Bem vindo ao Porto (Portugal)

(welkom in Porto)

We zijn in Porto. Even een paar dagen genieten van een lekker klimaat (rond de 18 graden en veel zon), een andere omgeving, nieuwe ontdekkingen en een andere manier van leven. We logeren in een appartementje in het hart van het oude centrum vlakbij metrostation São Bento oftewel St. Benedictus. Precies in het midden waar het allemaal te beleven valt. Voor ons appartement is een enorme bouwput op het plein. Het is de bedoeling dat het metronetwerk wordt uitgebreid met een extra lijn inclusief een nieuw metrostation precies voor onze deur. Zover is het echter nog (lang) niet. Gelukkig slapen wij aan de achterkant en zijn we niet van plan veel in ons huisje te bivakkeren. 

Steile straatjes in het oude centrum

Na een heerlijke nacht (we worden pas tegen 8.00 uur gewekt door drilboren op afstand) besluiten we meteen op pad te gaan met als leidraad de ‘rode’ wandeling in ons boekje. Vooral de opmerking ‘meerdere koffietentjes in combinatie met bezienswaardigheden en mogelijkheden voor een lekker wijntje tot besluit’ geeft de doorslag. Het beginpunt is wat lastig te vinden door de omvang van de bouwput, maar Rua dos Caldeireiros ligt verrassend dicht in de buurt. In dit super steile straatje vinden we ‘A Sandeira do Porto’, een heel smal, knus restaurantje met houten deuren en heerlijke broodjes met namen die allemaal iets te maken hebben met de stad. Geen idee meer welk broodje ik heb gegeten, maar lekker was het!

In een smal rustiek cafeetje (RK)
Een broodje lekkers met een lokale naam (RK)

Onze volgende stop is de ‘Torre dos Clérigos’. Deze 75 meter hoge toren staat op één van de hoogste punten van Porto en is de meest karakteristieke toren van de stad, met name omdat hij vanaf bijna iedere plek in het historische centrum te zien is. Handig als oriëntatiepunt wanneer je door de smalle straatjes dwaalt. Boven heb je vast een fenomenaal uitzicht. De rij is echter gigantisch, dus wij laten de toren voor wat hij is en lopen de bijbehorende kerk, ‘Igreja dos Clérigos’, binnen. Hier kunnen we ons in alle rust vergapen aan de pracht en praal van een katholieke kerk. De kerk werd in de 18e eeuw gebouwd voor een broederschap die erop gericht was geestelijken (clérigos) in nood bij te staan. Waarschijnlijk vooral in geestelijke of spirituele zin, want aan goud en andere verfraaiingen is hier geen gebrek.

Weinig bezoekers in de eigenlijke kerk (RK)
Veel goud, veel verfraaiingen
Haast magisch……. (RK)

We zijn in de wijk Vitória, een gebied net buiten het oude centrum Sé. Hier vind je, naast de hoogste toren, de oude gevangenis waarin zich nu een fotomuseum bevindt (vandaag gesloten), één van de bijzonderste boekwinkels ter wereld, ‘Livraria Lello’ (een nog langere wachtrij dan bij de toren), een bijna 200 jaar oude porseleinzaak, ‘Vista Alegre’ (bijzonder!) en een dakpark met olijfbomen waar menig student even relaxed op het gras zit en/of wat te drinken haalt bij cafe ‘Base’. Zomers worden hier vaak openlucht concerten gehouden. Het is weliswaar klein en compact, maar het heeft wel een beetje een Noorderplantsoen vibe.

Alvast een beeld van de boekwinkel’s voorkant…….
…… en de bijbehorende lange wachtrij…. (RK)

Onderweg komen we ook nog langs het ‘Miradouro da Vitória’. Miradouro betekent uitkijkpunt, maar letterlijk vertaald is het ‘kijk uit over de Douro’. Een prachtig punt voor vele mooie fotomomenten. We genieten. Het weer is voorjaarsachtig fris met een strakblauwe lucht en een aan krachten winnende zon. De terrasjes lokken.

Prachtig ‘miraduro’

We strijken min of meer toevallig neer op het terras van ‘Leiteria da Quinta do Paço’ waar je tevens de ultieme éclair ervaring kunt beleven. We kiezen een kleintje van pure chocolade, citroen, karamel en witte chocolade. Om te delen en ons even te wanen in de twintiger jaren van de vorige eeuw toen deze zoete ‘bliksemflits’ hier binnen gegoede kringen de absolute gebaksfavoriet was.

