Woldgebied (WK+ Pad)

Beschrijving + knooppunt 56

Dit gebied, waartoe plaatsen als Roderwolde, Foxwolde, Leutingewolde, Peizerwolde, Eelderwolde en Paterswolde behoren, overlapt de provincies Groningen en Drenthe. In het midden van dit zogenaamde woldgebied ligt het Leekstermeer. Hoewel vernoemd naar het Groningse Leek ligt het Leekstermeer toch volledig op Drents grondgebied. Als achtervoegsel betekent ‘wold’ in Groningse plaatsnamen ‘woeste grond’ (d.w.z. grond die niet geschikt is voor landbouw) of ‘woud’ (misschien in overdrachtelijke zin, bv. een ‘woud’ van riet). Wold(e), woud, wald is allemaal verwant in de oorspronkelijke betekenis van zoiets als ‘zompige onontgonnen wildernis met veel bomen: oerwoud’. Daar hebben we de vorige wandeling al iets van meegekregen door langs het kunstwerk Oerwold te lopen.

Ook deze wandeling leidt ons nog grotendeels langs paden in de ‘Drentse plus’. We starten in Roderwolde vlakbij de kenmerkende olie- en korenmolen Woldzigt. Tegenover de molen ligt een kleine haven, die in 2007 is gereconstrueerd. De molen en het haventje zijn in het verleden erg belangrijk voor elkaar geweest. Aanvoer van lijnzaad uit Groningen en levering van lijnolie voor de verf- en zeepindustrie in Groningen gebeurde in die tijd via het water. De molen (uit 1852) zelf is, volgens velen, de mooiste molen van Drenthe en misschien wel van heel Nederland. De molen, een achtkante bovenkruier met stelling, is niet alleen bijzonder vanwege de ouderdom en de gaafheid, maar ook vanwege het feit dat de molen twee functies kent die bovendien nog springlevend zijn. Naast het feit dat de molen ‘maalvaardig’ is, wordt er regelmatig olie geslagen, waarbij op een ambachtelijke wijze lijnolie wordt verkregen. We zijn een paar jaar geleden eens in en op de molen geweest. Beslist de moeite van een bezoekje waard!

De Woldzigt (RK)
Bovenop de stelling (RK)

We lopen verder door Foxwolde, een oud buurtschap wat oorspronkelijk lag ‘onder de clockeslagh’ van Roden, d.w.z. dat het deel uitmaakte van het kerspel (kerkgemeente) Roden. De geschiedenis van het zuidelijke gedeelte van Foxwolde, de Kleibosch, het Tichelwerk en het omliggende gebied is van oudsher bepaald door de aanwezigheid van potklei in de ondergrond. Waar potklei aan de oppervlakte ligt valt de grond moeilijk te bewerken. Potklei is een zeer zware, compacte kleisoort. Vanaf de Middeleeuwen werd de klei gebruikt om aardewerk van te maken, vandaar de naam ‘potklei’. Een kluit aan de schep moet je er met de voet afschuiven en eenmaal onder de schoenen laat het zich maar met moeite verwijderen. Potklei is net een kleverige, kauwgum-achtige polijstpasta, zo fijn smeerbaar is het. Echter, eenmaal droog is het steenhard. Vandaar ook dat de potkleigebieden in de Middeleeuwen weinig of niet werd bewoond. De belangrijkste potkleigebieden liggen rond Roden, Foxwolde, Roderwolde en Nietap/Leek. Het gebied daar ligt vrijwel geheel in gras. Bij Foxwolde en Roderwolde is maar op een paar plekken is een dunne laag (dek)zand boven de klei aanwezig waarop men vroeger gewassen op kon telen, de rest van het gebied was te nat en eigenlijk alleen maar geschikt voor veeteelt.

Nieuwsgierigheid of belangstelling?
Alleen geschikt voor veeteelt …….. (RK)

Het volgende buurtschap waar we doorheen wandelen is Leutingewolde. De geschiedenis gaat terug tot in de middeleeuwen. Al in 1335 werd in een oorkonde melding gemaakt van het bestaan van Lockincwolda. De plaatsnaam betekent dat hier vroeger een woud was in eigendom van de persoon Lockinc. De eerste bewoners kwamen naar hier toen vanuit Roden werd begonnen met de ontginning van het veengebied. Deze plek werd aangemerkt als een ‘kluft’, een onderdeel van een kerkgemeente zonder eigen kerk of rechtspraak. Door de eeuwen heen is Leutingewolde gegroeid, waardoor de bebouwing van dit dorp en die van Roden tegenwoordig bijna in elkaar overloopt. Het dorp bestaat uit boerderijen en woonhuizen die voornamelijk langs de cirkelvormige weg De Ring liggen. Verrassend om zo het dorp rond te lopen.

De herfst laat zich ook al zien

Vlakbij het buurschap ligt de grote Esch van Leutingewolde die bijna twee meter hoger ligt dan de omringende weilanden van de Leutingewolderpolder. De polder strekt zich uit tot het Leekstermeer en is in 1856 ingedijkt als winterpolder om de wateroverlast ter plekke te bestrijden. In 1885 werd daarvoor aan het Leekstermeer één van de grootste poldermolens van Drenthe geplaatst. De molen, vlakbij het huidige paviljoen, bemaalde de polder die in 1866 was vergroot naar 720 hectare. Tegenwoordig is de functie van de poldermolens overgenomen door moderne gemalen, die, met een grotere capaciteit en onder alle weersomstandigheden, het water over een grotere hoogte kunnen verplaatsen.

Lopen langs de Turfweg

Wanneer we De Ring gerond hebben, slaan we de Turfweg in en lopen verder tot de grote doorgaande weg van Roden naar Leek. Het is altijd druk hier! Aan de andere kant lopen we een klein stukje richting Roden, naar de ingang van ‘Allemansgoed Terheijl’ 

Detail van de toegang tot Terheijl

Deze mooie bosrijke streek Terheijl was in de middeleeuwen een buitenpost van het klooster in Aduard. De monniken haalden in Terheijl turf en klei voor onder meer het vervaardigen van keramiek. Smeuïg detail is dat kloosterlingen, die een straf moesten ondergaan, door de abt van Aduard naar ‘ter Helle’ (in de hel) werden gezonden om daar te helpen bij de aanplant van bossen en het in cultuur brengen van landen voor akkerbouw en veeteelt. De terreinnamen Vagevuur en Lange Hel zijn waarschijnlijk nog afkomstig uit de periode dat Terheyl als strafoord werd gebruikt. Aan het eind van de 15e eeuw liet de abt Wolter, een Drent van oorsprong, een kapel bouwen in de uithof. De kloosterkroniek vermeldt dat de plek toen ‘Paradijs’ genoemd werd. Het ligt allemaal vlakbij elkaar 😉

