Wandelen is even alles loslaten

Knp: 87-40-85-51-50-61-63-3

De term ‘unwind your mind’ (ontspan je geest) trekt mijn aandacht. De theorie daarbij is dat je daarvoor ‘uit je hoofd en in je lichaam’ moet gaan, want leven in je hoofd betekent dat je constant in gedachten bent, waardoor je minder luistert naar je gevoel en wat je in je lichaam ervaart. Dat klinkt op zich bekend. Ook ik ben tijdens het wandelen zeker geneigd om in gedachten een ‘to do’ lijstje af te vinken of een situatie en/of een gesprek nog eens te ‘herkauwen’, situaties die eigenlijk respectievelijk in de toekomst en het verleden behoren. Je lichaam is, in tegenstelling tot je geest, wel altijd in het hier en nu en door contact te maken met wat je in of met je lichaam ervaart, ben je dus automatisch in het huidige moment. Belangrijk omdat juist dat ervoor zorgt dat je stresshormonen afnemen en je bloeddruk daalt. Dat wordt de uitdaging van vandaag. Een leeg hoofd en rustig bewegen om te ontspannen en weer op te laden, want deskundigen zeggen dat het niet de stress is die mensen onderuit haalt, maar het tekort aan herstel. Door het constant ‘aan’ staan, raak je uitgeput. Iets om rekening mee te houden, nietwaar?

We lopen vandaag van Grootegast naar Grijpskerk, een afstand van een kleine 10 km en daarmee een ‘echte’ wandeling. Een wandeling van minder dan een uur en 5 kilometer wordt ‘een ommetje’ genoemd. Wat je al niet kunt leren …..

Bevreemdend 😉 (RK)

In Grootegast zien we meteen een informatiebord waarop de geschiedenis van het ‘monster van Grootegast’ wordt verteld. Een (oud) drama om de zinnen alvast wat te verzetten. Wat was er gebeurd? De hoofdpersoon IJe Wiekstra werd in 1895 geboren als jongste van een arm gezin met vijf kinderen. Na de lagere school ging hij aan de slag als leerling-metselaar. Later verdiende hij een redelijk inkomen met voegen, klompen maken en stropen. IJe woonde lange tijd bij zijn moeder. Rond zijn twintigste leed hij aan waanvoorstellingen, waarvoor hij werd behandeld door een Groningse zenuwarts. Volgens eigen zeggen leed hij aan een ‘zenuwziekte’. In 1928 verdween IJes vriend Hendrik Wobbes achter de tralies vanwege diefstal. Niet lang daarna kreeg IJe een verhouding met Hendriks vrouw Aaltje. Hij trok bij haar in, maar ging na enkele weken toch weer terug naar het huisje waar hij met zijn oude moeder woonde. Toen de moeder na enige tijd naar één van haar andere kinderen verhuisde, trok Aaltje direct bij IJe in. Zij liet haar zes kinderen in de steek, wat voor Justitie aanleiding was om Aaltje Wobbes voor de rechtbank te dagen. Aaltje moest op 18 januari 1929 in Groningen voorkomen. Toen zij niet kwam, kreeg de burgemeester van Grootegast de opdracht om Aaltje te arresteren. Vier agenten gingen op pad om haar op te halen, maar op het moment dat de vier veldwachters verschenen, schoot IJe de veldwachters zonder pardon neer met zijn jachtgeweer. Daarna verminkte hij hun lichamen door hun keel door te snijden. Vervolgens stak IJe, inmiddels zelf gewond geraakt, zijn huis in brand. Hij bracht Aaltje naar een in de buurt wonende broer en ging zelf naar ziekenhuis in Groningen. Onderweg werd hij aangehouden. De begrafenis van de vier veldwachters werd een nationale gebeurtenis. De Groningse rechtbank veroordeelde IJe Wiekstra in april 1929 tot levenslange gevangenisstraf. Het Gerechtshof in Leeuwarden legde hem in hoger beroep twintig jaar gevangenisstraf op. In 1941 werd Wiekstra overgeplaatst van de Bijzondere Strafgevangenis in Leeuwarden naar de Rijks Psychiatrische Inrichting bij Eindhoven, waar hij enkele weken later op 45-jarige leeftijd overleed aan tuberculose.

Alles over ‘het monster’

Terwijl wij de gebeurtenissen overpeinzen, lopen we het dorp uit en de Grootegasterpolder, een voormalig waterschap (molenpolder), in. De polder, bijna 140 ha groot, maakt deel uit van de ecologische hoofdstructuur, een netwerk van natuurgebieden die door heel Nederland met elkaar zijn verbonden. In dat kader werd in 2012 gestart met de aanleg van ‘nieuwe natuur’. Het aanleggen van petgaten, poelen en natuurvriendelijke oevers en het bouwen van stuwen en dammen om zo de waterhuishouding in het gebied te verbeteren en het gebied aantrekkelijker te maken voor weide- en watervogels en andere dieren zoals libellen, salamanders en kikkers. Het is hier mooi en wijds en we nemen de tijd om de omgeving goed in ons op te nemen.

Leuk om zo informatie over het gebied te lezen…..

Verderop zien we nog een molen staan. Nadere inspectie leer dat het hier gaat om ‘de Eendracht’, een poldermolen gebouwd in 1887 speciaal voor het bemalen van de aangelegen polders. Voor de Reformatie (16e eeuw) in de Nederlanden waren het vaak kloosters die opdracht gaven tot het oprichten van molens, voor het malen van graan, maar ook voor het bemalen van polders. In protestantse streken kwam dit minder vaak voor, maar het ontstaan van deze molenpolder is onlosmakelijk verbonden met de kerkelijke geschiedenis. Het was dominee Nikolaas Westendorp (1773-1836) die in 1801 aan het begin stond van de oprichting van de Sebaldebuurster Molenpolder. Hij was een erg belezen man, maar zijn bijdragen getuigden, volgens geleerde tijdgenoten, van weinig kritisch besef. Het verhaal gaat dat de Leidse universiteit hem had benaderd voor een leerstoel, maar dat hij de aanstelling had afgewezen toen hij begreep dat zijn vrouw in Leiden haar kap met gouden oorijzers niet zou kunnen dragen. Naast predikant was Westendorp ook schoolopziener. Hij is met name bekend geworden door zijn publicaties over archeologische, oudheidkundige en godsdiensthistorische onderwerpen waaronder een geschiedenis van de provincie Groningen tot 1493, bekend als de Jaarboeken van Nikolaas Westendorp.

