‘Loop mor deur’

Knp: 18-14-15-8-11-9-16-92-52-54

Opmerkelijk genoeg leer ik dat ‘onze’ gemeente een eigen dialect heeft en dat het Westerkwartiers (Westerkertiers) van alle Groningse dialecten het meest op het Fries lijkt. Evenals het Fries bezit het Westerkwartiers geen werkwoorden met wederkerende voornaamwoorden. Zo wordt ‘zich wassen’ b.v. ‘hom wassen’, terwijl in de rest van Groningen ‘zuch wassen’ of ‘zok wassen’ gebruikt wordt. Ook het woord voor ‘in’ is in dit gebied ‘ien’, in uitspraak gelijk aan het Friese ‘yn’. Zelfs binnen dezelfde provincie kun je dus al spraakverwarring krijgen ;).

Nu beheers ik geen enkel Gronings dialect, maar met een beetje moeite is het wel te begrijpen. Zo lees ik een ‘Westerkwartiers’ verhaal wat zich afspeelt in het gebied waar we vandaag gaan lopen; de Jilt Dijksheide. ‘Een arme boer woonde in een heel klein boerderijtje met zijn vrouw, een koe, wat schapen en een paar varkens. Al met al geen vetpot! Dat najaar had de boer al een paar keer een witte haas op de Jilt Dijksheide gezien. Een vette haas die de stroper echter steeds te slim af was. Nu het winter was ging de haas op zoek naar voedsel en had de boer hem dicht achter zijn huis gezien. ‘Ik goa dommit nog eemen t veld ien! Die verrekte witte hoas liep hier om en ik zil m kriegen. Mörgen n lekker stukje vlees ien e pan’. Zijn vrouw steekt hem de gek aan. ‘Bist al zo voak achter die hoas aan west. Hij is veul te tuuk veur dij. Butendes, zilst hem niet eens zien  ien de snij. Allemoal wit met nander!’ 

Goed te begrijpen toch?

De Jilt Dijksheide is één van de weinige heidevelden in de provincie Groningen en het laatste heideveld van het Westerkwartier. We zijn nog wat vroeg in het jaar, maar zien toch al een paarse zweem over het land tevoorschijn komen, terwijl een eindje verderop koeien druk bezig zijn het gras tussen de heide weg te grazen.

Een eerste zweem paars tussen het gras

De naam zegt het eigenlijk al, dit heidegebied was vele generaties in het bezit van de familie Dijk. Jilt Dijk, één van de kinderen uit deze familie, heeft hier nog lang turf gestoken. Pal langs de Jilt Dijksheide loopt een oude trambaan. Deze lijn werd in 1913 aangelegd en onderhield een lijndienst tussen Groningen en Drachten. Het werd later ook wel de Philips-lijn genoemd, omdat deze in Drachten gevestigde firma de lijn gebruikte voor het transport van goederen. De lijn deed nog tot 1985 dienst en werd daarna volledig ontmanteld. Over het voormalige tracé loopt nu een fietspad. We zien op onze wandeling geen restanten van deze oude trambaan, maar het is wel interessant om je te realiseren dat het landschap steeds verandert.

Overal vind je informatieborden …….

We lopen verder het bos van Trimunt in. De naam Trimunt verwijst naar het klooster In Tribus Montibus (= bij de drie bergen) dat hier in de middeleeuwen heeft gestaan. Van het vrouwenklooster is niet veel bekend, maar oorspronkelijk hoorde het tot de orde van de benedictinessen. In de veertiende eeuw kwam het onder de hoede van het klooster van Aduard en werd het een cisterciënzerklooster. Vandaag de dag is het klooster verdwenen en kan ook niet meer bepaald worden wat de exacte ligging ervan was. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is er op Trimunt een radarstation gebouwd door de Duitsers. De bedoeling was dat deze vliegbasis Leeuwarden zou ondersteunen, maar de basis was niet voor het einde van de oorlog voltooid. De bunkers van deze basis staan nog in het ontginningsbos en zijn half in de grond weggezakt. Ook zijn tijdens de april-meistakingen in 1943 16 bewoners uit de buurt op Trimunt doodgeschoten, waaronder een jongen van 13 jaar. Ter nagedachtenis aan hen is er een monument, omringd door 16 eiken, opgericht op de plek waar de executies hebben plaatsgevonden, waar ze elk jaar op 4 mei nog worden herdacht.

Licht en donker in het bos van Trimunt (RK)
Het lichtspel blijft fascinerend (RK)

Zo ontdekken we steeds weer iets nieuws en zijn er iedere keer weer verhalen en plaatsen waar we (nog) zo weinig van weten. Dat geeft het wandelend ontdekken van onze gemeente zeker een extra dimensie. Dus we lopen door om een deel van een gedicht van Geert Zijlstra uit 2011 in het Westerkwartiers te citeren: ‘Loop mor deur, met dien kop een e wind, loop mor deur – Loop mor deur, dizzy wereld is dienent, loop mor deur – Loop deur, loop deur, kiek niet achterom – Want ver veur dij uit, lijt e horizon – Soamen onderweegens, de zun die schient – Soamen onderweegens, de wiede wereld ien!’

We lopen letterlijk op de grens tussen Groningen en Friesland. Anderhalve eeuw nadat beide provincies hun grenzen hadden bepaald, werd de scheidslijn in 1874 gemarkeerd met 25 ijzeren grenspalen. Al voor de turfwinning begon waren er in dit ontoegankelijke hoogveengebied grens-geschillen over het weiden van schaapskudden uit de omliggende dorpen. In 1724, gelijktijdig met het vaststellen van de provinciegrens, werd een grens tussen Ureterp (Opsterland) en Smallingerland getrokken: ‘in een rechte lijn tussen de in 1644 gegraven Nautagreppel en de Puntpaal’. Ureterp krijgt er een hele punt bij. Het is mogelijk dat de Puntpaal zijn naam aan deze gebeurtenis ontleent, maar het zou ook kunnen dat deze paal op dit punt al eerder een oude grensmarkering vormde. Zo’n 150 jaar later zijn er van de 25 palen 4 palen verdwenen, maar is de rest nog terug te vinden in allerlei gedaantes: van prachtig, historisch verantwoord, gerestaureerd of fantasievol opgeschilderd tot volkomen vervallen en onttakeld. Wij lopen langs De Puntpaal. Deze ligt aan de Scheiding (Skieding) waar deze de Leidijk kruist en markeert ook de plaats waar vier gemeenten bij elkaar komen: Grootegast en Marum aan de Groningse kant en Opsterland en Smallingerland aan de Friese kant. Dit is één van de gerestaureerde palen, strak wit in de verf met aan beide kanten een provincieschildje en het nummer (nr 13) duidelijk zwart geverfd. Voor de oude grenspalen was destijds bepaald dat het provinciewapen aan de kant van het eigen grondgebied moest zijn aangebracht in tegenstelling tot de provinciegrens van nu. 