Na de monniken kwamen de adel en de gegoede burgerij die hun inkomsten haalden uit vervening, landbouw en, weliswaar kort, de productie van baksteen en dakpannen. De gemeentes Noordenveld en Westerkwartier hebben op een gegeven moment samen besloten het landschap van dit voormalige landgoed open te houden voor alleman. In september ’21 heeft de gemeente Noordenveld daartoe een wedstrijd uitgeschreven om met hedendaagse beeldende kunst het landgoed meer levend, beleefbaar en herkenbaar te maken en daarmee tevens een nieuwe culturele laag toe te voegen. Een aantal kunstenaars is als tijdelijk collectief met de opdracht en het opdiepen van het verhaal aan de slag gegaan. Het wordt als volgt beschreven: ‘het opdiepen van het verhaal is bijna letterlijk. Was Terheijl in de late middeleeuwen een mooie uithof van het klooster in Aduard en later een prachtige Havezate, tegenwoordig is het in de lokale herinnering misschien nog een landgoed, maar voor de argeloze bezoeker is dat onherkenbaar; hier geen poorten, geen hekken,… slechts een enkele laan die eigenlijk nergens toe leidt. De rijke geschiedenis van Terheijl is nauwelijks nog herkenbaar in het landschap.

De weg die nergens heengaat

De kunstenaars hebben de entrees van Terheijl nu met bakstenen zuilen gemarkeerd en in het veld zijn zowel zwerfpalen, die de veldnamen van de betreffende plek weergeven, als vaste veldpalen geplaatst. Voor de gemaakte objecten is materiaal uit het gebied gebruikt; niet alleen klei en zand maar ook de lokale verhalen, kennis en menskracht van de bewoners. De werken zijn in alle opzichten een uitnodiging om als bezoeker je het gebied eigen te maken, onder het motto: het uitzicht is van iedereen, inzicht verwerven doe je zelf.’ Mooi! 

Gemaakt van materiaal uit de omgeving
Kunstwerken onderweg

Vlakbij Nietap menen wij ons te herinneren dat het Drenthepad met een vlonderpad langs het ‘Vagevuur’ loopt.  Dat willen we ook deze keer niet missen. Dit meertje is een mooi voorbeeld van een pingo-ruïne waar er in Drenthe tientallen, zo niet honderden van zijn. In 2000 is het slib uit het Vagevuur gebaggerd. De stobben die in droge tijden boven het water uitstaken zijn ook grotendeels verwijderd. Een C14-onderzoek bracht aan het licht, dat de stobben van grove dennen 8000 jaar oud waren.

Het vagevuur
Ligt hier zo’n 8000 jaar oude stobbe?

We lopen rustig verder en zien niet veel later ons einddoel; ‘Het Joodse Schooltje’ in Leek. In dit schoolgebouwtje kregen, in de 19e eeuw, de Joodse kinderen uit Leek les in de Joodse Religie en de Hebreeuwse taal. Op de stenen plaquettes aan de buitenmuur van het museum staan de namen gegraveerd van alle Joodse inwoners van Leek die in de Tweede Wereldoorlog werden weggevoerd en vermoord.

Het Joodse Schooltje

Met zicht op het schooltje genieten wij op een bankje van een welverdiend softijsje in het avondzonnetje. We zijn weer in het Westerkwartier en gaan de volgende keer weer verder met het ontdekken van onze gemeente. 

Onlanden (WK+ Pad)

Knp: 65-64-63-59-60-86 + de ‘Drentse plus’ met een beschrijving

Een prachtige nazomerse dag nodigt uit tot een nieuw avontuur. De tocht van vandaag zal waarschijnlijk een uitdaginkje worden want we weten niet precies hoever we gaan lopen. In ieder geval toch zeker zo rond de dertien kilometer. Na de zomerstop qua wandelen een persoonlijk record, althans voor mij!

Zoals gezegd is het heerlijk nazomer weer met weinig wind, een temperatuur rond de 25 graden en een licht bewolkte lucht. Deze periode van begin september tot half november wordt ook wel ‘oudewijvenzomer’ of sint-michielszomer genoemd, al wordt die laatste term meer in Vlaanderen gebruikt. Behoren wij al tot de oude wijven omdat we hier zo van genieten? In vroeger tijden was ‘wijf’ het gangbare woord voor vrouw. De term oudewijvenzomer is afkomstig uit de tijd van oude breiende vrouwen (wijven) en spinnen. Bij rustig nazomerweer maken spinnen lange draden en als daarop tijdens de nacht dauw wordt afgezet, glinsteren er bij zonsopkomst prachtige druppels aan de draden. Ze dachten vroeger dat die mooie slierten de haren van godinnen of vrouwelijke watergeesten waren, die zij ’s nachts verloren. Wat die breiende oude vrouwen hiermee te maken hebben? Waren zij misschien degenen die deze verhalen bedachten en verder vertelden? Even verder lezen leert dat de oude wijven uit de oudewijvenzomer niet eens naar vrouwen verwijzen. Van oorsprong worden er de schikgodinnen uit de Noordse mythologie mee bedoeld, die volgens overlevering onze levensdraden spinnen en daarmee ons levenslot bepalen. Of bedoelen ze met deze naam simpelweg de jonge hangmatspinnen die bij aangenaam herfstweer lange herfstdraden maken waarmee ze via de lucht het ouderlijk nest verlaten. Op de laatste verklaring hint de definitie van oudewijvenzomer in Van Dale: ‘nazomer met mooi ho­ge­druk­weer waar­in de tuin- en veld­spin dra­den spin­nen die door de lucht zwe­ven en in het ge­zicht voel­baar zijn’. Wat de verklaring ook moge zijn, het is gewoon heerlijk buiten!

Zijn wij de ‘olle wieven’? 😉

We starten bij landgoed Nienoord waar het op de laatste zomervakantiedag in het noorden een drukte van belang is. We lopen eigenlijk meteen al langs een fietspad waar een overdaad aan borden de weg goed aangeeft; over het ‘hoogholtje’, een Groningse benaming voor een hoge vaste voetbrug, hoog genoeg om schepen te laten passeren. 

