Cisterciënzer monniken (WK+ Pad)

Aduarderdiep – Fransum: knp 99-92-66

Fransum – Aduard: knp 66-63-11-93-24-9

Terwijl het in het zuiden van Europa enorm warm en kurkdroog is met alle gevolgen van dien, is het ‘bij ons’ wat aan de koude kant met zo’n 18-20 graden. De zon heeft moeite om door de vele lagen bewolking heen te breken en er is regelmatig kans op regen meer. Volgens het KNMI wordt het echter vandaag waarschijnlijk de beste dag van de week met weinig kans op een bui. Ideaal om de wandelschoenen weer aan te trekken.

Wandelen door Middag (RK)

We lopen hoofdzakelijk door het voormalige eiland Middag, onderdeel van het oudste cultuurlandschap van Nederland: het Nationaal Landschap Middag-Humsterland. De oorsprong van Middag-Humsterland gaat terug naar voor de jaartelling. Zandplaten onder de Waddeneilanden ontwikkelden zich tot kwelders met kweldergras. Een ideale plek voor de eerste bewoners met hun schapen en koeien. Het enige nadeel was dat deze kwelders vaak overspoeld werden door het zeewater. Om hier toch te kunnen leven bouwden de mensen brede heuvels (wierden), waarop ze hoog en droog konden wonen. Door een aantal grote inbraken van de zee ontstond de Lauwerszee. Het water dat vanuit de Lauwerszee via zijgeulen landinwaarts stroomde, vormden de twee schiereilanden Middag en Humsterland. Tussen 1200 en 1700 verdwenen de geulen die de twee eilanden van het vaste land scheidden langzaam en werden Middag en Humsterland weer één geheel. Tegenwoordig verraden de kleine percelen, de kronkelende weggetjes, het weidse landschap, de eeuwenoude dijken, de slingerende sloten en geultjes en de nog altijd bewaard gebleven wierden deze rijke geschiedenis.

Onderweg

We lopen genietend over de steeds van richting veranderende fietspaden door de weilanden en proberen de verschillende wierden in het landschap te ontdekken. Op afstand zie je de licht glooiende groene heuveltjes in het verder zo vlakke land nauwelijks liggen. Mooi beschreven klinkt het als: ‘De wierden liggen hier als een kralenketting langs de hogere oevers van de grootste oude waterlopen’.

Op weg naar de Medenertilsterpolder (RK)

Bij het buurtschap Beswerd lopen we de Medenertilsterpolder, een oud agrarisch cultuurlandschap, in. Cultuurhistorisch van grote betekenis omdat het nog alle sporen draagt van haar ontstaan in de middeleeuwen. Om ook in ecologisch opzicht de betekenis ervan te vergroten, heeft de provincie Groningen de opdracht gegeven om van de polder een hoogwaardig weidevogellandschap te maken met vooral aandacht voor bedreigde weidevogels zoals de grutto en de tureluur. De grutto is tenslotte onze nationale vogel! De meeste landen van Europa hebben een Nationale Vogel, een vogel die symbool staat voor het land en vaak door het volk gekozen omdat ze populair en kenmerkend zijn voor hun land. Waarom dan de grutto voor ons? De grutto gedijt waar het boerenbedrijf nog ruimte laat voor natuur. De grutto is daarmee de ambassadeur van agrarisch land waar productie en natuur in balans zijn. Bovendien broeden er nergens in Europa zoveel grutto’s als in Nederland.

De grutto ter herkenning 😉 (foto internet)

Ondertussen zien we in de verte het torenhaantje van het Fransumer kerkje boven de bomen omhoog steken. Dit kerkje is gebouwd door de monniken van het cisterciënzer klooster van Aduard. Rondom lagen de landerijen van het klooster. Vermoedelijk heeft er nooit een dorp om de kerk gelegen. Een bijzonderheid in deze kerk is de gemetselde bakstenen preekstoel uit de Middeleeuwen. Nederland kent maar weinig preekstoelen van steen en dit is de enige in de provincie Groningen. De omgeving van het Fransumer kerkje inspireerde ook De Ploeg schilders getuige een reproductie van Johan Dijkstra (ca 1930) langs ons pad. Dit is een onderdeel van de fietsroute ‘in het spoor van de ploeg’ met als doel om de kunst zichtbaar te maken en met ‘een Ploegblik’ naar het Groninger land te kijken. Dat proberen we! 

Kerkje van Fransum (foto internet)
Gezicht op de kerk van Fransum van Johan Dijkstra
Gezicht op Fransum (RK)

Ons volgende punt van interesse is het kerkje van Harkema. Midden in het land, in de driehoek Aduard, Den Ham en Fransum, staat het kerkje Harkema dat eigenhandig werd gebouwd door boer Albert Harkema (en vrijwilligers). De naburige boerderij staat op een plek waar in het verleden een boerderij heeft gestaan die van het klooster van Aduard was. Naar eigen zeggen heeft dat feit Harkema mede geïnspireerd om in zijn vrije tijd eerst de gracht om zijn boerderij uit te diepen en te vergroten (een karwei dat hem ruim 30 jaar kostte) en vervolgens een miniatuurversie te maken van een kop-hals-romp boerderij als onderkomen voor de eenden. Daarna besloot hij er een kerk bij te bouwen, waarvan de bouw 13 jaar duurde, compleet met orgel, preekstoel, kerkbanken, Mariabeelden en andere toebehoren. Aanvankelijk wilde hij alleen een toren bouwen (voor de duiven). Na de bouw van de kerk besloot hij er ook nog een theehuis bij te bouwen in de stijl van de kloosterkerk in Aduard. Bij aankomst springen direct het vrijheidsbeeld, dat staat voor ‘de vrije boer’ en de adelaar, ‘vechten tegen de overheid’, in het oog. 

