van Menkema) schenkt grote bedragen aan de Jacobuskerk voor een nieuw orgel en een nieuwe preekstoel. Na zijn dood in 1665 wordt hij hiervoor herdacht met een rouwbord, het eerste dat in deze kerk wordt opgehangen. 

Grote rouwborden aan de muren (RK)

We vervolgen onze weg naar Eenum en vinden een mooi idyllisch plekje aan het water voor onze lunch.

Prachtig (rust)plekje (IK)

De wierde van Eenum werd al in 500 voor Christus bewoond, maar omdat deze wierde is afgegraven, is alleen nog een huiswierde overgebleven. De IJzerbaan is een schilderachtig weggetje dat de wierde oploopt naar de kerk, één van de oudste bakstenen kerken in de Ommelanden. Dit romaanse kerkje is gebouwd in de late twaalfde eeuw en is gewijd aan Sint Andreas. Naast zijn rol als beschermheilige van Schotland en verschillende andere landen, is Sint-Andreas ook de heilige van visverkopers, jicht, zangers, keelpijn, oude vrijsters, maagden, oude vrijsters en vrouwen die moeder willen worden. Een druk bezet man, lijkt me.

De kerk van Eenum op de wierde (RK)
De kerk is open (RK)

Het grootste deel van het interieur komt uit de 17e en 18e eeuw, waaronder een bijzonder Arp Schnitger orgel uit 1703. Voor orgelliefhebbers betekent de naam Arp Schnitger hetzelfde als Stradivarius voor violisten of Rembrandt voor schilders. Schnitger (1648-1719) was een orgelbouwer uit de zeventiende eeuw met een grote reputatie: zijn instrumenten hadden een herkenbare stijl en grote kwaliteit. Van Schnitger zijn dertig orgels in min of meer originele staat bewaard gebleven, waarvan er maar liefst elf in Noord-Nederland te vinden zijn. Verder zien we een gedenksteen van Reindt Alberda, één van de bewoners van Huis te Eenum (een voormalige borg die in 1800 gesloopt is) die dit orgel aan de kerk geschonken heeft.

De gedenksteen (internet)
Detail op de muur; uit vroeger dagen? (RK)

Even verderop ligt ‘Kösters Toen’, de vroegere 19e eeuwse kosterij met een voor publiek gedeeltelijk toegankelijke siertuin. We lopen er met plezier doorheen en komen dan uit voor het vroegere armenhuis van de diaconie uit 1875. Hier woonden vroeger 4 gezinnen in met tot 10 kinderen elk. De tijden zijn wel veranderd!

De ingang naar de tuin van de koster (IK)

We zijn alweer toe aan onze laatste kerk van vandaag, de kerk van Wirdum. Deze kerk is gebouwd aan het begin van de 13e eeuw en ligt eveneens op een wierde. In de noordmuur is een ‘knielnis’  of hagioscoop te zien, wat vrij bijzonder is. Hagio betekent heilig, en scoop komt van skopein, zien. Dus heilig kijken, iets heiligs zien? Hier konden mensen, die niet in de kerk konden of mochten komen, knielen in het gras, om zo door een laag venster te kunnen kijken en zodoende van buiten de mis volgen die binnen in de kerk werd gehouden.

Een knielnis in Wirdum (RK)

Op het kerkhof ligt de oude gerichtssteen, een door andere keien ondersteunde platte grote steen, uit 1601. Het is de plaats waar de redger (rechter) in deze regio zitting houdt. Deze steen lag hier eeuwenlang, maar werd rond 1900 verplaatst naar Ekenstein. Ergens rond 2000 is de steen weer teruggeplaatst. Gelukkig maar. 

Hier werd vroeger recht gesproken (RK)





Pelgrimage

Uithuizen-Oldenzijl

Pelgrimeren is ‘reizen naar een heilige plaats’. Vroeger was dit eigenlijk de meest gebruikte omschrijving, want pelgrimeren was vooral een religieus gebeuren. Pelgrims gingen op stap om te bidden, een heilige te vereren, boete te doen of om vergeving te vragen. Maar zoals alles verandert, kan iedereen tegenwoordig het begrip pelgrimeren op zijn of haar eigen manier invullen, dus ook in een niet-religieuze betekenis. Pelgrimeren is populair en zeker pelgrimeren naar Santiago de Compostela. De camino’s naar Compostela spreken velen aan vanwege hun geschiedenis, cultuur, natuur en religie. In onze individualistische maatschappij van nu is er steeds meer behoefte aan rust, bezinning, beleving van diepere waarden en/of aan contact met de medemens. Dat vind je zowel op de camino’s naar Compostela als op meer stille, minder belopen, camino’s (paden).