Het verhaal over ‘De Skieding
Grenspaal 13 (RK)

Het laatste stukje van onze wandeling lopen we vandaag in Friesland. De grootschalige vervening in de omgeving van Drachtstercompagnie is in de zeventiende eeuw gestart vanaf de Noorderdwarsvaart in Drachten en heeft zich steeds verder uitgebreid tot aan ‘De Skieding’, de grens met de provincie Groningen. In 1641 kwamen ook Hollandse geldschieters naar hier. Er werden vaarten en dwarsvaarten gegraven en loodrecht op die dwarsvaarten werden weer brede sloten in het veen gegraven, de zogenaamde ‘wyken’ (wijken). Het veen waterde op deze wijken af waarop de met ‘bruin goud’ volgeladen pramen en skûtsjes de turf konden vervoeren naar de nieuwe eigenaren. Een hele bedrijvigheid in die tijd. Veel van die ‘wyken’ bestaan nog en geven een beeld van hoe het landschap er toen uitgezien moet hebben.

Overal ‘wyken’

In Drachtstercompagnie lopen we langs een begraafplaats met een prachtige klokkenstoel, een stellage waarin een (of meerdere) klok hangt, bedoeld ‘om de doden te beluiden’. De klokkenstoel als losstaand bouwwerk dankt zijn ontstaan waarschijnlijk aan het feit dat bepaalde gebieden in Friesland te arm waren, of de gemeenschappen te klein, om een eigen kerk te bouwen. Soms werd er een kerkje gebouwd zonder toren en werd de klok in een aparte klokkenstoel geplaatst. Slechts enkele klokkenstoelen bevinden zich buiten de provincie Friesland en daarom mag de klokkenstoel een typisch Fries bouwwerk genoemd worden.

Typisch Fries (foto internet)

Naast deze klokkenstoel heeft oorspronkelijk wel een kerk gestaan, maar die is in 1979 afgebroken. Een miniatuur model staat nu op datzelfde pleintje naast een grafsteen met een informatiebord van Pieter Klazes Pel.

Een replica van de oorspronkelijke kerk
Informatie naast de grafsteen van deze bijzondere man

Deze Pieter Klazes Pel (1797-1878) was hoofdbestuurslid van de Friesche mij. van landbouw, gemeenteraadslid en werd in 1855 tot wethouder verkozen. Aanvankelijk was hij ‘genees-, heel- en vroedmeester’ in Oenkerk maar na overlijden van zijn echtgenote en de pasgeboren tweeling vestigde hij zich in 1821 als huisarts in Drachten. Hij was een veelzijdig man en heeft veel voor de ontwikkeling van Drachtstercompagnie en de wijde omgeving gedaan. Hij ‘wordt door velen nog lang dankbaar herdacht’. Bijzondere mensen vind je echt overal.

Loop mor deur!

Veenwandeling

Knp: 54-44-43-42-21

Volgens de deskundigen hebben we te maken met de op één na natste lente ooit gemeten. Over het hele land viel 254 millimeter regen, tegen normaal maar 157 millimeter. Alleen in 1983 hebben we een nog nattere lente gehad. Ook was de lente record warm met een gemiddelde temperatuur van 11,7 graden tegen 9,9 graden normaal. Dat staat gelijk aan het record gemeten in de lente van 2007. El Niño. het natuurverschijnsel waarbij het zeewater voor de kust van Peru en Ecuador opeens heel sterk opwarmt, waardoor het hele weer op zijn kop komt te staan, heeft zeer waarschijnlijk een rol gespeeld in de natte lente dit jaar. Inmiddels is deze lente overgegaan in een even natte en zeer wisselvallige zomer. Het wil nog niet zo lukken met de zon en de warmte op een enkele uitspatting na.

De waterdruppels zijn nog zichtbaar 😉

We moeten onze momentjes om te wandelen daarom zorgvuldig plannen. Vandaag lijkt het in ieder geval een vrij droge dag te worden, dus we trekken onze wandelschoenen aan en kiezen voor een korter stuk op onze route, n.l. van Drachtstercompagnie naar Houtigehage. Daarmee lopen we in de ‘Friese plus’ van het pad rondom onze gemeente. 

Drachtstercompagnie is in de tweede helft van de 18de eeuw ontstaan uit een paar gehuchtjes aan het water. Aan het einde van die eeuw meldde een beschrijving dat er in het oosten een grote uitgestrektheid aan ‘hoog en vergraaven Veenland, naast aan de Drachten, tot aan de Ommelanden uitloopt, onder den naam van Folger Veenen’, het huidige Drachtstercompagnie met een ‘verscheidenheid van buurten en huizen.’ Na afloop van de verveningen in deze hoek trokken de meeste veenarbeiders verder naar plaatsen waar nieuw werk lag te wachten. Net als andere dorpen heeft Drachtstercompagnie haar naam eigenlijk te danken aan de vervening.

Kleur tussen het groen (RK)

De verveners, verenigd in de ‘Drachtster Compagnie’ lieten vaarten en wijken graven om het veen droog te leggen en vervolgens om de turf te winnen en te vervoeren. Terwijl de oprichters van de Compagnie steenrijk waren, waren de turfstekers zelf vaak straatarm. Ze woonden in primitieve hutten van zoden en plaggen, zogenaamde spitketen. Zelfs vrouwen en kinderen moesten helpen met het zware werk om te zorgen dat het gezin kon rondkomen. In het begin van de negentiende eeuw was het landschap grotendeels in cultuur gebracht. Langs de vaart werden boerderijen gebouwd, waar de arbeiders gingen werken. Het werd nu ook echt een dorp, waarbij de verschillende buurtjes langzaam maar zeker naar elkaar toe groeiden.

