Drentse duinen

Jacobspad: Lieveren-Langeloërduinen-Norg

Eigenlijk is het merkwaardig om over duinen in Drenthe te spreken, toch? Bij duinen denk je immers vooral aan de natuurlijke (dus niet door mensen aangelegde) zandbergen langs de kust die ervoor moeten zorgen dat de zee het land niet binnen kan stromen. De zee is in Drenthe echter ver te zoeken! De ‘Drentse’ duinen zijn dus anders en worden ter onderscheiding ook wel landduinen of stuifzanden genoemd. ‘Een geducht natuurverschijnsel’, zo werden de stuifzanden ruim een eeuw geleden genoemd. In feite waren de zandverstuivingen (‘duinen’) echter meer het resultaat van het werk van de mens dan dat van de natuur.

De meeste stuifzanden ontstonden in de 18e en 19e eeuw toen vele tienduizenden schapen dagelijks de Drentse heidevelden afstruinden op zoek naar alles wat eetbaar was. Ook werden er regelmatig karrenvrachten heideplaggen gestoken om de mest te gebruiken voor de akkers. Het gevolg van dit alles was dat de heide op veel plekken verdween en het witte zand eronder vrij spel kreeg. In periodes van droogte en harde wind kregen deze zandverstuivingen de kans om flink te groeien.

Vanaf de 18e eeuw benoemden de boermarken (organisaties waarbij lokale boeren gezamenlijk verantwoordelijk waren voor het beheer van gemeenschappelijke gronden) ‘zandheren’ om de strijd tegen het zand te coördineren. Ze lieten aarden wallen tegen het oprukkende zand bouwen en er werden bomen en houtwallen langs de essen (met mest opgehoogde akkers) geplant om het zand vast te leggen. Pas in het begin van de vorige eeuw werden de zandverstuivingen echt bedwongen door het op grote schaal planten van vooral grove den. Tegenwoordig wordt er juist veel moeite gedaan om het stuifzand open en daarmee actief te houden, want zonder ingrijpen verandert het stuifzand snel in bos.

We zijn langzamerhand wel heel nieuwsgierig geworden naar dit duinlandschap! Ik lees in een column van Janny van der Heijden dat nieuwsgierigheid net is als zout? Een snufje brengt smaak, teveel bederft het gerecht en wie helemaal niet proeft, mist uiteindelijk waar het eigenlijk om gaat. Wij gaan proeven met smaak, want een smaakbeleving is tenslotte een dans van al je zintuigen!

We starten weer in Lieveren waar het op zondag een stuk drukker lijkt te zijn dan op een doordeweekse dag. We lopen over de Zuidesch richting Norg en vinden net buiten het dorp een heerlijk plekje voor ons eerste kopje koffie. Lekker in de zon aan een picknicktafel die met een grote ketting verankerd ligt aan een hunebed-kei. Zou dit een bescherming voor de wind of tegen vandalisme zijn? Onze logeerhond Nova doet alsof ze al een marathon achter de rug heeft en zakt heerlijk languit in het gras. Zelfs een slok water of een meegebracht hondenbrokje kan haar niet tot enige activiteit verleiden. Dat belooft nog wat ;).

Ook het Drenthepad gaat hier langs…….
Mooie paden, maar helaas voor Nova …..

Even verderop lopen we over het Oostervoortse Diep of Kleine Diep. Net ten zuiden van Lieveren vloeit het samen met het meer westelijk gelegen Groote Diep en wordt dan het Lieversche Diep genoemd dat verderop overgaat in het Peizerdiep. Het hele Drentse Aa gebied is eigenlijk een eeuwenoud landschap gevormd door diepen, diepjes, lopen en loopjes. Lange tijd was het Oostervoortsche diep vooral gericht op de landbouw. Het waterpeil moest laag blijven en daarvoor werd water uit de beek weggevoerd. Dit leidde tot problemen want in natte periodes werd het omliggende land te nat en in droge periodes liep de beek zo goed als leeg. Daar is, met de inzichten van nu, wat aan gedaan. Met het plaatsen of juist weghalen van kades, een speciale stuw, een gemaal en een waterwindmolen wordt tegenwoordig de waterberging verbeterd en de wateroverlast beperkt.  

Oostervoorste Diepje

Ons volgende dorp is Langelo. Net als veel andere dorpen in Drenthe, is Langelo zowel een brink- als een esdorp. Een brink was meestal een open stuk grasland (al dan niet met bomen) waar het vee gezamenlijk kon grazen. De es, oftewel het akkerland waar landbouw werd bedreven, bevond zich naast of rondom het dorp. Deze manier van landbouw en veeteelt beoefenen, stamt al uit de Germaanse tijd. Voorheen rondtrekkende stammen gingen zich permanent vestigen en werkten als gemeenschap samen op de gronden die bij hun dorp hoorden. Toen er steeds meer dorpjes ontstonden, begonnen de boeren in een dorp zich te organiseren om hun belangen en hun gronden veilig te stellen. Dit wordt de Boermarke of kortweg Marke genoemd. De bij een dorp behorende gronden werden op de grens afgezet met zogenaamde markestenen. Tijdens het lopen komen we zo’n grenssteen tegen. Een grote kei, waar nu heel modern een plaatje op is geplaatst. Vroeger was dit natuurlijk niet het geval, toen kenden de boeren de grenzen uit hun hoofd. 

De brink in Langelo
De grens

Langelo is één van de kleinste brinkdorpen van Drenthe. Zo’n 65 jaar geleden wist een lagere (basis)school meester zijn leerlingen al te vertellen dat ‘Langelo’ zoiets betekende als ‘langgerekte open plek in het bos’. Hoe hij aan die wijsheid kwam is niet duidelijk en ook niet hoe die open plek in het bos dan was ontstaan. Het is wel bekend dat er hier, al ver voor het begin van de jaartelling, landbouw voorkwam, waarbij de boerderijen onderdeel vormden van de ontginning. Dit wordt ook wel bosakkeren genoemd. De boerderijen gingen slechts 20 tot 30 jaar mee, waarna er een nieuwe boerderij vlakbij gebouwd werd. De plek van de oude boerderij werd dan weer in gebruik genomen als akkerland. Dit leidde er toe dat het oorspronkelijke loofbos een steeds opener landschap werd. Een dergelijk bos wordt ‘loo’ genoemd. Bijzonder toch? 

Mooi lijnenspel

Vervolgens lopen we door de Langeloërduinen, een eeuwenoud stuifzandgebied gevormd door mens en natuur. De naam verwijst naar het nabijgelegen Langelo, waarvan de boeren vroeger gezamenlijk gebruik maakten van dit gebied. Ze lieten hier hun schapen grazen, verzamelden hout of staken turf. Ooit was het gevolg een kale vlakte met stuivend zand, ontstaan door eeuwenlange overbegrazing, houtkap en turfwinning. De wind kreeg vrij spel en vormde glooiende duinen.

