Knp: 18-14-15-8-11-9-16-92-52-54
Opmerkelijk genoeg leer ik dat ‘onze’ gemeente een eigen dialect heeft en dat het Westerkwartiers (Westerkertiers) van alle Groningse dialecten het meest op het Fries lijkt. Evenals het Fries bezit het Westerkwartiers geen werkwoorden met wederkerende voornaamwoorden. Zo wordt ‘zich wassen’ b.v. ‘hom wassen’, terwijl in de rest van Groningen ‘zuch wassen’ of ‘zok wassen’ gebruikt wordt. Ook het woord voor ‘in’ is in dit gebied ‘ien’, in uitspraak gelijk aan het Friese ‘yn’. Zelfs binnen dezelfde provincie kun je dus al spraakverwarring krijgen ;).
Nu beheers ik geen enkel Gronings dialect, maar met een beetje moeite is het wel te begrijpen. Zo lees ik een ‘Westerkwartiers’ verhaal wat zich afspeelt in het gebied waar we vandaag gaan lopen; de Jilt Dijksheide. ‘Een arme boer woonde in een heel klein boerderijtje met zijn vrouw, een koe, wat schapen en een paar varkens. Al met al geen vetpot! Dat najaar had de boer al een paar keer een witte haas op de Jilt Dijksheide gezien. Een vette haas die de stroper echter steeds te slim af was. Nu het winter was ging de haas op zoek naar voedsel en had de boer hem dicht achter zijn huis gezien. ‘Ik goa dommit nog eemen t veld ien! Die verrekte witte hoas liep hier om en ik zil m kriegen. Mörgen n lekker stukje vlees ien e pan’. Zijn vrouw steekt hem de gek aan. ‘Bist al zo voak achter die hoas aan west. Hij is veul te tuuk veur dij. Butendes, zilst hem niet eens zien ien de snij. Allemoal wit met nander!’
Goed te begrijpen toch?
De Jilt Dijksheide is één van de weinige heidevelden in de provincie Groningen en het laatste heideveld van het Westerkwartier. We zijn nog wat vroeg in het jaar, maar zien toch al een paarse zweem over het land tevoorschijn komen, terwijl een eindje verderop koeien druk bezig zijn het gras tussen de heide weg te grazen.
De naam zegt het eigenlijk al, dit heidegebied was vele generaties in het bezit van de familie Dijk. Jilt Dijk, één van de kinderen uit deze familie, heeft hier nog lang turf gestoken. Pal langs de Jilt Dijksheide loopt een oude trambaan. Deze lijn werd in 1913 aangelegd en onderhield een lijndienst tussen Groningen en Drachten. Het werd later ook wel de Philips-lijn genoemd, omdat deze in Drachten gevestigde firma de lijn gebruikte voor het transport van goederen. De lijn deed nog tot 1985 dienst en werd daarna volledig ontmanteld. Over het voormalige tracé loopt nu een fietspad. We zien op onze wandeling geen restanten van deze oude trambaan, maar het is wel interessant om je te realiseren dat het landschap steeds verandert.
We lopen verder het bos van Trimunt in. De naam Trimunt verwijst naar het klooster In Tribus Montibus (= bij de drie bergen) dat hier in de middeleeuwen heeft gestaan. Van het vrouwenklooster is niet veel bekend, maar oorspronkelijk hoorde het tot de orde van de benedictinessen. In de veertiende eeuw kwam het onder de hoede van het klooster van Aduard en werd het een cisterciënzerklooster. Vandaag de dag is het klooster verdwenen en kan ook niet meer bepaald worden wat de exacte ligging ervan was. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is er op Trimunt een radarstation gebouwd door de Duitsers. De bedoeling was dat deze vliegbasis Leeuwarden zou ondersteunen, maar de basis was niet voor het einde van de oorlog voltooid. De bunkers van deze basis staan nog in het ontginningsbos en zijn half in de grond weggezakt. Ook zijn tijdens de april-meistakingen in 1943 16 bewoners uit de buurt op Trimunt doodgeschoten, waaronder een jongen van 13 jaar. Ter nagedachtenis aan hen is er een monument, omringd door 16 eiken, opgericht op de plek waar de executies hebben plaatsgevonden, waar ze elk jaar op 4 mei nog worden herdacht.
Zo ontdekken we steeds weer iets nieuws en zijn er iedere keer weer verhalen en plaatsen waar we (nog) zo weinig van weten. Dat geeft het wandelend ontdekken van onze gemeente zeker een extra dimensie. Dus we lopen door om een deel van een gedicht van Geert Zijlstra uit 2011 in het Westerkwartiers te citeren: ‘Loop mor deur, met dien kop een e wind, loop mor deur – Loop mor deur, dizzy wereld is dienent, loop mor deur – Loop deur, loop deur, kiek niet achterom – Want ver veur dij uit, lijt e horizon – Soamen onderweegens, de zun die schient – Soamen onderweegens, de wiede wereld ien!’