Aan de Aldewei in Drachtstercompagnie staat sinds 1989 een kunstwerk dat de geschiedenis van het dorp weergeeft. De drie gestapelde hardstenen rechthoeken verbeelden de lagen turf, die als het ware uit de grond steken. De roestvrijstalen buizenconstructie houdt de lagen gescheiden en omkaderd de hardstenen vorm. 

‘De gelaagdheid van turf’ van Henk Rusman (internet)

We starten aan de rand van het dorp en lopen bijna meteen een bospad op richting Rottevalle. We lopen langs bospaden, maar ook veel over fietspaden langs de weg. Een koppeltje zwanen trekt onze aandacht. Een symbool voor de liefde, want ze zijn één van de weinige diersoorten die monogaam zijn. Wanneer de partner overlijdt, nemen ze ook echt de tijd om een nieuwe relatie aan te gaan. Grappig weetje: volgens een oude wet is het staatshoofd van het Verenigd Koninkrijk eigenaar van alle knobbelzwanen in Engeland en Wales. In de middeleeuwen (en nu nog steeds) was zwanenvlees een delicatesse voor de rijken; zo is de wet ontstaan. Ik heb nog nooit ergens zwanenvlees op het menu zien staan, maar wij behoren dan ook niet tot de rijken ;).

De koninklijke zwaan (RK)
Vissers in de regen (RK)

Rottevalle is ontstaan in het midden van de 17e eeuw en bestond toen uit niet veel meer dan een herberg, een bierbrouwerij en een molen. Alles wat belangrijk is om te kunnen overleven in het veen …… alhoewel een kerk ook beslist belangrijk was, want de mensen hadden een enorm ontzag voor het veen. Hier huisden goden en geesten die je maar beter gunstig kon stemmen. Het veen/moeras was moeilijk toegankelijk en behoorlijk angstaanjagend, zeker bij nacht, en werd liever gemeden. De vaak voorkomende grondmist droeg nog bij aan het griezelige karakter.

Coulissenlandschap (RK)

De naam van het dorp komt van de sluis die door haar vorm de bijnaam Rattenval had. Tot 1956 liep het riviertje de Lits nog dwars door het dorp. In dat jaar werd dat deel van de Lits gedempt en om het dorp gelegd. Het is een pittoresk dorp met in het hart van het dorp de monumentale Herberg van Smallingerland, een rijksmonument met de sfeer van weleer. Het bouwjaar zou, volgens de datering in een houten stijl, 1791 kunnen zijn, maar dit jaartal kan ook refereren aan een verbouwing of een andere gedenkwaardige gebeurtenis. Zeker is wel dat er op de locatie van De Herberg al in 1734 een pand stond waar pachtgeld geïncasseerd werd.

Straatje in Rottevalle
Graffiti in het fietstunneltje

Na Rottevalle is het verder richting Houtigehage. Deze plaatsnaam zou zijn afgeleid van smalle stroken land (hage) die met houtige struiken waren begroeid. Rond 1900 heerste er veel armoede in en rond Houtigehage. De bewoners woonden in spitketen en het analfabetisme was hoog. In deze tijd trok predikant Johannes Antonie Visscher met zijn vrouw en een kofferorgeltje in een kruiwagen hier door het gebied om geïmproviseerde kerkdiensten te houden. Naast preken bekommerde hij zich ook om de erbarmelijke sociale omstandigheden. Een gedenksteen in de kerk met zijn naam herinnert hier aan. 

Ter herinnering aan ………
Aanwijzingen te over

Pas halverwege de twintigste eeuw werd de turfwinning uiteindelijk weggeconcurreerd door de opkomst van andere fossiele energie, zoals olie en gas.

Een kleine wijngaard vlakbij Houtigehage

De voorwerpen en lichamen die bij de turfwinning tevoorschijn kwamen, zijn niet bij toeval in het veen terechtgekomen. Je verwacht namelijk weinig in het moeras te vinden omdat de oude nederzettingen en begraafplaatsen zich op de hogere zandgronden bevonden. De mens had uit economisch oogpunt immers niet veel te zoeken in de gevaarlijke en onbewoonbare moerassen. De meeste in het veen gevonden voorwerpen zijn individuele vondsten, het gaat steeds om één voorwerp. Bovendien gaat het meestal om min of meer complete voorwerpen die nog goed bruikbaar waren op het moment dat ze in het veen terechtkwamen en dus een bepaalde waarde vertegenwoordigden. Dit betekent zeer waarschijnlijk dat ze er bewust neergelegd zijn en dit kan alleen gebeurd zijn als een offer. Je offert aan een hogere macht in de hoop daarvoor iets terug te krijgen. Dit kan variëren van regen, een goede oogst en gezondheid tot een omvangrijk nageslacht. Of de belofte een dankoffer te brengen als aan de wens of behoefte is voldaan of wanneer een bepaald probleem verholpen is. Regelmatig zijn bij het turfsteken ook menselijke resten in het veen gevonden. In die gevallen werd meestal onmiddellijk de politie erbij gehaald, omdat men in eerste instantie uitging van een recente misdaad. Veel later werd bedacht dat de dood mogelijk in een ver verleden kon zijn ingetreden. Maar of het hier dan ook om offers gaat? 

Huisje ter vervanging van de spitkeet
Nu museum ‘t Wâldhûske

Het is ook vreemd om je te bedenken dat er zo’n drie eeuwen geleden nog werd gecontroleerd op de grens tussen Groningen en Friesland. In de eerste helft van de 18de eeuw was een groot deel van de grens tussen het Groninger Westerkwartier en het aangrenzende Friesland min of meer een niemandsland. Pas in 1737 zouden de grenzen tussen beide provincies officieel worden vastgelegd. Vanaf Groningen liep een aantal verbindingen door het Westerkwartier naar Friesland, waarvan eentje tussen Trimunt en Rottevalle. Dit pad, een smokkelroute, liep achter Drachtstercompagnie langs door het veen. Bij het grensdorp Frieschepalen waren drie ‘cherchers’ gestationeerd, een  soort belastingambtenaren die ervoor moesten zorgen dat er geen zaken, waarop invoerbelasting werd geheven, over de grenzen zouden worden gesmokkeld. In totaal waren er hier in de buurt slechts zes van dergelijke beambten wat niet veel is voor een groot, onoverzichtelijk grensgebied. De ‘sluikers’ (smokkelaars) noemden zichzelf ‘passagiers over de heide’ en riepen de cherchers op zich vooral niet te bemoeien met hun nachtelijke tochten. 