Voor ons dichtbij huis start het Jacobspad wat deel uitmaakt van de bovengenoemde grote pelgrimsroute. Vanuit Uithuizen starten jaarlijks vele pelgrims op weg naar ‘de heilige Jacobus in het Sterreveld’. Een naam die tot de verbeelding spreekt en wel om een beetje extra uitleg vraagt. Jacobus de Meerdere (Major, de oudste leerling) was één van de twaalf discipelen van Jezus. Hij was samen met zijn broer Johannes visser en boette netten. Boeten betekent herstellen van grote gaten in de netten en dit is symbool geworden van boete doen: door boete te doen, herstel je de fouten die je zelf gemaakt hebt. Jacobus is vooral bekend geworden vanwege het feit dat zijn graf in Santiago de Compostela zou zijn. Het verhaal gaat dat twee leerlingen het lichaam van Jacobus (Sant Iago) na zijn dood, in een bootje begeleid door een engel, hebben meegenomen naar Spanje, waar hij door hen werd begraven. Zijn graf werd in de 9e eeuw gevonden omdat er een ster verscheen boven het graf, vandaar de naam ‘campus stella’ (veld van de ster of sterrenveld), verkort tot Compostela. Samen Santiago de Compostela. Op deze plek is later de beroemde kathedraal gebouwd. Bijzonder om over de achtergrond van deze bekende namen te horen. 

Het welbekende teken van dit pelgrimspad

Vandaag maken wij een start met onze eigen pelgrimage of bedevaart in de vorm van een eerste stukje Jacobspad. We starten in Uithuizen bij, hoe kan het ook anders, de St. Jacobus de Meerdere kerk. Helaas is de kerk zelf gesloten, maar het is overduidelijk dat het pad hier begint, want voor de kerk staat het Jacobus monument dat twee Jacobsschelpen, de pelgrimsstaf en een ransel laat zien. De schelp is een herkenningsteken geworden voor elke pelgrim op weg naar Santiago de Compostela. De schelp is ook een verwijzing naar ‘onze’ Jacobus. Volgens een legende kwam een ridder met een paard in zee terecht. Hij bad vervolgens tot Jacobus voor hulp waarop hij, bedekt met schelpen, weer aan land kon komen. Anderen beweren dat de schelp verwijst naar de pareloester. De pelgrimstocht wordt in dit kader gezien als de zoektocht naar de kostbare parel, waarbij de parel staat voor de diepste zin van het menselijk bestaan. De schelp is de moederschoot en de parel het embryo of het begin van het nieuwe leven. Hoe dan ook, het monument staat vooral symbool voor de betekenissen die de pelgrim overdenkt op zijn of haar pad. De twee gesloten schelpen geven de suggestie dat het gaat om een noot (of vrucht) die onderweg geplukt en gegeten wordt. De onderste schelp kun je zien als een kom die regenwater opvangt om je dorst te lessen en jezelf te verfrissen. De andere schelp is dan het deksel dat je bescherming kan bieden. Het golfpatroon op de schelpen tenslotte staat voor water wat symbolisch is voor ‘leven’ in het algemeen. Naast op schelpen op een sokkel staat de pelgrimsstaf (de pelgrim zoekt rust) waaraan een ransel hangt.

Het Jacobus monument voor de Jacobus de Meerdere kerk (IK)
De tekst op de sokkel (RK)

We zien de eerste aanwijzing in de vorm van de schelp op een lantarenpaal en gaan enthousiast op pad, al is het dan zonder staf en ransel.