Aan duidelijkheid geen gebrek……

Vanaf hier zijn er geen wandelknooppunten meer. We zijn aangekomen in de ‘Drentse plus’ van de route. Omdat dit stuk te mooi is om te laten schieten, moeten we het vanaf nu doen met een beschrijving. Het lijkt ons in eerste instantie een herhaling van een stuk Drentepad, maar dat blijkt toch niet helemaal zo te zijn. Het eerste stuk langs het Leekstermeer is bekend terrein. We lopen langs drassig gebied waar de rietsigaren of grote lisdodden de boventoon voeren. ‘Doedhoamers’ (zachte hamers) volgens onze kenner van het Gronings vandaag. Wist je dat er is een paar jaar geleden door Radio Noord gevraagd is naar de Groninger vormen van de lisdodde? Daar kwamen maar liefst 48 verschillende antwoorden op!! Een aantal van die namen zijn goed te lokaliseren. Kaddesteert en toerebolt worden vooral in het Westerkwartier genoemd. Doethommel doethoamel doedhoamer, duudhommel, duudhoamel, duudhoamer in het oosten van de provincie, dotterkoeze in Westerwolde en pommel, pomper en pomber op het Hogeland. Je weet nu meteen uit welk deel van Groningen onze kenner oorspronkelijk komt.
Grote lisdodde wordt naast rietsigaar ook wel lampenpoetser, kannenwasser of tuitenrager genoemd. De vele volksnamen geven al aan dat de lisdodde voor allerlei zaken gebruikt werd. De lange zachte aar werd gebruikt als schoonmaak borstel om lampenglazen en dergelijke mee schoon te maken, het pluis om kussens en dekbedden mee te vullen, het blad als strooisel in de stal en de aar werd ook wel gedroogd als fakkel gebruikt. Multifunctioneel dus en dan kun je delen van de plant ook nog eten……

Doedhoamers of toch kaddesteert?

Op een gegeven moment gaat het Drentepad rechtdoor terwijl wij moeten afslaan richting zandweg. Een geheel nieuwe kijk op dit stukje van de Onlanden, ofwel te nat gebied waar je als boer weinig mee kon. Sinds 2010 heeft het Leekstermeergebied de officiële status van een Natura 2000 gebied. Dit gebied van circa 3.500 aaneengesloten voetbalvelden groot, met ruige hooilanden, moerasbos en volop ruimte voor overtollig water, ligt eigenlijk heel dichtbij de stad Groningen. Bij langdurige, hevige regenval zorgt dit gebied er zelfs voor dat de stadjers droge voeten houden. Het moerasachtige gebied is en wordt steeds meer een paradijs voor veel vogelsoorten, maar er zijn hier ook otters gespot. De veel voorkomende grote zilverreiger wordt onbetwist gezien als het icoon van De Onlanden.

Veel hop onderweg
Evenals de exoot de Japanse duizendknoop

We zien onderweg, in onze ogen, bijzondere zwarte bollen onder een soort trechtervormig net. Het blijken dazenvallen te zijn. Dazen zijn ‘geniepige kwelgeesten’ die het leven van de paarden (en verzorgers/ruiters) zuur maken. De vrouwelijke daas heeft bloed nodig voor het laten volgroeien van haar eitjes en ze lokaliseert haar onvrijwillige bloeddonor voornamelijk op zicht. Bewegende objecten die liefst ook nog warmtestraling afgeven verraden de aanwezigheid van een geschikte donor. De zwarte bal van de val wordt verwarmd door de zon en geeft hierdoor warmtestraling af, beweegt langzaam heen en weer (als een grazend dier) en ziet er voor het primitieve brein van de daas dan ook precies zo uit als een aanlokkelijke prooi. Eenmaal op de bal aangekomen ontdekt de daas het bedrog, ze zal omhoog wegvliegen en uiteindelijk in de vangbeker terechtkomen. Super eenvoudig en het werkt blijkbaar goed. Het schijnt zelfs de enige methode te zijn die aantoonbaar werkt zonder gifstoffen in het milieu te brengen.

Dazenval

Ook de monniken uit Aduard hebben in dit gebied hun stempel gedrukt. Rond 1300 liepen de monniken vanuit het klooster in Aduard naar de kerk in het dorpje Vries. Onderweg rustten ze bij het Beeld. Deze droge zandkop stak een dikke meter boven het moerasachtige landschap uit. De naam ‘het Beeld’ is afkomstig van het beeld dat waarschijnlijk door de monniken op deze plek is gezet. Het beeld is inmiddels verdwenen, maar de naam is gebleven en op dezelfde plek staat nu de uitkijktoren. Daar komen we vandaag echter niet, al is de plek ons welbekend.  

Praten, kijken en genieten
Dan opeens ………
Een ‘moody tree’ langs het water (RK)

Op de verharde weg naar Roderwolde aangekomen zien we echter wel een heel ander beeld of liever gezegd een kunstwerk. Het Oerwold monument is een kunstwerk van Evert van Fucht dat symbool staat voor het vroegere (verdronken) oerbos in de omgeving van Roderwolde. Tijdens graafwerkzaamheden in 2008 zijn resten van het oerbos, zogenaamde stobben, ontdekt. Het bleken de oudste boomresten te zijn die ooit in Nederland zijn gevonden, het hout is 9000 jaar oud. Om de plek van het oerbos te markeren is in 2013 een monument opgericht dat bestaat uit 7 ranke zuilen, opgesteld in een waaiervorm. De stammen lopen taps toe en worden op 12 meter hoogte ieder gesierd met een groot glanzend eikenblad. Als je tussen de zuilen omhoog kijkt zie je de stammen als imponerende woudreuzen naar de hemel reiken. Een mooie indrukwekkende entree naar Drenthe. Welkom!

Oerwold (RK)
Een meer artistieke versie ?? (RK)

Volgens de paddenstoel (ANWB) is het nog slechts een kleine 2 kilometer naar Roderwolde over de verharde weg, maar de beschrijving heeft de Onlandse Dijk nog voor ons in petto. Ook weer een mooi stukje natuur. ‘Wegen’ zoals deze dijk liggen er al honderden jaren. De vlakbij gelegen Roderwolder Dijk is zelfs ooit aangelegd als verbinding tussen het klooster van Aduard en De Kleibosch om potklei te kunnen delven. In De Onlanden werden, bij de herinrichting als waterberging, hier en daar wierden of terpen zichtbaar, overblijfselen van bewoning in de Middeleeuwen. Hoog waren de wierden niet, vaak waren ze alleen te herkennen aan de andere vegetatie die er groeide. De Onlanden vormden eeuwenlang de natuurlijke noordgrens van Drenthe. Het reizen over land eindigde bij Peize, Roden en Roderwolde, deze dorpen waren in feite havenplaatsen. Om verder naar ‘Stad’ te gaan moest je dan met de beurtschipper door het uitgestrekte wetland varen.

Stappen en stoppen……

Dit laatste stukje, hoe mooi en uitgestrekt ook, is voor mij haast een brug(getje) te ver. Ik wil wel, maar mijn benen raken opstandig. Alles trilt en verkrampt, waardoor dit laatste stuk meer een soort ‘stappen en stoppen’ wordt. Uiteindelijk komen we er natuurlijk toch en tikt de teller bijna 16 kilometer aan. Yes, we did it !! De volhouder wint?!