‘De Eendracht’ in volle glorie (RK)

De eerste poldermolen alhier werd dus in 1801 gebouwd. Nadat deze molen in 1887 afgebrand was, werd de huidige molen, die nu als ‘De Eendracht’ bekend staat, gebouwd. De Eendracht heeft tegenwoordig een functie als noodbemaling. De molen was in de periode van de Koude Oorlog ook een zogenaamde ‘BWO’-molen. BWO staat voor de wet Bescherming Waterstaatswerken in Oorlogstijd, een wet die ervoor dat molens in staat van paraatheid waren om op windkracht te kunnen malen in het geval de elektriciteitsvoorziening door oorlogshandelingen niet meer aanwezig zou zijn. Deze wet betekende de redding voor heel wat poldermolens. Net over de brug staat een oude gele ANWB praatpaal, die is aangepast om naar de verhalen over de molen en de omliggende polders te luisteren. Bijzonder.

Molen met praatpaal
De verleiding om te luisteren….. (RK)

We lopen verder langs de Grootegastertocht (een tocht is een afvoersloot van polderwater) richting het Van Starkenborghkanaal en verder richting Gaarkeuken. Gaarkeuken zou zijn naam te danken hebben aan één van beide herbergen die vroeger bij de sluis in het Kolonelsdiep stonden, zo’n 2 km ten zuiden van de huidige sluis, waar schippers een warme maaltijd konden halen. Dit stuk Kolonelsdiep is opgegaan in het Van Starkenborghkanaal dat op haar beurt weer een onderdeel is van de 119 km lange ‘aorta van het noorden’. Het Van Starkenborghkanaal is in 1938, grotendeels met de hand, aangelegd in het kader van de werkverschaffing. Dankzij doorlopende vernieuwing en opwaardering voldoet deze waterweg aan de op één na hoogste categorie van Europese waterwegen. Alleen bij de grote zeehavens zijn de kanalen breder en dieper.

Langs het Van Starkenborgkanaal (RK)
Een helpende hand

De huidige schutsluis in Gaarkeuken is in de jaren 1975-1980 aangelegd en kostte destijds 20 miljoen gulden, ongeveer tweemaal zoveel als het graven van het hele Van Starkenborghkanaal! Voor de bouw van de nieuwe sluis moesten vijf sluiswachterswoningen afgebroken en 575 bomen gekapt worden. De sluisdeuren, elk met een gewicht van 27 ton, zijn voorzien van openingen met schuiven voor het nivelleren van het waterpeil in de sluiskolk. Het nivelleren kost ongeveer 6 minuten, het sluiten en openen van de deuren ongeveer een minuut. Op het moment dat wij er langs lopen ligt er geen groot binnenvaartschip in de sluis, maar je kunt je wel voorstellen dat het een machtig gezicht is wanneer je er zo vlak voor staat. Toch heel anders dan wanneer je het vanuit een rijdende auto bekijkt.

Gaarkeuken (RK)

Dit is bekend terrein voor ons. Nog even over het spoor en dan het laatste stukje richting het centrum van Grijpskerk.

Station Grijpskerk (RK)

Het was weer een heerlijke wandeling! ‘Unwind your mind’ is vandaag zeker gelukt.

Het andere Friesland

Wanneer je denkt aan Friesland, dan denk je waarschijnlijk meteen aan Friese Meren, zeilen, schaatsen en Leeuwarden. Misschien zijn bossen wel het laatste wat je in Friesland verwacht en toch zijn ze er …… in het ‘Andere Friesland’. Daar vind je eeuwenoude bossen en statige landgoederen. Met koninklijke allure! Zo ook in Beetsterzwaag (Beetstersweach), het mooie, karaktervolle dorp met statige herenhuizen en omringd door oude eiken en beuken, waar we vandaag onze wandeling beginnen.

Eeuwenoude bomen

In de bekende Hoofdstraat zien we prachtige historische panden. Deze panden van drieënhalve eeuw oud, zijn de stille getuigen van de adel die het dorp in de 18e en 19e eeuw bewoonde. Beetsterzwaag was vroeger een dorp met aanzien. Niet voor niets wordt het ook wel het ‘Wassenaar van het Noorden’ genoemd. De tuinen bij de landgoederen, ooit dus slechts voor enkelen, staan nu open voor iedereen.

Veel groen

Wij starten tegenover het monumentale pand Lyndensteyn, wat tegenwoordig een revalidatiecentrum is. Het is in 1821 gebouwd voor de grietman (rechter, bestuurder) van Opsterland; Frans Godaert Baron van Lynden. Huize Lyndensteyn dankt haar bestaan aan freule Cornelia Johanna Maria van Lynden, de kleindochter van Frans Godaert die met haar ouders in de zomermaanden op Lyndensteyn woonde. Cornelia was begaan met het lot van de zieke en minder bedeelden in Beetsterzwaag en omgeving. In 1880 overleed ze op twintigjarige leeftijd aan tuberculose. Ter nagedachtenis werd Huize Lyndensteyn en de bijbehorende bezittingen ondergebracht in de Cornelia Stichting met als doel: het kosteloos opnemen van zieke, gebrekkige of behoeftige minderjarige kinderen. Vanaf 1915 werd Lyndensteyn een kinderziekenhuis en in 1958 werd besloten het kinderziekenhuis om te vormen tot een revalidatiecentrum voor kinderen omdat het gebouw was verouderd en niet meer voldeed aan de eisen van die tijd. Al met al is er een hele geschiedenis aan dit gebouw verbonden.