De eerste aanwijzing (RK)

We lopen dwars door het dorp. Uithuizen is ontstaan in de 10e eeuw. Mensen gingen wonen in de ‘Uthuzen’, wat ‘uiterste huizen’ betekent. Op deze plek werden de eerste huizen naast de wierde i.p.v. op de wierde Brunwerd gebouwd. Brunwerd kreeg hierdoor de naam Oldorp (het oude dorp). Bij Uithuizen hebben vele steenhuizen en borgen gestaan, maar de belangrijkste borg was toch wel, de nog altijd bestaande, Menkemaborg, een steenhuis uit de 14e eeuw.

Met de Menkemaborg op de achtergrond

We lopen de brede oprijlaan van de borg op. Het is druk, we zijn niet de enigen die profiteren van een mooie dag! Het zonnetje schijnt uitbundig, dus we laten ons verleiden tot een kop koffie op het terras en proberen ondertussen wat meer te ontdekken over de familie Menkema (de oorspronkelijke bewoners). Van deze familie is helaas weinig bekend, maar we leren wel dat de geschiedenis van de Menkemaborg terug gaat tot de vroege 15e eeuw. Een gevelsteen in een muur van de borg vermeldt dat het ‘Menckemahues’ in 1400 verwoest wordt en daarna meerdere keren is verbouwd en vergroot. Verschillende families zoals de families Menckema en Clant bewoonden de borg en hebben er hun sporen achtergelaten. In 1682 werd de borg gekocht door Mello Alberda. Zijn zoon Unico Allard laat de borg rond 1705 ingrijpend verbouwen door de latere stadsbouwmeester van Groningen, Allert Meijer. De ingang wordt dan naar het noorden verlegd waardoor het huis een barokke symmetrische indeling krijgt. Voor het verfraaien van het interieur worden kunstenaars aangetrokken. De familie Alberda bewoonde de Menkemaborg als buitenhuis. In 1902 overlijdt de laatste bewoner van de Menkemaborg, Gerhard Alberda van Menkema en Dijksterhuis. In 1921 schenken zijn erfgenamen de borg aan wat nu het Groninger museum is. De borg en de tuinen worden gerestaureerd. De tuin wordt in 1923 opengesteld voor publiek, gevolgd door de borg zelf in 1927. De kamers, waaronder de grote zaal, herenkamer, studeerkamer, slaapkamer, keuken en kelders zijn volledig ingericht met mooie meubelen, zilver, porselein, koperwerk en portretten uit de 17de en 18de eeuw. De vertrekken zijn ‘levendig’ ingericht alsof ‘de bewoners zo terug kunnen komen’. Dit geeft een unieke inkijk van hoe het leven er vroeger uitzag.

Een luchtfoto van de borg (internet)

Hoe intrigerend ook, we hebben vandaag geen tijd voor de borg, ons einddoel ligt een stukje verder. We lopen om de grote gracht heen, langs de Menkemaheerd (heerd betekent boerderij) en volgen het Meedstermaarpad langs het Meedstermaar (maar betekent afvoerkanaal, gracht) en het Baalkjepad. ’t Baalkje is de naam van het ijzeren bruggetje waarmee je het (Uithuizer)meedstermaar kunt oversteken om langs boerderij ‘Iturea’ verder te lopen richting Oldenzijl.

Even genieten langs het Meedstermaar (IK)
Op het ‘Baalkje’ (RK)

Met deze boerderij is iets bijzonders aan de hand, want de eigenaren van deze boerderij betalen al sinds de Middeleeuwen een jaarlijks bedrag aan lampengeld aan de kerk. Daarmee werd oorspronkelijk de ‘godslampe’ brandend gehouden. Een godslamp verlichtte in de katholieke tijd het sacramentshuisje waarin de hostie werd bewaard. De olie die nodig was om de lamp brandend te houden, werd betaald uit de huuropbrengst van een stuk land behorend bij de boerderij die tegenwoordig ‘Iturea’ heet, Een vermelding van deze betaling is onder andere te vinden in het handschrift ‘Ommelands Eer’ (1664) van de jezuïetenpater Franciscus Mijleman: ‘Tot Oldenzijl was een eeuwelijcke brandende lampe geordonneert ende gefondeert. Noch allen jaere word sekere huusmansplaets aldaer (…) afgehaelt lampegeld.’ De lamp was in de zeventiende eeuw, na de overgang tot het protestantse geloof in 1594, al verdwenen, maar de betalingsverplichting bleef. Met andere woorden het gebruik overleefde de Reformatie en wist zich tot in de 21e eeuw staande te houden. Hoe dat kan? Dat is mogelijk omdat de betaling deel uitmaakt van de beklemming (vaste huur) en deze is door de eeuwen heen amper veranderd. In de achttiende eeuw bedroeg de termijn twee gulden en vijf stuivers. De tegenwoordige eigenaar van ‘Iturea’ betaalt ruim een euro per jaar aan de kerk. Een bescheiden bijdrage in de elektriciteitsrekening, want olie wordt al lang niet meer verbruikt voor de verlichting van de Oldenzijlster kerk. De betaling van lampengeld is redelijk uniek in Nederland gezien de lange tijd dat het zich weet te handhaven zonder ergens centraal te zijn geregistreerd. Dergelijke grondlasten worden wel ‘de levende dinosauriërs van het recht’ genoemd. Bijzonder toch?