Aan standbeelden geen gebrek (RK)

Even later lopen we door de wijk Cedofeita, net buiten Vitória. Volgens de beschrijving was dit ooit een buurt waar alleen decadente stedelingen kwamen. Tegenwoordig wonen er vooral studenten en kunstenaars. Op ons maakt de wijk, of in ieder geval de belangrijkste straat waar wij doorheen lopen, een wat uitgeleefde indruk. Veel panden zijn vervallen, leeg, dichtgetimmerd etc. Heeft de pandemie hier haar slag geslagen? Het bestaan van een kunstenaar is vaak toch al niet zo’n vetpot en de vele galerietjes van weleer lijken nu haast op één hand te tellen. Hier hadden we ons toch iets anders van voorgesteld. 

Een galerij met zowaar kunst in de etalage
Helaas ook veel gebouwen zoals deze…….

Op onze dwaaltocht in deze buurt stuiten we verrassend genoeg op een kledingzaak waar boven een binnentuin is waar je kunt lunchen. Dat is opeens weer een hele leuke ontdekking. De ober hoort ons praten en kijkt even mee op de uitgespreide kaart van de stad. Hij raadt ons enthousiast aan om zeker het park ‘Jardins do Palácio de Cristal’ te bezoeken. Hij vertelt bijna lyrisch over mooi aangelegde tuinen met pauwen, fonteinen, geheime plekjes, bloemen, romantiek en als extraatje weer een fantastisch uitzicht over de Douro. Na al deze loftuitingen zijn de verwachtingen natuurlijk hoog gespannen ;).

Laat ik vooral positief beginnen……de tuinen zijn inderdaad mooi aangelegd en zo hoog boven de stad zijn er verschillende doorkijkjes over de daken richting de Douro. Daarmee houdt het voor ons op. Het is kennelijk nog te vroeg in het jaar, dus de fonteinen staan uit, we zien voornamelijk kippen in plaats van pauwen, de bloemenpracht is nog niet zover dat ze haar schoonheid laat zien en het belangrijkste uitkijkpunt op de grote koepel blijkt gesloten. Ik kan me de tuin in haar volle glorie voorstellen, vandaag blijft het bij een fantasie.

De hoge koepel (voor een overweldigend uitzicht) is gesloten (RK)

Al lopend hebben we inmiddels heel wat eerste indrukken opgedaan. De stad oogt zeker mediterraans met haar gekleurde huizen, ook bijzonder doordat de voorgevels van diverse gebouwen versierd zijn met de typisch Portugese keramieken siertegeltjes, de zogenaamde azulejo’s. Ik lees een stukje geschiedenis over de tegeltjes dat ik jullie niet wil onthouden. Het beschilderen van de gepolijste stenen is waarschijnlijk door de Moren naar Portugal overgebracht. Deze tegels hebben een cementen onderlaag waarop met marmerpoeder pigmentkleuren en patronen worden aangebracht. De tegeltjes werden oorspronkelijk alleen ontworpen met geometrische patronen van driehoeken, vierkanten en ruiten waarschijnlijk omdat veel van de Moren tot de soennitische tak van de Islam behoorden die afbeeldingen van levende wezens verbood. In de 16e eeuw begonnen Portugese en Vlaamse kunstenaars bloemmotieven en religieuze thema’s te produceren. Daarna zorgde het zich steeds uitbreidende Portugese rijk voor steeds exotischer thema’s en kleuren. Tegen het einde van de 17e eeuw veranderde de mode en werden blauw/witte tegels populair. Door de associatie met blauwe tegels kun je denken dat het woord azulejo afkomstig is van het Portugese woord voor blauw (azul), maar het is in feite veel ouder en komt van het Arabische woord ‘al-zulayj’ dat ruwweg vertaald ‘kleine steen’ betekent. Na de verwoestende aardbeving van 1755 in Lissabon werd overgeschakeld op veelkleurige tegels. Rond die tijd ontdekten de Portugezen in Brazilië ook dat tegels ideaal zijn om vocht buiten te houden! In het herbouwde Lissabon werden de huizen met tegels bekleed, en deze traditie is vandaag de dag nog steeds te zien. In het begin van de 20e eeuw was de azulejokunst uit de gratie geraakt, maar toen Lissabon de Expo 1998 kreeg, besloot het stadsbestuur dat een voormalig braakliggend terrein langs de rivier de ideale plek was om deze internationale showcase te huisvesten.  Er werd een nieuwe metrolijn aangelegd om het terrein met de stad te verbinden en er kwamen verhalen in tegelkunst.