Het informatiebord van ‘de overtuin’

Het tegenover Huize Lyndensteyn liggende park is een zgn. overtuin, omdat het aan de overzijde van de straat ligt. Oorspronkelijk was het een park in Franse stijl, maar na 1832 kreeg de tuin een ander aanzicht door een ontwerp van de beroemde tuinarchitect Lucas Pieters Roodbaard (1782-1851). Zijn stijl was gerelateerd aan de Engelse landschapsstijl en kenmerkt zich door romantische, ronde vormen, slingerpaden en een schijnbaar oneindig doorlopende vijverpartij. Deze elementen zie je hier ook zeker terug. De tuin eindigt op een kunstmatige heuvel recht tegenover Lyndensteyn, waar zich oorspronkelijk een zomerhuis bevond. Rondom de vijver loopt een wandeling in de vorm van een slingerend pad waar aan weerszijden nog enkele oude linden staan die tot de eerste aanleg behoren. Inmiddels is de tuin erkend als een rijksmonument. Vandaag wordt er druk gewerkt aan herstel van een bruggetje, waardoor we alleen rechts van de vijver kunnen wandelen. De tuin is zeker de moeite waard.

Terugblik over de vijver naar Huize Lyndensteyn

We slingeren verder ‘langs de randen’ van Beetsterzwaag waarna we uitkomen op de landerijen die bij landgoed Lauswolt horen, genoemd naar de oorspronkelijke bezitters, de familie Lauswolt. In de loop van de 19e eeuw kwam het landgoed in het bezit van Augustinus Lycklama à Nijeholt, zoon van de burgemeester van Beetsterzwaag, die in 1867 de opdracht gaf om op het landgoed een herenhuis te bouwen. Hij heeft er zelf maar betrekkelijk kort gewoond, want na zijn huwelijk in 1872 vertrok hij vrij snel met zijn gezin uit Beetsterzwaag. In 1878 verkocht hij het landgoed aan Reinhard baron van Harinxma thoe Slooten voor de som van 100.000 gulden. Ter vergelijking f 100,- toen is bijna € 1.600,- nu. In 1954 kwam het landgoed Lauswolt in het bezit van de Algemeene Friesche Levensverzekering Maatschappij, waarop het tot een hotel werd gemaakt. Het hotel werd in 1990 verkocht aan de Bilderbergroep. Grappig weetje: op één van de boerderijen van het landgoed heeft acteur Rutger Hauer gewoond.

Even pauze

Beetsterzwaag kreeg landelijke bekendheid met het landgoed en hotel Lauswolt als de ‘geheime’ locatie voor de besprekingen die uiteindelijk leidden tot het kabinet Balkenende IV begin 2007. Het was de bedoeling om deze locatie geheim te houden, maar die lekte op de eerste dag al uit…….

Ook staat Lauswolt bekend om de ernaast gelegen 18-hole golfbaan, gelegen midden in de natuur, waar druk gebruik van wordt gemaakt als wij erlangs lopen.

Fraai gelegen midden in de natuur
Wat we hier mogelijk kunnen zien ……..

Even later slaan we een zandweg met fietspad in waar we de Lippenhuisterbrug oversteken. Het pad loopt langs de Lippenhuisterheide, een uitgestrekt natuurgebied. Het overgrote deel is eigendom van de familie Van Harinxma thoe Slooten. In het gevarieerde gebied komen zowel natte als droge heideterreinen voor, afgewisseld met bomen en struiken. Grote natte delen zijn begroeid met gewone dopheide, terwijl op de drogere plaatsen kraaiheide en stekelbrem groeien. De heide staat al een beetje in bloei. Helaas zien we er niet zoveel van vanwege de bomen en struiken die tussen de heide en ons pad staan. Bovendien moet ik toch eens opzoeken hoe kraaiheide er precies uit ziet, want ik betwijfel of ik het wel zou herkennen.

De ‘gewone’ dopheide
Bloeiende kraaiheide (foto internet)

De vroegere vervening van dit gebied is nog te zien door de in de heide aanwezige sloten en greppels. Zo komen we op een gegeven moment uit bij de Compagnonsfeart, een vaart die tussen 1630 en 1680 is gegraven om de turf, toen zeer waardevolle brandstof, te kunnen vervoeren. In deze omgeving vind je vele rechte kanalen met (ooit) hele armzalige huisjes langs de oevers. Het was hard werken voor een karig loon! Tegenwoordig zijn de huisjes van toen vervangen, maar het kanaal en de vele zijkanalen (wijken), die er haaks opstaan en nodig waren voor de afvoer van turf en de afwatering van het natte hoogveen, zijn stille getuigen van de wereld van weleer. 

Ons eindpunt van vandaag is een sluis in de Opsterlandse Compagnonsvaart bij het dorp Hemrik in de buurschap Hemrikverlaat. Er staat een sluiswachterswoning bij die uit ongeveer 1880 dateert. De sluis werd in 1755 volledig van hout gebouwd, maar werd in 1902 vervangen door het huidige stenen verlaat (= kleine sluis). Het verval is 0,89 meter en de sluis wordt (nog steeds) met de hand bediend. Op het moment dat wij bij de sluis staan te kijken, wordt deze net handmatig gesloten voor de nacht. Het werk voor vandaag zit erop. De man vertelt dat hij toch regelmatig dagen meemaakt dat er zo’n 30 boten langskomen, hoewel dat niet wil zeggen dat hij de sluis zo vaak moet bedienen :). Hij blijft er fit bij, want het moet allemaal wel met spierkracht ….. en beleid.

Ik ben benieuwd wat het andere Friesland ons de volgende keer te bieden heeft.

In de voetsporen…..