Kerkje van Harkema
Symbolisch voor de ‘vrije boer’ (RK)
Verstilling (RK)

Aduard is ons eindpunt van vandaag. Hier zijn heden ten dage nog slechts restanten te vinden van het ooit zo imposante klooster. In de middeleeuwen waren kloosters samen met de kerken, steenhuizen en de grotere boerderijen de enige stenen gebouwen in een wereld die verder uit hout was opgetrokken. Klooster Sint Bernardus te Aduard was de grootste, rijkste en meest dichtbevolkte abdij van Noord-Nederland.

Aduard ligt vlakbij (RK)

Dit klooster werd in 1192 gesticht door twaalf cisterciënzer monniken en was het eerste Groninger cisterciënzer klooster. Waar komen deze cisterciënzers vandaan? Uit onvrede met de verwereldlijking en steeds groeiende rijkdom van de kloostergemeenschap (de orde van de Benedictijnen) werd in 1098 een nieuwe kloostergemeenschap in Citeaux, ten zuiden van Dyon in Frankrijk, gesticht. Deze nieuwe gemeenschap stoelde op de oer-ideeën van Benedictus van Nursia t.w. armoede en afzondering van de wereld. Citeaux heette in het Latijn Cistercium, vandaar de naam: orde der Cisterciënzers. De monniken gingen gekleed in grijze (‘schiere’) pijen. Naast religieuze motieven stond het klooster garant voor voedsel, kleding en onderdak. Het klooster werd gevestigd in een kweldergebied dat nog nauwelijks werd beschermd door dijken en zodoende doorlopend door de zee werd bedreigd. De kloosterlingen hebben zich van meet af aan ingezet voor de bedijking van het gebied en inpoldering van de kwelders met het resultaat wat we vandaag de dag nog kunnen zien. De abdij bezat meer dan 5.000 ha grond, zelfs buiten de huidige provinciegrenzen, stichtte dochterkloosters en werd in de tweede helft van de 15e eeuw wereldbekend als plaats van samenkomst van beroemde geleerden (Wessel Gansfort, Rudolf Agricola, Paulus Pelatinus en vele anderen) bekend als de Aduarder Akademie. In 1580 hadden de Staatse troepen het kloostercomplex (gewild militair object gezien de muur en de gracht die het hele terrein omgaven) na verdrijving van de Spaanse troepen in bezit genomen. De monniken waren voor die tijd al  gevlucht naar een toevluchtsoord op de Munnikeholm in Groningen.Toen, na verraad, de Spaanse troepen vanuit Groningen weer naar Aduard oprukten, staken de Staatse soldaten het complex in brand. De meeste gebouwen zijn kort daarna gesloopt.

Het grijze gebouw is de voormalige ziekenzaal

Tegenwoordig rest in Aduard enkel nog de ziekenzaal die in gebruik is als Protestantse Kerk. De voormalige ziekenzaal is het oudste gebouw met een geneeskundige functie in Nederland. Uiteraard bezoeken wij het kloostermuseum en mogen we mee de kerk (ziekenzaal) in. Hier geen uitbundige versieringen al hebben de metselaars hun kunnen laten zien in de verschillende vormen binnen de ‘gesloten ramen’.

Versieringen door vakmanschap

Tijdens opgravingen (prof. Van Giffen) is een deel van de originele vloer blootgelegd, waarop o.a. vier cirkels zichtbaar zijn die de vier evangeliën symboliseren (Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes).

Eén van de vier kunstig versierde cirkels

Erachter is een geschilderd doek gespannen waarop te zien is hoe de ziekenzaal er waarschijnlijk uitgezien heeft. De zieke monnik ligt vlak achter het kruis op een bed van stro op de grond. Het idee hierachter was dat een stervende op deze manier rechtstreeks naar de hemel kon gaan mocht het moment daar zijn.

Een beeld van vroeger tijden

Tijd voor ons om naar huis te gaan met een hoofd vol indrukken en verhalen. De cisterciënzer monniken zijn zonder twijfel uitermate belangrijk geweest in deze omgeving.

Er valt altijd iets te ontdekken ……. (RK)

Toscane van het noorden (WK+ Pad)

Aduarderzijl – Garnwerd – Aduarderdiep

3-1-4-5-6-17-16-8-7-99

Jarenlang voert Groningen al campagne met de slogan ‘Er gaat niets boven Groningen’ en Jan Mulder noemde ‘zijn’ gebied zelfs ‘het Toscane van het noorden’ vanwege de landelijke rust en ruimte. Dat laatste geldt ook zeker voor één van de oudste cultuurlandschappen van Europa, het Middag-Humsterland, waar het soms lijkt alsof de tijd stil is blijven staan. Aan dromerige weilanden, kronkelende smalle weggetjes en dijkjes, pittoreske dorpjes en middeleeuwse kerkjes geen gebrek. Qua sfeer en beleving gaat de vergelijking zeker op.

Toegang tot het pittoreske dorpje Feerwerd (RK)

Volgens het ‘alwetende’ web heeft Toscane het allemaal: mooie natuur, glooiende heuvels, middeleeuwse dorpen enzovoorts en heeft die omgeving heel wat Renaissance kunstenaars geïnspireerd. Dat klinkt bekend want het weidse landschap van ‘ons’ Toscane biedt eveneens unieke vergezichten die zeer gewaardeerd werden door de schilders van het kunstenaarscollectief De Ploeg.