We eindigen onze dag bij de kerk van Oldenzijl, het is tenslotte een pelgrimstocht ;). Een mooi gelegen, romaans kerkje uit de 13de eeuw waar we o.a. de wapenschilden van de families Alberda en Clant kunnen bewonderen. 

Het wapen rechts van de familie Alberda en links van de familie Clant (RK)
‘Rechts een omziende rood getongde gouden leeuw, links een omziende gesneuvelde gouden griffioen met opgeheven vleugel waarop drie zilveren vissen’

# HYOH

Knp: 3-2-72-96-97-1

Simpel vertaald betekent ‘HYOH’ zoiets als ‘wandel je eigen tocht’. In essentie betekent het dat jij zelf je tocht moet lopen en dat niemand anders dat voor je doet. Dat klinkt als een open deur, maar er is meer…… want wanneer er gesproken wordt over jouw eigen pad bewandelen zoals jij het wil, gaat het eigenlijk over je gevoel. Jij bepaalt hoeveel kilometers je loopt en als een (bijna) logisch gevolg geniet je daardoor meer van je eigen reis. Het gaat immers niet alleen om de afstanden, de beleving is minstens zo belangrijk. Een wandeling van twintig kilometer klinkt een stuk zwaarder dan vier etappes van vijf kilometer. Door de totale afstand op te knippen in delen en naar de rustpunten toe te leven, kun je veel makkelijker een flinke totaalafstand afleggen….. tenminste dat is de theorie.

Een afstand van 20 km is mij (nu) nog te ver, maar met een koffiestop en een lunchpauze kom ik wel steeds verder. Kenners zeggen: ‘de afstand die je hebt afgelegd of de tijd waarin je dat deed, vergeet je, maar een verbluffend uitzicht, het zonlicht dat door de wolken breekt of een groepje reeën in een weiland blijven je bij. Zorg daarom dat je een open oog en oor houdt voor de schoonheid onderweg. Dan maar tien minuten later op de plek van bestemming.’ Lijkt mij een prima advies, want er valt veel te genieten onderweg!

Zomaar in Grijpskerk

We lopen vandaag van Grijpskerk, met een omweg, naar Kommerzijl. Het oorspronkelijke plan was om het laatste stuk naar Niehove (het einde van dit pad is in zicht) in één keer te lopen, maar we breken de afstand toch in tweeën gezien mijn beperkte conditie van dit moment. We wandelen daardoor vandaag mijn afstand, mijn beleving en mijn tocht 😉

Vrolijke borden

Grijpskerk is ontstaan vanuit een dijkdorp. Al in 1507 wordt de plaats voor het eerst Grijpskercke genoemd naar de toenmalige ‘dorpsheer’ Nicolaas Grijp. Hij liet hier, waarschijnlijk op zijn eigen borgterrein, een kapel bouwen. De kapel hoorde bij Sebaldeburen, maar werd al snel een volwaardige parochie, vermoedelijk omdat de kerk van Sebaldeburen te ver weg lag. Het kerkhof bleef voorbehouden aan de landeigenaren en de adel die meebetaalden aan de kerk en het salaris van de predikant. De overige inwoners moesten, tot het begin van de 19e eeuw, hun doden op het kerkhof van de moederkerk in Sebaldeburen begraven.