Smokkelverhalen op de grens tussen Groningen en Friesland (internet)

Een veenwandeling lijkt door zulke verhalen wel wat op een avonturentocht. Het heeft wel iets om al wandelend de verhalen te ontdekken over een bepaald gebied en zo (nog) beter te begrijpen hoe het landschap om ons heen is ontstaan en gevormd.  

Als wolken drijven ……..

Knp: 42-43-26-25-27-24-23-29-22-21-16-17-18

De titel is een eerste regel van een haiku, een kort Japans gedichtje van drie regels met een ritme van 5-7-5 lettergrepen. In de 17e eeuw is de eerste haiku in deze vorm gemaakt door een zenboeddhist. Omdat het zenboeddhisme één van de ‘strakkere’ vormen van boeddhisme is, is het ook niet verwonderlijk dat er zeer strikte regels zijn waar een haiku aan moet voldoen. De hele haiku gaat trouwens als volgt: ‘Als wolken drijven – soms mijn gedachten voorbij – ijl en ongrijpbaar’ (Catherine Boone). De Japanse cultuur gebruikt de haiku o.a. om de kalmte van de natuur te overdenken. De haiku gaat over een momentopname en beschrijft alleen de pure waarneming, dus geen emoties, gevoelens of conclusies en kent geen rijm (dat leidt af). Haiku’s zijn bovendien mindful (opmerkzaam).

Prachtige details (RK)

Wolken zijn vandaag het sleutelwoord. Na een record natte april en mei leek juni even wat droger te beginnen. Maar ook de afgelopen dagen was het meer ‘zonnebril op of af en  paraplu in of uit de kast’. Gelukkig belooft het vandaag in ieder geval een praktisch droge dag te worden, alhoewel zeker niet wolkenloos en ook redelijk fris met 14 graden C. We gaan ervoor! Voor de zekerheid nemen we wel een regenjas mee en verder hullen we ons in de gebruikelijke laagjes, zodat we op alles voorbereid zijn. We gaan lopen als ‘een Japans gedicht – de natuur in drie regels – een foto van taal’ (Jolanda Pikkaart). Ik heb waarschijnlijk wel wat meer regels nodig om de natuur en de wandeling van vandaag te beschrijven, maar de foto’s en de taal vertellen wel samen ons verhaal ;).

Zomaar ‘echte’ wegwijzers van ons pad onderweg

We starten vlakbij Lucaswolde ergens op de weg Beldam en lopen eigenlijk meteen over een loopplank het achterliggende (wei)land in. Het is hier weids en verrassend met aan beide kanten bermen vol bloeiende bloemen en grassen. ‘De vlinder fladdert – strijkt neer op de wilde roos – proeft zoete nectar (Braedon Stenson). Het pad loopt iets ongelijk, waardoor je wat langzamer moet lopen, maar dat is beslist geen straf. Er is genoeg om van te genieten.

De bermen springen in het oog
Klaprozen in het geel

Het is stil om ons heen en kennelijk zijn wij ook stil genoeg, want we worden opeens opgeschrikt door een opvliegende reiger die kennelijk erg geconcentreerd was op het water voor hem of haar. ‘Van zijn spiegelbeeld – ontvangt de blauwe reiger – een gevangen vis’ (Siem van den Nieuwedijk). Wat een grote vogel is het van zo dichtbij!

Wandelen tussen de weilanden (RK)

Even later vervolgen we onze weg over de Leidijk. Gedurende een groot deel van de route zullen we deze leidijk volgen of kruisen. Een leidijk is de grens tussen het hoogveen- en het laagveengebied. Vanaf de middeleeuwen is al begonnen met de vervening (turfwinning) van het zuidelijk Westerkwartier. De lager gelegen gedeelten ondervonden last van het uit het hoogveen afkomstige water. De Leidijk is dus daadwerkelijk een leidijk, een oude binnendijk die werd aangelegd om het water uit de hoger gelegen gebieden veengebieden ‘te keren en te geleiden’.

Nieuwsgierige (dikbil)koeien komen even kijken

Tot nu toe is dit zeker een verrassende wandeling in een heel mooi stukje van onze gemeente. We lunchen op een prachtig plekje aan een groot water. Is dit al de oude pingoruïne of komt die pas later? In ieder geval lopen we langs een bosachtig pad langs de oevers richting het Curringherveld bij Kornhorn. ‘Dicht bladerdak – de boslaan een weg – naar ruimte en licht’ (Carla Mostert). 

Haast met de voeten in het water …..

Het Curringherveld wordt omschreven als één van de parels in het Westerkwartier, een uniek en oud cultuurlandschap waarin de mens een grote hand heeft gehad. In 1997 kreeg Staatsbosbeheer het Curringherveld in eigendom waarna er samen met de bewoners van het dorp een plan is gemaakt voor een multifunctioneel gebied op een manier dat de geschiedenis weer tot leven kwam. Oude naamsaanduidingen leveren geen eenduidige verklaring op voor de plaatsnaam Kornhorn op. Voor de hand ligt: korenhoek, maar vroegere namen als Corriger Sandt en Curringehorn wijzen op een afleiding van een persoonsnaam. De naam Curringherveld komt uit het boek ‘Van Curringhe en Korhoenders, een geschiedenis van Kornhorn’ uit 1994. De naam ‘Curringhe Horne‘ werd voor het eerst genoemd in een stuk uit circa 1600, de naam Kornhorn valt echter pas in 1808. In 1828 bracht een schoolmeester uit de buurt Curringhe in verband met de jacht op korhoenders omdat ‘dit wild hier in menigte verkeerde’…