Meeuwen achter de ploeg (Jannes de Vries 1901-1986)

In 1918 wordt door een aantal jonge kunstenaars Kunstkring De Ploeg opgericht, als reactie op het artistieke klimaat in Groningen. De naam De Ploeg is bedacht door Jan Altink, één van de initiatiefnemers. Het verwijst naar het omwoelen en het ontginnen van de braakliggende ‘kunstakkers’ in Groningen. De Ploegers zetten velden, bomen en luchten in vuur en vlam. Groene luchten, paarse akkers. Het gebruik van felle kleuren en vormen gaf een geheel nieuwe kijk op het Groninger landschap. De omgeving waarin wij wandelen is de moeite van het ontdekken waard!

Dorpsgezicht Garnwerd door Arie Zuidersma (1925-2014)

We pakken de draad weer op in Aduarderzijl, waar we de vorige keer onverwachts voor het veer kozen. We lopen via de wandelknooppunten en laten Antum daarmee links liggen. De route voert ons langs het Aduarderdiep naar Schiftpot waar we het laatste stuk door de weilanden naar Garnwerd lopen.

Langs het water richting Garnwerd (RK)
Alternatief gebruik van de barbie (RK)

Schiftpot ontstond in de 19e eeuw rond een in 1853 opgezet voetveer over het water. Aan noord- en zuidzijde van het Aduarderdiep werden in die tijd huizen gebouwd, waaronder een veerhuis met de naam Schifpot aan de kant van Garnwerd, dat tevens dienstdeed als café. De naam Schifpot verwijst waarschijnlijk naar een ijzeren pot, of kachel waarin schif (vlasafval) werd gebrand. De teelt van vlas kwam hier tot in de zestiger jaren redelijk veel voor. De schifpot verwarmde de herberg bij het vroegere voetveer, die daarom ook de Schifpot werd genoemd, evenals het latere gehucht. Als een naam werkt, moet je hem niet veranderen ;).

Er wordt hard gewerkt (RK)
Twee paden lopen samen door de weilanden

De kerk van Garnwerd, op de wierde van het oude dorp ‘Granawurth’, zie je al van verre, evenals de molen. Deze kerk was in de Middeleeuwen gewijd aan Sint Liudger, de Friese missionaris, rond de tijd van Bonifatius (675-755), die het christendom naar Groningen bracht. Later werd hij bisschop van Munster. Op het dak van de toren zie je een windvaantje in de vorm van een leeuw, een verwijzing aan de familie Lewe van Aduard. Het octrooi (alleenrecht) voor de overzetterij of het veer van Garnwerd, verstrekt door de heer Lewe van Aduard in 1728 is bewaard gebleven. ‘Evert Joost Lewe, Heer van Aduard en onderhorige dorpen, &c. verklare door desen dat ik aan Eghbert Clasen en Grietie Hindriks sijn huisvrow tot Garnwert heb geaccordeert en geoctrojeert tot het regt van de oversetterie tot Garnwert.’ Hieraan waren voorwaarden verbonden. Blijkbaar sprak het niet vanzelf dat overzetters of veerlieden b.v. vlijtig, nuchter en klantvriendelijk waren. De tarieven schreef de heer van Aduard ook voor: ‘bij duister en ijsgang betaalden de klanten het dubbele’. Tot 1888 bestond het veer uit een bootje. Mensen, schapen, geiten en kleinere dieren werden met dit bootje overgezet, maar paarden en koeien konden er niet in. Die werden met een touw achter het bootje gebonden en zwommen zo het diep over. In 1888 kocht de gemeente Ezinge het veerpont van de Wierumerschouw, dat door een brug overbodig was geworden, van de provincie Groningen. De gemeente gaf het vaartuig in bruikleen aan kastelein Hammingh, dan de veerman van Garnwerd. De gemeente zorgde er ook voor dat op beide oevers geschikte aanlegplaatsen voor het veerpont kwamen. Sinds 1933 ligt er een ijzeren brug over het Reitdiep.

De ijzeren brug uit 1933

Zover zijn we echter nog niet. We mogen het pittoreske, smalste en voor auto’s toegankelijke straatje van Nederland tenslotte niet missen. Mooie oude huisjes waartegen stokrozen in allerlei kleuren omhoog slingeren. Altijd een bijzonder gezicht.

Het smalste straatje

Via dit straatje lopen we langs het oude, scheve, voormalige veerhuisje. Op de dijk, naast café Hammingh, ligt het monumentale huisje met prachtige tuin rondom. Een heerlijk plekje op een prachtige lokatie. Bouwen op de dijk is tegenwoordig ten strengste verboden, maar dat was in het begin van de 18de eeuw nog niet het geval. Zowel café Hammingh als het veerhuis zijn gebouwd na de kanalisatie van het Reitdiep waardoor het dorp aan het water kwam te liggen. Het terras bij Hammingh is open en even later zitten wij heerlijk met een kop koffie te genieten van de zon en het uitzicht op het water en de ijzeren brug.