Kerk Grijpskerk (internet)

In 1582 (Tachtigjarige Oorlog) werd het kerkje verwoest door plunderende bendes. Tussen 1607 en 1614 werd de kerk weer op dezelfde plek opgebouwd onder leiding van de jonker Everhardt van Asschendorp, zoals blijkt uit de gevelsteen boven de westingang. Op de toren zie je een gouden vleugelloze griffioen of grijpvogel (grijp = griffioen) als windvaan, het familiewapen van de familie Grijp. In het wapen van Grijpskerk zie je het belang van de familie ook terug. Het bovenste gedeelte van het wapen bevat een griffioen, een fabelachtig dier wat bestaat uit half adelaar en half leeuw. De grijp in een wapen geeft in het algemeen een invloedrijke heerschappij aan en symboliseert bovendien scherpzinnigheid en overleg samen met omzichtigheid en doorzicht. Het verstand van de adelaar gaat samen met de kracht van de leeuw. Het onderste gedeelte van het wapen toont de kerk die Nicolaas Grijp zou hebben gebouwd.

Wapen van Grijpskerk

Onderweg hoor ik dat Grijpskerkers vroeger de Groningse bijnaam ‘smaalruggen’ hadden.
Geen idee waarom of wat dat dan betekende. Het was vroeger vaak een scheldnaam, dus veel fraais zal het wel niet zijn. De enige betekenis van smalrug die ik kan vinden is ‘mannelijke ree van het tweede jaar’…… Daarmee wordt het allemaal niet duidelijker!

Net buiten Grijpskerk

Op mijn zoektocht naar de verklaring van de bijnaam kom ik wel een sterk verhaal tegen. Gijpskerk heeft namelijk bijna in het rijtje van beroemde dorpen als Nieuwpoort, Heiligerlee of Waterloo gestaan. Bijna ….! Ik heb een zwak voor zulke verhalen en wil het dan ook graag delen. “Het is het jaar 1815 als knecht Jans Mol na het middageten met een hooivork op z’n schouder naar de weilanden aan de Westerhorn (Westerhorn was begin 16e eeuw de oostelijke van de drie buurtschappen waaruit Grijpskerk ontstond) loopt om het hooi te keren. Bij de herberg staan de Maire en zijn wethouders een pijpje te roken alvorens ze in vergadering gaan. Als hij de Westerhorn in slaat ziet hij iets wonderlijks en blijft hij geschrokken stokstijf staan. Tussen het aardappelloof zit een enorme haas van wel twee meter hoog. Het beest springt heen en weer en knabbelt aan het gewas en het lijkt net of zijn staart in brand staat. Jans weet niet wat hij daar mee aan moet en wil terug lopen naar Grijpskerk om hulp te halen. Dan ineens ziet hij op de Friesestraatweg, toen nog een karrenpad met keien, drie Friese soldaten lopen die net terugkomen van de Slag bij Waterloo. Jans vertelt hen wat hij heeft gezien. ‘Kin net’ zeggen de Friezen, maar ze moeten het wel geloven als ze de haas even later zelf met eigen ogen zien. Jans zegt dat ze eerst naar de Maire moeten gaan om te overleggen. Misschien kunnen ze die haas wel levend vangen. Dat zou bijzonder zijn en het dorp Grijpskerk zou wereldberoemd worden.

Als Jans het verhaal aan de Maire vertelt, wrijft deze over zijn kin en zegt ‘t Kin niet aans weeden of dat is de Duuvel. Die loat zich wel voaker als een dier zien ien e wereld’. De Maire sommeert de schout om een legertroep te verzamelen. Voorop lopen Jans Mol en de schout, daarachter de 3 Friese Soldaten, dan de Maire en zijn gevolg en tenslotte nog een paar potige mannen, waaronder de bakker, die altijd zegt dat hij voor de Duuvel niet bang is. Eenmaal bij het aardappelland aangekomen, zit de reuzenhaas nog rustig van het aardappelloof te knabbelen. Het beest heeft het Grijpskerker leger niet eens opgemerkt. ‘Laad je musket’, beveelt de schout aan de dapperste Friese soldaat, die omzichtig zijn kruit en kogels tevoorschijn haalt. ‘Nee jong, we vangen de Duuvel leemendeg’, zegt de Maire, waarop de bakker en de schout met een groot visnet voorzichtig door het groene loof richting de haas sluipen. Maar als ze omhoog willen springen om hun slag te slaan, klinkt er een luide knal. De Friese soldaat kijkt beteuterd naar de gebarsten loop van zijn musket. In het heetst van de strijd heeft hij per ongeluk de trekker overgehaald. En de haas …….., die is dan al lang opgesprongen en rent met grote sprongen weg. De ‘Slag om de Westerhorn’ is dus verloren door de Grijpskerkers en de haas hebben ze nooit weer terug gezien. Zo komt het dat Grijpskerk net niet in het beroemde rijtje staat.” Mooi toch?

