Veenwandeling

Knp: 54-44-43-42-21

Volgens de deskundigen hebben we te maken met de op één na natste lente ooit gemeten. Over het hele land viel 254 millimeter regen, tegen normaal maar 157 millimeter. Alleen in 1983 hebben we een nog nattere lente gehad. Ook was de lente record warm met een gemiddelde temperatuur van 11,7 graden tegen 9,9 graden normaal. Dat staat gelijk aan het record gemeten in de lente van 2007. El Niño. het natuurverschijnsel waarbij het zeewater voor de kust van Peru en Ecuador opeens heel sterk opwarmt, waardoor het hele weer op zijn kop komt te staan, heeft zeer waarschijnlijk een rol gespeeld in de natte lente dit jaar. Inmiddels is deze lente overgegaan in een even natte en zeer wisselvallige zomer. Het wil nog niet zo lukken met de zon en de warmte op een enkele uitspatting na.

De waterdruppels zijn nog zichtbaar 😉

We moeten onze momentjes om te wandelen daarom zorgvuldig plannen. Vandaag lijkt het in ieder geval een vrij droge dag te worden, dus we trekken onze wandelschoenen aan en kiezen voor een korter stuk op onze route, n.l. van Drachtstercompagnie naar Houtigehage. Daarmee lopen we in de ‘Friese plus’ van het pad rondom onze gemeente. 

Drachtstercompagnie is in de tweede helft van de 18de eeuw ontstaan uit een paar gehuchtjes aan het water. Aan het einde van die eeuw meldde een beschrijving dat er in het oosten een grote uitgestrektheid aan ‘hoog en vergraaven Veenland, naast aan de Drachten, tot aan de Ommelanden uitloopt, onder den naam van Folger Veenen’, het huidige Drachtstercompagnie met een ‘verscheidenheid van buurten en huizen.’ Na afloop van de verveningen in deze hoek trokken de meeste veenarbeiders verder naar plaatsen waar nieuw werk lag te wachten. Net als andere dorpen heeft Drachtstercompagnie haar naam eigenlijk te danken aan de vervening.

Kleur tussen het groen (RK)

De verveners, verenigd in de ‘Drachtster Compagnie’ lieten vaarten en wijken graven om het veen droog te leggen en vervolgens om de turf te winnen en te vervoeren. Terwijl de oprichters van de Compagnie steenrijk waren, waren de turfstekers zelf vaak straatarm. Ze woonden in primitieve hutten van zoden en plaggen, zogenaamde spitketen. Zelfs vrouwen en kinderen moesten helpen met het zware werk om te zorgen dat het gezin kon rondkomen. In het begin van de negentiende eeuw was het landschap grotendeels in cultuur gebracht. Langs de vaart werden boerderijen gebouwd, waar de arbeiders gingen werken. Het werd nu ook echt een dorp, waarbij de verschillende buurtjes langzaam maar zeker naar elkaar toe groeiden.

Aan de Aldewei in Drachtstercompagnie staat sinds 1989 een kunstwerk dat de geschiedenis van het dorp weergeeft. De drie gestapelde hardstenen rechthoeken verbeelden de lagen turf, die als het ware uit de grond steken. De roestvrijstalen buizenconstructie houdt de lagen gescheiden en omkaderd de hardstenen vorm. 

‘De gelaagdheid van turf’ van Henk Rusman (internet)

We starten aan de rand van het dorp en lopen bijna meteen een bospad op richting Rottevalle. We lopen langs bospaden, maar ook veel over fietspaden langs de weg. Een koppeltje zwanen trekt onze aandacht. Een symbool voor de liefde, want ze zijn één van de weinige diersoorten die monogaam zijn. Wanneer de partner overlijdt, nemen ze ook echt de tijd om een nieuwe relatie aan te gaan. Grappig weetje: volgens een oude wet is het staatshoofd van het Verenigd Koninkrijk eigenaar van alle knobbelzwanen in Engeland en Wales. In de middeleeuwen (en nu nog steeds) was zwanenvlees een delicatesse voor de rijken; zo is de wet ontstaan. Ik heb nog nooit ergens zwanenvlees op het menu zien staan, maar wij behoren dan ook niet tot de rijken ;).

De koninklijke zwaan (RK)
Vissers in de regen (RK)

Rottevalle is ontstaan in het midden van de 17e eeuw en bestond toen uit niet veel meer dan een herberg, een bierbrouwerij en een molen. Alles wat belangrijk is om te kunnen overleven in het veen …… alhoewel een kerk ook beslist belangrijk was, want de mensen hadden een enorm ontzag voor het veen. Hier huisden goden en geesten die je maar beter gunstig kon stemmen. Het veen/moeras was moeilijk toegankelijk en behoorlijk angstaanjagend, zeker bij nacht, en werd liever gemeden. De vaak voorkomende grondmist droeg nog bij aan het griezelige karakter.

Coulissenlandschap (RK)

De naam van het dorp komt van de sluis die door haar vorm de bijnaam Rattenval had. Tot 1956 liep het riviertje de Lits nog dwars door het dorp. In dat jaar werd dat deel van de Lits gedempt en om het dorp gelegd. Het is een pittoresk dorp met in het hart van het dorp de monumentale Herberg van Smallingerland, een rijksmonument met de sfeer van weleer. Het bouwjaar zou, volgens de datering in een houten stijl, 1791 kunnen zijn, maar dit jaartal kan ook refereren aan een verbouwing of een andere gedenkwaardige gebeurtenis. Zeker is wel dat er op de locatie van De Herberg al in 1734 een pand stond waar pachtgeld geïncasseerd werd.

Straatje in Rottevalle
Graffiti in het fietstunneltje

Na Rottevalle is het verder richting Houtigehage. Deze plaatsnaam zou zijn afgeleid van smalle stroken land (hage) die met houtige struiken waren begroeid. Rond 1900 heerste er veel armoede in en rond Houtigehage. De bewoners woonden in spitketen en het analfabetisme was hoog. In deze tijd trok predikant Johannes Antonie Visscher met zijn vrouw en een kofferorgeltje in een kruiwagen hier door het gebied om geïmproviseerde kerkdiensten te houden. Naast preken bekommerde hij zich ook om de erbarmelijke sociale omstandigheden. Een gedenksteen in de kerk met zijn naam herinnert hier aan. 

Ter herinnering aan ………
Aanwijzingen te over

Pas halverwege de twintigste eeuw werd de turfwinning uiteindelijk weggeconcurreerd door de opkomst van andere fossiele energie, zoals olie en gas.