We lopen letterlijk op de grens tussen Groningen en Friesland. Anderhalve eeuw nadat beide provincies hun grenzen hadden bepaald, werd de scheidslijn in 1874 gemarkeerd met 25 ijzeren grenspalen. Al voor de turfwinning begon waren er in dit ontoegankelijke hoogveengebied grens-geschillen over het weiden van schaapskudden uit de omliggende dorpen. In 1724, gelijktijdig met het vaststellen van de provinciegrens, werd een grens tussen Ureterp (Opsterland) en Smallingerland getrokken: ‘in een rechte lijn tussen de in 1644 gegraven Nautagreppel en de Puntpaal’. Ureterp krijgt er een hele punt bij. Het is mogelijk dat de Puntpaal zijn naam aan deze gebeurtenis ontleent, maar het zou ook kunnen dat deze paal op dit punt al eerder een oude grensmarkering vormde. Zo’n 150 jaar later zijn er van de 25 palen 4 palen verdwenen, maar is de rest nog terug te vinden in allerlei gedaantes: van prachtig, historisch verantwoord, gerestaureerd of fantasievol opgeschilderd tot volkomen vervallen en onttakeld. Wij lopen langs De Puntpaal. Deze ligt aan de Scheiding (Skieding) waar deze de Leidijk kruist en markeert ook de plaats waar vier gemeenten bij elkaar komen: Grootegast en Marum aan de Groningse kant en Opsterland en Smallingerland aan de Friese kant. Dit is één van de gerestaureerde palen, strak wit in de verf met aan beide kanten een provincieschildje en het nummer (nr 13) duidelijk zwart geverfd. Voor de oude grenspalen was destijds bepaald dat het provinciewapen aan de kant van het eigen grondgebied moest zijn aangebracht in tegenstelling tot de provinciegrens van nu.
Het laatste stukje van onze wandeling lopen we vandaag in Friesland. De grootschalige vervening in de omgeving van Drachtstercompagnie is in de zeventiende eeuw gestart vanaf de Noorderdwarsvaart in Drachten en heeft zich steeds verder uitgebreid tot aan ‘De Skieding’, de grens met de provincie Groningen. In 1641 kwamen ook Hollandse geldschieters naar hier. Er werden vaarten en dwarsvaarten gegraven en loodrecht op die dwarsvaarten werden weer brede sloten in het veen gegraven, de zogenaamde ‘wyken’ (wijken). Het veen waterde op deze wijken af waarop de met ‘bruin goud’ volgeladen pramen en skûtsjes de turf konden vervoeren naar de nieuwe eigenaren. Een hele bedrijvigheid in die tijd. Veel van die ‘wyken’ bestaan nog en geven een beeld van hoe het landschap er toen uitgezien moet hebben.
In Drachtstercompagnie lopen we langs een begraafplaats met een prachtige klokkenstoel, een stellage waarin een (of meerdere) klok hangt, bedoeld ‘om de doden te beluiden’. De klokkenstoel als losstaand bouwwerk dankt zijn ontstaan waarschijnlijk aan het feit dat bepaalde gebieden in Friesland te arm waren, of de gemeenschappen te klein, om een eigen kerk te bouwen. Soms werd er een kerkje gebouwd zonder toren en werd de klok in een aparte klokkenstoel geplaatst. Slechts enkele klokkenstoelen bevinden zich buiten de provincie Friesland en daarom mag de klokkenstoel een typisch Fries bouwwerk genoemd worden.
Naast deze klokkenstoel heeft oorspronkelijk wel een kerk gestaan, maar die is in 1979 afgebroken. Een miniatuur model staat nu op datzelfde pleintje naast een grafsteen met een informatiebord van Pieter Klazes Pel.
Deze Pieter Klazes Pel (1797-1878) was hoofdbestuurslid van de Friesche mij. van landbouw, gemeenteraadslid en werd in 1855 tot wethouder verkozen. Aanvankelijk was hij ‘genees-, heel- en vroedmeester’ in Oenkerk maar na overlijden van zijn echtgenote en de pasgeboren tweeling vestigde hij zich in 1821 als huisarts in Drachten. Hij was een veelzijdig man en heeft veel voor de ontwikkeling van Drachtstercompagnie en de wijde omgeving gedaan. Hij ‘wordt door velen nog lang dankbaar herdacht’. Bijzondere mensen vind je echt overal.
Loop mor deur!




























