Blik op Hammingh en het oude veerhuisje

Gesterkt lopen we daarna verder over de brug en door de dijkcoupure. We slaan af naar rechts en lopen over het fietspad aan de andere kant van het Reitdiep. De lucht achter ons wordt behoorlijk donker en we hopen dat het net genoeg waait om de bui langs te laten trekken. De kleuren om ons heen verdiepen zich zichtbaar. De kleur van de lucht wordt bepaald door de lichtinval van de zon op de verschillende (lucht)deeltjes in onze atmosfeer. Grote druppels in regenwolken houden bijna al het zonlicht tegen dat op de wolk schijnt. De wolk kaatst het zonlicht weer naar boven. Daardoor is de onderkant van zo’n wolk heel donker. Een mooi fenomeen!

Donkere luchten, intense kleuren (RK)

Het is sowieso ‘typisch Hollands zomerweer’ vandaag met een temperatuur die schommelt tussen 19 en 23 graden, stapelwolken in verschillende lagen en kans op een bui. De combinatie met uitgestrekte groene weilanden vol koeien (of schapen) maken het plaatje compleet.

Nieuwsgierige schapen

Via het gehucht De Raken lopen we richting de Wetsingersluis. Ik lees: ’De stad Groningen was vroeger als zeehaven een belangrijk centrum en stond via het Reitdiep in open verbinding met de zee. Hierdoor was eb en vloed merkbaar tot aan de stad. Het binnenwater van de stad werd gescheiden door de Grote Spilsluizen bij de Ossenmarkt en de Kleine Spilsluizen ten hoogte van de Visserstraat. Het Winschoterdiep en Hoornsche Diep mondden uit in het Reitdiep, daarbij kwam het water van de gebieden onder de latere waterschappen Hunsingo en Westerkwartier. Het overtollige water werd op het Reitdiep geloosd via de Aduarderzijl, Wetsingerzijl, Schaphalsterzijl, Kommerzijl en Schouwerzijl. Doordat er weinig verschil merkbaar was tussen eb en vloed kon er vaak niet worden afgestroomd, waardoor de monding van het Reitdiep begon dicht te slibben. In 1850 was het provinciebestuur overgegaan tot het regelmatig ploegen van de bodem van het Reitdiep, dit gaf niet het gewenste resultaat. Daarbij kwam de toenemende diepgang van de koopvaardijschepen en het probleem van de voornamelijk westenwinden. Er leek een oplossing te zijn; afdamming aan de monding! Men besefte wel dat met alleen de afsluiting van het Reitdiep de problemen nog niet opgelost waren. Het toestromen van water uit het Winschoterdiep en Hoornsche Diep zou het waterpeil doen stijgen en daardoor zou het afwateren van Hunsingo en Westerkwartier bemoeilijkt worden. Om de afvoercapaciteit van het Reitdiep te garanderen kwamen er al snel plannen voor het aanleggen van een schut- en afwateringssluis bij Wetsinge.

Knooppunt van elektriciteitsmasten …… (RK)
Een lieflijker uitzicht langs het Aduarderdiep

In 1919 was het gemaal De Waterwolf bij Electra gereed en verloor de sluis haar functie als schutsluis. In 1969 werd de Lauwerszee afgesloten en had de sluis ook geen waterkerende functie meer. Omdat er echter ook geen onderhoud gepleegd werd, verviel de sluis vervolgens langzamerhand. In 1994 stond de sluis op de lijst om gesloopt te worden. Dat riep weerstand op, getuige een krantenartikel over het belang van het behoud: ‘ze zeggen wel eens dat het Reitdiep een snoer met kralen is. Als je daar een kraal uithaalt, is het verband zoek.’. Toch interessant zo’n stukje geschiedenis onderweg. Rest ons nog het laatste stuk over het fietspad naar onze fietsen.

LENTE IN DE LUCHT (FW Pad)

Friese Woudenpad: kaarten 14 & 15

Volgens een Chinees spreekwoord wordt de lente eerder herkend door de planten dan door de mens. Dat merken wij ook vandaag. Als we van huis vertrekken is het net boven nul, het ijs nog zichtbaar op onze autoruiten. Aangekomen in Harkema, waar we onze wandeling gaan beginnen, staan de sneeuwklokjes volop in bloei. Eenmaal onderweg zien we zachtgele elzenkatjes wiegen in de opkomende zon en even later zelfs een forsythia volop in bloei. Zo vreemd is dat kennelijk toch niet, want de forsythia staat symbool voor hoge verwachtingen en met haar gele bloem staat ze ook wel symbool voor de lente zon. Wist je trouwens dat er elzenkatjes en -katertjes bestaan? Elzen hebben zowel vrouwelijke als mannelijke bloemen op dezelfde plant. Ze worden natuurlijk allebei katjes genoemd, maar katertjes dekt de lading in dit geval misschien beter? Het verschil is duidelijk te zien. De mannelijke katjes zijn langwerpig en hangen. De vrouwelijke katjes zijn meer eivormig, klein, groen en staan min of meer rechtop. Na de bevruchting groeien ze uit tot groene, ribbelige kegeltjes. Deze rijpen in de herfst tot de zogenoemde elzenproppen. Zijn de ‘katertjes’ dan alleen voor de ‘mooi’? Ik lees dat elzen met hun opvallende, mannelijke katjes inderdaad worden gezien als voorbodes van de naderende lente. Samen met de sneeuwklokjes spreken ze tot de verbeelding van de wandelaar. Dat klopt zeker!

Terug naar het begin. We starten dus in Harkema en hebben daarmee een stukje overgeslagen vanwege de afstand. We hebben niet zoveel tijd vandaag….. De Harrekieten (inwoners van Harkema) leefden op zandgronden. Ze leefden van het afgraven van veen en turf dat gebruikt werd voor brandstof. Toen het op was en de grond leeg was, hadden ze geen werk meer. ‘Ze gingen wonen waar ze gewerkt hadden en daar ontstond de heide. Ze werden aan hun lot overgelaten, maar probeerden hier te overleven en aan werk te komen, dat er vaak niet was. Er was vooral heel veel honger, dood, verderf, ziekte, criminaliteit en alcoholisme. Het was heel armoedig.’