Herinnering aan het verleden

De begroeiing die je nu ziet, is het resultaat van herstel en beheer door de tijd heen. Wist je trouwens dat een zandverstuiving extreme temperatuurverschillen kent? Er is niets dat de warmte vasthoudt of koelte brengt. Op het heetst van een zomerdag kan de temperatuur vlak boven de grond waarden van rond de 50 graden bereiken, terwijl deze ‘s nachts weer tot op het vriespunt kan dalen. Onder deze omstandigheden kunnen slechts enkele soorten mossen en korstmossen aan de rand van de zandverstuiving groeien. Het beheer van dit gebied richt zich nu voornamelijk op ‘boomheide’: open bos van inheemse soorten met daaronder een kruidenlaag met vooral heide. De ontwikkelingsmogelijkheden van het bos worden echter beperkt door de versnipperde eigendomsituatie en de aanwezigheid van veel vakantiehuisjes. Al zien sommige van die huisjes er wel heel krakkemikkig uit ……. Toch is en blijft het een prachtig en zeer uitnodigend wandelgebied. We wandelen genietend over de zandpaden, tussen heide, bos en zandverstuivingen door, terwijl we her en der sporen van het verleden tegenkomen. Wat wil je nog meer? 

Uitnodigend wandelgebied
Eeuwenoude paden

In de verte zien we de kerktoren van Norg al opdoemen. Norg staat bekend als één van de best bewaarde esdorpen van Nederland. In de oudste vermelding (1139) van het bisdom Utrecht wordt het geschreven als Nurch. De verklaring voor de naam is waarschijnlijk dat het een afgeleide is van de richtingaanduiding ‘noord’, wat verwijst naar de ligging. De bisschop van Utrecht was niet alleen een kerkelijk leider, maar ook de wereldlijk heer van Drenthe. Norg was namelijk onderdeel van de ‘Norchse’ goederen, die de ridderfamilie ‘van Norch’ in leen had van de bisschop. De invloed van de bisschop in Drenthe nam af toen Karel V in 1528 de macht overnam, waarmee een einde kwam aan het bisschoppelijk tijdvak.

Veel lelietjes van dalen (symbool voor geluk en liefde) onderweg

De hervormde Sint Margarethakerk, ons einddoel van vandaag, herinnert nog aan de middeleeuwse geschiedenis. De verhalen over deze bakstenen kerk gewijd aan Sint Margaretha zijn voor een volgende keer. Al is het wel bijzonder dat deze dame in de derde eeuw in het ministaatje Antiochië, op de grens van het huidige Syrië en Turkije, leefde. Zij had zich al vroeg tot het Christendom bekeerd, tegen de wil van haar directe omgeving in, met als gevolg dat zij uiteindelijk werd onthoofd. Hierdoor werd zij een soort martelares die in de Middeleeuwen sterk werd vereerd, waardoor haar naam aan diverse kerken, waaronder deze, is verbonden. Waarom zij (van zover weg) hier zo belangrijk werd, maakt (mij) nieuwsgierig. Wordt vervolgd!

De Kleibosch

Jacobspad: Roderwolde-Lieveren


We starten vandaag bij de Jacobskerk in Roderwolde. Vandaar lopen we via Foxwolde en de Kleibosch verder langs de Scharenhulsedijk naar esdorp Lieveren, ons eindpunt van vandaag. Al met al een wandeling van zo’n 8 kilometer, wat al weer een beetje verder is dan de 6 km van vorige week. Het lopen is nog niet pijnvrij, maar het gaat steeds een beetje beter!

De brem staat volop in bloei

Qua weer zijn de voorspellingen ‘overwegend droog’, althans voor het noorden, al moet je zulke voorspellingen soms met een korreltje zout nemen ;(. We beginnen in ieder geval wel zonder paraplu (capuchon), maar houden dat niet lang vol. Een gestage miezer, die steeds feller naar beneden komt, maakt de wereld om ons heen langzaam maar zeker grauwer, grijzer en kleiner. Dit hadden we niet besteld! Gelukkig is het niet echt koud en staat er praktisch geen wind. Als is dat laatste misschien juist geen goed teken? Een (on)bekend Nederlands spreekwoord over regen in mei zegt: ‘Een natte mei geeft boter in de wei’, wat betekent dat regen in mei zorgt voor een goede grasgroei en dus een goede melkproductie. Dat moet ons ingedutte ‘boerenbloed’ toch een beetje aanspreken ;-D. Een ander citaat, toegeschreven aan Bob Marley, luidt als volgt: ‘sommige mensen voelen de regen, anderen worden gewoon nat’. Een beetje cryptisch, maar het geeft een perspectief over ons. Hoe wij, ieder voor zich, het leven ervaren. Het suggereert dat hoewel we allemaal vergelijkbare omstandigheden meemaken, onze innerlijke ervaringen enorm kunnen verschillen. Vind je nat worden alleen maar vervelend of voelt de regen als iets positiefs, biedt het nieuwe kansen? Misschien een beetje (te) diepzinnig voor de regen die wij nu ervaren?

Natgeregend……

Foxwolde is een klein buurtschap met een geschiedenis die teruggaat tot in de Middeleeuwen. Vanaf de hoger gelegen dijk alhier (een langgerekte zandrug in het veengebied boven Roden) begonnen mensen toen met de ontginning van het veen. In een oorkonde uit 1313 komt de plaats al voor onder de naam Fokeswolde. Wolde duidt op een bosrijke omgeving, terwijl Fokse kan slaan op een naam van een persoon (Fokke of Fokko) of op het roofdier vos, waarmee de naam verwijst naar een bos waarin vossen zaten. Waarschijnlijk was hier al in de vijftiende eeuw een zogeheten tichelwerk (een plek waar zowel klei gewonnen, verzameld en gebakkens werd) van het cisterciënzer klooster van Aduard. Ter plekke werden dakpannen en kloostermoppen in veldovens gebakken en vervolgens vervoerd via het Peizerdiep.  Hierdoor bleven zogenaamde kleidobben achter in het landschap, de oude winputten. Na verloop van tijd verboste het gebied, vandaar de naam Kleibosch. De potklei (zeer zware klei) is hier ontstaan in de Elster-ijstijd, bijna een half miljoen jaar geleden. Het landijs bereikte in die periode alleen Noord-Nederland en vormde diepe tunnel-dalen. In deze diepe dalen kon sediment langzaam bezinken en zo vormde zich de fijn gelaagde potklei afzettingen. Bij het smelten van het ijs bleef er fijne donkergrijze klei achter. Op sommige plekken ligt het potklei zelfs tot aan het maaiveld, zoals hier bij Foxwolde. Deze bijzondere klei zorgt ervoor dat de grond slecht waterdoorlatend is, waardoor het gebied in het voorjaar erg nat kan zijn. Tal van uitgegraven kleidobben en restanten van oude kanaaltjes herinneren aan de industriële bedrijvigheid van toentertijd. Met de verwoesting en opheffing van het klooster van Aduard aan het einde van de 16e eeuw kwam een einde aan de bloei periode. Wat wij nu lijken te herkennen als ‘kolken’ (diepe watergaten ontstaan door vroegere dijkdoorbraken) zijn dus waarschijnlijk oude opgravingsputten of kleidobben.