Dit heeft zich uitgebreid over heel Portugal. In het treinstation São Bento, vlakbij ons appartement, zijn verschillende van deze spectaculaire tegelverhalen te zien. Dit station wordt wel beschreven als het mooiste treinstation in de wereld. Misschien overdreven, maar……. we hebben het hier wel over bekende noord Portugese oorlogen en taferelen uitgebeeld in meer dan 20.000 blauw/witte azulejo’s. Met recht spectaculair! Dit station laat je ervaren ‘hoe een reizende senhor of senhora zich gevoeld moet hebben aan het begin van de twintigste eeuw.’ Reizen was (en is) een beleving!

Tegelverhalen rondom
Station São Bento is een bezienswaardigheid

We besluiten onze eerste dag in een klein restaurantje naast de deur en praten na over alles wat we al gezien hebben en de verwachtingen voor de dagen die gaan komen. Fique atento e até amanhã!

LENTE IN DE LUCHT (FW Pad)

Friese Woudenpad: kaarten 14 & 15

Volgens een Chinees spreekwoord wordt de lente eerder herkend door de planten dan door de mens. Dat merken wij ook vandaag. Als we van huis vertrekken is het net boven nul, het ijs nog zichtbaar op onze autoruiten. Aangekomen in Harkema, waar we onze wandeling gaan beginnen, staan de sneeuwklokjes volop in bloei. Eenmaal onderweg zien we zachtgele elzenkatjes wiegen in de opkomende zon en even later zelfs een forsythia volop in bloei. Zo vreemd is dat kennelijk toch niet, want de forsythia staat symbool voor hoge verwachtingen en met haar gele bloem staat ze ook wel symbool voor de lente zon. Wist je trouwens dat er elzenkatjes en -katertjes bestaan? Elzen hebben zowel vrouwelijke als mannelijke bloemen op dezelfde plant. Ze worden natuurlijk allebei katjes genoemd, maar katertjes dekt de lading in dit geval misschien beter? Het verschil is duidelijk te zien. De mannelijke katjes zijn langwerpig en hangen. De vrouwelijke katjes zijn meer eivormig, klein, groen en staan min of meer rechtop. Na de bevruchting groeien ze uit tot groene, ribbelige kegeltjes. Deze rijpen in de herfst tot de zogenoemde elzenproppen. Zijn de ‘katertjes’ dan alleen voor de ‘mooi’? Ik lees dat elzen met hun opvallende, mannelijke katjes inderdaad worden gezien als voorbodes van de naderende lente. Samen met de sneeuwklokjes spreken ze tot de verbeelding van de wandelaar. Dat klopt zeker!

Terug naar het begin. We starten dus in Harkema en hebben daarmee een stukje overgeslagen vanwege de afstand. We hebben niet zoveel tijd vandaag….. De Harrekieten (inwoners van Harkema) leefden op zandgronden. Ze leefden van het afgraven van veen en turf dat gebruikt werd voor brandstof. Toen het op was en de grond leeg was, hadden ze geen werk meer. ‘Ze gingen wonen waar ze gewerkt hadden en daar ontstond de heide. Ze werden aan hun lot overgelaten, maar probeerden hier te overleven en aan werk te komen, dat er vaak niet was. Er was vooral heel veel honger, dood, verderf, ziekte, criminaliteit en alcoholisme. Het was heel armoedig.’

Harkema (vroeger Harkema-Opeinde) werd na WOII, volgens een artikel in Het Vrije Volk in 1949, beschouwd als een dorp zonder bestaansmogelijkheden, waar 35 jaar eerder het ‘kwade volk’ (uitgestotenen van de samenleving) uit Friesland zich had verzameld en zo was uitgegroeid tot het ‘ellendigste’ van Friesland. De in ‘verwildering’ opgroeiende kinderen dreigden ‘niets anders te worden dan wat hun vaders zijn’. De bewoners zelf waren het hier (uiteraard) niet mee eens en lieten zich dus ook niet verplaatsen naar andere dorpen. Ze verbeterden hun eigen leefsituatie door zelf nieuwe huizen te bouwen; tussen 1953 en 1964 verrezen hier zeker 300 nieuwe woningen, die voor het grootste deel bestonden uit particuliere bouw.

Net buiten Harkema ligt het themapark en openlucht museum Spitkeet. Hier kun je zien hoe de armste Friezen tussen 1850 en 1950 leefden in deze streek. Een dominee schreef over het hier wonen in de negentiende eeuw: ‘Een woning ……..!? Niets anders dan een paar muren van plaggen, met vóór in een paar kleine ruitjes, waar de glazenmaker heusch niet veel aan verdiend had’. De mensen waren erg arm en de omstandigheden waren erbarmelijk. Soms met weinig meer dan schrale heide, wat schapen en een holwoning als onderdak. Had je het iets beter, dan had je een spitkeet. Een uiterst eenvoudige plaggenhut met één kamer waar soms meerdere gezinnen in woonden. We zien de huisjes op afstand liggen, maar het park is gesloten waardoor we zelf niet kunnen ervaren hoe klein en armoedig het allemaal is geweest. 