Ondertussen lopen we dwars door de weilanden op betonnen paden waarover een enkele fietser en een nog sporadischer auto of tractor langskomt. Halverwege komen we langs het transformatorhuisje, een klein gebouwtje in de stijl van de Amsterdamse School. Tijdens WOII weigerde de burgemeester van Grijpskerk mensen te leveren ‘om in Drenthe putjes te graven voor de Duitsers’. Om de Duitsers te saboteren besloot hij samen met een paar anderen het bevolkingsregister van Grijpskerk hier te verstoppen.

Het transformatorhuisje met een verhaal

Voor het gebouw staat een bronzen fiets en op de bronzen, dichtgespijkerde deur is een plaquette te zien. Met de deur geeft de ontwerper aan dat ‘de geschiedenis is afgesloten’. Deze deur staat symbool voor de joden die in de oorlog werden weggevoerd uit hun huizen. De Duitse en ook de Nederlandse overheid spijkerde hun huizen dicht. Over de dienstfiets zegt hij: ‘Ik wilde een replica van een Fongers maken. Voor mij hebben fietsen met de oorlog te maken. Het verduisteringsglaasje op de koplamp herinnert aan de oorlog.’

De bronzen fiets
De plaquette

We staan even stil bij ’t Hoekje, vroeger ook wel Quatre Bras (kruispunt) genoemd, een gehuchtje gelegen tegen de vroegere Waarddijk. De naam van het gehucht en de omringende streek werd tot ver in de 20e eeuw aangeduid als De Waarden.

Uitzicht onderweg

De Waarden of de Ruigewaard is dus een streek en grote polder van 750 hectare in de gemeente Westerkwartier ten noorden van het dorp Grijpskerk. Ruigte is de Groningse benaming voor niet-ontgonnen land.

Een combinatie van wit en groen (RK)

De volgende (en laatste) keer gaan we verder door dit gebied en over het Ruigezand. De wandeling van vandaag is nou precies waar ‘’hike your own hike’’ voor staat, iets doen waar je plezier uit haalt. Dit kan op allerlei verschillende manieren, waarbij het oké is om langer over een tocht te doen dan boekjes je voorschrijven en je eigen keuze te maken! #HYOH


Wandelen is even alles loslaten

Knp: 87-40-85-51-50-61-63-3

De term ‘unwind your mind’ (ontspan je geest) trekt mijn aandacht. De theorie daarbij is dat je daarvoor ‘uit je hoofd en in je lichaam’ moet gaan, want leven in je hoofd betekent dat je constant in gedachten bent, waardoor je minder luistert naar je gevoel en wat je in je lichaam ervaart. Dat klinkt op zich bekend. Ook ik ben tijdens het wandelen zeker geneigd om in gedachten een ‘to do’ lijstje af te vinken of een situatie en/of een gesprek nog eens te ‘herkauwen’, situaties die eigenlijk respectievelijk in de toekomst en het verleden behoren. Je lichaam is, in tegenstelling tot je geest, wel altijd in het hier en nu en door contact te maken met wat je in of met je lichaam ervaart, ben je dus automatisch in het huidige moment. Belangrijk omdat juist dat ervoor zorgt dat je stresshormonen afnemen en je bloeddruk daalt. Dat wordt de uitdaging van vandaag. Een leeg hoofd en rustig bewegen om te ontspannen en weer op te laden, want deskundigen zeggen dat het niet de stress is die mensen onderuit haalt, maar het tekort aan herstel. Door het constant ‘aan’ staan, raak je uitgeput. Iets om rekening mee te houden, nietwaar?