Uitleg onderweg
Aan informatieborden geen gebrek

De huidige boerderij ‘Tichelwerk’ is gebouwd op een verhoogde huisplaats (wierde) waar ooit een vaste ticheloven met enkele huizen heeft gestaan. Het eigendom van het huidige Tichelwerk was in de 16e eeuw in de handen van het klooster van Bergum en daarna van de familie van Ewsum. Deze familie was een invloedrijk adellijk geslacht (jonkers) in de late Middeleeuwen, afkomstig uit de Ommelanden van Groningen. Door haar machtspositie en bezittingen heeft de familie een blijvende stempel gedrukt op het Groninger landschap en de geschiedenis.

Het vee dat hier wordt geweid, bestaat voornamelijk uit Groninger blaarkoppen, ‘een dubbeldoelrund gekenmerkt door een solide bouw, mooie verhoudingen en een gepaste bespiering’. In andere woorden: een vlees-melkkoe (60%-40%), egaal zwart of rood van kleur met een witte kop en gekleurde kringen rond de ogen; de blaren. Geen ‘gewone’ koe, maar een heel oud Gronings ras. Vroeger stonden ze overal in de Groningse weilanden. Tegenwoordig zijn ze schaars en behoren ze net als ‘onze’ bonte bentheimers (varkens), de Nederlandse toggenburgers (geiten) en de Groninger meeuwen (kippen) tot levend erfgoed. Ze worden ook wel ‘polderpanda’s’ genoemd. Vanwege de blaren rond de ogen, maar ook omdat ze zo lief en onschuldig zijn. Blaarkoppen zijn rustiger dan veel andere koeienrassen en daardoor makkelijker in de omgang. 


Polderpanda’s

Volgens een beschrijving is De Kleibosch aan het eind van de winter of vroeg in het voorjaar vaak bedekt met bloeiende bosanemoontjes (Anemone nemorosa). De witte bloemen staan zo dicht bij elkaar dat je zou kunnen denken dat er nog plakken sneeuw in het bos liggen. Ze bloeien echter maar kort, net voordat de bladeren aan de bomen komen, dus we hopen dat we deze weelde tijdens onze wandeling vandaag nog kunnen zien……..

Bloeiende bosanemoontjes in De Kleibosch (foto internet)

Helaas zien we de bosanemonen niet, wel heel veel pluisbollen van de paardenbloem. Mooi om te zien in zulke grote hoeveelheden. Wist je trouwens dat de knalgele paardenbloem vaak wordt vergeleken met de zon en symbool staat voor de vervulling van wensen en het uitkomen van dromen? De pluisjes van de paardenbloem brengen je geluk en helpen je herinneren dat niets onmogelijk is in jouw leven; dat je alles kunt bereiken wat je wilt. Met zo’n verhaal kijk je toch met andere ogen naar deze weidebloem die wij vaak meer zien als onkruid in eigen tuin. Omdat de paardenbloem belangrijk is voor insecten en vlinders en daarmee ook voor de vogels, moet je de bloem juist in je tuin laten staan. Tijd voor een herwaardering?

Goed voor de biodiversiteit 😉
Tijd voor een herwaardering?

Inmiddels zijn we in de buurt van Lieveren. Het is een esdorp, dwz een historisch type nederzetting op zandgronden, ontstaan in de Middeleeuwen en gekenmerkt door een geconcentreerde dorpskern, een gemeenschappelijke akker (de ‘es’) en een centrale brink. Er zijn hier zelfs restanten gevonden uit de IJzertijd bij het huidige Lieversche diep. Dit komt omdat een belangrijke verbindingsroute door Drenthe, de Koningsweg (Hereweg), bij Lieveren een doorwaadbare plek in het Peizerdiep had. In 1480 duikt voor het eerst de naam Tho Liveren op. De naam is vermoedelijk afgeleid van ‘bij de lieden van de familie Livere’, een familie die er destijds woonde.

Het laatste stuk vlak voor Lieveren

‘Melksikken’ is een historische schimpnaam voor de inwoners van Lieveren, die verwijst naar de vele kleine boeren die daar werkzaam waren. Deze boeren hielden vaak maar één of enkele koeien, ook wel bekend als ‘arbeiderskoeien’, om in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Het was beslist geen vetpot!

Wilde knoflook langs de kant van de weg

Lieveren is ook nu nog een klein dorp met zo’n 250 inwoners. Het café, ’t hart van Lieveren,’ is nog zo ongeveer de enige voorziening en een bekende plek midden in het dorp. Een vroegere boerderij met een in 1890 toegevoegd cafe. Inmiddels is het schuugedeelte geheel tot woonhuis verbouwd en is het woonhuis volledig in gebruik als cafe. Een gevonden beschrijving geeft een idee: ‘Echt woar luu ik stapde noar binnen en t was asof ik tig joar trugge in tied ging. Waaiers boven toneelpaneeln, karpettn op toafel, olle cafébiljart, grode stamtoafel, caféstouln dei joe veurvast bekend veurkomen en zwaart wit fotoos van verainns aan de muure. Je moutn dr noit hengoan as je hoast hebben, t is n kroeg, cafe woar je zen wordn, zulfs ik….’