Een kleine wijngaard vlakbij Houtigehage

De voorwerpen en lichamen die bij de turfwinning tevoorschijn kwamen, zijn niet bij toeval in het veen terechtgekomen. Je verwacht namelijk weinig in het moeras te vinden omdat de oude nederzettingen en begraafplaatsen zich op de hogere zandgronden bevonden. De mens had uit economisch oogpunt immers niet veel te zoeken in de gevaarlijke en onbewoonbare moerassen. De meeste in het veen gevonden voorwerpen zijn individuele vondsten, het gaat steeds om één voorwerp. Bovendien gaat het meestal om min of meer complete voorwerpen die nog goed bruikbaar waren op het moment dat ze in het veen terechtkwamen en dus een bepaalde waarde vertegenwoordigden. Dit betekent zeer waarschijnlijk dat ze er bewust neergelegd zijn en dit kan alleen gebeurd zijn als een offer. Je offert aan een hogere macht in de hoop daarvoor iets terug te krijgen. Dit kan variëren van regen, een goede oogst en gezondheid tot een omvangrijk nageslacht. Of de belofte een dankoffer te brengen als aan de wens of behoefte is voldaan of wanneer een bepaald probleem verholpen is. Regelmatig zijn bij het turfsteken ook menselijke resten in het veen gevonden. In die gevallen werd meestal onmiddellijk de politie erbij gehaald, omdat men in eerste instantie uitging van een recente misdaad. Veel later werd bedacht dat de dood mogelijk in een ver verleden kon zijn ingetreden. Maar of het hier dan ook om offers gaat? 

Huisje ter vervanging van de spitkeet
Nu museum ‘t Wâldhûske

Het is ook vreemd om je te bedenken dat er zo’n drie eeuwen geleden nog werd gecontroleerd op de grens tussen Groningen en Friesland. In de eerste helft van de 18de eeuw was een groot deel van de grens tussen het Groninger Westerkwartier en het aangrenzende Friesland min of meer een niemandsland. Pas in 1737 zouden de grenzen tussen beide provincies officieel worden vastgelegd. Vanaf Groningen liep een aantal verbindingen door het Westerkwartier naar Friesland, waarvan eentje tussen Trimunt en Rottevalle. Dit pad, een smokkelroute, liep achter Drachtstercompagnie langs door het veen. Bij het grensdorp Frieschepalen waren drie ‘cherchers’ gestationeerd, een  soort belastingambtenaren die ervoor moesten zorgen dat er geen zaken, waarop invoerbelasting werd geheven, over de grenzen zouden worden gesmokkeld. In totaal waren er hier in de buurt slechts zes van dergelijke beambten wat niet veel is voor een groot, onoverzichtelijk grensgebied. De ‘sluikers’ (smokkelaars) noemden zichzelf ‘passagiers over de heide’ en riepen de cherchers op zich vooral niet te bemoeien met hun nachtelijke tochten. 

Smokkelverhalen op de grens tussen Groningen en Friesland (internet)

Een veenwandeling lijkt door zulke verhalen wel wat op een avonturentocht. Het heeft wel iets om al wandelend de verhalen te ontdekken over een bepaald gebied en zo (nog) beter te begrijpen hoe het landschap om ons heen is ontstaan en gevormd.  

Als wolken drijven ……..

Knp: 42-43-26-25-27-24-23-29-22-21-16-17-18

De titel is een eerste regel van een haiku, een kort Japans gedichtje van drie regels met een ritme van 5-7-5 lettergrepen. In de 17e eeuw is de eerste haiku in deze vorm gemaakt door een zenboeddhist. Omdat het zenboeddhisme één van de ‘strakkere’ vormen van boeddhisme is, is het ook niet verwonderlijk dat er zeer strikte regels zijn waar een haiku aan moet voldoen. De hele haiku gaat trouwens als volgt: ‘Als wolken drijven – soms mijn gedachten voorbij – ijl en ongrijpbaar’ (Catherine Boone). De Japanse cultuur gebruikt de haiku o.a. om de kalmte van de natuur te overdenken. De haiku gaat over een momentopname en beschrijft alleen de pure waarneming, dus geen emoties, gevoelens of conclusies en kent geen rijm (dat leidt af). Haiku’s zijn bovendien mindful (opmerkzaam).

Prachtige details (RK)

Wolken zijn vandaag het sleutelwoord. Na een record natte april en mei leek juni even wat droger te beginnen. Maar ook de afgelopen dagen was het meer ‘zonnebril op of af en  paraplu in of uit de kast’. Gelukkig belooft het vandaag in ieder geval een praktisch droge dag te worden, alhoewel zeker niet wolkenloos en ook redelijk fris met 14 graden C. We gaan ervoor! Voor de zekerheid nemen we wel een regenjas mee en verder hullen we ons in de gebruikelijke laagjes, zodat we op alles voorbereid zijn. We gaan lopen als ‘een Japans gedicht – de natuur in drie regels – een foto van taal’ (Jolanda Pikkaart). Ik heb waarschijnlijk wel wat meer regels nodig om de natuur en de wandeling van vandaag te beschrijven, maar de foto’s en de taal vertellen wel samen ons verhaal ;).

Zomaar ‘echte’ wegwijzers van ons pad onderweg

We starten vlakbij Lucaswolde ergens op de weg Beldam en lopen eigenlijk meteen over een loopplank het achterliggende (wei)land in. Het is hier weids en verrassend met aan beide kanten bermen vol bloeiende bloemen en grassen. ‘De vlinder fladdert – strijkt neer op de wilde roos – proeft zoete nectar (Braedon Stenson). Het pad loopt iets ongelijk, waardoor je wat langzamer moet lopen, maar dat is beslist geen straf. Er is genoeg om van te genieten.

De bermen springen in het oog
Klaprozen in het geel

Het is stil om ons heen en kennelijk zijn wij ook stil genoeg, want we worden opeens opgeschrikt door een opvliegende reiger die kennelijk erg geconcentreerd was op het water voor hem of haar. ‘Van zijn spiegelbeeld – ontvangt de blauwe reiger – een gevangen vis’ (Siem van den Nieuwedijk). Wat een grote vogel is het van zo dichtbij!

Wandelen tussen de weilanden (RK)

Even later vervolgen we onze weg over de Leidijk. Gedurende een groot deel van de route zullen we deze leidijk volgen of kruisen. Een leidijk is de grens tussen het hoogveen- en het laagveengebied. Vanaf de middeleeuwen is al begonnen met de vervening (turfwinning) van het zuidelijk Westerkwartier. De lager gelegen gedeelten ondervonden last van het uit het hoogveen afkomstige water. De Leidijk is dus daadwerkelijk een leidijk, een oude binnendijk die werd aangelegd om het water uit de hoger gelegen gebieden veengebieden ‘te keren en te geleiden’.