We lopen vandaag van Grootegast naar Grijpskerk, een afstand van een kleine 10 km en daarmee een ‘echte’ wandeling. Een wandeling van minder dan een uur en 5 kilometer wordt ‘een ommetje’ genoemd. Wat je al niet kunt leren …..

Bevreemdend 😉 (RK)

In Grootegast zien we meteen een informatiebord waarop de geschiedenis van het ‘monster van Grootegast’ wordt verteld. Een (oud) drama om de zinnen alvast wat te verzetten. Wat was er gebeurd? De hoofdpersoon IJe Wiekstra werd in 1895 geboren als jongste van een arm gezin met vijf kinderen. Na de lagere school ging hij aan de slag als leerling-metselaar. Later verdiende hij een redelijk inkomen met voegen, klompen maken en stropen. IJe woonde lange tijd bij zijn moeder. Rond zijn twintigste leed hij aan waanvoorstellingen, waarvoor hij werd behandeld door een Groningse zenuwarts. Volgens eigen zeggen leed hij aan een ‘zenuwziekte’. In 1928 verdween IJes vriend Hendrik Wobbes achter de tralies vanwege diefstal. Niet lang daarna kreeg IJe een verhouding met Hendriks vrouw Aaltje. Hij trok bij haar in, maar ging na enkele weken toch weer terug naar het huisje waar hij met zijn oude moeder woonde. Toen de moeder na enige tijd naar één van haar andere kinderen verhuisde, trok Aaltje direct bij IJe in. Zij liet haar zes kinderen in de steek, wat voor Justitie aanleiding was om Aaltje Wobbes voor de rechtbank te dagen. Aaltje moest op 18 januari 1929 in Groningen voorkomen. Toen zij niet kwam, kreeg de burgemeester van Grootegast de opdracht om Aaltje te arresteren. Vier agenten gingen op pad om haar op te halen, maar op het moment dat de vier veldwachters verschenen, schoot IJe de veldwachters zonder pardon neer met zijn jachtgeweer. Daarna verminkte hij hun lichamen door hun keel door te snijden. Vervolgens stak IJe, inmiddels zelf gewond geraakt, zijn huis in brand. Hij bracht Aaltje naar een in de buurt wonende broer en ging zelf naar ziekenhuis in Groningen. Onderweg werd hij aangehouden. De begrafenis van de vier veldwachters werd een nationale gebeurtenis. De Groningse rechtbank veroordeelde IJe Wiekstra in april 1929 tot levenslange gevangenisstraf. Het Gerechtshof in Leeuwarden legde hem in hoger beroep twintig jaar gevangenisstraf op. In 1941 werd Wiekstra overgeplaatst van de Bijzondere Strafgevangenis in Leeuwarden naar de Rijks Psychiatrische Inrichting bij Eindhoven, waar hij enkele weken later op 45-jarige leeftijd overleed aan tuberculose.

Alles over ‘het monster’

Terwijl wij de gebeurtenissen overpeinzen, lopen we het dorp uit en de Grootegasterpolder, een voormalig waterschap (molenpolder), in. De polder, bijna 140 ha groot, maakt deel uit van de ecologische hoofdstructuur, een netwerk van natuurgebieden die door heel Nederland met elkaar zijn verbonden. In dat kader werd in 2012 gestart met de aanleg van ‘nieuwe natuur’. Het aanleggen van petgaten, poelen en natuurvriendelijke oevers en het bouwen van stuwen en dammen om zo de waterhuishouding in het gebied te verbeteren en het gebied aantrekkelijker te maken voor weide- en watervogels en andere dieren zoals libellen, salamanders en kikkers. Het is hier mooi en wijds en we nemen de tijd om de omgeving goed in ons op te nemen.

Leuk om zo informatie over het gebied te lezen…..