’t hart van Lieveren

Uniek landschap

Jacobspad: Zanddijk (Onlanden)-Roderwolde

Het is alweer een tijd geleden dat we voor het laatst gelopen hebben. Na augustus vorig jaar kreeg ik meer en meer last van mijn linker knie. Onderzoek wees uit dat er weliswaar vocht in de knie zit, maar alle banden en zichtbare delen op de echo zagen er wel goed uit. Het ‘probleem’ zit daarmee dieper in de knie en het advies is fysiotherapie om alle spieren rondom aan te sterken. Inmiddels ruim een half jaar verder gaat het beter en wil ik de draad weer oppakken met een kortere wandeling van ongeveer 6 kilometer. Eens kijken hoe het ‘soft’ wandelen in de praktijk gaat bevallen. 😉

Het traject van de Zanddijk in De Onlanden naar Roderwolde is daar, volgens mij, een ideaal stuk voor. Volgens de beschrijving ‘voert het wandelaars door een ruig, jong natuur- en waterbergingsgebied met weidse uitzichten, grasdijken, moerasgebieden en vaak de aanwezigheid van ooievaars of de zeearend.’ Vooral in het voorjaar moet het hier een eldorado voor vogels zijn. Het verhaal dat tientallen veldleeuweriken onderweg voor een muzikaal feest kunnen zorgen, spreekt tot mijn verbeelding. Genoeg te zien en te genieten en vast zeer geschikt om het tempo te vertragen. Twee vliegen in één klap?

De ‘schelp’ is soms lastig te vinden

We starten bij ‘de Onlanderij’. Dit vroegere boerenerf aan de Madijk in Eelderwolde is al enkele jaren een poort tot natuurgebied De Onlanden. Oorspronkelijk werd dit gebied gekenmerkt door heidevelden die werden doorkruist door kleine, vochtige graslanden. Het water uit de beken van Drenthe kwam hier samen om vervolgens naar de Waddenzee te stromen. In het verleden heeft de stad Groningen meerdere malen te maken gehad met wateroverlast omdat het water bij hevige regenval te snel richting Groningen werd afgevoerd. Met de herinrichting van het gebied kreeg dit natuurgebied ook de functie van waterreservoir om mogelijke overstromingen in de toekomst te voorkomen. De natuur heeft zich daarna snel aangepast en ontplooit zich langzaam weer naar een waterrijk gebied met een natuurlijk fluctuerend waterpeil. Natuurmonumenten heeft (onderhoud)hulp van een kudde Exmoor pony’s, stoere oerpaardjes die zonder problemen het hele jaar buiten kunnen blijven. Dit paardenras is zeldzaam geworden, waardoor deze nieuwe kudde ook kan bijdragen aan het behoud van deze bijzondere soort. Leuk weetje is dat van de opbrengst van de Groene 4 Mijl in 2016 en 2017 een aantal van deze paardjes zijn aangeschaft. Door de begrazing met de pony’s, samen met de (zomer)begrazing door 400 koeien, wordt het gebied veel afwisselender wat weer gunstig is voor de verscheidenheid aan planten en dieren. Ze hopen hier bijvoorbeeld veldleeuweriken, roerdompen, paapjes, porseleinhoentjes en misschien zelfs de grauwe klauwier te zien, aldus een boswachter.

Langs de Zanddijk

Ha, de veldleeuwerik……. We doen ons best, maar zo’n klein vogeltje (16-18 cm) is moeilijk met het blote oog te ontdekken. We verdiepen ons snel in de uiterlijke kenmerken en leren dat de veldleeuwerik een lichtbruin verenkleed heeft met een licht bruin gestreepte borst. Deze strepen contrasteren met een witte buik. Ze kunnen een korte, stompe kuif oprichten en ze hebben een relatief korte snavel. Zonder verrekijker een onmogelijkheid ;).

Zien is kennen

Hun geluid dan? Dat muzikale feest? De ‘uitbundig klinkende zang’ van de veldleeuwerik wordt als volgt beschreven: ‘dit kan op mooie dagen in het voorjaar van grote hoogte gehoord worden. De mannetjes maken spectaculaire zangvluchten. Eerst klimmen ze luid zingend tot een hoogte van soms meer dan honderd meter, waarna ze ook weer zingend omlaag vliegen om in de buurt bij het vrouwtje te landen. Een uitzonderlijk record ligt op 56 minuten.’ Klinkt bijzonder, maar ik denk dat het vogeltje vandaag overstemd wordt door de ganzen en de kraaien, die natuurlijk veel meer kabaal kunnen produceren!

Langzaam maar zeker wordt het steeds minder druk om ons heen. We kruisen het gekanaliseerde riviertje de Gouwe en genieten van de wereld om ons heen.

Uitkijken over de Gouwe

Vreemd om je te realiseren dat er rond 1300 al monniken door dit moerasgebied liepen. Ze waren op weg van het klooster in Aduard naar de kerk in Vries. Volgens de overlevering pauzeerden zij vaak bij een hoger gelegen zandkop die boven het moeras uitstak. Er zou op dit punt destijds een beeld hebben gestaan en daarom heeft de uitkijktoren die nu op deze plek staat de naam ‘Het Beeld’ gekregen. Langs het pad hier naar toe staan een paar figuren van monniken en een paar bankjes. Verwijzingen naar de geschiedenis van dit gebied. Wij lopen hier niet langs, maar zien even verderop in de fietstunnel wel een verwijzing in de vorm van een muurschildering.

De monniken liepen hier vroeger ook al ……

We zijn inmiddels vlakbij het tolhuis aan de andere kant van de Groningerweg. Tot ongeveer 150 jaar geleden waren er in Drenthe alleen maar zandwegen. Moeilijk om op te lopen of om met paard en wagen over te rijden, vooral na een flinke regenbui. Eén van de belangrijkste wegen in de gemeente Noordenveld is de Groningerweg die vanaf Smilde, via Norg, Roden en Peize naar Groningen loopt. Deze weg tussen Roden en Peize naar de stad is in 1884 aangelegd, evenals het (bijbehorende) tolhuis. De verharding en ook het onderhoud van de weg was duur. Daarom werd er langs deze weg tol geheven, want als je de weg wilde gebruiken, dan moest je daarvoor betalen. Een postwagen moest bijvoorbeeld 10 cent betalen en een kar met een geit ervoor 3 cent. Inmiddels is het tolhuis als woonhuis in gebruik waarmee de oorspronkelijke indeling met bergruimte, koe- en varkensstal verdwenen is. Het blijft leuk om je te verdiepen in kleine beetjes geschiedenis onderweg.

We lopen verder richting het Peizerdiep. Tussen de diverse dorpen stromen verschillende beekjes die samenkomen in het Peizerdiep, dat bij Peizermade overgaat in het Aduarderdiep en uiteindelijk richting de Waddenzee stroomt. In de tijd voor de aanleg van goede wegen (ruwweg voor 1900) was vervoer over water één van de belangrijkste transportmiddelen voor zowel goederen als personen. De dorpen Peize en Roderwolde hadden dan ook een kleine haven. De oude vaarverbinding sloot aan op het Hoendiep waardoor een verbinding met de stad Groningen een feit was. Het haventje van Peize bestaat niet meer en het haventje van Roderwolde is in de zeventiger jaren gedempt. In 2006 is het haventje van Roderwolde weer in ere hersteld na initiatieven vanuit de bevolking. Het Peizerdiep is nog steeds bevaarbaar, maar vanwege de lagere waterstand en de brug in de A7, slechts voor kleine boten zoals b.v. kano’s.