Knp: 53-52-45-44-43-67

In Lutjegast kun je niet om haar bekendste (vroegere) inwoner heen: Abel Janszoon Tasman (Lutjegast 1603 – Batavia 1659). Abel Tasman was een Nederlands ontdekkingsreiziger in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en is vooral bekend geworden door zijn reizen tussen 1642 en 1644 waarin hij o.a. Tasmanië en Nieuw-Zeeland ontdekte. Het museum ter plekke geeft antwoorden op de vragen wie deze 17e eeuwse ontdekkingsreiziger eigenlijk was en hoe hij zo ver van huis belandde?

Abel Janszoon Tasman

Toen Tasman in 1603 ter wereld kwam, lag Lutjegast niet ver van zee. Het kwam regelmatig voor de boeren in het rustige zomerseizoen naar zee gingen. Veel boerenzonen werkten tijdens hun jonge jaren als zeevarende, om zich later als boer aan land te vestigen. In het museum wordt ons verteld dat in boerenfamilies de oudste zoon vaak de boerderij erfde, de tweede zoon priester werd en de derde (en mogelijk volgende) zoon zeeman werd. Het is niet duidelijk of Abel een derde zoon was of dat hij ‘gewoon’ echt voor de zee gekozen heeft. Hoe dan ook, zoals uit de verhalen blijkt nam hij zijn carrière zeker serieus, hij studeerde navigatie, en kwam hij in 1633 in dienst van de VOC. Hoewel Abel Tasman zijn geboortedorp bij zijn tweede huwelijk, in 1631, heeft ingeruild voor Amsterdam, zal hij het nooit vergeten. Bij zijn dood in 1659 laat hij een bedrag na aan de armen van Lutjegast.

Het is maar een klein museum, toch zijn er veel verhalen en is er veel bewaard gebleven, al zijn het vaak kopieën. Zo is er ook een schilderij te zien van Abel Tasman met zijn familie uit 1637 toen hij al kapitein bij de VOC was, maar nog geen bekende ontdekkingsreiziger. De opstelling is symbolisch: Abel Tasman bij de wereldbol, afgebeeld als kundig navigator. Zijn vrouw geeft een appel aan hun dochter wat de overdracht van kennis aan de jeugd symboliseert. 

De familie Tasman in 1637

In 1636 emigreerde hij met zijn vrouw en dochter naar Batavia en in 1642 stelt Anthony van Diemen hem aan als commandant van de grote expeditie naar het Zuidland. Het was de meest ambitieuze ontdekkingsreis die de VOC ooit voorbereidde. De expeditie van Abel Tasman, in opdracht van Antonie van Diemen,  moest de kusten van het Zuidland in kaart brengen. De VOC dacht dat daar veel goud en zilver te vinden zou zijn. Letterlijk luidde zijn opdracht om, net als Christoffel Columbus en Amerigo Vespucci, een nieuw werelddeel te ontdekken dat de Republiek van goud en zilver moest voorzien. Tasman had ook als opdracht het land te onderzoeken dat toen bekend stond als Nieuw-Holland (het tegenwoordige Australië), waarvan de westkust al door Nederlanders ontdekt was, om vast te stellen of het land deel uitmaakte van het vermeende Terra Australis, een zuidelijk continent, dat zou moeten bestaan om de aarde in evenwicht te houden. Bovendien hoopte de VOC dat deze expeditie een veilige zeeweg naar Zuid-Amerika zou openleggen, want de Nederlanden waren in 1642 nog altijd in oorlog met Spanje en Portugal. Zeker een avontuurlijke en belangrijke reis!

Een kaart uit die tijd

Het verhaal gaat (opgetekend in dagboeken) dat de bemanning na zo’n 9000 km zeilen het eiland Tasmanië ontdekte, wat door Abel Tasman als het Antonie van Diemensland gedoopt werd. Deze naam werd later overgenomen door de Britten, die er, eeuwen later, de strafkolonie Van Diemensland vestigden. Hoewel ze hier aan land gingen om verse groenten en water te zoeken, hebben ze niemand van de lokale bevolking gezien ….. al hoorden ze wel muziek en zagen ze rookpluimen.

Alles nauwkeurig vastgelegd
Vakmanschap in de documentatie op reis

Verder naar het oosten kregen ‘Tasman en zijn mannen een groot hoog verheven land in zicht’. Ze zagen als eerste Europeanen de westkust van het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland. Tasman noemde het land Statenland, denkende dat het het eiland was zuidelijk van Kaap Hoorn, dat door Jacques l’Hermite (1582-1624), opperkoopman en Raad van Indië bij de VOC, zo was genoemd. 

Vlakbij de noordpunt van het Zuidereiland zette hij het anker uit in een baai. Bij het binnenlopen werd door een Maori op een soort trompet geblazen. Tasman liet deze begroeting op zijn beurt beantwoorden met trompetsignalen. De volgende dag werden vier scheepslieden, die in een prauw aan land wilden gaan, gedood. Waarschijnlijk werden de trompetsignalen van de vorige dag door de Maori’s als oorlogsverklaring uitgelegd. Tasman gaf deze plaats daarom de naam Moordenaarsbaai en besloot noordwaarts verder te zeilen.

‘Moordenaars baey’ als ankerplaats

Eerder dit jaar heeft het museum een bijzonder geschenk gekregen; een kostbare steen afkomstig van het Zuidereiland van Nieuw Zeeland. Pounamu is het Maori woord voor jade. De steen wordt gebruikt voor het maken van gereedschappen en sieraden, is als wapen symbolisch voor de macht van een stamhoofd en kan, zoals in dit geval, ook worden gebruikt als vredesgeschenk. We lezen dat een pounamu vaak de naam van een voorouder krijgt om die in herinnering te houden. Deze ‘groene steen’ is Ruamiki genoemd, door Doug Huria als woordvoeder van de Tumatakokiri, naar zijn betovergrootvader. Op deze manier vormt Ruamiki de link tussen de huidige Maori stam en hun voorvaderen waarmee Abel Tasman in aanraking kwam. We worden uitgenodigd om onze hand op de steen te leggen omdat dit ons een goede gezondheid, een lang leven en vooral voorspoed zou geven. Bovendien stimuleert groene jade liefde, trouw, vriendschap en wijsheid. Altijd het proberen waard, we weet krijgen we er iets van mee ;).