Harkema (vroeger Harkema-Opeinde) werd na WOII, volgens een artikel in Het Vrije Volk in 1949, beschouwd als een dorp zonder bestaansmogelijkheden, waar 35 jaar eerder het ‘kwade volk’ (uitgestotenen van de samenleving) uit Friesland zich had verzameld en zo was uitgegroeid tot het ‘ellendigste’ van Friesland. De in ‘verwildering’ opgroeiende kinderen dreigden ‘niets anders te worden dan wat hun vaders zijn’. De bewoners zelf waren het hier (uiteraard) niet mee eens en lieten zich dus ook niet verplaatsen naar andere dorpen. Ze verbeterden hun eigen leefsituatie door zelf nieuwe huizen te bouwen; tussen 1953 en 1964 verrezen hier zeker 300 nieuwe woningen, die voor het grootste deel bestonden uit particuliere bouw.

Net buiten Harkema ligt het themapark en openlucht museum Spitkeet. Hier kun je zien hoe de armste Friezen tussen 1850 en 1950 leefden in deze streek. Een dominee schreef over het hier wonen in de negentiende eeuw: ‘Een woning ……..!? Niets anders dan een paar muren van plaggen, met vóór in een paar kleine ruitjes, waar de glazenmaker heusch niet veel aan verdiend had’. De mensen waren erg arm en de omstandigheden waren erbarmelijk. Soms met weinig meer dan schrale heide, wat schapen en een holwoning als onderdak. Had je het iets beter, dan had je een spitkeet. Een uiterst eenvoudige plaggenhut met één kamer waar soms meerdere gezinnen in woonden. We zien de huisjes op afstand liggen, maar het park is gesloten waardoor we zelf niet kunnen ervaren hoe klein en armoedig het allemaal is geweest. 

Openlucht museum ‘Spitkeet’ (foto internet)

De hele route naar Rottevalle lopen we eigenlijk over een kaarsrecht, historisch wandelpad, t.w. de Mȗntsegroppe (monnikengreppel). Deze naam komt al voor op kaarten uit 1540. Het pad is een oude grenslijn tussen verschillende veengebieden en loopt van het klooster Olijfberg in Veenklooster naar het klooster in Smalle Ee. De weg is omgeven met begroeide houtwallen, gemaakt omdat mensen vroeger het vee langs deze weg naar de weilanden dreven. Om te voorkomen dat koeien en schapen ontsnapten, werden er aan beide zijden houtwallen aangelegd. Ondanks dat het ondertussen haast lenteachtig aanvoelt, is het nog steeds winters kaal om ons heen. Waarschijnlijk komt de sfeer van dit landschap beter tot z’n recht met bloeiende bermen en bomen en struiken in het blad?

Mûntsegroppe of monnikengreppel (RK)

Ondertussen zijn we in Rottevalle aangekomen. Rottevalle is een zogenaamd vaartdorp waarvan de naam voor het eerst voorkomt in 1622 en dat in het midden van de 17de eeuw aan de Lits is ontstaan. De Lits is een veenstroom, een gekanaliseerde rivier, die van Rottevalle naar het meer De Leyen loopt. Het dorp is ooit begonnen als een verzameling van een herberg, een bierbrouwerij en een molen. Vertegenwoordigers van de essentiële levensbehoeften ;). Tegenwoordig staat Rottevalle op de kaart door het Michelin sterren restaurant ‘De Herberg van Smalingerland’ aan het Muldersplein. Volgens de Michelin gids ‘ademt deze 18e eeuwse herberg de sfeer van vervlogen tijden, heeft het karakter en beschikt het over een mooie binnentuin. De keuken staat met zijn voeten stevig in het heden. De chef kookt creatief en zoekt naar verrassende combinaties. Dat hij daarvoor graag Friese kwaliteitsproducten gebruikt, laat zich smaken.’ Lijkt me zeker een culinaire ervaring om nog eens te proberen! 

‘It Masterpleintsje’ in Rottevalle

We lopen Rottevalle uit via de fietstunnel onder de weg en worden verrast door de graffiti op de muren. Tussen de vele namen en amateuristische kladders vinden we kleine pareltjes, haast kunst. Mooi om te zien. We zijn onderweg naar ons eindpunt van vandaag: Houtigehage.

Graffiti in de fietstunnel bij Rottevalle

Tot in de eerste helft van de 18de eeuw lagen in deze streek hoge venen. Toen in het midden van de 18de eeuw dat werk was gedaan, werd ook hier het geruïneerde landschap aan zijn lot overgelaten en ontwikkelde zich een heidegebied, waarop armoedzaaiers wat stukjes grond in cultuur probeerden te brengen om in hun bestaan te voorzien. Houtigehage bestond toen uit een verspreid liggende verzameling spitketen. Johannes Antonie Visscher, predikant aan het begin van de 20ste eeuw, trok zich het lot van Houtigehage aan, publiceerde over de ‘arme Friesche heide’ en heeft veel werk verzet voor de verdere ontginning. De hoofdstraat is dan ook naar hem vernoemd.