Openlucht museum ‘Spitkeet’ (foto internet)

De hele route naar Rottevalle lopen we eigenlijk over een kaarsrecht, historisch wandelpad, t.w. de Mȗntsegroppe (monnikengreppel). Deze naam komt al voor op kaarten uit 1540. Het pad is een oude grenslijn tussen verschillende veengebieden en loopt van het klooster Olijfberg in Veenklooster naar het klooster in Smalle Ee. De weg is omgeven met begroeide houtwallen, gemaakt omdat mensen vroeger het vee langs deze weg naar de weilanden dreven. Om te voorkomen dat koeien en schapen ontsnapten, werden er aan beide zijden houtwallen aangelegd. Ondanks dat het ondertussen haast lenteachtig aanvoelt, is het nog steeds winters kaal om ons heen. Waarschijnlijk komt de sfeer van dit landschap beter tot z’n recht met bloeiende bermen en bomen en struiken in het blad?

Mûntsegroppe of monnikengreppel (RK)

Ondertussen zijn we in Rottevalle aangekomen. Rottevalle is een zogenaamd vaartdorp waarvan de naam voor het eerst voorkomt in 1622 en dat in het midden van de 17de eeuw aan de Lits is ontstaan. De Lits is een veenstroom, een gekanaliseerde rivier, die van Rottevalle naar het meer De Leyen loopt. Het dorp is ooit begonnen als een verzameling van een herberg, een bierbrouwerij en een molen. Vertegenwoordigers van de essentiële levensbehoeften ;). Tegenwoordig staat Rottevalle op de kaart door het Michelin sterren restaurant ‘De Herberg van Smalingerland’ aan het Muldersplein. Volgens de Michelin gids ‘ademt deze 18e eeuwse herberg de sfeer van vervlogen tijden, heeft het karakter en beschikt het over een mooie binnentuin. De keuken staat met zijn voeten stevig in het heden. De chef kookt creatief en zoekt naar verrassende combinaties. Dat hij daarvoor graag Friese kwaliteitsproducten gebruikt, laat zich smaken.’ Lijkt me zeker een culinaire ervaring om nog eens te proberen! 

‘It Masterpleintsje’ in Rottevalle

We lopen Rottevalle uit via de fietstunnel onder de weg en worden verrast door de graffiti op de muren. Tussen de vele namen en amateuristische kladders vinden we kleine pareltjes, haast kunst. Mooi om te zien. We zijn onderweg naar ons eindpunt van vandaag: Houtigehage.

Graffiti in de fietstunnel bij Rottevalle

Tot in de eerste helft van de 18de eeuw lagen in deze streek hoge venen. Toen in het midden van de 18de eeuw dat werk was gedaan, werd ook hier het geruïneerde landschap aan zijn lot overgelaten en ontwikkelde zich een heidegebied, waarop armoedzaaiers wat stukjes grond in cultuur probeerden te brengen om in hun bestaan te voorzien. Houtigehage bestond toen uit een verspreid liggende verzameling spitketen. Johannes Antonie Visscher, predikant aan het begin van de 20ste eeuw, trok zich het lot van Houtigehage aan, publiceerde over de ‘arme Friesche heide’ en heeft veel werk verzet voor de verdere ontginning. De hoofdstraat is dan ook naar hem vernoemd.

Het verhaal gaat dat er vroeger geen school was in het dorp. De mensen die er toen woonden (zo’n zeventig jaar geleden) wilden een school bouwen op de plek waar nu de ‘Skoallewyk’ is. Ze konden daar geen bouwplaats krijgen omdat de weduwe, die er toen woonde, niet wilde dat er op haar erf gebouwd werd. Ze weigerde om een stukje tuin af te staan voor de school, want ze had een grote haag voor haar ramen staan die niet verwijderd mocht worden. Uiteindelijk haalde de vrouw bakzeil en kwam de school bij de ‘houtige haag’ te staan, hetgeen de oorsprong van de naam van het dorp verklaart. 

Dat gedeelte van het dorp is echter voor de volgende etappe, want we zien onze fietsen al staan. Het wandelen zit erop voor vandaag. Op een bankje op de hoek van de straat genieten we nog even van de lente in de lucht met een kop koffie en een broodje. 

Oeps…….. 😉

Ondanks dat dit geen spectaculaire wandeling was, hebben we zeker genoten van de verhalen en het zachte weer. Het is zoals de schrijver Stanley Horowitz beweerde: ‘De winter is een ets, de lente een aquarel, de zomer een olieverfschilderij en herfst is een mozaïek van al deze.’ De (aankomende) lentedag vandaag kent, net als een aquarel, een bijzondere kleurintensiteit en lichtsterkte. We hebben nu al zin in meer van dit soort dagen!