Het zand nodig voor de werkzaamheden in De Onlanden komt over het Peizerdiep
Haventje in Roderwolde

Dan doemt Roderwolde op. Van verre zien we zowel de molen als de witte kerk, tevens ons einddoel van vandaag. Windmolen Woldzigt is de grootste molen en volgens de Roderwolders (en velen met hen) ook de mooiste molen van Drenthe. In 1852 lieten twee zwagers hem als oliemolen bouwen. De namen van beide heren staan op een gevelsteen vermeld. Via de Schipsloot recht tegenover Woldzigt konden lijnzaad en koolzaad worden aangevoerd. Van het lijnzaad maalden ze lijnolie voor de verffabrieken en persten ze veekoeken. Koolzaadolie werd vroeger veel als lampolie gebruikt. Na een paar jaar werden op de zolder molenstenen geïnstalleerd voor het malen van graan. De molen, een achtkante bovenkruier met stelling, is niet alleen bijzonder vanwege de ouderdom en de gaafheid, maar ook vanwege het feit dat de molen twee functies kent, die bovendien springlevend zijn. Er wordt nog regelmatig olie geslagen, waarbij op een ambachtelijke wijze lijnolie wordt verkregen. In 2016 ging molen Woldzigt samen met molen De Hoop in Norg en de Paiser Meul in Peize over van de gemeente Noordenveld naar Stichting Het Drentse Landschap; ‘een stichting die zich inzet voor het behoud van de Drentse natuur en zich sterk maakt voor het in stand houden van ons culturele erfgoed.’

Hoog boven de bomen

Roderwolde is weer een dorp met een Jacobskerk, gewijd aan Sint Jacob, de apostel. Even ter herinnering: Sint Jacob maakte deel uit van de groep apostelen die tot de directe kring van Jezus behoorde en was één van de eerste martelaars van de Katholieke Kerk door zijn leven te geven voor Jezus. Na de dood van Christus begon Jacobus (Santiago in het Spaans) mensen in Hispania te bekeren.

De kerk was sinds de oprichting een ‘zelfstandige, bisschoppelijke eigenkerk’, dat wil zeggen dat de bisschop de kerk uit eigen middelen heeft gesticht. De keuze van de beschermheilige St. Jacob bevestigt de hoge ouderdom van de kerk: na de 12e eeuw werden weinig kerken meer gewijd aan St. Jacob of andere apostelen. Vermoedelijk dateert het eerste kerkje van Roderwolde uit de tweede helft van de elfde eeuw. Het was van hout gebouwd, zoals dat in deze streken vaker het geval was. Ongetwijfeld hebben de monniken uit Aduard later een belangrijke rol gespeeld bij de bouw van de eerste stenen kerk. Het is zeker dat de kerk was gebouwd met kloostermoppen gebakken van klei uit de directe omgeving. In de Kleibosch (Foxwolde) lag een dikke laag potklei dicht aan de oppervlakte. Ook aan turf en hout, de brandstoffen nodig voor het bakken van de stenen, was in deze streek geen gebrek.

Het huidige kerkje is gebouwd in 1831. De stenen van de strakke witte kerktoren zijn echter nog afkomstig van de voormalige 12e-eeuwse dorpskerk. Boven het informatiebord hangt een witte Jacobsschelp, om een ieder er aan te herinneren dat deze kerk aan het pelgrimspad naar Sint Jacob in Spanje, richting Santiago de Compostela, ligt.

We zijn op de juiste weg 😉

De huidige klok dateert uit 1634. Mogelijk zijn de oude middeleeuwse klokken in de onrustige jaren daarvoor geroofd en geconfisqueerd om er kanonnen van te gieten voor het leger van prins Maurits. Toen na de Reformatie de rust min of meer terugkeerde, besloten de kerkvoogden een nieuwe klok te laten gieten. De nieuwe klok werd in 1630 besteld dankzij geleend kapitaal van enkele gegoede ‘kerspellieden’. Tijdens de laatste oorlog dreigde de klok door de Duitsers in beslag genomen te worden. Op de envelop van een briefje, dat in januari 1943 werd verzonden, ter kennisgeving van de in beslag name, heeft een Rowolmer met woedende uithalen gekrast: ‘Klokken in beslag genomen door de Moffen.’ De klok is dus toch weggehaald door de Duitsers en werd, zoals later bleek, naar Hoogeveen overgebracht naar het depot van de Inspectie van de Kunstbescherming. In april 1945 schreef dezelfde secretaris aan de kerkelijke gemeente van Roderwolde dat de oude klok de oorlogsjaren had overleefd en teruggevoerd zou worden naar Roderwolde.

Grappig weetje is dat er in 2002, door een groepje enthousiaste Rowolmers, een oppervlakkig onderzoek is gedaan naar de fundamenten van de oude kerk. Deze liggen nog steeds ongeschonden omstreeks 50 cm onder het maaiveld, waardoor de exacte ligging van de kerk midden op het kerkhof gemakkelijk valt te traceren. Ondanks het feit dat de kerk helaas gesloten was, zijn we toch weer veel te weten gekomen over vooral de uiterlijke kenmerken ……..

Groene oasen (Jacobspad)

Jacobspad: Stadspark-Piccardthof-Onlanden

De omschrijving van een oase is in dit geval ‘een rustige plaats met veel groen’. Deze bijzonder plekken vormen vandaag de rode (groene) draad van ons wandeling. Voor de pelgrims onder ons geeft zo’n groene oase een heel andere manier van rust dan het bidden in een kerk, getuige een pelgrimsverslag. ‘De stad achter me gelaten, een verademing op zich! Het lijkt wel of de groene oase me roept. Eén met de natuur en één met mezelf. Langzaam maar zeker vertraag ik naar mijn natuurlijke ritme. Langzaam maar zeker dwaal ik af, weg van de hectiek en dagelijkse gewoontes’ (Jacco Evers). Mooi toch?

Misschien met zo’n beeld voor ogen? (RK)
Of dromeriger zoals hier? (RK)

De eerste ‘oase’ voor ons is meteen het grootste groengebied van de stad; het Stadspark. De eerste plannen voor een groot stuk groen stammen uit het begin van de 20ste eeuw op initiatief van industrieel Jan Evert Scholten. Het doel was een park te creëren dat zich zou kunnen meten met de grote, destijds bekende parken van Wenen, Berlijn, Amsterdam en Den Haag. Op dit gebied boden de al bestaande parken in de stad, het Sterrebos en het Noorderplantsoen, naar zijn idee onvoldoende mogelijkheden.