Altijd het proberen waard (RK)

We lopen verder over het oudste deel van Lutjegast, de Abeltasmanweg,  liggend op een smalle zandrug. Aan deze zandrug dankt Lutjegast dan ook haar naam; ‘lutje’ betekent ‘klein’ en ‘gast’ betekent hier ‘geest’ (=zandgrond). Aan het eind van het dorp ligt de monumentale boerderij Rikkerda. De in 1848 gebouwde boerderij met een voorhuis uit 1860 staat nog steeds naast het vroegere perceel waar de borg Rikkerda stond. Deze boerderij gold als een van de grootste in het Westerkwartier. Sinds 1978 is het een rijksmonument en, na een verbouwing, sinds 2004, is het in gebruik als bed & breakfast. 

B&B Rikkerda (foto internet)

De borg Rikkerda werd gebouwd in 1675, maar werd aan het begin van de 19e eeuw gesloopt nadat het werd gekocht door een houtkoper uit Warfhuizen. In 1836 verkocht deze houtkoper 23 bunder van de landerijen, waarna de boerderij werd gebouwd die dus dezelfde naam kreeg. Alhoewel de gebouwen op de gronden van het huidige Rikkerda al eeuwen de naam ‘Rikkerda’ dragen, is er van een familie Rikkerda maar weinig bekend. Sommige bronnen zeggen dat de Abt van Gerkesklooster grond heeft verkocht aan Reynardus Ryquerda (een landmeter uit Oldekerk) die hier zou hebben gebouwd.

Een iets uitgebreider verhaal over de borg

We lopen rondom de huidige boerderij, over het Rikkerdapad, en lopen via het veld richting De Baak, een kunstwerk van Rob Schrefel, dat officieel ‘Compositie in majeur’ heet, maar lokaal beter bekend is als De Baak. Het woord ‘baak’ heeft meerdere betekenissen. Het meest bekend is de term als aanduiding voor een markering in het land, een punt waarop je je oriënteert: een baken. Dat is precies wat het is. Het kunstwerk van zwerfkeien, in 2006 geplaatst in het kader van de herdenking van 400 jaar handelsbetrekkingen tussen Nederland en Australië, staat op een plek waar het letterlijk een baken in het landschap is. Het ligt op het noordelijkste puntje van een uitloper van het Drents Plateau, waar  de mensen vroeger op de hoge gronden aan de rand van de Lauwerszee woonden. Een mooie herinnering en een eerbetoon aan vroegere zeevaarders. 

Een baken in het landschap; de Baak

Ondertussen wordt het (Abel Tasman) pad steeds verrassender, overal groen soms behoorlijk nat en met, typisch voor het coulissenlandschap, steeds andere doorkijkjes.

Mooi groen
Soms een beetje avontuurlijk
Maar samen staan we sterk

Het is slechts een korte wandeling vandaag, dus voordat we het weten lopen we over de Caspar de Roblesdijk. Caspar de Robles was de (Spaanse) stadhouder van de drie noordelijke provincies van 1573 tot 1576, aan het begin van de 80-jarige oorlog. Hij liet een verbindingskanaal graven om een handelsroute tussen Leeuwarden en Groningen te realiseren; het Caspar de Roblesdiep. Zijn naam bleek voor veel mensen echter zo onuitspreekbaar dat het in de volksmond al snel werd verbasterd tot het Kolonelsdiep. Of zat hier toch wat anders achter?

Even later lopen we al in de fraaie ‘Notoaristuun’ van Grootegast, die notaris Hofstede in 1884 achter zijn woning aan liet leggen. Een mooi besluit van een wandeling die vooral verliep in de voetsporen van………

Mooi licht in de Notoaristuun (RK)

‘Natuurontdekpaden’

Knp: 72-71-84-83-69-64-65-48-47-54-53

De eerder ‘overgeslagen’ stukken hebben we inmiddels gelopen waardoor we nu weer echt verder kunnen, d.w.z. we lopen vandaag van het Blotevoetenpad in Peebos naar Lutjegast. Een traject wat bijna geheel bestaat uit ‘natuurontdekpaden’, paden waarbij je ‘haast spelenderwijs van alles leert over de natuur in deze omgeving’. 

Doezumermieden en rivier de Lauwers (foto internet)

We starten in Peebos (lokaal ook Piebos), een gehuchtje net op de grens met Friesland. De naam komt van een bos dat hier ooit stond en mogelijk eigendom was van iemand die  Pebe (Piebe) heette. Vroeger werd het dan ook wel Pebebosch genoemd.

We lopen meteen de natuur in waar we over het Pettenpad al slingerend langs verschillende borden lopen waarop dieren (groter en klein) zijn uitgebeeld met daarnaast een gedichtje en soms met een opdracht erbij. Hoewel het natuurlijk bedoeld is voor kinderen, vind ik dit ook zeker de moeite waard en ik heb dan ook alle borden met interesse en plezier gelezen.

Informatieve borden langs het Pettenpad
Eentje om te lezen……..

Het gebied rond het Pettenpad wordt als volgt beschreven: ‘Hier grensden ooit land en (Lauwers)zee aan elkaar, zoet water botste op zout en geulen en slenken sleten door de zandruggen als een warm mes door de boter. Het is daardoor een afwisselend landschap geworden, met poelen en petgaten, boomwallen en open weilanden. Het resultaat is dit breiwerk van natuur, emotie en geschiedenis.’ 