Het verhaal gaat dat er vroeger geen school was in het dorp. De mensen die er toen woonden (zo’n zeventig jaar geleden) wilden een school bouwen op de plek waar nu de ‘Skoallewyk’ is. Ze konden daar geen bouwplaats krijgen omdat de weduwe, die er toen woonde, niet wilde dat er op haar erf gebouwd werd. Ze weigerde om een stukje tuin af te staan voor de school, want ze had een grote haag voor haar ramen staan die niet verwijderd mocht worden. Uiteindelijk haalde de vrouw bakzeil en kwam de school bij de ‘houtige haag’ te staan, hetgeen de oorsprong van de naam van het dorp verklaart. 

Dat gedeelte van het dorp is echter voor de volgende etappe, want we zien onze fietsen al staan. Het wandelen zit erop voor vandaag. Op een bankje op de hoek van de straat genieten we nog even van de lente in de lucht met een kop koffie en een broodje. 

Oeps…….. 😉

Ondanks dat dit geen spectaculaire wandeling was, hebben we zeker genoten van de verhalen en het zachte weer. Het is zoals de schrijver Stanley Horowitz beweerde: ‘De winter is een ets, de lente een aquarel, de zomer een olieverfschilderij en herfst is een mozaïek van al deze.’ De (aankomende) lentedag vandaag kent, net als een aquarel, een bijzondere kleurintensiteit en lichtsterkte. We hebben nu al zin in meer van dit soort dagen!

WINTERS WANDELEN (FW Pad)

Friese Woudenpad: kaarten 10 & 11

Het is heerlijk winterweer; koud met weinig wind en een aan krachten winnend zonnetje. Ideaal weer om een stukje te lopen van ons lange afstandspad. In ons enthousiasme letten we echter niet voldoende op, waardoor we meteen in het begin al de verkeerde kant opgaan. De bordjes waarop historische feitjes vermeld worden, trekken onze aandacht en ook de bekende wit-rode tekens geven ons, naar later blijkt, toch de verkeerde informatie. Zo lopen we eerst langs de Kûkhernerwei 16, waar jarenlang twee houten woningen hebben gestaan waar op de voorste in grote witte letters ‘Moederzorg’ geschilderd was. Behalve het bordje doet niets meer aan deze tijd denken. Het verhaal gaat dat dit huis bewoond werd door een echtpaar wat handelde in oud papier, lompen en metalen. De man was zwaar reumapatiënt en kon daardoor heel moeilijk lopen en ook nauwelijks meehelpen in de werkzaamheden. Alles kwam eigenlijk neer op zijn vrouw: ‘sy soarge foar alles en eltsenien.’ Vandaar de naam op de woning. Echt een heel ander verhaal dan ik aanvankelijk dacht. Moederzorg riep bij mij een associatie met kraamzorg of kinderopvang op ;). Even later lopen we aan de andere kant van de weg langs het geboortehuis van de ‘skriuwer’ Theun de Vries. Hij heeft heel veel historische en sociale romans geschreven, maar zijn bekendste boek is waarschijnlijk wel ‘Het meisje met het rode haar’ over de verzetsstrijdster Hannie Schaft. Als we tenslotte, aan het eind van de weg, bij de Swettetsjerke en de pastorie uitkomen, beseffen we dat we echt verkeerd zijn gelopen. We moeten helemaal terug naar ons beginpunt. Zo wordt een wandeling van een kleine tien kilometer opeens toch nog een uitdaginkje (tenminste voor mij). Eenmaal op de goede weg komen we nog een laatste bord met historische informatie tegen. Op de Kûkhernewei  46 stond vroeger buitenplaats ‘Jagtlust’. Dat roept herinneringen op aan het gelijknamige boek van Annejet v.d. Zijl. ‘Iedereen sprak erover en wilde ernaartoe: het mythische Gooise buitenhuis Jagtlust, waar jonge kunstenaars als Remco Campert, Fritzi ten Harmsen van der Beek, Gerard Reve en Peter Vos samen met rijkeluisjongeren de verbeelding aan de macht brachten.’ Er zijn meer buitenhuizen die Jagtlust heten…….

De plek van voormalig Jagtlust Kûkherne

‘Ons’ huis werd rond 1758 gebouwd. Kort daarna werd kantonrechter (Wylde) Wybe Van Haersma de eigenaar. Volgens overlevering kwamen de Nassau’s er vaak jagen. Dit zouden dan in de 17e eeuw de Friese stadhouders geweest kunnen zijn. In 1824 wordt het huis verkocht aan de arts Petrus Feenstra. In de tuin werd een grote vijver gegraven en de grond die daarbij vrij kwam, werd weer gebruikt voor de aanleg van een grote heuvel waarop een belvédère gebouwd werd. Op deze belvédère bouwde hij een telescoop waarmee hij het heelal bestudeerde. De inwoners van Kuikhorne zeiden spottend, dat hij zijn wijsheid uit de sterren las. In 1906 werd het huis afgebroken om plaats te maken voor een ‘gewoon’ royaal huis. Al met al hebben we er ondertussen al 5 kilometer wandelen opzitten en hebben we zin in een kop koffie. We lopen inmiddels over een modderig zandpad en wanen ons ver weg weg van de drukte rondom ons. Op diverse plekken zien we de sneeuwklokjes en krokussen al boven de grond staan. Ons voorjaarsgevoel wordt hierdoor zeker versterkt. Een laagje kleding verdwijnt daar in de rugzak, maar we zijn nog niet zo avontuurlijk als de wandelaars die ons in korte broek en t-shirt passeren.

De lente is in aantocht…….