WINTERS WANDELEN (FW Pad)

Friese Woudenpad: kaarten 10 & 11

Het is heerlijk winterweer; koud met weinig wind en een aan krachten winnend zonnetje. Ideaal weer om een stukje te lopen van ons lange afstandspad. In ons enthousiasme letten we echter niet voldoende op, waardoor we meteen in het begin al de verkeerde kant opgaan. De bordjes waarop historische feitjes vermeld worden, trekken onze aandacht en ook de bekende wit-rode tekens geven ons, naar later blijkt, toch de verkeerde informatie. Zo lopen we eerst langs de Kûkhernerwei 16, waar jarenlang twee houten woningen hebben gestaan waar op de voorste in grote witte letters ‘Moederzorg’ geschilderd was. Behalve het bordje doet niets meer aan deze tijd denken. Het verhaal gaat dat dit huis bewoond werd door een echtpaar wat handelde in oud papier, lompen en metalen. De man was zwaar reumapatiënt en kon daardoor heel moeilijk lopen en ook nauwelijks meehelpen in de werkzaamheden. Alles kwam eigenlijk neer op zijn vrouw: ‘sy soarge foar alles en eltsenien.’ Vandaar de naam op de woning. Echt een heel ander verhaal dan ik aanvankelijk dacht. Moederzorg riep bij mij een associatie met kraamzorg of kinderopvang op ;). Even later lopen we aan de andere kant van de weg langs het geboortehuis van de ‘skriuwer’ Theun de Vries. Hij heeft heel veel historische en sociale romans geschreven, maar zijn bekendste boek is waarschijnlijk wel ‘Het meisje met het rode haar’ over de verzetsstrijdster Hannie Schaft. Als we tenslotte, aan het eind van de weg, bij de Swettetsjerke en de pastorie uitkomen, beseffen we dat we echt verkeerd zijn gelopen. We moeten helemaal terug naar ons beginpunt. Zo wordt een wandeling van een kleine tien kilometer opeens toch nog een uitdaginkje (tenminste voor mij). Eenmaal op de goede weg komen we nog een laatste bord met historische informatie tegen. Op de Kûkhernewei  46 stond vroeger buitenplaats ‘Jagtlust’. Dat roept herinneringen op aan het gelijknamige boek van Annejet v.d. Zijl. ‘Iedereen sprak erover en wilde ernaartoe: het mythische Gooise buitenhuis Jagtlust, waar jonge kunstenaars als Remco Campert, Fritzi ten Harmsen van der Beek, Gerard Reve en Peter Vos samen met rijkeluisjongeren de verbeelding aan de macht brachten.’ Er zijn meer buitenhuizen die Jagtlust heten…….

De plek van voormalig Jagtlust Kûkherne

‘Ons’ huis werd rond 1758 gebouwd. Kort daarna werd kantonrechter (Wylde) Wybe Van Haersma de eigenaar. Volgens overlevering kwamen de Nassau’s er vaak jagen. Dit zouden dan in de 17e eeuw de Friese stadhouders geweest kunnen zijn. In 1824 wordt het huis verkocht aan de arts Petrus Feenstra. In de tuin werd een grote vijver gegraven en de grond die daarbij vrij kwam, werd weer gebruikt voor de aanleg van een grote heuvel waarop een belvédère gebouwd werd. Op deze belvédère bouwde hij een telescoop waarmee hij het heelal bestudeerde. De inwoners van Kuikhorne zeiden spottend, dat hij zijn wijsheid uit de sterren las. In 1906 werd het huis afgebroken om plaats te maken voor een ‘gewoon’ royaal huis. Al met al hebben we er ondertussen al 5 kilometer wandelen opzitten en hebben we zin in een kop koffie. We lopen inmiddels over een modderig zandpad en wanen ons ver weg weg van de drukte rondom ons. Op diverse plekken zien we de sneeuwklokjes en krokussen al boven de grond staan. Ons voorjaarsgevoel wordt hierdoor zeker versterkt. Een laagje kleding verdwijnt daar in de rugzak, maar we zijn nog niet zo avontuurlijk als de wandelaars die ons in korte broek en t-shirt passeren.

De lente is in aantocht…….