Een visie (RK)

Jan Evert Scholten (1849-1918) woonde in Groningen. Hij erfde een fortuin na zijn vader’s dood in 1892 en werd daarmee één van de meest vermogende mannen in Nederland. Hij zat zelf echter ook niet stil. Hij zette het vaderlijk bedrijf, het Scholten-concern, voort en breidde zijn industriële en zakelijke activiteiten verder uit. Hij liet in 1873 ‘buitenhuis’ Villa Gelria bouwen aan de Verlengde Hereweg. Hij bezat al, vanaf 1881, een woonhuis aan de Grote Markt; het Scholtenhuis. Dit statige pand aan de Grote Markt werd aan het einde van de 19e eeuw in opdracht van zijn vader Willem Albert Scholten gebouwd. In WOII werd het echter het hoofdkwartier van de regionale afdeling van de Sichterheitsdienst (SD). Het pand werd toen berucht om de vele martelingen die er plaatsvonden en werd daarom wel ‘het voorportaal van de hel’ genoemd. Scholten gaf ook een belangrijke aanzet voor de toeristische ontwikkeling van het Paterswoldsemeer. Zo bouwde hij in 1908 buitenhuis de Paalkoepel, richtte hij in 1912 van de Watersport Paterswolde op, liet hij in 1916 de Meerweg asfalteren en bouwde hij in 1917 de Buitensocieteit, het clubhuis van de zeilclub.

De erfenis van Scholten met de klok mee: de Paalkoepel, het grafmonument van de familie Scholten, het Stadspark (met een optreden van Sting) en Villa Gelria (DvhN 2023)

Tussendoor schonk hij de Stadjers, in 1913, een grote lap grond van 140 hectare met als doel: een openbaar park waar iedereen terecht kon voor sport, plezier en ontspanning. De ontwikkeling van het park heeft daarna toch nog heel wat voeten in de aarde gehad. Landschapsarchitect Leonard Springer (Springervijver in het park) werd ingevlogen om het geheel vorm te geven. Samen bedachten ze een plan om het braakliggende terrein om te toveren tot bijzonder natuurpark, geheel in Engelse landschapstijl. 

De toegang tot……. (IK)
De toegangstunnel is verrassend (RK)
Beide kanten van de toegangstunnel zijn bijzonder (IK)
Verderop veel graffiti (IK)
Oefening baart kunst, maar het wil nog niet zo lukken 🥴 (RK)

Aan de westkant kwam een gedeelte met een grote vijver en een paviljoen, wat ook dienst kon doen als tentoonstellingsruimte en/of een ruimte voor openbare bijeenkomsten. In het midden kwam een renbaan met een grasveld en aan de oostzijde een gedeelte met sportvelden en een ijsbaan. Uiteindelijk zijn alle ideeën gerealiseerd en kon de officiële opening in 1926 plaatsvinden.

Een moeder met kind in het gras bij het splinternieuwe Stadsparkpaviljoen, ca 1926 (Groninger Archieven)

Als eerbetoon is er in 1931 een monument voor Scholten geplaatst aan de Concourslaan, een prominente plek in het park. Boven op een kalkstenen muur staat een bronzen buste van Jan Evert Scholten die met een trotse het Stadspark inkijkt. Uit de muur waarop de sculptuur staat, zijn twee kinderfiguren in sportkleding gehouwen: een meisje met knotsen en een jongen met een discus. De bronzen plaquettes ernaast tonen een paard met een veulen en een paard met kar en wagen. Deze verwijzen naar de paardenfokkerij en de drafsport, twee liefhebberijen van Scholten. Op de hoeken van het monument zijn de wapens van Stad en Ommelanden aangegeven.

Het Scholten monument (RK)
Om de details wat beter te zien 😉 (IK)

Grappig genoeg lijkt de vlag van de Ommelanden veel op de Friese vlag. Dat blijkt ook wel te kloppen! Als gevolg van een gemeenschappelijk verleden lijken de vlaggen inderdaad op elkaar. Even nalezen leert dat de vlag van de Ommelanden gebaseerd is op het Ommelander wapen uit het laatste kwart van de 16e eeuw. De Ommelanders waren in die tijd in oorlog tegen de Spaanse koning Filips II (80-jarige oorlog). Mogelijk hebben ze daarom willen verwijzen naar de legendarische ‘Friese Vrijheid’, want de Friezen bestuurden zichzelf gedurende een groot deel van de Middeleeuwen en horigheid (dienstbaarheid aan een heer) kwam er niet voor. Het is wel goed om je daarbij te realiseren dat Friesland toen groter was dan de huidige provincie nu. Het hele Noord-Nederlandse en Noord-Duitse kustgebied werd aangeduid als Frisia, de Groninger Ommelanden dus ook. In wapenboeken verschenen vanaf de 15e eeuw afbeeldingen van wapenschilden van legendarische Friese koningen, zoals Redbad (Radboud) die waarschijnlijk leefde van 680 – 719. Hij stond in de vroege middeleeuwen bekend om zijn bijdrage aan het in leven houden van ‘de vurige Friese cultuur’.

De oudste afbeelding van het Ommelanden wapen ca 1590 (internet)

De Ommelander heren kozen voor een variant met drie blauwe schuine balken en elf rode harten, ook wel ‘waterroosplomben’ genoemd. De drie balken staan voor de drie Ommelanden Hunsingo, Fivelingo en Westerkwartier, de elf harten symboliseren de elf deelgebieden van de Ommelanden. De Friezen, dat wil zeggen de bewoners van de huidige provincie Friesland, hadden ondertussen voor een geheel ander wapen gekozen: twee gouden leeuwen op een blauw veld. Pas in 1830 werd het oude wapen van Redbad herontdekt en aan het eind van de 19e eeuw wapperde voor het eerst de hierop gebaseerde Friese vlag met de 7 rode ‘pompeblêden’ (een verwijzing naar de 7 historische gebieden waar de Friezen leefden). De Friese vlag is inmiddels veel bekender  geworden dan de Ommelander vlag, want tegen het veelvuldig gebruik in reclames kan een meer dan driehonderd jaar oudere geschiedenis niet op.

De provinciewapens van Friesland, Groningen en Drenthe op het voormalig onderkomen van het Nieuwsblad van het Noorden aan het Gedempte Zuiderdiep in Groningen (internet)

Leuk om zo lopend en genietend weer meer te leren over een stukje Groninger geschiedenis. Genieten is het zeker, want het is alweer lang geleden dat we zo in het Stadspark zijn geweest. 