Nieuwsgierige (dikbil)koeien komen even kijken

Tot nu toe is dit zeker een verrassende wandeling in een heel mooi stukje van onze gemeente. We lunchen op een prachtig plekje aan een groot water. Is dit al de oude pingoruïne of komt die pas later? In ieder geval lopen we langs een bosachtig pad langs de oevers richting het Curringherveld bij Kornhorn. ‘Dicht bladerdak – de boslaan een weg – naar ruimte en licht’ (Carla Mostert). 

Haast met de voeten in het water …..

Het Curringherveld wordt omschreven als één van de parels in het Westerkwartier, een uniek en oud cultuurlandschap waarin de mens een grote hand heeft gehad. In 1997 kreeg Staatsbosbeheer het Curringherveld in eigendom waarna er samen met de bewoners van het dorp een plan is gemaakt voor een multifunctioneel gebied op een manier dat de geschiedenis weer tot leven kwam. Oude naamsaanduidingen leveren geen eenduidige verklaring op voor de plaatsnaam Kornhorn op. Voor de hand ligt: korenhoek, maar vroegere namen als Corriger Sandt en Curringehorn wijzen op een afleiding van een persoonsnaam. De naam Curringherveld komt uit het boek ‘Van Curringhe en Korhoenders, een geschiedenis van Kornhorn’ uit 1994. De naam ‘Curringhe Horne‘ werd voor het eerst genoemd in een stuk uit circa 1600, de naam Kornhorn valt echter pas in 1808. In 1828 bracht een schoolmeester uit de buurt Curringhe in verband met de jacht op korhoenders omdat ‘dit wild hier in menigte verkeerde’…

Voor kinderen zijn de natuurpaden een belevenis op zich. De kleinsten kunnen op zoek naar kabouters, ben je iets ouder dan kun je hier van alles leren over de natuur en het weer en voor kinderen vanaf 11 jaar is er het spannende sporenpad, waarbij je (avontuurlijk) op zoek gaat naar dierensporen. Alle paden lopen langs een ouderwetse vuurplaats waar alle kinderen ‘stokbroodjes’ kunnen bakken. Succes verzekerd!  Vandaag zijn er geen kinderen. We zien echter wel een spitkeet (plaggenhut) en zien ooievaars op een nest die het druk hebben met hun jongen. ‘Ooievaars geland – dansende silhouetten – vleugels wapperen’ (Roeland Schweitzer). Ooievaars leven meestal in de nabijheid van mensen, want ze nestelen bij voorkeur op menselijke bouwsels. In veel volksverhalen figureert de ooievaar als brenger van geluk en nieuw leven. In het midden van de jaren ’70 was de ooievaar zo goed als verdwenen uit Nederland, maar samen met vrijwilligers heeft Vogelbescherming voorkomen dat de soort als broedvogel in Nederland uitstierf en inmiddels komt de vogel niet meer voor op de Rode Lijst. We zien ze dan ook regelmatig tegenwoordig.

Brengers van geluk en nieuw leven (RK)

Het gehuchtje Snipperij ligt tussen Kornhorn en Noordwijk en is eigenlijk niet veel meer dan een doodlopend weggetje. De oorsprong van de naam Snipperij is niet zeker. De naam zou kunnen verwijzen naar de vogel, maar er is ook een theorie die verwijst naar de familie Snip die oorspronkelijk uit deze streek afkomstig zou zijn. Een derde verklaring is het feit dat op de kaart de kavelpatronen van Doezum en Lucaswolde bij de Snipperij onder een scherpe hoek bij elkaar komen. Zulke taps lopende percelen, die door de verschillen van richting van opstrek onder een hoek tegen elkaar eindigen, heten Sniepen. Ter verduidelijking: wanneer bestaande kavels grond worden vergroot door het verlengen van kavelgrenzen in onverkaveld land, dan heet dit opstrek en ontstaat een opstrekkende verkaveling. De herkomst van het woord `snip’, zoals in de vogelnaam houtsnip, gaat terug naar het eind van de 13e eeuw.`Snippe’ betekent `punt’. Een `sniep’ in plaatsnamen duidt dan ook op de nabijheid van een stuk land dat in een punt uitloopt.

De jaarringen zijn moeilijk te tellen 😉

De Snipspoel even verderop is één van de mooiste pingoruïnes van het Westerkwartier en daarmee ook weer een pareltje. Pingo betekent heuvel van ijs in de taal van de Inuit. Het zijn heuvels van ijs, doordat het grondwater omhoog werd geduwd en meteen bevroor vanwege de extreme koude tijdens de laatste ijstijd zo’n 15.000 jaar geleden. De heuvels groeiden gestaag. Door de groei barstte de opgetilde bodem open en kon zonlicht bij de ijslens komen. Met name in de zomerperioden ontdooide de opgetilde bodemlaag en vormde samen met het smeltwater van de ijslens een modderbrij die langzaam langs de helling naar beneden zakte. De hoogte van de pingo’s varieerde waarschijnlijk tussen de 40 en 50 meter en ze hadden doorsneden van 75 tot 200 meter. Na de ijstijd, zo’n 10.000 jaar geleden verdween de bevroren bodem en smolten de ijslenzen. Hierdoor bleven laagtes achter in het landschap. Pingoruïnes liggen nu vaak als ronde waterplassen is het landschap en zijn meestal beschermde stukjes natuur met veel vogels, vlinders en insecten. Een fijne plek om even te stoppen en te  genieten van het moois om ons heen. 

De opvallende witte vlierbloesem bloeit uitbundig

Hiermee rest ons vandaag nog een laatste parel aan de lange ketting van bijzondere plekjes zo vlakbij. De Jilt Dijksheide, genoemd naar de laatste eigenaar-vervener van dit gebied, is het enige heideveld dat is overgebleven na de turfwinning. Schotse hooglanders en landgeiten helpen het gebied open te houden. We zien ze ook beiden.

Het enige overgebleven heidegebied ……

De landgeit is, voor mij zeker, een bijzonder dier met die enorme hoorns. Vooral de bokken vallen op met hun enorme hoorns die eerst naar achteren en dan zijdelings waaiervormig krommen, waarbij de punten enigszins naar boven zijn gericht. De bokken hebben meestal een bokkenpruik, die vooral bij jonge dieren goed uitkomt, een wipneus, een sik en lange, afhangende lichaamsbeharing.

Imposante geiten (RK)
Compleet met bokkenpruik (RK)

We hebben echt genoten deze route!  De haiku ‘Dagen wandelen – vriendschap is mijn metgezel – in de wolken lopen’ (Henk Vijver) geeft een goede impressie van deze dag vol wolken in de letterlijke en symbolische betekenis van het woord. 