In ons boekje staat opeens het woord ‘broodtekst’ onder de informatie over dit stuk. Wat wordt hiermee bedoeld? Is dit iets bijzonders of misschien een aanduiding? Even nazoeken leert dat het hier waarschijnlijk gaat om een indicatie van de drukker, want de begrippen broodtekst en broodletter zijn afkomstig uit de boekdrukkunst. De kleinere lettertypen, die gebruikt werden voor het drukken van boeken, werden broodletters genoemd. Dat was het grootste deel van het werk, oftewel het ‘dagelijks brood’ voor de drukker. Vandaar dat boekletter, de oorspronkelijke naam, omgedoopt werd tot broodletter. Het stuk tekst dat gedrukt werd in broodletter ging logischerwijs broodtekst heten. Grappig!  

We zijn nu onderweg naar Jistrum en Skûlenboarch, ons eindpunt voor vandaag. We lopen eigenlijk in een boog, via een kronkelige zandweg, om Jistrum heen. Later op de fiets rijden we nog even langs de kerk, het opvallendste kenmerk van het dorp. Het is een kerk uit het begin van de dertiende eeuw met als meest opvallende kenmerk de kleine ruitjes in het schip van de kerk, ook wel leprozenruitjes genoemd. Hier hebben we al eerder over gehoord. Parochianen die, vanwege deze ziekte, de kerk niet in mochten, konden op deze manier buiten toch de mis volgen.

De kerk van Jistrum
Met het ‘leprozen raampje’ (RK)

We laten Jistrum achter ons en gaan over een houten brug verder over een fietspad richting Prinses Margriet kanaal. Het laatste stukje lopen we langs een afmeerplek voor grote schepen, waar een bord aangeeft dat hier de auto’s van de binnenvaartschepen getakeld kunnen worden. Het is rustig vandaag, alleen de ganzen produceren het nodige lawaai. 

Een onbekend bord voor ons

In de verte zien we de brug over het ‘Kolonelsdiep’ of Caspar de Roblesdiep, een kanaal wat in 1955 onderdeel van het Prinses Margrietkanaal kanaal van Stroobos naar Lemmer werd. De brug wordt door de provincie inmiddels aangeduid als een ‘acuut knelpunt’. Hetgeen zoveel betekent dat de brug direct aan vervanging of onderhoud toe is. De brug is ons eindpunt, iets eerder dan op de kaart aangegeven i.v.m. de parkeermogelijkheden. Hoewel ons ritme er nog niet helemaal inzit, hebben we vandaag weer heerlijk gewandeld. Zulke dagen smaken naar meer! We moeten zeker ook nog eens terug om de schierstins (naar de  grijze (schiere) monniken) te bekijken bij Veenwouden. Een steenhuis uit 1300 van dikke baksteen waar voorname families zich konden terugtrekken bij gevaar. 

PLUKJES KLEUR IN ‘T GRIJS (FW Pad)

Friese Woudenpad: kaarten 8 & 9

Het is vandaag een hoofdzakelijk grijze dag. De lucht vertoont bijna geen tekening, het is een beetje heiig en de temperatuur komt amper boven het vriespunt uit. Het is nog net geen ijsdag, een dag waarbij het de hele dag onder nul is, maar zo voelt het wel. Niets symboliseert neutraliteit en soberheid (of somberheid) zo als grijs, maar grijs heeft ook iets tegenstrijdigs. Het is de kleur van het veranderlijke, zoals mist, rook en wolken, maar tegelijkertijd wordt grijs ook geassocieerd met het onvergankelijke en staat het voor stabiliteit, elegantie en geborgenheid. De wereld wordt kleiner en daardoor geborgen?

We gaan vandaag lopen van Dokkum naar Kuikhorne (Kûkherne). Op de kaart lijkt het een vrij lange rechte weg, hetgeen het gevoel ‘grijs’, in de betekenis van eentonig, benadrukt. We moeten dus op zoek naar de figuurlijke plukjes kleur onderweg. Wat valt op? Wat is interessant? Wat zet je aan het denken? Zoals een bevriende fotograaf ons eens voorhield: ‘er is zoveel de moeite van het ontdekken waard, je moet het alleen wel zien.’

We lopen Dokkum uit langs de lange smalle kavels, die, alweer eeuwen geleden, bij de ontginning zijn ontstaan. Het resultaat is een slagen- of een coulisselandschap. Je kijkt als het ware in een kijkdoos waarin diepte en variëteit belangrijk zijn. Dit gebied ten zuiden van Dokkum staat bekend als de Dokkumer Wâlden (wâlden = wouden). Volgens de beschrijving geeft de afwisseling tussen open stukken, boomsingels en kleine stukjes bos het gebied een geheel eigen charme. Het optimaal waarderen van de wereld om ons heen wordt vandaag bemoeilijkt door het gure weer en de kaalheid van de bomen en struiken. Misschien zijn we ook wel wat verwend geraakt, we hebben al zoveel mooie ‘laagjes’ landschappen gezien op onze eerdere wandelingen. Toch is het gebied rondom ons bijzonder, het maakt vast niet voor niets deel uit van het Nationaal Landschap ’De Noordelijke Friese Wouden’.