Herhalen zonder herhaling (WK+ Pad)

Knp: 92-88-89-87-83-80-65 en nog iets verder……

Wandelen is een prima manier om je conditie op te bouwen, want rustig wandelen kan bijna iedereen immers wel. Toch moet je, om echt aan je uithoudingsvermogen te werken, eigenlijk sportief wandelen, wandelen in stevig tempo waarbij je ook je armen flink meebeweegt. Hierbij kun je dan denken aan een tempo van 6 tot 7 kilometer per uur waarbij je de duur en de frequentie van de wandelingen steeds verder opvoert. Of door je hartslag omhoog te gooien door na elke 2 minuten je normale wandeltempo af te wisselen met één minuut wandelen in een hoog tempo. De uitdaging ligt vaak in de herhaling zonder in herhaling te vallen. Misschien een ietwat cryptische omschrijving, maar hiermee vergroot je uiteindelijk je vaardigheid of in dit geval je conditie. Leren gaat immers niet vanzelf en dat geldt voor iedereen en voor alle facetten. Iedereen die zich bezighoudt met sport en training kent het principe van specificiteit: dat wat je oefent, daar word je beter in. Maar we weten ook dat de vooruitgang op een gegeven moment stokt als je steeds dezelfde oefening(en) blijft doen. Als het ‘kunstje’ bekend is, zijn onze hersenen niet langer geïnteresseerd in ‘meer van hetzelfde’ en wordt er niet of nauwelijks nog geleerd of vooruitgang geboekt. ‘Herhalen zonder te herhalen’ is de oplossing, maar hoe kan ik dat toepassen op het specifieke gebied van wandelen? Ik zie mezelf nog geen tempo van 6 of 7 km per uur aanhouden, ik ben al blij met een goede 5 km gemiddeld per uur. 

Wandelen is, volgens diegenen die het kunnen weten, wel een ideale manier om blessurevrij een goede conditie op te bouwen. Het is een natuurlijke vorm van je lichaam om te bewegen. Waar bij het hardlopen harde schokken terecht komen op je heupen, knieën en voeten is dit bij wandelen niet het geval. Als je in een normaal tempo loopt op sportieve schoenen hoef je geen enkele spier of gewricht in je lichaam extreem te belasten. Het enige wat je dus nodig hebt, zijn je benen, wat tijd en een paar sportieve schoenen. Meer tijd maken is de crux in ons geval. We vergeten vaak te plannen, waardoor de agenda’s alweer volgelopen zijn met andere zaken. Twee per week moet toch lukken? Vandaar dat we vandaag alweer op pad gaan. Meteen twee dagen achter elkaar om de toon te zetten 😉

We beginnen aan het Hoendiep en lopen het pad aan de zuidzijde langs het water bijna volledig af. Dit is kennelijk een geliefde visplek want we komen de ene visser na de andere tegen. Ter hoogte van de hoogspanningsmasten gaan we het weiland in, waarna we over de dijk verder lopen rondom een bergboezem van het Waterschap. In 2002 is hier een gebied van 100 hectare grasland geschikt gemaakt om water uit het Lettelberterdiep, vroeger een belangrijke vaarweg tussen Groningen en Friesland, op te vangen om de hoogwaterstanden die in 1998 bijna tot overstromingen hadden geleid, in de toekomst te voorkomen. In dit gebied broeden nu jaarlijks honderden kokmeeuwen, enkele visdieven en een paar ganzen, terwijl veel andere vogels hier foerageren. Alles bij elkaar is het dus een echt vogelgebied geworden. Wij zien vooral eenden, misschien dat we de andere vogels niet herkennen?

Uitkijken over de bergboezem

In ons boekje werden we al gewaarschuwd voor prikkeldraad op de route. We staan echter voor niets en zijn al rollend door het gras onder de draden doorgeschoven, een avontuur op zich ;). 

Genieten op de dijk

Om in het zuidelijk Westerkwartier te komen moeten we een eindje evenwijdig aan de A7 lopen voordat we over de snelweg naar de andere kant kunnen. Op zich minder leuk, maar je moet soms even wat overbruggen, nietwaar? Dit zuidelijk deel van het Westerkwartier kenmerkt zich door kleinschaligheid van het landschap. Door het opstuwende gletsjerijs (240.000-180.000 jaar geleden) zijn hier zandruggen ontstaan met laagtes daartussen die zich in de loop der tijden vulden met veen. In de volksmond worden zandruggen ook wel ‘gasten’ genoemd. Grappig dat namen als Lutjegast, Grootegast etc terug te leiden zijn naar deze benaming. De dorpen ontstonden dus op de zandruggen die van elkaar gescheiden waren door laagveengebieden of beekdalen. Door de jaren heen werd de vervening steeds grootschaliger aangepakt en in de 16e werden kanalen gegraven om de turf en het water af te voeren.

Veel ooievaars bij Lettelbert (RK)

In Lettelbert lopen we op zo’n relatief hoge zandrug. Op het fietspad richting het Leekstermeer wordt het steeds lager en natter, al hebben wij van dat laatste vandaag geen last. We lopen langs de Lettelberter Petten, waarvan de naam verwijst naar de petgaten (een petgat is een water dat is ontstaan door het uitbaggeren van veen), ontstaan na het afgraven van smalle stroken veen. Ook het Leekstermeer verderop is ontstaan door ontginning, vervening en turfwinning.

Typisch Nederlands weer? (RK)
Het markante kerkje van Midwolde in de verte (RK)

Ondertussen hebben we er zo’n kleine 10 kilometer opzitten en het lopen gaat (voor mij) wat moeizamer. Ik probeer mijn voeten goed af te rollen, heb ook mijn ‘beste’ wandelschoenen aangetrokken, maar ……. Ik krijg toch weer wat last van zere heupen…… Balen! Ik lees dat pijn bij het wandelen vaak het gevolg is van een verkeerde houding, overbelasting of verkeerde schoenen. Bij pijn aan de heup is overbelasting vaak de boosdoener. Ook vermoeidheid, waardoor je minder rechtop gaat lopen, draagt bij aan klachten. Het advies is om vooral te blijven wandelen, maar eventueel het aantal kilometers eerst wat terug te schroeven. Verder de hint om onderweg wel voldoende pauze te nemen en na afloop een warme douche om de spieren te laten ontspannen. Allemaal goede adviezen en eigenlijk ook wel dingen die we (ik) al doen. Ik lees verder dat een andere oorzaak kan liggen in de opbouw van je wandeltrainingen. Als je te snel te ver gaat wandelen, komt je jezelf op den duur tegen. Je bouwt je uithoudingsvermogen sneller op dan dat je gewrichten, pezen en spieren zich kunnen aanpassen aan de belasting. Tenslotte wordt overgewicht genoemd, je moet al die extra kilo’s immers wel zelf meeslepen……. Er is duidelijk werk aan de winkel!