Langs de houtwallen

Knp: 21-38-34-31-81-80-77-74-75(of 73)-72

We lopen vandaag nog steeds in het zuidelijk Westerkwartier, want de A7 is niet, zoals ik eerst dacht, de scheiding tussen het zuidelijk en het noordelijk deel. Hoe zit het dan? Sinds het midden van de 19e eeuw wordt onderscheid gemaakt tussen het noordelijk Westerkwartier (Middag en Humsterland met de voormalige gemeenten Aduard, Ezinge, Grijpskerk, Hoogkerk, Oldehove en Zuidhorn) en het zuidelijk Westerkwartier (Langewold en Vredewold, met Grootegast, Leek, Marum en Oldekerk). Het zuidelijk Westerkwartier kenmerkt zich door een kleinschalig coulisselandschap met houtwallen. Het gebied vormt, landschappelijk gezien, een voortzetting van de Friese Wouden, vandaar dat het in de 19e eeuw ook wel de Groninger Wouden (Fries: Grinzer Wâlden) werd genoemd. 

Van het noordoosten naar het zuidwesten lopen in het Westerkwartier de gasten (brede zandruggen) met daarop verscheidene dorpen in het groen. Voorbeelden daarvan zijn o.a. Nuis, Niebert en Marum maar ook de brede omgeving van Opende en Doezum. Laat deze wandeling ons nou precies vanaf Houtigehage naar Opende voeren waar deze houtwallen, langgerekte aarden wallen met een aaneengesloten beplanting van verschillende houtsoorten, sterk vertegenwoordigd zijn. Deze houtsingels vormen een natuurlijke afscheiding tussen graslanden. Voor de natuur en biodiversiteit zijn deze singels heel waardevol. Bescherming van dit coulisselandschap is inmiddels nodig, want vroeger maakten de houtsingels deel uit van het boerenbedrijf. Ze leverden ‘geriefhout’, brandstof en werden gebruikt voor veekering, maar tegenwoordig is dat niet meer zo. 

De sering bloeit volop onderweg

We starten in Houtigehage maar lopen een andere route dan volgens het boekje. De route is met het in gebruik nemen van wandelknooppunten in dit traject verlegd. Wij varen er wel bij, want ik denk dat deze (nieuwe) wandeling veelzijdiger en aansprekender is. 

De bekende aardappelruggetjes op de velden (RK)

Houtigehage is een heidedorp dat tot in de eerste helft van de 18de eeuw bestond uit hoge venen. De venen zijn kort daarna voor de turfwinning afgegraven. Toen dit in het midden van de 18de eeuw min of meer voltooid was, werd het geruïneerde landschap aan zijn lot overgelaten en ontwikkelde zich hier een heidegebied. Het dorp bestond toen eigenlijk uit niet meer dan een ongeordende en verspreid liggende verzameling spitketen (plaggenhutten). De naam ‘spitkeet’ komt van het meestal gebruikte bouwmateriaal, in het Fries ‘heidespitten’, stukken grond met heidewortels.  ‘Een woning ……..!? Niets anders dan een paar muren van plaggen, met vóór in een paar kleine ruitjes, waar de glazenmaker heusch niet veel aan verdiend had’, aldus een dominee over het wonen op de heide in de negentiende eeuw. Armoede troef dus! Tegenwoordig is (lijkt) dat heel anders.

We zijn nog maar net op weg of we lopen langs de Blauwe Dobbe, een waterplas, wat een pingoruïne, een overblijfsel uit de ijstijd, blijkt te zijn. Bij het meer staat het clubhuis van de ijsvereniging ’Fan Twa Ien’, waar, indien mogelijk, een marathontocht met 50 rondjes van 500 meter georganiseerd wordt. Het blijkt dat ze ook in de overige maanden niet stil zitten. Er zijn een groot aantal mensen bezig met radiografisch bestuurbare bootjes, van zeilboot tot zandzuiger, op het water. Hoewel een bijzonder gezicht, vragen wij ons wel voorzichtig af waarin het echte sportgevoel dan toch zit? Die ‘pure pracht en pret’ van een sport is kennelijk slechts te begrijpen voor de insider, want ik lees in een blog: ‘RC-boten zijn een sport op zich. De snelheid, het geluid en het ongehinderd doorklieven van het wateroppervlak……..wat is er leuker dan varen met een radiografisch bestuurbare boot als het weer het toelaat?’ 

Het is heerlijk wandelweer!
Wat is er leuker dan …….. (RK)

Het is heerlijk (wandel) weer en lopen door een waterrijke omgeving met mooie doorkijkjes.

Mooie doorkijkjes
Landelijke route (RK)

Regelmatig zien we kuddes Schotse hooglanders; ruig, indrukwekkend en nog dik in hun vacht. We lezen en leren dat hooglanders in een sociale kudde leven. Ze blijven altijd kijken naar de andere dieren in de kudde en zorgen voor elkaar. Zo liggen kalfjes bij elkaar in de crèche met één koe dicht in de buurt. De oudste koe van een kudde is de leider. Zij bepaalt waar er gegraasd wordt, wanneer er gedronken wordt en wanneer het tijd is om te rusten. Het zijn gewoontedieren die houden van routine. Ze zoeken bomen om zich even aan te schuren en in een warme periode vinden ze het fijn om in het water te staan om het lichaam af te koelen.

Imposante dieren

Later op de route, bij Opende, zien we zelfs een grote kudde waterbuffels. Die zie je hier niet zo vaak, toch? Het blijkt een kudde te zijn van een veeboer, die eigenlijk het liefst mozzarella wil produceren en dus zelf waterbuffels houden. Rondom de boerderij lopen nu zo’n 20 waterbuffels. Deze dieren grazen, als de omstandigheden het toelaten, dag en nacht buiten. Ze eten gras, hooi en graskuil van eigen grond en gedijen prima in een waterrijke omgeving. Dankzij hun gespreide hoeven zakken ze niet te ver weg in de drassige grond. Een bijzonder verhaal, misschien de volgende keer toch een mozzarella meenemen uit Opende?

Waterbuffels bij Opende (foto internet)

Onderweg zien we ook nestkasten op hoge palen in het veld die bedoeld zijn voor de torenvalk. De torenvalk was lange tijd de meest voorkomende roofvogel in Nederland, maar staat tegenwoordig op de ‘rode lijst’ van vogels. Het is een uitgesproken jager vooral op veldmuizen en is goed te herkennen aan zijn manier van jagen: stil hangend of biddend in de lucht. Met dit bidden wordt de vleugels snel heen en weer bewogen. Deze vogel broedt graag in nestkasten in open land. Hij bouwt dus zelf geen nesten, maar gebruikt een oud kraaiennest of een speciaal daarvoor gemaakte (torenvalk) kast, zoals hier. Zulke weetjes geven beslist iets extra’s aan het wandelen in de omgeving.