Voor kinderen zijn de natuurpaden een belevenis op zich. De kleinsten kunnen op zoek naar kabouters, ben je iets ouder dan kun je hier van alles leren over de natuur en het weer en voor kinderen vanaf 11 jaar is er het spannende sporenpad, waarbij je (avontuurlijk) op zoek gaat naar dierensporen. Alle paden lopen langs een ouderwetse vuurplaats waar alle kinderen ‘stokbroodjes’ kunnen bakken. Succes verzekerd!  Vandaag zijn er geen kinderen. We zien echter wel een spitkeet (plaggenhut) en zien ooievaars op een nest die het druk hebben met hun jongen. ‘Ooievaars geland – dansende silhouetten – vleugels wapperen’ (Roeland Schweitzer). Ooievaars leven meestal in de nabijheid van mensen, want ze nestelen bij voorkeur op menselijke bouwsels. In veel volksverhalen figureert de ooievaar als brenger van geluk en nieuw leven. In het midden van de jaren ’70 was de ooievaar zo goed als verdwenen uit Nederland, maar samen met vrijwilligers heeft Vogelbescherming voorkomen dat de soort als broedvogel in Nederland uitstierf en inmiddels komt de vogel niet meer voor op de Rode Lijst. We zien ze dan ook regelmatig tegenwoordig.

Brengers van geluk en nieuw leven (RK)

Het gehuchtje Snipperij ligt tussen Kornhorn en Noordwijk en is eigenlijk niet veel meer dan een doodlopend weggetje. De oorsprong van de naam Snipperij is niet zeker. De naam zou kunnen verwijzen naar de vogel, maar er is ook een theorie die verwijst naar de familie Snip die oorspronkelijk uit deze streek afkomstig zou zijn. Een derde verklaring is het feit dat op de kaart de kavelpatronen van Doezum en Lucaswolde bij de Snipperij onder een scherpe hoek bij elkaar komen. Zulke taps lopende percelen, die door de verschillen van richting van opstrek onder een hoek tegen elkaar eindigen, heten Sniepen. Ter verduidelijking: wanneer bestaande kavels grond worden vergroot door het verlengen van kavelgrenzen in onverkaveld land, dan heet dit opstrek en ontstaat een opstrekkende verkaveling. De herkomst van het woord `snip’, zoals in de vogelnaam houtsnip, gaat terug naar het eind van de 13e eeuw.`Snippe’ betekent `punt’. Een `sniep’ in plaatsnamen duidt dan ook op de nabijheid van een stuk land dat in een punt uitloopt.

De jaarringen zijn moeilijk te tellen 😉

De Snipspoel even verderop is één van de mooiste pingoruïnes van het Westerkwartier en daarmee ook weer een pareltje. Pingo betekent heuvel van ijs in de taal van de Inuit. Het zijn heuvels van ijs, doordat het grondwater omhoog werd geduwd en meteen bevroor vanwege de extreme koude tijdens de laatste ijstijd zo’n 15.000 jaar geleden. De heuvels groeiden gestaag. Door de groei barstte de opgetilde bodem open en kon zonlicht bij de ijslens komen. Met name in de zomerperioden ontdooide de opgetilde bodemlaag en vormde samen met het smeltwater van de ijslens een modderbrij die langzaam langs de helling naar beneden zakte. De hoogte van de pingo’s varieerde waarschijnlijk tussen de 40 en 50 meter en ze hadden doorsneden van 75 tot 200 meter. Na de ijstijd, zo’n 10.000 jaar geleden verdween de bevroren bodem en smolten de ijslenzen. Hierdoor bleven laagtes achter in het landschap. Pingoruïnes liggen nu vaak als ronde waterplassen is het landschap en zijn meestal beschermde stukjes natuur met veel vogels, vlinders en insecten. Een fijne plek om even te stoppen en te  genieten van het moois om ons heen. 

De opvallende witte vlierbloesem bloeit uitbundig

Hiermee rest ons vandaag nog een laatste parel aan de lange ketting van bijzondere plekjes zo vlakbij. De Jilt Dijksheide, genoemd naar de laatste eigenaar-vervener van dit gebied, is het enige heideveld dat is overgebleven na de turfwinning. Schotse hooglanders en landgeiten helpen het gebied open te houden. We zien ze ook beiden.

Het enige overgebleven heidegebied ……

De landgeit is, voor mij zeker, een bijzonder dier met die enorme hoorns. Vooral de bokken vallen op met hun enorme hoorns die eerst naar achteren en dan zijdelings waaiervormig krommen, waarbij de punten enigszins naar boven zijn gericht. De bokken hebben meestal een bokkenpruik, die vooral bij jonge dieren goed uitkomt, een wipneus, een sik en lange, afhangende lichaamsbeharing.

Imposante geiten (RK)
Compleet met bokkenpruik (RK)

We hebben echt genoten deze route!  De haiku ‘Dagen wandelen – vriendschap is mijn metgezel – in de wolken lopen’ (Henk Vijver) geeft een goede impressie van deze dag vol wolken in de letterlijke en symbolische betekenis van het woord. 

Langs de houtwallen

Knp: 21-38-34-31-81-80-77-74-75(of 73)-72

We lopen vandaag nog steeds in het zuidelijk Westerkwartier, want de A7 is niet, zoals ik eerst dacht, de scheiding tussen het zuidelijk en het noordelijk deel. Hoe zit het dan? Sinds het midden van de 19e eeuw wordt onderscheid gemaakt tussen het noordelijk Westerkwartier (Middag en Humsterland met de voormalige gemeenten Aduard, Ezinge, Grijpskerk, Hoogkerk, Oldehove en Zuidhorn) en het zuidelijk Westerkwartier (Langewold en Vredewold, met Grootegast, Leek, Marum en Oldekerk). Het zuidelijk Westerkwartier kenmerkt zich door een kleinschalig coulisselandschap met houtwallen. Het gebied vormt, landschappelijk gezien, een voortzetting van de Friese Wouden, vandaar dat het in de 19e eeuw ook wel de Groninger Wouden (Fries: Grinzer Wâlden) werd genoemd. 