We lopen in een rustiger tempo het laatste stuk naar Landgoed Nienoord, een landgoed dat vooral bekend is van de voormalige borg Nienoord (historische naam: ’t Huis de Nyenoort), op de plek waarvan zich nu een 19e-eeuws landhuis bevindt. Heerlijk om daar op het terras, in de zon en aan het water te genieten van een welverdiende lunch. Het was heerlijk wandelweer vandaag en ondanks wat (kleine) klachtjes kijk ik alweer uit naar de volgende uitdaging. Ondertussen toch ook eens meedoen in ons beweegpark om de spieren aan te sterken?

Nienoord met rechts het terras voor de lunch

Verhalen onderweg (WK+ Pad)

Knp: 9-7-55-57-65-1-99-98-97-96-93-92

We starten vandaag in Aduard en wel op de Kaakheem. Ik ben wel benieuwd waar die naam vandaan komt en vind als verklaring de volgende betekenis: het erf waar de ‘kaak’ op stond, waarbij de ‘kaak’ de schandpaal was. De straf van de ‘kaak’ en van het brandmerken werden gelukkig in 1854 afgeschaft.

Kaakheem; het erf waar de ‘kaak’ stond

Zoals bekend stond in Aduard ooit de aan Bernard van Clairvaux gewijde abdij Ad Sanctum Bernardum, het rijkste, grootste en beroemdste klooster van het noorden. Alleen de oude ziekenzaal, tegenwoordig de hervormde kerk, is er nog van over. Volgens de overlevering vestigden zich hier in 1192 cisterciënzer monniken omdat de lokale bevolking lichtverschijnselen op deze plek meende te zien. Op zich al een merkwaardig fenomeen, maar dat is niet het enige. Zo’n groot klooster is vaak het onderwerp van vele (volks)verhalen. Voor de meeste volksverhalen geldt het principe: ’niet echt gebeurd, maar wel waar’, want zulke verhalen genereren hun eigen waarheid, aldus de schrijvers van een artikel over dit onderwerp. Ze prikkelen de verbeelding.

De verhalen over vermeende onderaardse gangen van de stad Groningen naar dit klooster zijn waarschijnlijk ontstaan na het verschijnen van de kroniek ‘Vitae et gesta abbatum’ (levens en werken van de abten) uit de 15e/16e eeuw. Hierin wordt vermeld dat de abt van Aduard naar Groningen kon lopen zonder een voet van eigen bodem te zetten. In feite zijn deze gangen vaak rioleringen die vroeger manshoog moeten zijn gemaakt omdat de werkers deze anders niet konden metselen. Archeologisch onderzoek heeft laten zien dat deze rioleringsgangen soms wel 1.68 m hoog waren.

Later, in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), speelde dit klooster een strategische rol en gingen de bibliotheek en veel andere kostbaarheden verloren. Het klooster werd uiteindelijk gesloopt, maar volgens de verhalen zou de bibliotheek (of tenminste een deel daarvan) samen met de gouden stoel van de abt van de cisterciënzers verborgen zijn in de onderaardse gangen. Sommige paragnosten (helderzienden) geloven dat de kostbaarheden van het klooster verstopt zijn in oude putten, waarvan de restanten nog steeds aanwezig moeten zijn, en dat deze schatten nog altijd niet gevonden zijn. Voer voor speculatie! Of je de verhalen nu gelooft of niet, het verhaal over de gangen in Aduard is springlevend en wordt nog steeds onder de Groningers verteld.

3D kloosterwandeling (internet)

Om je (nog) beter in te kunnen leven in de omstandigheden van toen is er nu een 2 km lange kloosterwandeling, compleet met 3dGPS app, langs de belangrijkste plekken uit de geschiedenis van dit ooit zo grote klooster gerealiseerd. Het logo van de kloosterwandeling heeft de vijfhoekige vorm van de kloosterplattegrond en doet denken aan een middeleeuws wapenschild. We zien verschillende bijzondere zuilen. Grappig is dat ze zo zijn vorm gegeven dat ze recht doen aan de geschiedenis waarover ze vertellen. De torenvorm van de zuilen en panelen verwijst naar de kerkarchitectuur waarin de toren naar de hemel reikt. De handgeschreven Latijnse teksten die in de aluminium panelen op de zuilen zijn geprint, zijn afkomstig uit een exemplaar van de Abtenkroniek van Aduard terwijl de vorm van de tekstpanelen doet denken aan middeleeuwse banieren. De rode kleur op de tekstpanelen en van het cortenstaal van de zuilen verwijst naar de kleur van de bakstenen waaruit het klooster was opgetrokken en de middeleeuwse, met bladgoud bedekte letters in de windvanen bovenop de zuilen (en de M op het kloostermuseum) zijn de beginletters van de getijdengebeden. Volgens de Regels van Sint Benedictus moeten Cisterciënzers monniken acht keer per dag bidden: Metten rond middernacht en vervolgens Lauden, Priem, Terts, Sext, Noen, Vespers en Completen. Hier is echt over nagedacht! Met al deze informatie en wetenswaardigheden zijn we nog niet erg opgeschoten met onze wandeling naar Den Horn. Ondertussen heb ik de app op mijn telefoon gezet, maar de verdere details moeten we toch bewaren voor een andere keer.

Zowaar nog een echt ‘Westerkwartierpluspad teken’

Verrassend genoeg lopen we Aduard uit over het fietspad richting Groningen. Wij lopen maar tot Nieuwklap, een buurtschap genoemd naar de nieuwe klap (ophaalbrug) over het Aduarderdiep. Na de aanleg van het Aduarderdiep rond 1400 werd hier een sluis gebouwd. Later werd er, mogelijk met de aanleg van de Friesestraatweg in 1843, de draaibrug de ‘Nieuwe Klap’ gelegd, waar tol werd geheven. In 1938 werd er een vaste ‘hoge brug’ naast gebouwd voor het nieuwe tracé van de Friesestraatweg, waarop de draaibrug werd weggehaald. Een paar jaar geleden heeft de provincie besloten tot de aanleg van een nieuw knooppunt bij Nieuwklap i.v.m. de aanleg van een rondweg om Aduard, die inmiddels is gerealiseerd. Hiervoor is ook weer een nieuwe brug gebouwd omdat de weg een beetje is opgeschoven. De burgemeester van (toen nog gemeente) Zuidhorn vond de vernoeming van de nog naamloze brug naar wielrenner Bauke Mollema een goed idee en zette zich hiervoor in bij de provincie, want Bauke Mollema groeide op in Zuidhorn en fietste tijdens zijn middelbareschooltijd elke dag over de brug. Op zijn website zegt hij zelf over deze dagelijkse fietstocht van twaalf kilometer dat daar het begin van zijn wielercarrière ligt. De burgemeester onderbouwde zijn verzoek als volgt: ‘Wie weet wint hij over twee of drie jaar de Tour. Mensen kunnen dan denken: hee, hier heeft hij altijd langsgereden. De brug past ook goed bij de klimmer Mollema omdat hij zo steil is. Het is niet niks. Het is geen Alpe d’Huez, maar je moet toch wel je best doen om er overheen te komen.’ Heeft de brug hiermee inderdaad zijn naam gekregen? Het wordt me niet helemaal duidelijk, maar het is zonder meer een leuk verhaal.