In ons boekje staat opeens het woord ‘broodtekst’ onder de informatie over dit stuk. Wat wordt hiermee bedoeld? Is dit iets bijzonders of misschien een aanduiding? Even nazoeken leert dat het hier waarschijnlijk gaat om een indicatie van de drukker, want de begrippen broodtekst en broodletter zijn afkomstig uit de boekdrukkunst. De kleinere lettertypen, die gebruikt werden voor het drukken van boeken, werden broodletters genoemd. Dat was het grootste deel van het werk, oftewel het ‘dagelijks brood’ voor de drukker. Vandaar dat boekletter, de oorspronkelijke naam, omgedoopt werd tot broodletter. Het stuk tekst dat gedrukt werd in broodletter ging logischerwijs broodtekst heten. Grappig!  

We zijn nu onderweg naar Jistrum en Skûlenboarch, ons eindpunt voor vandaag. We lopen eigenlijk in een boog, via een kronkelige zandweg, om Jistrum heen. Later op de fiets rijden we nog even langs de kerk, het opvallendste kenmerk van het dorp. Het is een kerk uit het begin van de dertiende eeuw met als meest opvallende kenmerk de kleine ruitjes in het schip van de kerk, ook wel leprozenruitjes genoemd. Hier hebben we al eerder over gehoord. Parochianen die, vanwege deze ziekte, de kerk niet in mochten, konden op deze manier buiten toch de mis volgen.

De kerk van Jistrum
Met het ‘leprozen raampje’ (RK)

We laten Jistrum achter ons en gaan over een houten brug verder over een fietspad richting Prinses Margriet kanaal. Het laatste stukje lopen we langs een afmeerplek voor grote schepen, waar een bord aangeeft dat hier de auto’s van de binnenvaartschepen getakeld kunnen worden. Het is rustig vandaag, alleen de ganzen produceren het nodige lawaai. 

Een onbekend bord voor ons

In de verte zien we de brug over het ‘Kolonelsdiep’ of Caspar de Roblesdiep, een kanaal wat in 1955 onderdeel van het Prinses Margrietkanaal kanaal van Stroobos naar Lemmer werd. De brug wordt door de provincie inmiddels aangeduid als een ‘acuut knelpunt’. Hetgeen zoveel betekent dat de brug direct aan vervanging of onderhoud toe is. De brug is ons eindpunt, iets eerder dan op de kaart aangegeven i.v.m. de parkeermogelijkheden. Hoewel ons ritme er nog niet helemaal inzit, hebben we vandaag weer heerlijk gewandeld. Zulke dagen smaken naar meer! We moeten zeker ook nog eens terug om de schierstins (naar de  grijze (schiere) monniken) te bekijken bij Veenwouden. Een steenhuis uit 1300 van dikke baksteen waar voorname families zich konden terugtrekken bij gevaar. 

PLUKJES KLEUR IN ‘T GRIJS (FW Pad)

Friese Woudenpad: kaarten 8 & 9

Het is vandaag een hoofdzakelijk grijze dag. De lucht vertoont bijna geen tekening, het is een beetje heiig en de temperatuur komt amper boven het vriespunt uit. Het is nog net geen ijsdag, een dag waarbij het de hele dag onder nul is, maar zo voelt het wel. Niets symboliseert neutraliteit en soberheid (of somberheid) zo als grijs, maar grijs heeft ook iets tegenstrijdigs. Het is de kleur van het veranderlijke, zoals mist, rook en wolken, maar tegelijkertijd wordt grijs ook geassocieerd met het onvergankelijke en staat het voor stabiliteit, elegantie en geborgenheid. De wereld wordt kleiner en daardoor geborgen?

We gaan vandaag lopen van Dokkum naar Kuikhorne (Kûkherne). Op de kaart lijkt het een vrij lange rechte weg, hetgeen het gevoel ‘grijs’, in de betekenis van eentonig, benadrukt. We moeten dus op zoek naar de figuurlijke plukjes kleur onderweg. Wat valt op? Wat is interessant? Wat zet je aan het denken? Zoals een bevriende fotograaf ons eens voorhield: ‘er is zoveel de moeite van het ontdekken waard, je moet het alleen wel zien.’

We lopen Dokkum uit langs de lange smalle kavels, die, alweer eeuwen geleden, bij de ontginning zijn ontstaan. Het resultaat is een slagen- of een coulisselandschap. Je kijkt als het ware in een kijkdoos waarin diepte en variëteit belangrijk zijn. Dit gebied ten zuiden van Dokkum staat bekend als de Dokkumer Wâlden (wâlden = wouden). Volgens de beschrijving geeft de afwisseling tussen open stukken, boomsingels en kleine stukjes bos het gebied een geheel eigen charme. Het optimaal waarderen van de wereld om ons heen wordt vandaag bemoeilijkt door het gure weer en de kaalheid van de bomen en struiken. Misschien zijn we ook wel wat verwend geraakt, we hebben al zoveel mooie ‘laagjes’ landschappen gezien op onze eerdere wandelingen. Toch is het gebied rondom ons bijzonder, het maakt vast niet voor niets deel uit van het Nationaal Landschap ’De Noordelijke Friese Wouden’.

Een beetje ‘grijs’ landschap (RK)

Net voor Damwoude (Damwȃld) lopen we opeens langs een piepklein boerderijtje, een molen en zelfs een echt ‘kakhuisje’ boven de gracht. Zowaar een eerste spatje kleur. Dit blijken delen te zijn van het openlucht- en cultuur historisch museum ‘De Sûkerei’. Wij dachten bij de naam in eerste instantie aan iets over de fabricage van suiker, maar het gaat hier over cichorei. In de 18de eeuw werd ontdekt dat als je de wortel van de cichoreiplant droogt en brandt, je hiervan (surrogaat) koffie kon maken. Het noordoosten van Friesland was in die tijd een belangrijke producent van cichoreikoffie. Januari valt echter buiten het seizoen, dus alles is gesloten. Het blijft bij een indruk.