Als je heel goed kijkt zie de nestkast naast de grote boom in de verte

Langzamerhand komen we bij Opende, het meest westelijk gelegen dorp van de provincie Groningen en één van de weinige Groningse dorpen waar Fries gesproken wordt. De plaatsnaam is een verwijzing naar de ligging: op (= aan) het einde van de weg van Grootegast naar Friesland. Grappig is dat er in 2011 twintig ‘buitengewone berichten over het dagelijks leven in het Groningse dorp Opende’ verschenen in NRC Handelsblad. Volgens de redactie was de keuze voor Opende willekeurig. Een gemiddeld dorp, ver buiten de Randstad, geen doods dorp waar alleen de oudsten achterblijven en geen toeristisch dorp dat door buitenstaanders wordt overspoeld. Hun beschrijving van Opende is als volgt: ‘Weilanden, bomenrijen en houtsingels bepalen hier het uitzicht. Karige bebouwing valt in het niet bij veertien kleuren groen. Stemmen zijn schaars waar de wind heerst en het gras buigt. Noodweer zie je van verre naderen. Hier vegen ze nog de stoep en ook de stoep van de buurvrouw die slecht ter been is. Ze groeten onophoudelijk iedereen, ook vreemden. Kort: ‘Hoi.’ Kort is niet kortaf.’ Klinkt goed!

Het toegangshek van het Blotevoetenpad

Wij lopen Opende niet echt in, maar lopen het laatste stuk over het Blotevoetenpad of zoals ze hier zeggen ’t Blôde Fuottenpaad’. De naam zegt het al: schoenen en sokken uit en lopen op je blote voeten door modder, water en gras. Het idee voor het pad is ontstaan door het verhaal van een mevrouw die vroeger het pad liep van haar huis naar de kerk in het dorp.

Een herinnering aan lang geleden…….
Onderweg even uitrusten in de hangmat
Deze uitdaging laten we vandaag toch even links liggen (RK)

We horen dat er steeds meer van dit soort paden ontstaan. De filosofie achter deze blotevoetenpaden is dat de wandelaars, door letterlijk de ondergrond te voelen, zich bewuster zijn van hun omgeving. Er is wetenschappelijk bewijs dat wanneer je je voetzolen direct contact laat maken met de grond, je stofwisseling beter gaat werken, wat onder meer weer leidt tot een betere nachtrust en een goede weerstand. Verder stimuleert regelmatig blootsvoets lopen op diverse ondergronden niet alleen het hart en de bloedsomloop maar regelt het ook de bloeddruk. Mocht dit allemaal nog niet voldoende zijn, op blote voeten lopen is ook goed voor je evenwicht en een goed ontwikkeld gevoel voor evenwicht is goed voor body, mind & soul. Met deze opgedane kennis is het haast jammer dat wij onze schoenen niet hebben uitgetrokken deze keer. Een volgende keer zullen we ons zeker onderdompelen in de totale ‘blote voeten’ ervaring!

Altijd bewust van de omgeving :0 (RK)

DE OUDE VISSERSWIJK

De wijk Alfama, de oudste wijk van de stad, ligt op één van de zeven heuvels van Lissabon, tussen Castelo de São Jorge (het kasteel van St. Joris) en de rivier de Taag. In de tijd van de Moorse overheersing (van 711 tot 1147) bestond Lissabon eigenlijk alleen uit Alfama, een oude visserswijk ontstaan aan de rivier. De naam van de wijk komt ook uit de Moorse periode; Alfama komt van het Arabische ‘al hamma’ wat waterbron of fontein betekent. Logisch, want in het verleden lagen er aan de voet van de heuvel vele warmwaterbronnen. Alfama is het enige stadsgedeelte dat de aardbeving in 1755 redelijk goed overleefde. De verklaring hiervoor ligt in het feit dat de wijk gebouwd is op een massief steenplateau. Deze is harder dan de omliggende (lager gelegen) zanderige ondergrond. Bovendien was Alfama een bijzonder compacte wijk. De huizen zijn hier letterlijk bijna tegen elkaar aan geplakt. En dat is dus nog steeds te zien!

Kleurig en dicht op elkaar (RK)

De wijk wordt omschreven als: ‘Alsof de tijd heeft stilgestaan. De schone was wapperend aan de lijn. Een oude man die sardientjes grilt op de hoek van de straat. De inmiddels verkleurde slingers, die men na de feestmaand juni gewoon laat hangen. En een gezette oude vrouw die vanuit haar huiskamer de kersenlikeur Ginjinha verkoopt. Dát is de wijk Alfama in Lissabon.’ Het is ook ‘onze wijk’, omdat wij hier logeren deze dagen, en wij nemen vandaag uitgebreid de tijd om onze wijk beter te leren kennen!

Authentieke mozaïek (RK)

Alfama bestaat uit een labyrint van smalle straatjes, mooie poortjes en pittoreske doorkijkjes. Tijdens het wandelen is er veel te zien: veel gebouwen zijn gekleurd of bevatten authentieke mozaïek. Wasgoed hangt inderdaad vaak dwars door de straten en het is werkelijk een wirwar van nauwe steegjes en oude trappen. Het kan niet anders of je moet hier wel een goede conditie hebben/krijgen. Ik kijk dan ook vol bewondering naar al die oude mensjes die vaak langzaam maar tegelijkertijd ook kordaat hun routes omhoog of omlaag volbrengen. Herhaling, spiergeheugen, zeg het maar. Zij hebben er profijt van!

Smalle steegjes, steile trappen (RK)

De fado muziek (het Portugese levenslied) is ook ontstaan in Alfama. Hebben we dat niet eerder gehoord bij het doorkruisen van een andere wijk? De meest authentieke fado schijn je hier te moeten beluisteren in barretjes die moeilijk te vinden zijn. Wij zien de barretjes waar deze muziek wordt aangeboden bij wijze van spreken op elke straathoek, dus die moeilijk te vinden cafeetjes moeten dan wel iets extra specials te bieden hebben. Misschien dat daar meer de sfeer van fadozangeres Amalia Rodrigues om de hoek komt kijken. Zij staat tenslotte bekend als ‘de koningin van de fado’.