Soms is het wel even zoeken naar de juiste weg 😉

Op dit eerste stuk van de route leren we van alles over petgaten, de stroken waar veen is afgegraven en die daarmee heel kenmerkend zijn voor een veenlandschap. Zulk laag en nat land is een mooie voedingsbodem voor (sterke)verhalen als een waarschuwing, waaronder dat van de ‘baggelbeer’. Luister maar: ‘Overal waren petgaten, overgebleven na de winning van baggelturf (baggelturf was van hogere kwaliteit dan hoogveenturf (droog gestoken turf), het was harder en brandde langer). De bodem bestond uit modder. Als je in die modder terecht kwam, was het net drijfzand. Hoe meer je probeerde er uit te komen, hoe dieper je wegzakte. Omdat het daar in de petgaten best gevaarlijk was vertelden ouders hun kinderen over de baggelbeer. Een gevaarlijk monster, groter dan een mens, met vreselijke klauwen, die herten, schapen, ja zelfs kinderen, opat. Ooit was er een jongen van de Peebos verdwenen en nooit meer teruggevonden. Ja, alleen een halve klomp, dat moest wel het werk van de baggelbeer zijn geweest. Dus…. luuster goed noar jim pabbe en moeke en kiek goed uut veur de baggelbeer.’ 😉

De gemeente is druk bezig met herstelwerkzaamheden. Zo hebben ze in dit natuurgebied diverse bomen en struiken weggehaald, op sommige plekken de toplaag van de grond verwijderd en hebben ze gedempte petgaten open gegraven zodat veenmossen (zeer water vasthoudend) weer kunnen groeien. Op deze manier zijn veel traditionele petgaten hersteld en worden ook trilvenen en veenmosrietland in stand gehouden. Goed voor de leefomgeving! In de petgaten drijft het groene krabbenscheer waarvan de witte bloemen vanaf mei t/m juli in bloei staan. Het leuke aan deze plant is dat de groene glazenmaker, een zeldzame libelle, erin voorkomt. Helaas hebben wij die niet kunnen ontdekken. Sowieso zijn de petgaten soms moeilijk te zien door al het hoge riet.

Een langgerekt petgat is in ere hersteld

Tussen de petgaten vind je de historische legakkers, waar turfstekers het veen, vol water en in stukken gesneden, te drogen legden. Deze legakkers vormen nu de basis van de paden waarop we lopen. In de Doezumermieden (mieden = lage graslanden) worden drie ‘natuurontdekpaden’ gecombineerd. Het Pettenpad langs de petgaten, het Melle’s pad waarover later meer en het Pebespad wat beide andere paden onderling verbindt. De paden worden ook wel laarzenpaden genoemd, want het is dikwijls ‘soppen’ geblazen.

Soms is het soppen…..

Inderdaad lopen we regelmatig door natte zompige delen pad maar over het geheel valt het me alles mee. Daarnaast ervaren we op sommige andere plekken het trilveen. Het lijkt  wel of de grond dan iets terugveert als we erover heen lopen, een beetje een trampoline gevoel. Bijzonder! Al wandelend krijgen we hier absoluut het gevoel in een afgelegen gebied te zijn. Om ons heen horen we alleen de geluiden van de natuur en de omliggende dorpen lijken heel ver weg. 

Lopen midden in de natuur (RK)

Ondertussen zijn we aangekomen bij rivier de Lauwers, een riviertje dat voor een deel de grens vormt tussen de provincies Friesland en Groningen. Ten tijde van Karel de Grote (vanaf 25 december 800 keizer van het Heilige Roomse Rijk) werd de rivier vermoedelijk ‘Lawiki’ (Laviki, Lauuichi of Laueke) genoemd wat ‘de liefelijke’ betekent en weer verwant is met het Gotisch woord ‘galaufs’ wat je kunt vertalen met  ‘aangenaam’. De grens bleef in de loop der eeuwen gehandhaafd. Aanvankelijk was de grens van minder belang want zowel ten westen als ten oosten van de Lauwers bestond geen centraal bestuur. Door de opkomst van de stad Groningen veranderde dit echter. De Lauwers vormde tot ongeveer 1500 eveneens de taalgrens tussen de twee varianten van het Fries dat ooit gesproken werd. Het Westerlauwers Fries is het Fries dat nu nog steeds gesproken wordt in Friesland. De tegenhanger, het Oosterlauwers Fries, is een taal die nu bijna helemaal is uitgestorven. Op Schiermonnikoog wordt nog wel een dialect gesproken, het Schiermonnikoogs, dat enigszins verwant is aan het Oosterlauwers Fries en sporen bevat van de vroegere taal. Grappig toch dat je zo overal verhalen kunt ontdekken?

De rivier de Lauwers als grens (RK)

Ik weet eigenlijk niet precies waar het Pettenpad overgaat in het Pebespad en later in het Melle’s pad. Wel lopen we onderweg nog door het Bosch van Pebe, wat dus wat verder weg ligt dan het gehuchtje Peebos doet geloven. Dit zal dan wel een onderdeel van het pad naar zijn naam zijn, toch?

Bosch van Pebe
Een heel ander landschap…..

Hierna lopen we verder via planken naar de overkant van diverse slootjes en via heel veel houten klaphekjes om uiteindelijk aan te komen op Melle’s pad, waar we zelfs in een gastenboek onze ervaringen kunnen optekenen (haha).

De bruggetjes …..
…… en heel veel klaphekjes (RK)

Dit pad draagt de naam van Melle Visser. Melle en z’n vrouw Lamke hadden achterin Peebos (bos van Pebe) een keuterbedrijfje, een paar koeien en wat aardappelen op een paar hectare, wat hij later aan Staatsbosbeheer verkocht. Onder de bevolking ontstond daarop wrevel omdat zij de gebieden van Staatsbosbeheer niet mochten betreden. Daarom werden later dus deze wandelpaden aangelegd die verwijzen naar de historie van het gebied.

Wat we al niet tegenkomen 🙂
Er ligt zelfs een echt gastenboek in !