Verderop zien we nog een molen staan. Nadere inspectie leer dat het hier gaat om ‘de Eendracht’, een poldermolen gebouwd in 1887 speciaal voor het bemalen van de aangelegen polders. Voor de Reformatie (16e eeuw) in de Nederlanden waren het vaak kloosters die opdracht gaven tot het oprichten van molens, voor het malen van graan, maar ook voor het bemalen van polders. In protestantse streken kwam dit minder vaak voor, maar het ontstaan van deze molenpolder is onlosmakelijk verbonden met de kerkelijke geschiedenis. Het was dominee Nikolaas Westendorp (1773-1836) die in 1801 aan het begin stond van de oprichting van de Sebaldebuurster Molenpolder. Hij was een erg belezen man, maar zijn bijdragen getuigden, volgens geleerde tijdgenoten, van weinig kritisch besef. Het verhaal gaat dat de Leidse universiteit hem had benaderd voor een leerstoel, maar dat hij de aanstelling had afgewezen toen hij begreep dat zijn vrouw in Leiden haar kap met gouden oorijzers niet zou kunnen dragen. Naast predikant was Westendorp ook schoolopziener. Hij is met name bekend geworden door zijn publicaties over archeologische, oudheidkundige en godsdiensthistorische onderwerpen waaronder een geschiedenis van de provincie Groningen tot 1493, bekend als de Jaarboeken van Nikolaas Westendorp.

‘De Eendracht’ in volle glorie (RK)

De eerste poldermolen alhier werd dus in 1801 gebouwd. Nadat deze molen in 1887 afgebrand was, werd de huidige molen, die nu als ‘De Eendracht’ bekend staat, gebouwd. De Eendracht heeft tegenwoordig een functie als noodbemaling. De molen was in de periode van de Koude Oorlog ook een zogenaamde ‘BWO’-molen. BWO staat voor de wet Bescherming Waterstaatswerken in Oorlogstijd, een wet die ervoor dat molens in staat van paraatheid waren om op windkracht te kunnen malen in het geval de elektriciteitsvoorziening door oorlogshandelingen niet meer aanwezig zou zijn. Deze wet betekende de redding voor heel wat poldermolens. Net over de brug staat een oude gele ANWB praatpaal, die is aangepast om naar de verhalen over de molen en de omliggende polders te luisteren. Bijzonder.

Molen met praatpaal
De verleiding om te luisteren….. (RK)

We lopen verder langs de Grootegastertocht (een tocht is een afvoersloot van polderwater) richting het Van Starkenborghkanaal en verder richting Gaarkeuken. Gaarkeuken zou zijn naam te danken hebben aan één van beide herbergen die vroeger bij de sluis in het Kolonelsdiep stonden, zo’n 2 km ten zuiden van de huidige sluis, waar schippers een warme maaltijd konden halen. Dit stuk Kolonelsdiep is opgegaan in het Van Starkenborghkanaal dat op haar beurt weer een onderdeel is van de 119 km lange ‘aorta van het noorden’. Het Van Starkenborghkanaal is in 1938, grotendeels met de hand, aangelegd in het kader van de werkverschaffing. Dankzij doorlopende vernieuwing en opwaardering voldoet deze waterweg aan de op één na hoogste categorie van Europese waterwegen. Alleen bij de grote zeehavens zijn de kanalen breder en dieper.

Langs het Van Starkenborgkanaal (RK)
Een helpende hand

De huidige schutsluis in Gaarkeuken is in de jaren 1975-1980 aangelegd en kostte destijds 20 miljoen gulden, ongeveer tweemaal zoveel als het graven van het hele Van Starkenborghkanaal! Voor de bouw van de nieuwe sluis moesten vijf sluiswachterswoningen afgebroken en 575 bomen gekapt worden. De sluisdeuren, elk met een gewicht van 27 ton, zijn voorzien van openingen met schuiven voor het nivelleren van het waterpeil in de sluiskolk. Het nivelleren kost ongeveer 6 minuten, het sluiten en openen van de deuren ongeveer een minuut. Op het moment dat wij er langs lopen ligt er geen groot binnenvaartschip in de sluis, maar je kunt je wel voorstellen dat het een machtig gezicht is wanneer je er zo vlak voor staat. Toch heel anders dan wanneer je het vanuit een rijdende auto bekijkt.

Gaarkeuken (RK)

Dit is bekend terrein voor ons. Nog even over het spoor en dan het laatste stukje richting het centrum van Grijpskerk.

Station Grijpskerk (RK)

Het was weer een heerlijke wandeling! ‘Unwind your mind’ is vandaag zeker gelukt.