Bijna vanaf het terras van het paviljoen (RK)
Wat is het aanzicht van het paviljoen veranderd…… (IK)

Aan de andere kant van de A7 ligt het Piccardthof, een volgende groene oase. Omstreeks 1938 werd in Groningen de Bond van Volkstuinders opgericht, die het gemeentebestuur vroegen een volkstuincomplex mogelijk te maken. In 1942 resulteerde dit in de oprichting van het complex door enkele stad-Groninger notabelen, waaronder Jan Hendrik Herman Piccardt, naar wie het volkstuincomplex is vernoemd. Piccardt vond het belangrijk dat mensen uit de stad een plek hadden waar ze hun eigen groente konden verbouwen en tussen het groen konden verblijven. De vereniging is ooit begonnen als moestuinen complex en later zijn daar de siertuinen bijgekomen. De nadruk ligt op tuinieren met respect voor de natuur. Zo bevinden zich op het terrein o.a. ook een vlindertuin, een bloementuin, een bloemenweide, een paddenpoel en een bijenstal. In 2009 ontving de Piccardthof de hoogste onderscheiding voor natuurlijk tuinieren. Het ruim 18 hectare grote gebied met meer dan 300 tuinen wordt beheerd door een Amateur Tuinders Vereniging.

Hier wonen veel ‘liefhebbers’ (IK)

Wij lopen er even binnen om een indruk te krijgen. Het is hier heerlijk rustig met overal bloeiende bloemen en veel groen. Haast jammer dat ons pad niet dwars door dit gebied gaat, maar er net langs. Alhoewel ook ‘onze’ weg is zeker de moeite waard met  hoge bomen aan beide kanten en een zandpad in het midden. We lopen eigenlijk, midden in de natuur en tegelijkertijd vlak langs Eelderwolde.

Het wordt al een beetje herfstig (IK)
Terwijl wij het zandpad oplopen, slaan zij af (RK)

Over de brug buigen we af naar de Madijk, de begrenzing van de Onlanden. De term onland wordt gebruikt voor woeste grond die vrijwel onbruikbaar is of was voor agrarisch gebruik. Het gebied wat we nu betreden, was oorspronkelijk een laaggelegen binnendelta tussen het Drentse zand en de Groningse zeeklei, waar vanaf het Drentse zandplateau de Drentse Aa en het Eelder- en Peizerdiep het gebied in stroomden. Nadat er in 1998 veel wateroverlast was en een aantal stadswijken van de stad Groningen dreigden te overstromen, is er besloten om het gebied om te vormen tot een waterberging. Hierdoor ontstond een natuurgebied van zo’n 2500 hectare. Het project kreeg de mooie en veelzeggende naam: ‘natte natuur voor droge voeten’. We komen hier al jaren en zien het ook elk jaar mooier, wilder, ruiger (welke term je ook wilt gebruiken) worden met een grote en toenemende diversiteit.

Een blik vanaf de Madijk (RK)

We sluiten onze wandeling van vandaag af bij de Onlanderij; de poort tot de Onlanden. De volgende keer lopen we verder door deze oase. Misschien ook met een gedachte zoals die van Jacco Evers: ‘de tocht geeft me alles wat ik nodig heb, vooral de stilte laat me dieper en dieper ademen.’

Woldgebied (WK+ Pad)

Beschrijving + knooppunt 56

Dit gebied, waartoe plaatsen als Roderwolde, Foxwolde, Leutingewolde, Peizerwolde, Eelderwolde en Paterswolde behoren, overlapt de provincies Groningen en Drenthe. In het midden van dit zogenaamde woldgebied ligt het Leekstermeer. Hoewel vernoemd naar het Groningse Leek ligt het Leekstermeer toch volledig op Drents grondgebied. Als achtervoegsel betekent ‘wold’ in Groningse plaatsnamen ‘woeste grond’ (d.w.z. grond die niet geschikt is voor landbouw) of ‘woud’ (misschien in overdrachtelijke zin, bv. een ‘woud’ van riet). Wold(e), woud, wald is allemaal verwant in de oorspronkelijke betekenis van zoiets als ‘zompige onontgonnen wildernis met veel bomen: oerwoud’. Daar hebben we de vorige wandeling al iets van meegekregen door langs het kunstwerk Oerwold te lopen.

Ook deze wandeling leidt ons nog grotendeels langs paden in de ‘Drentse plus’. We starten in Roderwolde vlakbij de kenmerkende olie- en korenmolen Woldzigt. Tegenover de molen ligt een kleine haven, die in 2007 is gereconstrueerd. De molen en het haventje zijn in het verleden erg belangrijk voor elkaar geweest. Aanvoer van lijnzaad uit Groningen en levering van lijnolie voor de verf- en zeepindustrie in Groningen gebeurde in die tijd via het water. De molen (uit 1852) zelf is, volgens velen, de mooiste molen van Drenthe en misschien wel van heel Nederland. De molen, een achtkante bovenkruier met stelling, is niet alleen bijzonder vanwege de ouderdom en de gaafheid, maar ook vanwege het feit dat de molen twee functies kent die bovendien nog springlevend zijn. Naast het feit dat de molen ‘maalvaardig’ is, wordt er regelmatig olie geslagen, waarbij op een ambachtelijke wijze lijnolie wordt verkregen. We zijn een paar jaar geleden eens in en op de molen geweest. Beslist de moeite van een bezoekje waard!

De Woldzigt (RK)
Bovenop de stelling (RK)

We lopen verder door Foxwolde, een oud buurtschap wat oorspronkelijk lag ‘onder de clockeslagh’ van Roden, d.w.z. dat het deel uitmaakte van het kerspel (kerkgemeente) Roden. De geschiedenis van het zuidelijke gedeelte van Foxwolde, de Kleibosch, het Tichelwerk en het omliggende gebied is van oudsher bepaald door de aanwezigheid van potklei in de ondergrond. Waar potklei aan de oppervlakte ligt valt de grond moeilijk te bewerken. Potklei is een zeer zware, compacte kleisoort. Vanaf de Middeleeuwen werd de klei gebruikt om aardewerk van te maken, vandaar de naam ‘potklei’. Een kluit aan de schep moet je er met de voet afschuiven en eenmaal onder de schoenen laat het zich maar met moeite verwijderen. Potklei is net een kleverige, kauwgum-achtige polijstpasta, zo fijn smeerbaar is het. Echter, eenmaal droog is het steenhard. Vandaar ook dat de potkleigebieden in de Middeleeuwen weinig of niet werd bewoond. De belangrijkste potkleigebieden liggen rond Roden, Foxwolde, Roderwolde en Nietap/Leek. Het gebied daar ligt vrijwel geheel in gras. Bij Foxwolde en Roderwolde is maar op een paar plekken is een dunne laag (dek)zand boven de klei aanwezig waarop men vroeger gewassen op kon telen, de rest van het gebied was te nat en eigenlijk alleen maar geschikt voor veeteelt.