We lopen onder de brug door en zoeken langs het Aduarderdiep een plekje in de berm voor een kop koffie. In de verte zien we de skyline van Groningen en Hoogkerk met hun kenmerkende gebouwen. Zo dichtbij de stad en tegelijkertijd zo midden in de natuur.

Heerlijk in het zonnetje ………

Dit pad is voor sommigen onder ons bekend terrein. Vanuit ons huis is dit een leuke en minder drukke fietsroute naar Peize. Aan het eind, vlak voor de T-splitsing, liggen diverse woonboten. We zijn aangekomen in Nieuwbrug wat eigenlijk uit niet meer dan een boerderij, een huis en een aantal woonschepen bestaat. De naam Nieuwbrug verwijst naar de ‘nieuwe brug’ over het Aduarderdiep die onderdeel vormde van één van de handelsroutes tussen Groningen en Leeuwarden. De brug werd bediend door een brugwachter die ‘passagegelden’ moest innen. Bij het huis heeft vroeger een watermolen gestaan die de polder De Kleine Eendragt bemaalde. In de 20e eeuw was Nieuwbrug vooral een wachtplaats voor schepen die moesten lossen bij de suikerfabriek en papierfabriek De Halm in Hoogkerk. Pas later kwamen hier woonschepen te liggen. Rond 2000 was Nieuwbrug verpauperd en werd dit meer en meer het domein van junks en alcoholisten uit de stad Groningen. De bewoners van de woonboten hadden ook geen gas en elektra. Pas toen ze dreigden een groot dieselaggregaat naar Nieuwbrug te brengen, legde de gemeente hier gas en elektra aan. Dat is eigenlijk nog maar relatief kort geleden. Waterwonen wordt misschien steeds aantrekkelijker?

Waterwonen in Nieuwbrug

Wij slaan hier rechtsaf richting Den Horn. De kerk in Den Horn werd in 1863 gebouwd, maar de geschiedenis van de kerk begint eigenlijk in het vlakbij gelegen gehucht Lagemeeden. In de vijftiende eeuw kon de kerk van Lagemeeden een belangrijke relikwie, een gedeelte van de arm van de heilige Margaretha, bemachtigen, waardoor het een bedevaartsoord zou worden. Het kopen van een relikwie was alleen voor de rijkere kerken weggelegd, dus de kerk van Lagemeeden moet wel welvarend geweest zijn. Op het moment dat de kerk van Lagemeeden werd afgebroken was het omliggende dorp al verdwenen. De parochianen van de omliggende streken gebruikten de kerk tot die tijd nog steeds, hoewel de kerk intussen al zodanig in verval was geraakt dat ‘de kerkgangers steeds meer weiland konden zien door de muren heen’. Er moest duidelijk een nieuwe kerk komen, maar de bouwplaats van de nieuwe kerk werd een waar ‘hoofdpijndossier’. Uiteindelijk werd door de Algemene Synode besloten dat de kerk in het midden van de kerkelijke gemeente moest komen te liggen. De plaats van de huidige kerk is dus symbolisch gekozen om te laten zien dat de kerk niet alleen de gemeenteleden uit Den Horn toebehoorde. Van Lagemeeden rest nu alleen nog een eeuwenoud kerkhofje dat via een smal, doodlopend weggetje vanuit Den Horn bereikbaar is. In volksverhalen over deze kerk wordt nog altijd beweerd dat de arm zich daar nog zou bevinden, misschien begraven in een sloot?

In de kerk van Den Horn

Op zich allemaal heel interessant, maar nu weten we nog niets over de heilige Margaretha. In de kerk hangt gelukkig een icoontje met haar afbeelding inclusief een verklaring eronder. Sint Margriet (de heilige Margaretha of de heilige Marina) was een dochter van een heidense priester in Pisidië (waar tegenwoordig Antalya ligt in Turkije). Ze werd opgevoed als christen en ook na haar gedwongen huwelijk weigerde ze haar geloof op te geven. Toen ze niet aan de heidense goden wilde offeren, werd ze opgesloten en gemarteld. Al deze gruwelijkheden overleefde ze (natuurlijk) ongeschonden. Vervolgens openbaarde de duivel zich in de gedaante van een gevaarlijke draak die haar verslond. Zij maakte echter een kruisteken in zijn buik, waarop het beest uit elkaar barstte en zij, ook nu weer, ongedeerd bleef. Sint Margriet wordt altijd afgebeeld met een draak aan haar voeten. Ze is één van de ‘veertien heilige helpers’, omdat ze wordt aangeroepen bij ziektes en kwalen. Ze is de patrones van voedsters, verpleegsters, vroedvrouwen en nierpatiënten en wordt aangeroepen bij barensweeën en zwangerschap (wegens haar ontsnapping uit de buik van de draak) en onvruchtbaarheid. Merkwaardig toch dat ik nog nooit van haar heb gehoord ;). Sinds 1981 heeft de kerk een multifunctionele bestemming.

De heilige Margaretha, Margriet, Marina etc.

Langzamerhand naderen we het einde van de tocht. Aan de andere kant van het dorp slaan we af richting Oostwold. We lopen over een smalle weg door de weilanden richting het Hoendiep. Om ons heen wordt druk gewerkt. Grote landbouwmachines maaien het gras terwijl hazen angstig met reuze sprongen over het land wegvluchten. Ik wist wel dat een haas in een leger leeft, maar had me niet gerealiseerd dat een haas meerdere van deze legers maakt die worden gebruikt afhankelijk van de richting van de wind. Een haas gaat ook nooit rechtstreeks naar een leger toe maar maakt een omweg door grote sprongen te maken, waardoor eventuele vijanden op een dwaalspoor worden gebracht. De grote, snelle, lawaaierige machine wordt hier zeker als vijand gezien. Ik geloof dat ik nog nooit zoveel hazen op het land bij elkaar gezien heb.