Het is nog een klein stukje naar Lutjegast, maar de verrassingen zijn nog niet voorbij. We zien opeens een bord met ‘Bombay’ of eigenlijk ‘De Bombay’ wat je uitspreekt als Bombaai. Een vreemd exotische naam in een stukje niemandsland in ‘ons’ Westerkwartier.

Een verrassende plaatsnaam

De Bombay is een streek dat ooit De Uithorn (horn = hoek) heette. Die naam verdween echter in de jaren 1960 van de kaart. Daarna is het vernoemd naar de eromheen gelegen polder Bombay, die haar naam weer ontleent aan de vroegere poldermolen Bombay, die hier in 1878 werd gebouwd ter bemaling van de polder. De molen was bekender dan het plaatsje (net als bij Electra). De herkomst van de naam Bombay is onbekend. Mogelijk is het een verwijzing naar een afgelegen plek, het idee van een soort ‘verwegistan’, maar er wordt ook weleens gezegd dat er een relatie zou zijn met het Bomsterzijlvest die zich in dezelfde hoek van de provincie bevond.

De molen bestaat (gedeeltelijk) nog steeds, op plek waar de Doezumertocht de bocht van negentig graden maakt. In 1998 werd de molenromp echter verbouwd tot woonhuis. De Molendatabase schrijft hierover: ‘Hierdoor is de molenromp wel zo grondig aangepakt, dat de historische waarde van deze molenromp bijna geheel is vernietigd.’ In de 21e eeuw waren er plannen om een grote waterplas met jachthaven aan te leggen (door een deel van de polder onder water te zetten) en er 500 vakantiewoningen te bouwen. Dit is echter nooit van de grond gekomen.

De tot woonhuis omgebouwde molen Bombay (foto internet)

Voldaan komen we aan in Lutjegast waar ons een volgende keer vast weer nieuwe verhalen wachten. Tenslotte is Lutjegast de geboorteplaats van ontdekkingsreiziger Abel Tasman, een feit waar we nu al niet omheen kunnen!

Langs het pad naar Lutjegast

Etappes als deze maken het wandelen en het ontdekken van de natuur rondom ons zeer de moeite waard!

‘Loop mor deur’

Knp: 18-14-15-8-11-9-16-92-52-54

Opmerkelijk genoeg leer ik dat ‘onze’ gemeente een eigen dialect heeft en dat het Westerkwartiers (Westerkertiers) van alle Groningse dialecten het meest op het Fries lijkt. Evenals het Fries bezit het Westerkwartiers geen werkwoorden met wederkerende voornaamwoorden. Zo wordt ‘zich wassen’ b.v. ‘hom wassen’, terwijl in de rest van Groningen ‘zuch wassen’ of ‘zok wassen’ gebruikt wordt. Ook het woord voor ‘in’ is in dit gebied ‘ien’, in uitspraak gelijk aan het Friese ‘yn’. Zelfs binnen dezelfde provincie kun je dus al spraakverwarring krijgen ;).

Nu beheers ik geen enkel Gronings dialect, maar met een beetje moeite is het wel te begrijpen. Zo lees ik een ‘Westerkwartiers’ verhaal wat zich afspeelt in het gebied waar we vandaag gaan lopen; de Jilt Dijksheide. ‘Een arme boer woonde in een heel klein boerderijtje met zijn vrouw, een koe, wat schapen en een paar varkens. Al met al geen vetpot! Dat najaar had de boer al een paar keer een witte haas op de Jilt Dijksheide gezien. Een vette haas die de stroper echter steeds te slim af was. Nu het winter was ging de haas op zoek naar voedsel en had de boer hem dicht achter zijn huis gezien. ‘Ik goa dommit nog eemen t veld ien! Die verrekte witte hoas liep hier om en ik zil m kriegen. Mörgen n lekker stukje vlees ien e pan’. Zijn vrouw steekt hem de gek aan. ‘Bist al zo voak achter die hoas aan west. Hij is veul te tuuk veur dij. Butendes, zilst hem niet eens zien  ien de snij. Allemoal wit met nander!’ 

Goed te begrijpen toch?

De Jilt Dijksheide is één van de weinige heidevelden in de provincie Groningen en het laatste heideveld van het Westerkwartier. We zijn nog wat vroeg in het jaar, maar zien toch al een paarse zweem over het land tevoorschijn komen, terwijl een eindje verderop koeien druk bezig zijn het gras tussen de heide weg te grazen.

Een eerste zweem paars tussen het gras

De naam zegt het eigenlijk al, dit heidegebied was vele generaties in het bezit van de familie Dijk. Jilt Dijk, één van de kinderen uit deze familie, heeft hier nog lang turf gestoken. Pal langs de Jilt Dijksheide loopt een oude trambaan. Deze lijn werd in 1913 aangelegd en onderhield een lijndienst tussen Groningen en Drachten. Het werd later ook wel de Philips-lijn genoemd, omdat deze in Drachten gevestigde firma de lijn gebruikte voor het transport van goederen. De lijn deed nog tot 1985 dienst en werd daarna volledig ontmanteld. Over het voormalige tracé loopt nu een fietspad. We zien op onze wandeling geen restanten van deze oude trambaan, maar het is wel interessant om je te realiseren dat het landschap steeds verandert.

Overal vind je informatieborden …….

We lopen verder het bos van Trimunt in. De naam Trimunt verwijst naar het klooster In Tribus Montibus (= bij de drie bergen) dat hier in de middeleeuwen heeft gestaan. Van het vrouwenklooster is niet veel bekend, maar oorspronkelijk hoorde het tot de orde van de benedictinessen. In de veertiende eeuw kwam het onder de hoede van het klooster van Aduard en werd het een cisterciënzerklooster. Vandaag de dag is het klooster verdwenen en kan ook niet meer bepaald worden wat de exacte ligging ervan was. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is er op Trimunt een radarstation gebouwd door de Duitsers. De bedoeling was dat deze vliegbasis Leeuwarden zou ondersteunen, maar de basis was niet voor het einde van de oorlog voltooid. De bunkers van deze basis staan nog in het ontginningsbos en zijn half in de grond weggezakt. Ook zijn tijdens de april-meistakingen in 1943 16 bewoners uit de buurt op Trimunt doodgeschoten, waaronder een jongen van 13 jaar. Ter nagedachtenis aan hen is er een monument, omringd door 16 eiken, opgericht op de plek waar de executies hebben plaatsgevonden, waar ze elk jaar op 4 mei nog worden herdacht.