Zoeken en verdwalen 😉

Het leven van Amalia (1920-1999) is het klassieke verhaal van het arme volksmeisje, dat voor een paar stuivers zingt in de kroegen aan de haven, wordt ontdekt en uitgroeit tot een wereldster. Ze groeide op in bittere armoede. Reeds als jong meisje moest ze werken. Ze verkocht bloemen op straat en deed de was voor mensen uit de chique buurten van de stad. In juli 1939 trad ze voor het eerst officieel op. Volgens de recensies van toen ‘past haar pessimistische aard zeer goed bij de melancholie van de fado. Rodrigues wordt gezien als de verpersoonlijking van de Portugese volksaard.’ Zij was daarna van grote invloed op de bekendheid die fado elders in de wereld kreeg. Al snel werd ze Portugals favoriete exportproduct op cultuurgebied. Ze trad op tot ze in de zeventig was en gedwongen door hartproblemen moest stoppen. Eind jaren tachtig trok ze zich terug. Ze overleed in haar huis aan de Rua de São Bento in Lissabon. Bij haar dood werden drie dagen van nationale rouw afgekondigd. Haar huis is nu een museum met de prijzen die ze won, haar kleding, sieraden en brieven. We zijn, al eerder deze week, langs haar huis alias museum gelopen, maar hebben haar culturele invloed toen niet voldoende geapprecieerd.

Het vroegere huis (nu museum) van Amalia Rodrigues (foto internet)

De hoogtepunten, qua bezienswaardigheden, zijn voor ons vandaag zijn vooral Castelo de São Jorge, Miradouro Porta da Graça en Praça do Comércio met de daarachter gelegen grote winkelstraat. We gaan lopen en dwalen (zonder  kaart en zonder duidelijk plan) dus we zullen ons zeker laten verrassen door wat we nog meer op ons pad aan zullen treffen.

We laten ons verrassen

Bijna meteen zien we de bekende Feira da Ladra, een vlooienmarkt, waar het vroeg in de ochtend al een gezellige drukte is. Dit is volgens insiders ‘één van de oudste vlooienmarkten in Lissabon, waar je naartoe gaat voor alles waarvan je niet wist dat je het nodig had!’ Feira da Ladra betekent letterlijk dievenmarkt. Vroeger was dit namelijk de plek waar dieven hun buit verkochten. Het was daarna ooit een antiekmarkt, maar vandaag de vandaag zijn er kraampjes met uiteenlopende tweedehandse en nieuwe producten waarbij je naast vaste kraampjes ook handelaars tegenkomt die hun waren op een deken op de grond uitstallen. Wij lopen er langzaam langs en besluiten dat die blik op afstand wel genoeg is. Wij zijn immers niet op zoek naar dat ene hebbedingetje of een Portugees tegeltje en willen wel nog zoveel mogelijk uit onze dag halen.

Zomaar een speciaal terrein voor honden

Via omzwervingen komen we terecht bij een uitzichtpunt in de schaduw van het kasteel. Vanaf het Miradouro (uitzichtpunt) Porta da Graça kun je ver uitkijken over de stad. Een ander uitkijkpunt vlakbij, Miradouro das Portas do Sol, is een must voor fotografen. De naam betekent letterlijk deuren van of naar de zon en omdat deze helling op het zuiden ligt, heb je hier de hele dag zon. Vroeger stond je hier trouwens op de grens van de stad.

Miradouro met op de achtergrond Ponte Abril 25 (RK)

Om de stad nog beter van bovenaf te kunnen zien, moet je naar het kasteel boven de heuvel. Dat is dan ook ons volgende doel.

Voor de muren van het kasteel (RK)

De fundamenten van dit Castelo de São Jorge dateren al uit de 6e eeuw voor Christus! Het huidige kasteel (wat ervan over is) werd door de Moren gebouwd op de resten van een vesting uit de 5e eeuw en is daarmee één van de oudste en indrukwekkendste overblijfselen uit de Moorse tijd. Binnen de huidige kasteelmuren woonde vroeger de Moorse elite. In 1147 werd het kasteel echter veroverd door koning Alfonso Henriques. Op de binnenplaats na de hoofdingang staat dan ook ter herinnering een bronzen beeld van deze eerste koning van Portugal, want het kasteel werd het koninklijk paleis in 1255 toen Lissabon de hoofdstad werd van Portugal.

De eerste koning van Portugal (RK)

Een paar jaar later liet koning Ferdinand de stadsmuur bouwen  Dit duurde even want de stadsmuur had een lengte van 5.400 meter en 77 torens. Dat was ook nodig, want bij aanvallen op de stad was dit het laatste bastion. Rond het einde van de 14de eeuw kreeg het kasteel haar naam van koning João I die getrouwd was met de Engelse prinses Philippa van Lancaster. Sint-Joris, die meestal wordt afgebeeld terwijl hij een draak bevecht, is populair in beide landen. In de 16e eeuw liet koning Manuel I een ander paleis bouwen, namelijk Ribeira Paleis, aan de Taag waardoor dit kasteel een andere functie kreeg. Het nieuwe kasteel raakte echter erg beschadigd na een aardbeving, dus Sint-Joris zou opnieuw het ‘echte’ paleis worden.

Helaas werd Portugal van 1580-1640 veroverd door Spanje en daardoor werd het kasteel opeens een gevangenis en legerkazerne. Kasteel Sint-Joris onderging tenslotte nog een metamorfose want door de heftige aardbeving in 1755 werd het kasteel erg beschadigd. Een jaar later werd het deels gerenoveerd en dat is wat wij nu gaan bekijken, compleet met kanonnen en een prachtig uitzicht over de stad vanaf de hoge verdedigingsmuren. Ze hebben zelfs een terrasje gecreëerd aan de rand van de muur. Hoe leuk is dat! Bij onze rondgang blijkt dat er op één van de torens een periscoop staat, die je kunt gebruiken om de stad (extra) goed te bekijken vanaf deze grote hoogte. Verderop is een heuse zwarte kamer waarin een Camera Obscura de stad in real time laat zien.

Fantastisch uitzicht over Lissabon (RK)
Ook de pauwen binnen de muren trekken de aandacht (RK)

Vanaf het kasteel slingeren we door de stad naar beneden richting het grote plein met de enorme triomfboog. Voordat we daar aankomen kruisen we een ander groot plein, het Praça do Rossio. Rossio (betekent gemeenschappelijk plein) is de populaire naam van het Pedro IV-plein, al sinds de Middeleeuwen één van de hoofdpleinen van de stad. Vroeger stond het bekend als plaats voor executies, stierengevechten, demonstraties en als ontmoetingsplek, echt belangrijke dus. In de Romeinse tijd vonden hier vooral paardenrennen plaats, hetgeen je nu nog steeds kan zien aan de ronde vorm met de 3-baansweg eromheen. Het is sowieso wel een bijzonder plein met in het midden een hoog standbeeld van Pedro IV met aan de voet van de zuil beelden die recht, moed, terughoudendheid en wijsheid voorstellen. Ook is het hele plein bedekt met zwarte en witte mozaïektegels, die de ontmoeting van de Atlantische Oceaan en de rivier de Taag vertegenwoordigen. Al lopend krijg je haast het idee dat de grond onder je beweegt, het idee van rollende golven, toch is dit gezichtsbedrog.