Hoewel dit niet echt een bijzondere wandeling was qua omgeving, waren de verhalen onderweg zeker de moeite waard. We leren op deze manier heel wat meer over onze directe omgeving.

De kust (België)

De Belgische kustlijn is vergeleken met de Nederlandse te omschrijven als relatief kort met een totale lengte van slechts ongeveer 65 kilometer. De Nederlandse kustlengte is veel langer met zo’n 523 kilometer, waarvan 353 km Noordzeekust is en de rest de kust van de Waddenzee en de Westerschelde. Daarnaast wordt de Belgische kust beschreven als intensief bebouwd en ‘misschien niet de meest paradijselijk plek van Europa’, want het is een zeer verstedelijkt gebied met een lange rij appartementencomplexen. Naar verluidt heeft de kust meer dan 2/3 van de hotelcapaciteit van Vlaanderen, met meer dan 500 hotels en 27.000 bedden. Toch is er bijna overal een zandstrand tot ca. 500 meter breed met een duinengordel daarachter. We gaan vandaag op ontdekkingstocht, het lijkt immers een mooie dag te worden. We willen beginnen in De Panne in het zuiden om langs de kustweg naar het noorden, naar Knokke-Heist, te reizen. Tenslotte zijn er (maar) 13 kustplaatsen in 10 verschillende kust gemeenten……

Overzicht van de Belgische kust (internet)

De badplaats De Panne heeft het breedste strand. Ze zeggen dat je hier, bij helder weer en goed kijken, de Engelse kust kunt spotten en je hier dus op een soort onuitgesproken drielandenpunt staat, dat van België, Frankrijk en Groot-Brittannië. Maar ja, zo helder is het vandaag niet en bovendien is het hier heel druk vanwege het bekende pretpark Plopsaland en de daarbijbehorende kabouter Plop. Gauw door naar Koksijde dan maar.

Onderweg rijden we parallel aan de kusttram, de langste tramroute ter wereld. Tussen De Panne en Knokke (de twee verste punten) kun je op maar liefst 70 plekken in- en uitstappen. De tram zit goed vol, er wordt flink gebruik van gemaakt. Voor velen is er iets magisch aan op het strand zijn. De acroniem B.E.A.C.H. staat immers niet voor niets voor Best Escape Anyone Can Have ;).

Kusttram De Panne-Knokke

Als de bezienswaardigheid (met stip bovenaan) voor Koksijde worden de ‘garnaalvissers te paard’ genoemd. We treffen het!! In de verte zien we, onder grote belangstelling, een aantal paarden in zee gaan met iets of iemand in knalgeel op de rug. We leren dat deze ‘ambachtelijke vaardigheid’ bij laag tij wordt beoefend voor gedurende ongeveer 2 à 3 uren. De paardenvissers zitten, in gele oliejekker, hoge laarzen en met een zuidwester op het hoofd, in een houten zadel op een paard dat een zwaar garnaalnet achter zich aansleept. De (Brabantse) paarden stappen tot aan de borst in het water, parallel aan de kust. De vissers gebruiken een trechtervormig net (7 x 10 meter) dat door twee zijdelingse planken wordt opengehouden. Dit vergt een enorme trekkracht van de paarden! Een ketting sleept over het zand en veroorzaakt schokgolven waardoor de garnalen opspringen en in het net terechtkomen. Om het half uur wordt het vissen onderbroken om terug naar het strand te gaan, het net te legen en de vangst te zeven. De garnaaltjes komen terecht in de korven die langs weerszijden van het paard hangen. Na het vissen worden de garnalen gekookt in zoet water. ‘Garnalen op deze wijze gevangen en gekookt zijn voor fijnproevers een waar genot omdat ze haast verser dan vers zijn.’

Dit is hard werk (RK)
Past and present (RK)

Omdat deze vorm van garnaalvisserij zo nauw verbonden is met de natuur en tegelijkertijd een sprekend voorbeeld is van ‘een dynamische en duurzame omgang met natuur en cultuur die wordt doorgegeven van generatie op generatie’, is het in 2013 aan de UNESCO lijst van immaterieel erfgoed toegevoegd. Op dit moment zijn er dertien families (en 16 erkende garnaalvissers te paard) actief in de garnaalvisserij. Daarnaast zijn er ook de garnaalvissers te voet, ‘kruiers’ of ‘kruwers’, die zelf het net door het zeewater trekken. Hun net mag dan minder breed en lang zijn dan dat van de paardenvissers, verder is hun vangstmethode bijna identiek. Dit lijkt me toch alleen iets voor zeer gepassioneerde liefhebbers?

Standhuisjes in afwachting van (RK)

Alle belangstellenden hebben zich rondom het werkterrein van de paardenvissers geschaard, waardoor de rest van het strand op dit moment haast uitgestorven lijkt. De standtentjes gaan langzaam maar zeker open, de badhuisjes staan afwachtend, nog met gesloten deuren, klaar voor de toestroom van badgasten en een eenzame ‘vliegeraar’ laat één voor één zijn koopwaar de lucht ingaan. Hij heeft bijzondere exemplaren en weet daar ook kunstig mee om te gaan. De bonte cirkels dartelen door de lucht, scheren langs elkaar en vormen alleen of samen mooie patronen. Een genot om naar te kijken. 

Genieten op het strand (RK)

Onze volgende stop is Oostende, de grootste badplaats en ook wel de ‘Koningin aan de Belgische kust’ genoemd. De geschiedenis van Oostende gaat terug tot in de vroege middeleeuwen. Plaatsnamen als Maria Hendrikapark, Leopold I-plein en prinses Stefanieplein verraden dat Oostende een band heeft met het Belgische koningshuis. De stad dankt haar koninklijke bijnaam echter vooral aan koning Leopold II, die vaak tijdens de zomermaanden in Oostende verbleef. De meeste kustgemeenten waren aanvankelijk relatief klein van omvang en de plaatselijke economieën waren gericht op landbouw en visserij. De kustlijn werd toen nog vooral beheerst door duinen en bijhorende begroeiing. Vanaf het einde van de 19de eeuw, in de periode die bekend stond als de Belle époque, begon door de economische welvaart het toerisme op te komen. Meer en meer mensen trokken naar de zee en dit had zichtbare gevolgen voor de plaatselijke dorpen, die steeds groter en groter werden. Ook de kustlijn veranderde drastisch. Tussen de duinen werden luxueuze en fraaie kustvilla’s gezet en her en der werden hele dijken aangelegd met bijpassende bebouwing. Koning Leopold II zag het potentieel van het opkomende toerisme en promootte de kust, vooral Oostende, als voornaamste toeristische regio van België. Hij pompte dan ook een deel van de inkomsten uit de Belgische kolonie Congo in Oostende. Zo liet hij hier de Koninklijke Gaanderijen, de Wellingtonrenbaan en de koninklijke villa langs de kustlijn bouwen, waarbij de overdekte gaanderijen, die de villa met de Wellingtonrenbaan verbonden, dienden om de gegoede burgers tijdens hun wandeling tegen zon en regen te beschermen. De manier waarop de bouw gefinancierd werd, werpt nog altijd een schaduw over deze gebouwen. We vangen in de verte wel een glimp op van de gaanderijen, maar onze aandacht wordt meer getrokken door iets van een hele andere aard; Atlantikwall Raversyde, één van de best bewaarde delen van de Duitse verdedigingslinie uit WOII en tevens de best bewaarde Duitse kustbatterij uit WOI.