Licht en donker in het bos van Trimunt (RK)
Het lichtspel blijft fascinerend (RK)

Zo ontdekken we steeds weer iets nieuws en zijn er iedere keer weer verhalen en plaatsen waar we (nog) zo weinig van weten. Dat geeft het wandelend ontdekken van onze gemeente zeker een extra dimensie. Dus we lopen door om een deel van een gedicht van Geert Zijlstra uit 2011 in het Westerkwartiers te citeren: ‘Loop mor deur, met dien kop een e wind, loop mor deur – Loop mor deur, dizzy wereld is dienent, loop mor deur – Loop deur, loop deur, kiek niet achterom – Want ver veur dij uit, lijt e horizon – Soamen onderweegens, de zun die schient – Soamen onderweegens, de wiede wereld ien!’

We lopen letterlijk op de grens tussen Groningen en Friesland. Anderhalve eeuw nadat beide provincies hun grenzen hadden bepaald, werd de scheidslijn in 1874 gemarkeerd met 25 ijzeren grenspalen. Al voor de turfwinning begon waren er in dit ontoegankelijke hoogveengebied grens-geschillen over het weiden van schaapskudden uit de omliggende dorpen. In 1724, gelijktijdig met het vaststellen van de provinciegrens, werd een grens tussen Ureterp (Opsterland) en Smallingerland getrokken: ‘in een rechte lijn tussen de in 1644 gegraven Nautagreppel en de Puntpaal’. Ureterp krijgt er een hele punt bij. Het is mogelijk dat de Puntpaal zijn naam aan deze gebeurtenis ontleent, maar het zou ook kunnen dat deze paal op dit punt al eerder een oude grensmarkering vormde. Zo’n 150 jaar later zijn er van de 25 palen 4 palen verdwenen, maar is de rest nog terug te vinden in allerlei gedaantes: van prachtig, historisch verantwoord, gerestaureerd of fantasievol opgeschilderd tot volkomen vervallen en onttakeld. Wij lopen langs De Puntpaal. Deze ligt aan de Scheiding (Skieding) waar deze de Leidijk kruist en markeert ook de plaats waar vier gemeenten bij elkaar komen: Grootegast en Marum aan de Groningse kant en Opsterland en Smallingerland aan de Friese kant. Dit is één van de gerestaureerde palen, strak wit in de verf met aan beide kanten een provincieschildje en het nummer (nr 13) duidelijk zwart geverfd. Voor de oude grenspalen was destijds bepaald dat het provinciewapen aan de kant van het eigen grondgebied moest zijn aangebracht in tegenstelling tot de provinciegrens van nu. 

Het verhaal over ‘De Skieding
Grenspaal 13 (RK)

Het laatste stukje van onze wandeling lopen we vandaag in Friesland. De grootschalige vervening in de omgeving van Drachtstercompagnie is in de zeventiende eeuw gestart vanaf de Noorderdwarsvaart in Drachten en heeft zich steeds verder uitgebreid tot aan ‘De Skieding’, de grens met de provincie Groningen. In 1641 kwamen ook Hollandse geldschieters naar hier. Er werden vaarten en dwarsvaarten gegraven en loodrecht op die dwarsvaarten werden weer brede sloten in het veen gegraven, de zogenaamde ‘wyken’ (wijken). Het veen waterde op deze wijken af waarop de met ‘bruin goud’ volgeladen pramen en skûtsjes de turf konden vervoeren naar de nieuwe eigenaren. Een hele bedrijvigheid in die tijd. Veel van die ‘wyken’ bestaan nog en geven een beeld van hoe het landschap er toen uitgezien moet hebben.

Overal ‘wyken’

In Drachtstercompagnie lopen we langs een begraafplaats met een prachtige klokkenstoel, een stellage waarin een (of meerdere) klok hangt, bedoeld ‘om de doden te beluiden’. De klokkenstoel als losstaand bouwwerk dankt zijn ontstaan waarschijnlijk aan het feit dat bepaalde gebieden in Friesland te arm waren, of de gemeenschappen te klein, om een eigen kerk te bouwen. Soms werd er een kerkje gebouwd zonder toren en werd de klok in een aparte klokkenstoel geplaatst. Slechts enkele klokkenstoelen bevinden zich buiten de provincie Friesland en daarom mag de klokkenstoel een typisch Fries bouwwerk genoemd worden.

Typisch Fries (foto internet)

Naast deze klokkenstoel heeft oorspronkelijk wel een kerk gestaan, maar die is in 1979 afgebroken. Een miniatuur model staat nu op datzelfde pleintje naast een grafsteen met een informatiebord van Pieter Klazes Pel.

Een replica van de oorspronkelijke kerk
Informatie naast de grafsteen van deze bijzondere man

Deze Pieter Klazes Pel (1797-1878) was hoofdbestuurslid van de Friesche mij. van landbouw, gemeenteraadslid en werd in 1855 tot wethouder verkozen. Aanvankelijk was hij ‘genees-, heel- en vroedmeester’ in Oenkerk maar na overlijden van zijn echtgenote en de pasgeboren tweeling vestigde hij zich in 1821 als huisarts in Drachten. Hij was een veelzijdig man en heeft veel voor de ontwikkeling van Drachtstercompagnie en de wijde omgeving gedaan. Hij ‘wordt door velen nog lang dankbaar herdacht’. Bijzondere mensen vind je echt overal.

Loop mor deur!