Van het noordoosten naar het zuidwesten lopen in het Westerkwartier de gasten (brede zandruggen) met daarop verscheidene dorpen in het groen. Voorbeelden daarvan zijn o.a. Nuis, Niebert en Marum maar ook de brede omgeving van Opende en Doezum. Laat deze wandeling ons nou precies vanaf Houtigehage naar Opende voeren waar deze houtwallen, langgerekte aarden wallen met een aaneengesloten beplanting van verschillende houtsoorten, sterk vertegenwoordigd zijn. Deze houtsingels vormen een natuurlijke afscheiding tussen graslanden. Voor de natuur en biodiversiteit zijn deze singels heel waardevol. Bescherming van dit coulisselandschap is inmiddels nodig, want vroeger maakten de houtsingels deel uit van het boerenbedrijf. Ze leverden ‘geriefhout’, brandstof en werden gebruikt voor veekering, maar tegenwoordig is dat niet meer zo. 

De sering bloeit volop onderweg

We starten in Houtigehage maar lopen een andere route dan volgens het boekje. De route is met het in gebruik nemen van wandelknooppunten in dit traject verlegd. Wij varen er wel bij, want ik denk dat deze (nieuwe) wandeling veelzijdiger en aansprekender is. 

De bekende aardappelruggetjes op de velden (RK)

Houtigehage is een heidedorp dat tot in de eerste helft van de 18de eeuw bestond uit hoge venen. De venen zijn kort daarna voor de turfwinning afgegraven. Toen dit in het midden van de 18de eeuw min of meer voltooid was, werd het geruïneerde landschap aan zijn lot overgelaten en ontwikkelde zich hier een heidegebied. Het dorp bestond toen eigenlijk uit niet meer dan een ongeordende en verspreid liggende verzameling spitketen (plaggenhutten). De naam ‘spitkeet’ komt van het meestal gebruikte bouwmateriaal, in het Fries ‘heidespitten’, stukken grond met heidewortels.  ‘Een woning ……..!? Niets anders dan een paar muren van plaggen, met vóór in een paar kleine ruitjes, waar de glazenmaker heusch niet veel aan verdiend had’, aldus een dominee over het wonen op de heide in de negentiende eeuw. Armoede troef dus! Tegenwoordig is (lijkt) dat heel anders.

We zijn nog maar net op weg of we lopen langs de Blauwe Dobbe, een waterplas, wat een pingoruïne, een overblijfsel uit de ijstijd, blijkt te zijn. Bij het meer staat het clubhuis van de ijsvereniging ’Fan Twa Ien’, waar, indien mogelijk, een marathontocht met 50 rondjes van 500 meter georganiseerd wordt. Het blijkt dat ze ook in de overige maanden niet stil zitten. Er zijn een groot aantal mensen bezig met radiografisch bestuurbare bootjes, van zeilboot tot zandzuiger, op het water. Hoewel een bijzonder gezicht, vragen wij ons wel voorzichtig af waarin het echte sportgevoel dan toch zit? Die ‘pure pracht en pret’ van een sport is kennelijk slechts te begrijpen voor de insider, want ik lees in een blog: ‘RC-boten zijn een sport op zich. De snelheid, het geluid en het ongehinderd doorklieven van het wateroppervlak……..wat is er leuker dan varen met een radiografisch bestuurbare boot als het weer het toelaat?’ 

Het is heerlijk wandelweer!
Wat is er leuker dan …….. (RK)

Het is heerlijk (wandel) weer en lopen door een waterrijke omgeving met mooie doorkijkjes.

Mooie doorkijkjes
Landelijke route (RK)

Regelmatig zien we kuddes Schotse hooglanders; ruig, indrukwekkend en nog dik in hun vacht. We lezen en leren dat hooglanders in een sociale kudde leven. Ze blijven altijd kijken naar de andere dieren in de kudde en zorgen voor elkaar. Zo liggen kalfjes bij elkaar in de crèche met één koe dicht in de buurt. De oudste koe van een kudde is de leider. Zij bepaalt waar er gegraasd wordt, wanneer er gedronken wordt en wanneer het tijd is om te rusten. Het zijn gewoontedieren die houden van routine. Ze zoeken bomen om zich even aan te schuren en in een warme periode vinden ze het fijn om in het water te staan om het lichaam af te koelen.

Imposante dieren

Later op de route, bij Opende, zien we zelfs een grote kudde waterbuffels. Die zie je hier niet zo vaak, toch? Het blijkt een kudde te zijn van een veeboer, die eigenlijk het liefst mozzarella wil produceren en dus zelf waterbuffels houden. Rondom de boerderij lopen nu zo’n 20 waterbuffels. Deze dieren grazen, als de omstandigheden het toelaten, dag en nacht buiten. Ze eten gras, hooi en graskuil van eigen grond en gedijen prima in een waterrijke omgeving. Dankzij hun gespreide hoeven zakken ze niet te ver weg in de drassige grond. Een bijzonder verhaal, misschien de volgende keer toch een mozzarella meenemen uit Opende?

Waterbuffels bij Opende (foto internet)

Onderweg zien we ook nestkasten op hoge palen in het veld die bedoeld zijn voor de torenvalk. De torenvalk was lange tijd de meest voorkomende roofvogel in Nederland, maar staat tegenwoordig op de ‘rode lijst’ van vogels. Het is een uitgesproken jager vooral op veldmuizen en is goed te herkennen aan zijn manier van jagen: stil hangend of biddend in de lucht. Met dit bidden wordt de vleugels snel heen en weer bewogen. Deze vogel broedt graag in nestkasten in open land. Hij bouwt dus zelf geen nesten, maar gebruikt een oud kraaiennest of een speciaal daarvoor gemaakte (torenvalk) kast, zoals hier. Zulke weetjes geven beslist iets extra’s aan het wandelen in de omgeving.