Het Rossio plein
Het lijken net echte golven

Via de Rua Augusta, één van de belangrijkste en bekendste winkelstraten van de stad, lopen we verder naar het grote plein aan het water, het Praça do Comércio. Deze Rua is een royale achttiende-eeuwse boulevard die in zijn geheel autovrij is. De straten zijn eveneens belegd met mozaïek en behalve de grote winkelketens zijn er ook tal van straatverkopers, straatartiesten en menselijke standbeelden te vinden, evenals diverse terrassen in het midden van de straat. Geen wonder dat het hier druk is! Er valt gewoon veel te zien, zeker voor de diehard shoppers onder de toeristen.

Rua Augusta richting boog en grote plein (foto internet)
Er valt genoeg te zien (RK)

Aan het eind van de straat loop je dan onder de Arco da Rua Augusta het grote plein op. De boog is 20 jaar na de aardbeving gebouwd ter nagedachtenis aan deze verschrikkelijke gebeurtenis waarbij veel mensen zijn omgekomen. Op de boog zijn verschillende Portugezen te zien die belangrijk zijn voor de Portugese geschiedenis en daarnaast is ook de rivier de Taag afgebeeld. Dat moet je maar geloven, de boog is te hoog om het een en ander goed te kunnen bestuderen.

Het plein zelf heette vroeger ‘Terreiro do Paço’, het paleisplein. Het is met zijn 36.000 m² één van de grootste pleinen van Europa. Het ligt direct aan de rivier de Taag, wat het hier aangenaam toeven maakt. Voorheen was dit de locatie van het koninklijk paleis. Na de, inmiddels bekende, aardbeving was dit paleis compleet verwoest en het was Marquês de Pombal die besloot hier het nieuwe handelscentrum van Lissabon te maken, dichtbij de scheepswerf ‘Ribeira das Naus’. Het standbeeld van de man in het midden van het plein is Dom Joao I, de koning van Portugal in de tijd dat Marquês de Pombal de leiding had over de wederopbouw. De grote open ruimte wordt omringd door imposante, zonnige gebouwen met opvallende gele gevels, waardoor het plein een opvallende en uitnodigende sfeer krijgt. De gedachte dat dit plein rijkdom en welvaart moest uitstralen is goed gelukt. Je voelt je hier echt klein en nietig op deze grote vlakte.

Tegenwoordig zijn er aan het plein voornamelijk overheidsgebouwen en veel horecazaken te vinden. Verder is het plein een belangrijke vervoershub. Er stoppen meerdere trams en bussen of je kunt ervoor kiezen om vanaf hier in te stappen in één van de vele tuktuks of andere prachtige autootjes voor een meer persoonlijke ervaring. Tot slot vertrekt er vanaf een steiger voor het plein met regelmaat een pendelboot die je naar de overzijde van de Taag brengt, waardoor het geen wonder is dat het altijd een komen en gaan van toeristen op het plein is.

Bijzondere auto’s
Het water roept altijd een reactie op (RK)

Wij gaan voor de tip om ‘wat verkoeling te zoeken na al dat gewandel’ en zoeken een plaatsje op een heerlijk terras met uitzicht over het plein en de mensen die daar rondlopen. Een goed besluit van een paar heerlijke dagen!

Kies iets lekkers …… en geniet (RK)

DE KUNST VAN HET NIKSEN

Even niets doen is om allerlei redenen gezond. Het helpt tegen stress, het maakt je rustiger en zorgt voor een opgeruimd hoofd. De kunst van het niksen is dus eigenlijk zorgen voor je mentale welzijn. De clou is dat je je ontspant en dat daardoor je gedachten mogen afdwalen. Even niks doen maakt ons creatiever en gelukkiger en is een vaardigheid, geen vorm van luiheid. Dit klinkt natuurlijk fantastisch, maar hoe doe je niks? Het klinkt vast gemakkelijker dan het in werkelijkheid is. Zoiets vraagt om een klein onderzoekje, toch?

Heerlijke temperaturen (RK)

Volgens een TV programma met inspirerende verhalen over zingeving en ‘klein’ geluk (zin in morgen) werd Finland voor de 7e keer uitgeroepen tot het gelukkigste land ter wereld. Voor de Finnen is het woord sisu een kernbegrip. Het is een woord dat, net als het Deense hygge (‘gezelligheid’), geen officiële vertaling kent. Het komt van sisus, dat voor ‘kern’ staat en van sisällä, dat voor ‘binnen’ staat. Sisu komt dus neer op iets als ‘dat wat binnen in je zit’ of wat vrijer vertaald: ‘de kracht in jou’. Je kunt het vergelijken met wat de Amerikaanse psycholoog William James (1842 – 1910) de ‘tweede wind’ noemde. ‘Een kracht die ons kan helpen om door te gaan op het moment dat we denken dat we erdoorheen zitten.’ De Finnen hebben het in deze context ook over ‘liike on lääke’, wat zoveel betekent als ‘beweging als medicijn’. Kijk, dat lees ik ook in andere artikelen. Bij tips om niks te doen staan o.a. ook ideeën als op een terras zitten met vrienden en wandelen. Je doet dan weliswaar niet helemaal niks, maar je moet ook niks en daarin schuilt al een groot verschil. Wandelen afgewisseld met een terrasje zijn voor ons deze dagen een gouden combinatie!

Je moet helemaal niks……(RK)

We treden vandaag een beetje buiten de toeristische paden en hopen daarmee een beeld te krijgen van het gewone dagelijkse leven in de hoofdstad. We doen wat de instructies ons aangeven. We starten in het ‘romantische Praça das Flores en nemen iets lekkers bij Pau de Canela’. Hoe makkelijk kan het zijn ;). Ook bij de Lisboetas is dit één van Lissabons meest geliefde pleinen vanwege de rust. Een echt buurtpleintje waar de vele bomen tijdens warme dagen verkoeling en schaduw geven en je lekker momentjes tijd voor jezelf kunt pakken op de vele banken rondom een kleine fontein. Vanaf het terras (dat kan hier al!) hebben we goed zicht op het plein en ontdekken we aan de overkant zelfs zo’n typerende kiosk die je hier overal tegenkomt.

De kiosken lijken op prieeltjes en je ziet ze werkelijk overal. De eerste kiosk in Lissabon, geïnspireerd op de kiosken in Parijs, opende haar deuren in 1869. De Quiosque de Refresco is vandaag de dag niet meer uit het straatbeeld weg te denken. Oorspronkelijk waren ze bedoeld voor de verkoop van kranten en tijdschriften, maar al snel werden het vooral plekken waar mensen elkaar konden ontmoeten. Logisch dus dat je er nu een hapje en vooral een drankje kunt kopen. In de 20e eeuw werden ze een beetje overbodig omdat publieke bijeenkomsten en openbare gesprekken werden ontmoedigd onder het bewind van dictator Salazar. Gelukkig zijn velen inmiddels in ere hersteld en zijn ze tegenwoordig een onmisbaar en alom vertegenwoordigd onderdeel van de lokale cultuur geworden. 