Nieuwsgierigheid of belangstelling?
Alleen geschikt voor veeteelt …….. (RK)

Het volgende buurtschap waar we doorheen wandelen is Leutingewolde. De geschiedenis gaat terug tot in de middeleeuwen. Al in 1335 werd in een oorkonde melding gemaakt van het bestaan van Lockincwolda. De plaatsnaam betekent dat hier vroeger een woud was in eigendom van de persoon Lockinc. De eerste bewoners kwamen naar hier toen vanuit Roden werd begonnen met de ontginning van het veengebied. Deze plek werd aangemerkt als een ‘kluft’, een onderdeel van een kerkgemeente zonder eigen kerk of rechtspraak. Door de eeuwen heen is Leutingewolde gegroeid, waardoor de bebouwing van dit dorp en die van Roden tegenwoordig bijna in elkaar overloopt. Het dorp bestaat uit boerderijen en woonhuizen die voornamelijk langs de cirkelvormige weg De Ring liggen. Verrassend om zo het dorp rond te lopen.

De herfst laat zich ook al zien

Vlakbij het buurschap ligt de grote Esch van Leutingewolde die bijna twee meter hoger ligt dan de omringende weilanden van de Leutingewolderpolder. De polder strekt zich uit tot het Leekstermeer en is in 1856 ingedijkt als winterpolder om de wateroverlast ter plekke te bestrijden. In 1885 werd daarvoor aan het Leekstermeer één van de grootste poldermolens van Drenthe geplaatst. De molen, vlakbij het huidige paviljoen, bemaalde de polder die in 1866 was vergroot naar 720 hectare. Tegenwoordig is de functie van de poldermolens overgenomen door moderne gemalen, die, met een grotere capaciteit en onder alle weersomstandigheden, het water over een grotere hoogte kunnen verplaatsen.

Lopen langs de Turfweg

Wanneer we De Ring gerond hebben, slaan we de Turfweg in en lopen verder tot de grote doorgaande weg van Roden naar Leek. Het is altijd druk hier! Aan de andere kant lopen we een klein stukje richting Roden, naar de ingang van ‘Allemansgoed Terheijl’ 

Detail van de toegang tot Terheijl

Deze mooie bosrijke streek Terheijl was in de middeleeuwen een buitenpost van het klooster in Aduard. De monniken haalden in Terheijl turf en klei voor onder meer het vervaardigen van keramiek. Smeuïg detail is dat kloosterlingen, die een straf moesten ondergaan, door de abt van Aduard naar ‘ter Helle’ (in de hel) werden gezonden om daar te helpen bij de aanplant van bossen en het in cultuur brengen van landen voor akkerbouw en veeteelt. De terreinnamen Vagevuur en Lange Hel zijn waarschijnlijk nog afkomstig uit de periode dat Terheyl als strafoord werd gebruikt. Aan het eind van de 15e eeuw liet de abt Wolter, een Drent van oorsprong, een kapel bouwen in de uithof. De kloosterkroniek vermeldt dat de plek toen ‘Paradijs’ genoemd werd. Het ligt allemaal vlakbij elkaar 😉

Na de monniken kwamen de adel en de gegoede burgerij die hun inkomsten haalden uit vervening, landbouw en, weliswaar kort, de productie van baksteen en dakpannen. De gemeentes Noordenveld en Westerkwartier hebben op een gegeven moment samen besloten het landschap van dit voormalige landgoed open te houden voor alleman. In september ’21 heeft de gemeente Noordenveld daartoe een wedstrijd uitgeschreven om met hedendaagse beeldende kunst het landgoed meer levend, beleefbaar en herkenbaar te maken en daarmee tevens een nieuwe culturele laag toe te voegen. Een aantal kunstenaars is als tijdelijk collectief met de opdracht en het opdiepen van het verhaal aan de slag gegaan. Het wordt als volgt beschreven: ‘het opdiepen van het verhaal is bijna letterlijk. Was Terheijl in de late middeleeuwen een mooie uithof van het klooster in Aduard en later een prachtige Havezate, tegenwoordig is het in de lokale herinnering misschien nog een landgoed, maar voor de argeloze bezoeker is dat onherkenbaar; hier geen poorten, geen hekken,… slechts een enkele laan die eigenlijk nergens toe leidt. De rijke geschiedenis van Terheijl is nauwelijks nog herkenbaar in het landschap.

De weg die nergens heengaat

De kunstenaars hebben de entrees van Terheijl nu met bakstenen zuilen gemarkeerd en in het veld zijn zowel zwerfpalen, die de veldnamen van de betreffende plek weergeven, als vaste veldpalen geplaatst. Voor de gemaakte objecten is materiaal uit het gebied gebruikt; niet alleen klei en zand maar ook de lokale verhalen, kennis en menskracht van de bewoners. De werken zijn in alle opzichten een uitnodiging om als bezoeker je het gebied eigen te maken, onder het motto: het uitzicht is van iedereen, inzicht verwerven doe je zelf.’ Mooi! 

Gemaakt van materiaal uit de omgeving
Kunstwerken onderweg

Vlakbij Nietap menen wij ons te herinneren dat het Drenthepad met een vlonderpad langs het ‘Vagevuur’ loopt.  Dat willen we ook deze keer niet missen. Dit meertje is een mooi voorbeeld van een pingo-ruïne waar er in Drenthe tientallen, zo niet honderden van zijn. In 2000 is het slib uit het Vagevuur gebaggerd. De stobben die in droge tijden boven het water uitstaken zijn ook grotendeels verwijderd. Een C14-onderzoek bracht aan het licht, dat de stobben van grove dennen 8000 jaar oud waren.

Het vagevuur
Ligt hier zo’n 8000 jaar oude stobbe?

We lopen rustig verder en zien niet veel later ons einddoel; ‘Het Joodse Schooltje’ in Leek. In dit schoolgebouwtje kregen, in de 19e eeuw, de Joodse kinderen uit Leek les in de Joodse Religie en de Hebreeuwse taal. Op de stenen plaquettes aan de buitenmuur van het museum staan de namen gegraveerd van alle Joodse inwoners van Leek die in de Tweede Wereldoorlog werden weggevoerd en vermoord.

Het Joodse Schooltje

Met zicht op het schooltje genieten wij op een bankje van een welverdiend softijsje in het avondzonnetje. We zijn weer in het Westerkwartier en gaan de volgende keer weer verder met het ontdekken van onze gemeente.