Als je heel goed kijkt zie de nestkast naast de grote boom in de verte

Langzamerhand komen we bij Opende, het meest westelijk gelegen dorp van de provincie Groningen en één van de weinige Groningse dorpen waar Fries gesproken wordt. De plaatsnaam is een verwijzing naar de ligging: op (= aan) het einde van de weg van Grootegast naar Friesland. Grappig is dat er in 2011 twintig ‘buitengewone berichten over het dagelijks leven in het Groningse dorp Opende’ verschenen in NRC Handelsblad. Volgens de redactie was de keuze voor Opende willekeurig. Een gemiddeld dorp, ver buiten de Randstad, geen doods dorp waar alleen de oudsten achterblijven en geen toeristisch dorp dat door buitenstaanders wordt overspoeld. Hun beschrijving van Opende is als volgt: ‘Weilanden, bomenrijen en houtsingels bepalen hier het uitzicht. Karige bebouwing valt in het niet bij veertien kleuren groen. Stemmen zijn schaars waar de wind heerst en het gras buigt. Noodweer zie je van verre naderen. Hier vegen ze nog de stoep en ook de stoep van de buurvrouw die slecht ter been is. Ze groeten onophoudelijk iedereen, ook vreemden. Kort: ‘Hoi.’ Kort is niet kortaf.’ Klinkt goed!

Het toegangshek van het Blotevoetenpad

Wij lopen Opende niet echt in, maar lopen het laatste stuk over het Blotevoetenpad of zoals ze hier zeggen ’t Blôde Fuottenpaad’. De naam zegt het al: schoenen en sokken uit en lopen op je blote voeten door modder, water en gras. Het idee voor het pad is ontstaan door het verhaal van een mevrouw die vroeger het pad liep van haar huis naar de kerk in het dorp.

Een herinnering aan lang geleden…….
Onderweg even uitrusten in de hangmat
Deze uitdaging laten we vandaag toch even links liggen (RK)

We horen dat er steeds meer van dit soort paden ontstaan. De filosofie achter deze blotevoetenpaden is dat de wandelaars, door letterlijk de ondergrond te voelen, zich bewuster zijn van hun omgeving. Er is wetenschappelijk bewijs dat wanneer je je voetzolen direct contact laat maken met de grond, je stofwisseling beter gaat werken, wat onder meer weer leidt tot een betere nachtrust en een goede weerstand. Verder stimuleert regelmatig blootsvoets lopen op diverse ondergronden niet alleen het hart en de bloedsomloop maar regelt het ook de bloeddruk. Mocht dit allemaal nog niet voldoende zijn, op blote voeten lopen is ook goed voor je evenwicht en een goed ontwikkeld gevoel voor evenwicht is goed voor body, mind & soul. Met deze opgedane kennis is het haast jammer dat wij onze schoenen niet hebben uitgetrokken deze keer. Een volgende keer zullen we ons zeker onderdompelen in de totale ‘blote voeten’ ervaring!

Altijd bewust van de omgeving :0 (RK)

Rondom Leek

Knp: 56-55-46-47-54-53-52-51

‘Leren is dingen ontdekken waarvan je niet eens wist dat je ze niet wist.’ Dit citaat van de Amerikaanse hoogleraar en schrijver Daniel Boorstin geeft het sentiment van de wandeling van vandaag goed weer. We lopen namelijk rondom Leek, een dorp waar we toch wel (bijna) alles over denken te weten. De realiteit is anders……….

We starten bij het kunstwerk aan de Kerkweg. Een herdenkingsmonument bestaande uit 32 zwarte balken van metaal die op elkaar liggen en verspringen, waardoor een V-vorm ontstaat. Deze vorm staat symbool voor verzet en vrijheid. Door een aantal onprettige voorvallen in Leek werd in het begin van de jaren tachtig het ‘Jongerencomité tegen Fascisme’ opgericht. Doel was de jeugd te weerhouden van discriminerende acties en voorlichting te geven over rechten en plichten in een democratische rechtsstaat. Vanuit dit Jongerencomité werd begonnen met het jaarlijks organiseren van een Dodenherdenking in Leek op 4 mei. Daarbij werd een centrale herdenkingsplaats gemist. De gedachte aan een herdenkingsmonument was geboren. Het monument moet dus ook waarschuwen tegen fascisme en discriminatie. Dat wordt uitgedrukt door de vorm en de plaats, want ‘de zwarte balken buigen zich eerst beklemmend over de aanschouwer heen, maar gaan halverwege over in ‘vleugels’ die wijd open de lucht in steken. Het monument is nadrukkelijk aanwezig in de omgeving; een daad van verzet.’

Voor verzet en vrijheid

Voor verschillende huizen zien we hier de zogenaamde ‘Stolpersteine’ (struikelstenen). De kunstenaar noemt ze Stolpersteine omdat je erover struikelt met je hoofd en je hart en je moet buigen om de tekst te kunnen lezen. Deze stenen herinneren in dit geval aan de Joden die hier hebben gewoond en zijn weggevoerd. Tijdens WOII zijn er 72 joden weggevoerd uit Leek, waarvan 62 mensen bij een razzia op Sjabbat-avond 27 november 1942 werden opgepakt. Van hen kwam slechts één vrouw uit de kampen terug. Op 27 november 2021 werd in de rozentuin van Nienoord een zaailing geplant van de Anne Frankboom.