Een beetje ‘grijs’ landschap (RK)

Net voor Damwoude (Damwȃld) lopen we opeens langs een piepklein boerderijtje, een molen en zelfs een echt ‘kakhuisje’ boven de gracht. Zowaar een eerste spatje kleur. Dit blijken delen te zijn van het openlucht- en cultuur historisch museum ‘De Sûkerei’. Wij dachten bij de naam in eerste instantie aan iets over de fabricage van suiker, maar het gaat hier over cichorei. In de 18de eeuw werd ontdekt dat als je de wortel van de cichoreiplant droogt en brandt, je hiervan (surrogaat) koffie kon maken. Het noordoosten van Friesland was in die tijd een belangrijke producent van cichoreikoffie. Januari valt echter buiten het seizoen, dus alles is gesloten. Het blijft bij een indruk.

Een indruk vanaf de weg van de Sûkerei (foto internet)

Even verderop loopt de route door het Vermaningsbos (Fermanjebosk). Kijk, dat heeft ook mijn belangstelling. Een vermaning (of vermaanhuis) is immers een doopsgezinde kerk. De naam slaat op de navolging van Christus waartoe de doopsgezinde kerkgangers werden aangespoord (aangemaand) door de predikant (de aanmaner). Vermaning betekent ook ‘ergens van of over spreken’, waarbij de nadruk hier ligt op de waarschuwing. De naam vermaning werd ook gekozen vanwege het wantrouwen onder doopsgezinden ten opzichte van de staatskerk (Nederduits Gereformeerde Kerk), de naam moest het onderscheid verduidelijken tussen de doopsgezinden en de staatskerk. Meestal zijn deze kerken zogenaamde schuilkerken en zijn ze een eind van een straat of weg af gebouwd of zelfs bijna ‘onzichtbaar’ omdat ze achter de huizen midden in een woonblok staan. Dit komt omdat de doopsgezinden, trouwens evenals de rooms-katholieken en remonstranten, ten tijde van de Republiek alleen ‘gedoogd’ werden. Hun afwijkende overtuiging werd getolereerd, maar ze mochten hun religieuze praktijken niet openlijk uitoefenen. Voor deze kerk in Damwoude werd de eerste steen op 29 april 1767 gelegd door Wyger Martens ‘met mede Hulp van syn Ouders out synde 2 Iaar en ses dagen.’ Vader Marten Wygers was één van de grootste boeren in de buurt. Een bijzonder detail is dat bijna alle grotere boeren in de Dokkumer Wouden in die tijd doopsgezind waren.

Ondertussen doemt Broeksterwȃld op, alwaar we afslaan richting De Falom. De Falom is in de 16e eeuw ontstaan als veenkolonie. De Valomstervaart werd gegraven om het afgegraven turf af te voeren. Om te voorkomen dat zout water vanuit de rivier waarop de vaart uit moest komen, hier in de grond zou komen, wilden ze een sluis aanleggen. Wegens geldgebrek werd er in plaats daarvan een overtoom (een valom) aangelegd, een constructie om een schip over land van de ene vaarweg in de andere te trekken. 

We lopen over een fietspad door het moerassig natuurgebied De Houtwiel. Hier zien we een zogenaamde tjasker, een speciaal soort poldermolen, waarvan er niet meer zoveel te vinden zijn in ons land. De oorspronkelijke molen heeft een gebied van zo’n 4,5 hectare bemaald totdat een flinke storm de molen compleet vernielde. De nieuwe, exact nagebouwde, molen kan, volgens staatsbosbeheer, zeker ook nu nog wel een functie hebben. ‘Het land eromheen ligt nog in kleine strookjes, door ruilverkaveling is er veel verdwenen maar hier is het landschap nog net zoals in 1900. Dat is wel uniek.’