Een indruk vanaf de weg van de Sûkerei (foto internet)

Even verderop loopt de route door het Vermaningsbos (Fermanjebosk). Kijk, dat heeft ook mijn belangstelling. Een vermaning (of vermaanhuis) is immers een doopsgezinde kerk. De naam slaat op de navolging van Christus waartoe de doopsgezinde kerkgangers werden aangespoord (aangemaand) door de predikant (de aanmaner). Vermaning betekent ook ‘ergens van of over spreken’, waarbij de nadruk hier ligt op de waarschuwing. De naam vermaning werd ook gekozen vanwege het wantrouwen onder doopsgezinden ten opzichte van de staatskerk (Nederduits Gereformeerde Kerk), de naam moest het onderscheid verduidelijken tussen de doopsgezinden en de staatskerk. Meestal zijn deze kerken zogenaamde schuilkerken en zijn ze een eind van een straat of weg af gebouwd of zelfs bijna ‘onzichtbaar’ omdat ze achter de huizen midden in een woonblok staan. Dit komt omdat de doopsgezinden, trouwens evenals de rooms-katholieken en remonstranten, ten tijde van de Republiek alleen ‘gedoogd’ werden. Hun afwijkende overtuiging werd getolereerd, maar ze mochten hun religieuze praktijken niet openlijk uitoefenen. Voor deze kerk in Damwoude werd de eerste steen op 29 april 1767 gelegd door Wyger Martens ‘met mede Hulp van syn Ouders out synde 2 Iaar en ses dagen.’ Vader Marten Wygers was één van de grootste boeren in de buurt. Een bijzonder detail is dat bijna alle grotere boeren in de Dokkumer Wouden in die tijd doopsgezind waren.

Ondertussen doemt Broeksterwȃld op, alwaar we afslaan richting De Falom. De Falom is in de 16e eeuw ontstaan als veenkolonie. De Valomstervaart werd gegraven om het afgegraven turf af te voeren. Om te voorkomen dat zout water vanuit de rivier waarop de vaart uit moest komen, hier in de grond zou komen, wilden ze een sluis aanleggen. Wegens geldgebrek werd er in plaats daarvan een overtoom (een valom) aangelegd, een constructie om een schip over land van de ene vaarweg in de andere te trekken. 

We lopen over een fietspad door het moerassig natuurgebied De Houtwiel. Hier zien we een zogenaamde tjasker, een speciaal soort poldermolen, waarvan er niet meer zoveel te vinden zijn in ons land. De oorspronkelijke molen heeft een gebied van zo’n 4,5 hectare bemaald totdat een flinke storm de molen compleet vernielde. De nieuwe, exact nagebouwde, molen kan, volgens staatsbosbeheer, zeker ook nu nog wel een functie hebben. ‘Het land eromheen ligt nog in kleine strookjes, door ruilverkaveling is er veel verdwenen maar hier is het landschap nog net zoals in 1900. Dat is wel uniek.’

De Houtwiel tjasker (RK)
Gezien temidden in het natte landschap (RK)

Uniek is ook de benaming van dit pad langs de Valomstervaart: de Goddeloze Singel met al eerder op de weg het Goddeloze Tolhuis. De singel is het laatste, nog ongerepte, stuk van een 40 kilometer lang kloosterpad uit 1453. Met zulke namen kan het haast niet anders dan dat er vele tientallen (spook)verhalen, sagen en sterke verhalen de ronde doen over zowel het tolhuis, de singel als het bruggetje ‘de skilige Piip’ (de schele pijp), zo genoemd vanwege een kleine knik in de brug. Het zijn vaak doorvertelde volksverhalen over schatgraven, verdronken mensen en paarden, duivelse spoken, over een visserslijk en over de zeven ‘duivelsbanners’ die omstreeks 1800 geprobeerd zouden hebben een einde te maken aan deze spokerij. Tolgaarder Gerben Klases Boskma (1772-1849), bewoner van het Goddeloze tolhuis vanaf 1812, had ook een behoorlijk aandeel in de slechte reputatie van de omgeving. Gerben zou een ruwe, onverschillige kerel geweest zijn. Mensen die niet betaalden werden hardhandig aangepakt. Na veel verongelukte bewoners zou er omstreeks 1900 een weduwe in het tolhuis gewoond hebben. Volgens de verhalen verkocht zij de mannelijke voorbijgangers niet alleen een slokje, maar had ze ook een ‘winkeltje onder haar rokken’. Ze zou wel twaalf kinderen gekregen hebben, van wie een aantal een onbekende vader zou hebben. 

Het tolhuis is rond 1935 afgebroken, maar het huidige gebouw op die plek, een boswachterswoning, draagt nog steeds dezelfde naam. Sinds 1979 wordt het ‘gewoon’ bewoond door de boswachter van het natuurreservaat en is de rust in het gebied weergekeerd 😉

Door al deze verhalen is onze ‘grijze’ wandeling toch hier en daar verrassend verhelderd met kleine plukjes kleur. Niet zo heel veel deze keer, maar toch voldoende om met een energieke blik uit te kijken naar de volgende etappe. Oant sjen!