Struikelstenen

Onze weg loopt langs de Leekster Hoofddiep richting Zevenhuizen. Leek is genoemd naar het grensriviertje dat hier in de buurt loopt. Toen er van de dorpen Leek en Nietap nog geen sprake was, vormde dit veenriviertje een hindernis die genomen moest worden om van het Noordenveld in het Westerkwartier te komen. Tussen Leek en Nietap was een nauwe doorgang in het veenriviertje, waar je via een doorwaadbare plaats (een voorde) van het hoogveenmoeras bij Nietap naar het laagveen in Leek kon komen. De Leke voerde als regenrivier het overtollige water uit de hoogveenmoerassen af. De Lek, Leke of Leecke, ook ’t Piepke genoemd, is dus de grensbeek, een oude veenstroom, tussen de provincies Groningen en Drenthe. Door het graven van het Leekster Hoofddiep (voor turfschepen) heeft het zijn betekenis voor de afwatering grotendeels verloren. Het Leekster Hoofddiep mondt uit in het Leekstermeer, ook wel het Sultermeer genoemd omdat dit meer tot 1877 in open verbinding stond met de zee en dus zout water bevatte. Grappig detail is dat rondom het Leekstermeer het verhaal van de Leekster Tak opeens opeens naar voren komt. Oorspronkelijk was de Leekster Tak waarschijnlijk een hulsttak met rode bessen. Volgens een legende gingen in de oudheid Germanen al op schaatsen van koeribben naar een vlakbij Leek in het bos gelegen feest- en offerplaats. Daar bewezen zij hun eer aan Ullr, de God van sneeuw en ijs. Op weg naar huis namen zij als talisman dan een hulsttak mee uit het heilige woud die hen moest behoeden voor ongelukken op de terugtocht en de schaarste van de komende winter. Vanaf het midden van de negentiende eeuw tot in de jaren tachtig van de twintigste eeuw konden schaatsers, die over het bevroren Leekstermeer het dorp Leek bereikten, de Leekster Tak halen. Ze deden dit op de terugweg van een schaatstocht vanuit Friesland naar de stad Groningen. Een aantal oude Leeksters (80-90 jarigen) kunnen zich nog herinneren dat vroeger, in plaats van papieren Leekstertakken, nog hulsttakken werden verkocht, die rondom de borg Thedema in Nietap groeiden. Maar toen deze hulstplanten helemaal geplunderd waren door de takkenmakers, werden deze hulsttakken vervangen door papieren kunstbloemen. De tak werd bij de schaatser op de kleding genaaid of op de hoed bevestigd en werd door de schaatsers als een ereteken beschouwd; het was immers geen ongevaarlijke tocht over het Leekstermeer met alle wakken en gaten. Het was echt een felbegeerd souvenir, vergelijkbaar met het huidige Elfstedenkruisje. Bijzonder verhaal!

De Leekster Tak (internet)

Voor onze familie heeft het Leekster Hoofddiep echter een eigen verhaal. We lopen in de voetsporen van (oud)oom Heertze die vanuit hier met rijtuig en paarden naar zijn ontginning ‘Amerika’ ging in de driehoek van de dorpen Haulerwijk, Een en Zevenhuizen. Het plaatsje (buurtschap) is gesticht in 1909 tijdens de ontginning van het grote heidegebied Steenbergerveld en het Eenerveld. Het deel in de voormalige gemeente Norg kreeg de naam Amerika mee. De ontginning van Amerika is grotendeels gerealiseerd door Heertze Jacob Krijthe, geboren 1872 te Oldehove en overleden in 1959 te Nietap. Een halfverharde weg in het gebied wordt ook wel naar hem vernoemd; de Krijthereed. 

Al pratend zien we opeens rechts van ons ‘een juweel in het hart van het Westerkwartier’, de Roomsterborgh. Het statige pand met al haar historische elementen zou zomaar kunnen dateren uit het begin van de vorige eeuw, maar niets is minder waar. Theo Tels ouders hadden een boerenbedrijf op de plaats waar nu de Roomsterborgh staat. Hij nam uiteindelijk het boerenbedrijf over en is tot zijn 28ste boer geweest. Het was voor hem toch niet echt het leven dat hij wilde leven. Lang verhaal kort, Theo begon een bedrijf in landbouwmachines wat heel goed liep, maar waar hij ook niet echt de voldoening in vond. Hij wilde ontwerpen en bouwen. De verkoop van zijn bedrijf gaf hem de financiële middelen om te gaan bouwen op de plaats waar zijn ouders hun boerderij hadden gehad. Een bevriende architect werkte de tekeningen uit. Zo werden de plannen van de Borghoeve werkelijkheid. Het is nu een ontmoetingscentrum, een plek waar kunst, cultuur, theater en muziek samenkomen én waar je fijne gesprekken kunt voeren. Naast de Roomsterborgh staat een complex met 18 huurwoningen, in de stijl van een Limburgse boerenhoeve. De Borghhoeve is, wat de naam al zegt, een schitterende hoeve met privé terrein, prachtige binnenplaats met waterpartij en gebouwd van de hoogste kwaliteit materialen door uitsluitend Noordelijke ondernemingen. Dit alles neergezet door een man met een droom. 

Roomsterborgh

We lopen verder als het ware in een grote boog om Leek heen en zien het dorp groeien met nieuwe wijken zoals de nieuwbouwwijk Oostindie, een ruime, groene en waterrijke wijk aan de zuidkant van Leek. We lopen langs een meertje omgeven door groen en wanen ons beslist niet in een dorp of stad. Dat allemaal ‘op 25 autominuten van het oude stadscentrum van Groningen voor een terrasje of een dag shoppen’. 😉

Kunst in het groen
Mijmeren……
Genieten van een idyllisch plekje

Vanuit Leek naar Tolbert en verder naar Niebert. Het laatste stuk lopen we eigenlijk over het fietspad langs de weg. Beslist minder leuk. Hier hadden we achteraf toch het boekje moeten volgen door ‘bij het handgeschilderde bord ’t Pad linksaf te slaan’, de eeuwenoude verbindingsweg tussen Leek en Marum op. Nu nemen we een kijkje in het witte kerkje van Niebert. Elk nadeel heb z’n voordeel……

De witte kerk van Niebert (RK)

We zien een mooi gelegen wit zaalkerkje op een verhoogd kerkhof dat eind 14e eeuw in opdracht van de abt van Aduard werd gebouwd. Het interieur wordt vooral bepaald door het werk van de Groninger beeldhouwer Caspar Struiwig (1698-1748). In de kerk vind je, naast een prachtig gesneden preekstoel, veel fraai snijwerk op de herenbanken. De zware avondmaalstafel komt uit het Iwema Steenhuis. 

Mooi houtsnijwerk (RK)

Onder de kansel moet een gietijzeren grafplaat uit 1849 liggen met de bekende doodssymboliek: ‘de gevleugelde zandloper die verwijst naar het voorbij vlieden van de tijd, de vlinder als symbool voor de wegvliedende ziel en de slang die zichzelf in de staart bijtend een cirkel vormt (een zgn. ouroboros ). Deze symboliseert de cyclische aard van de natuur, het eeuwige terugkeren en de eenheid van alles.’

Met deze gedachte zijn we aan het einde van de tocht van vandaag. Het Iwema steenhuis, een volgend juweeltje op de route, bewaren we voor de volgende keer!