Een deel van de Atlantikwall (RK)

Bij de ingang wandelen we eerst langs het 75 meter lange kustpanorama met foto’s uit 1945 om ons te oriënteren. Gewapend met een apparaat, waarop foto’s te zien zijn en informatie te beluisteren valt, gaan we vervolgens op zoek naar de zestig constructies, stellingen, bunkers en batterijen uit de twee wereldoorlogen die verbonden zijn door open en onderaardse gangen. Ons wordt aangeraden te beginnen met de overblijfselen uit WOI om daarna door te lopen naar die van WOII, waar onder meer in diorama’s een beeld wordt geschetst van de manschappen. Uit WOI zien we batterij Aachen uit 1915 waarvan twee observatieposten, vier geschutsbeddingen en een bomvrije schuilplaats zijn bewaard. De kanonnen werden onder stalen koepels geplaatst ter bescherming. De geschutstellingen waren met een smalspoorweg verbonden met de verschillende munitieruimtes, die verstopt zaten in de duinen. Uit WOII zien we de goedbewaarde stellingen van de batterij Saltzwedel-neu uit 1941 die oorspronkelijk de haven van Oostende verdedigden en na 1942 ingeschakeld werden in de Atlantikwall.

Kustfoto’s uit 1945 (RK)
Een beeld om aan te geven hoe het was (RK)
Waar zijn die duikboten nu precies gezonken?

We lopen langs en door een geheel van bunkers en loopgraven die gedeeltelijk in hun oorspronkelijke staat werden gerestaureerd. Ze bleven bewaard omdat Prins Karel, de eigenaar van de gronden, zich tegen de afbraak bleef verzetten. Prins Karel was de tweede zoon van Koning Albert I en woonde jarenlang, tot aan zijn dood in 1983, op het domein. De kern van het huidige provinciedomein was ooit Koninklijk domein. Koning Leopold II liet er drie chalets in Noorse stijl bouwen naast een bijzonder gebouw uit baksteen dat nog altijd bestaat, de ‘paardenstallen’.

Hier stond ooit een houten chalet van Leopold II

Omwille van de Koningskwestie (dit ging over het al dan niet behouden van Leopold III op de koningstroon) werd prins Karel in september 1944 Regent van België. Hij bleef dit tot de zomer van 1950.

Zelfportret Karel van Vlaanderen

Zijn regentschap wordt gekenmerkt door een paar belangrijke evoluties in de geschiedenis van België. Zo werd er in 1948 beslist over het vrouwenstemrecht en legde de besluitwet (over de maatschappelijke zekerheid van de arbeiders) van 28 december 1944 de fundering voor het socialezekerheidsstelsel dat we vandaag kennen. Op internationaal vlak werd de politiek gekenmerkt door de oprichting van de Economische Unie tussen België, Nederland en Luxemburg (Benelux) in 1944, de toetreding van België tot de VN in 1945, tot NAVO in 1948 en tot de Raad van Europa in 1949. Prins Karel trok zich na zijn regentschap definitief terug op zijn domein in Raversijde, waar hij zich meer en meer toelegde op zijn grote passie: tekenen en schilderen. Hij deed dit voortaan onder zijn pseudoniem ‘Karel van Vlaanderen’, aangezien hij ook de titel had van Graaf van Vlaanderen. Al met al is hij in meerdere opzichten een belangrijk man voor België en voor deze contreien in het bijzonder geweest. 

Geen veilig gevoel…… (RK)
Hoe ver is dat schip van ons verwijderd? (RK)
Af en toe een moment van rust (RK)

Alles bij elkaar(zowel door beeld, geluid als eigen beleving) is dit complex een indrukwekkend geheel geworden waardoor je een (beetje een) beeld krijgt van de bizarre en moeilijke omstandigheden waarin de soldaten hier moesten ‘wonen en werken’. 

Altijd alert blijven (RK)

Als laatste is badplaats Knokke-Heist aan de beurt, misschien wel de bekendste badplaats van het land. Zo niet, dan in ieder geval de meest exclusieve, want in Knokke-Heist kun je flaneren langs alles wat ‘hip, hot en hors categorie’ is. Grappig in deze is een korte discussie die ik op het web tegenkwam. Natuurmonumenten noemt de Belgische kust als voorbeeld van hoe het niet moet. ‘Daar was geen beleid en nu is het één grote boulevard. De Vlaamse kust is om te janken. Daarom komen al die Belgen hier.’ De toeristische dienst van Knokke-Heist reageert hierop verbolgen: ‘Wie heeft dat godverdomme gezegd? Alle rijke Nederlanders komen naar hier.’ Het is dan ook een bekend feit dat de ‘beau monde’ uit binnen- en buitenland graag in Knokke vertoeft en dan vooral in het Zoute. Overal zie je hier kapitale huizen, goede restaurants en chique winkels met merken als Louis Vuitton, Cartier, Hermès en anderen. In het straatbeeld veel exclusieve sportauto’s en golfkarretjes die hier gebruikt worden om je snel te verplaatsen.

Promenade Knokke (internet)

Volgens hun eigen brochure: ‘Tijdloos, iconisch, luxueus: Het Zoute is ‘a class of its own’. Een wijk die ooit werd vormgegeven door de Engelsen en dat voel je nog in elk detail. Want het mag allemaal net dat tikje meer zijn. Maar altijd klassevol. Elegant. Het Zoute ademt stijl. Van de authentieke villa’s en uitgestrekte golfterreinen, tot de beste restaurants en toonaangevende boetieks. Een stukje Knokke­-Heist voor levensgenieters met smaak.’

De prijzen zullen wel navenant zijn, dus onze keuze is om toch te dineren in ons vertrouwde Brugge. We vinden een klein restaurantje vlakbij ons hotelletje en genieten van een laatste avond van een heerlijke mini vakantie vol indrukken. Zeker voor herhaling vatbaar!