Een collage van diverse ‘quiosques’ (foto’s internet)

We stijgen en dalen door smalle straatjes waarin we verrassende winkeltjes ontdekken. Zo staat de Rua de São Bento bekend om de vele antiekzaken. Sommige van deze winkeltjes schijnen al meer dan drie generaties in handen van dezelfde familie te zijn. Je moet er vaak vlak langs lopen om het als een winkeltje te herkennen, dus niet te snel lopen 😉

De tegeltjes blijven de aandacht trekken (RK)

Wat wel meteen in het oog springt is het grote parlementsgebouw, het Palacio da Sao Bento, waar het Portugese parlement bijeen komt. Een imposant gebouw met marmeren pilaren en versierd met beelden. Oorspronkelijk was dit 16e eeuwse gebouw een Benedictijner klooster en dat kun je je ook goed voorstellen. Twee wachten bewaken het gebouw waar je slechts als voetganger langs mag lopen. Alle verdere toegang wordt verhinderd door hoge hekken. Kennelijk heb je ook hier, op het pleintje voor de hoofdingang, te maken met protestacties. Grote borden met leuzen belemmeren ons uitzicht als we door een smal straatje omhoog lopen, waardoor we toch weer een mooi fotomomentje mislopen ……. 

Het parlementsgebouw (foto internet)

De wijk Sȃo Bento staat verder vooral bekend om de Basilica da Estrela en het er tegenover gelegen schitterende park Jardim da Estrela, vol exotische planten en de nodige cafés. We lopen op ons gemak door het park, zien heel veel schoolkindertjes die kennelijk op een soort schoolreisje of ander educatief uitje zijn. De verschillende groepen hebben verschillende outfits aan. Maar goed ook, anders verlies je snel het overzicht, lijkt me. Naast hoge aloe vera planten en reusachtige cactussen zien we ook een enorme drakenbloedboom.

Veel schoolkinderen in het park (RK)
Aloe Vera (RK)

Even googelen leert dat dit een plant is die van nature voorkomt op de Canarische Eilanden, Kaapverdië en Madeira, maar de plant is vrijwel niet meer in wilde staat te vinden. De tot 12 m hoge plant wordt gekarakteriseerd door één of meerdere stammen met een relatief dichte, parapluvormige kroon met dikke bladeren. Het is een langzaam groeiende plant, die er tien jaar over doet om een hoogte van 1 m te bereiken. Deze torent hoog boven ons uit en is daarmee dan minstens decennia oud. Dat kan ook gemakkelijk want van dit soort planten wordt aangenomen, dat ze duizenden jaren oud kunnen worden. De naam van de plant heeft een bijzondere verklaring. Als de bast wordt ingesneden of de bladeren worden gekneusd, scheidt de plant een roodachtig hars uit, dat bekendstaat als drakenbloed, omdat werd geloofd dat het bloed was van Europese draken. Eén van de legendes luidt dat de eerste Drakenbloedboom is ontstaan uit het bloed van een draak die gewond raakte in een gevecht met een moedige olifant. Uit de grote druppels bloed ontstond een eigenaardige boom die het bloed van de draak bevatte. Door de jaren heen is de hars gebruikt voor vele doeleinden (het rode sap heeft ook medicinale eigenschappen) en grappig genoeg voegen Italiaanse vioolbouwers het nu nog steeds toe aan de door hen gebouwde instrumenten. 

De drakenbloedboom heeft een verhaal

Omdat we een route lopen ‘off the beaten track’ zijn er op deze wandeling relatief weinig bezienswaardigheden en des te meer cafeetjes en restaurantjes. Keuze genoeg! Amélia Lisboa moet ons echt een vakantiegevoel geven waardoor we hier naar binnen lopen en in een royale binnentuin reflecteren over de opgedane ervaringen tot nu toe.

Het is hier goed toeven

We concluderen dat dit niet de meest inspirerende wandeling is, maar dat ook deze rustige stedelijke omgeving mooie zelfinzichten kan geven omdat je symbolen en metaforen rondom immers vaak naar je eigen leven kunt vertalen. Door het gebruik van onze zintuigen (kijken, luisteren, ruiken en voelen) kunnen we ons steeds weer, ook door kleine dingen, laten verrassen. Dat lukt ook zeker, denk maar aan de drakenboom en de kiosken. 

Er valt altijd wel iets te ontdekken (RK)

De volgende verrassing is de wijk Campo de Ourique, een wijk met een knusse sfeer  waarin ook het ‘kleine broertje’ van Mercado da Ribeira te vinden is. De Mercado de Campo de Ourique trekt steeds meer bezoekers, juist omdat het hier wat kleinschaliger en wat gemoedelijker is, terwijl er wel een grote keuze is in verse producten.

Alles vers (RK)

Een piepklein cafeetje dichtbij kunnen we niet overslaan. Hier serveren ze ‘de beste chocoladetaart ter wereld’, eentje met geheime ingrediënten die smelt op je tong. Onweerstaanbaar toch?

In een piepklein cafeetje (RK)
De taart ‘smelt op je tong’ (RK)

Tot besluit nemen we de authentieke tram 25, die al vanaf 1901 in gebruik is, terug naar de oevers van de Taag. In 1873 werd de eerste paardentramlijn in Lissabon geopend en in 1890 ging hier de eerste kabeltram rijden. Daarbij werd gekozen voor een spoorwijdte van 900 millimeter die behalve in Lissabon alleen maar voorkomt in Linz (Oostenrijk). In 1901 werd de eerste elektrische tramlijn in gebruik genomen. Het elektrische tramnet bleef daarna groeien tot aan de opening van de metro in 1959. Het netwerk telde toen 27 lijnen. Tegenwoordig zijn dat er nog maar 6. Deze nog bestaande lijnen kennen steile hellingen (tot 14%) en krappe bogen. Vooral tram 28 is een toeristische trekpleister, maar tram 25 is een goed alternatief.

In tram 25 (RK)

Langs het grote plein, het lijkt wel de toegangspoort tot de stad, zijn voldoende restaurantjes te vinden voor ‘um aperativo’ in het avondzonnetje. Dit is ‘la dolce vita’ of in goed Portugees: ‘a doce vida’.

A doce vida (RK)

Zo zag ons dagje niksen er dus uit en daar hebben we volledig van kunnen genieten wat weer alles te maken heeft met kunnen genieten van het moment. Een aanrader !!

Voor de kust ligt een enorm cruise schip (RK)