De Houtwiel tjasker (RK)
Gezien temidden in het natte landschap (RK)

Uniek is ook de benaming van dit pad langs de Valomstervaart: de Goddeloze Singel met al eerder op de weg het Goddeloze Tolhuis. De singel is het laatste, nog ongerepte, stuk van een 40 kilometer lang kloosterpad uit 1453. Met zulke namen kan het haast niet anders dan dat er vele tientallen (spook)verhalen, sagen en sterke verhalen de ronde doen over zowel het tolhuis, de singel als het bruggetje ‘de skilige Piip’ (de schele pijp), zo genoemd vanwege een kleine knik in de brug. Het zijn vaak doorvertelde volksverhalen over schatgraven, verdronken mensen en paarden, duivelse spoken, over een visserslijk en over de zeven ‘duivelsbanners’ die omstreeks 1800 geprobeerd zouden hebben een einde te maken aan deze spokerij. Tolgaarder Gerben Klases Boskma (1772-1849), bewoner van het Goddeloze tolhuis vanaf 1812, had ook een behoorlijk aandeel in de slechte reputatie van de omgeving. Gerben zou een ruwe, onverschillige kerel geweest zijn. Mensen die niet betaalden werden hardhandig aangepakt. Na veel verongelukte bewoners zou er omstreeks 1900 een weduwe in het tolhuis gewoond hebben. Volgens de verhalen verkocht zij de mannelijke voorbijgangers niet alleen een slokje, maar had ze ook een ‘winkeltje onder haar rokken’. Ze zou wel twaalf kinderen gekregen hebben, van wie een aantal een onbekende vader zou hebben. 

Het tolhuis is rond 1935 afgebroken, maar het huidige gebouw op die plek, een boswachterswoning, draagt nog steeds dezelfde naam. Sinds 1979 wordt het ‘gewoon’ bewoond door de boswachter van het natuurreservaat en is de rust in het gebied weergekeerd 😉

Door al deze verhalen is onze ‘grijze’ wandeling toch hier en daar verrassend verhelderd met kleine plukjes kleur. Niet zo heel veel deze keer, maar toch voldoende om met een energieke blik uit te kijken naar de volgende etappe. Oant sjen!

DOKKUM (FW Pad)

Friese Woudenpad: 5, 6 & 7

We laten het Lauwersmeer gebied langzaamaan achter ons en zijn nu op weg naar Dokkum. We gaan lopen, volgens ons boekje, ‘door een typisch zeeklei landschap met verre horizonten waartegen zich af en toe een terpdorp aftekent.’ Zoals de naam al aangeeft, is het zeeklei landschap gevormd door de zee. Tijdens vloed zocht het zeewater zijn weg over het land via kronkelende kreken of prielen. Bij elke vloed nam het water nieuwe sediment deeltjes mee en bij eb bleven deze deeltjes op het land achter. Door dit voortdurende proces van aanvoer en bezinking werden de slikken steeds hoger. De dikke lagen klei in het huidige zeekleigebied zijn daarvan de restanten. Het zeeklei landschap is verder vlak en open. Op zeekleigronden vindt meestal grootschalige landbouw plaats, want kleigrond is namelijk erg voedselrijk, houdt lang water vast en levert grote opbrengsten per hectare. Na Dokkum zal het landschap zichtbaar veranderen, dus we moeten nu van de gelegenheid gebruik maken om de omgeving rondom tot ons te nemen. Dat gaat vast lukken!

We starten in Ee, een plaatsje met de kortste plaatsnaam van ons land. Zo kort dat het zelfs niet te vinden is op ons navigatie systeem. Ee is een klein terpdorp, al ontstaan in de 10e eeuw, met een beschermd dorpsgezicht. De kerk staat ook hier op de top van de terp en vormt het centrale punt van het dorp. Hij dateert uit omstreeks 1220 en is gewijd aan Gangulfus. Tot 1580 was het een Rooms Katholieke Kerk, vanaf 1816 werd het de Nederlands Hervormde Kerk en sinds de fusie van de beide kerken: Tsjerke op ‘e Terp.

De weg naar de ‘Tsjerke op ‘e terp’

Gangulfus, Gangolf, Gandouffe of misschien zelfs Gandalf 😉 was een grootgrondbezitter, ridder en hoveling in Bourgondië tijdens de regeerperiode van Pepijn de Korte (714-768). Volgens de legende was hij een vertrouweling van deze Pepijn, die op één van zijn jachttochten een wonderbaarlijke bron heeft ontdekt. Zo bijzonder dat toen Gangulfus vermoedde dat zijn vrouw hem bedroog met een priester (zijn vrouw ontkende), hij haar vroeg of ze haar hand in de bron wilde steken. Haar hand kwam verbrand uit de bron, waarmee haar overspel werd bevestigd. Hij stuurde zijn vrouw weg en verbande de priester. Die nam (natuurlijk) wraak en vermoordde Gangulfus. Sint Gangulfus staat nog steeds bekend als de beschermheilige (patroon) van de leerbewerkers, schoenmakers, kinderen en paarden en wordt aangeroepen tegen kniepijnen, huid- en oogziekten en bij echtelijke moeilijkheden en ….. je raadt het al….. overspel. Hoe hij vanuit Frankrijk in Friesland terecht is gekomen? Hij werd door de koning naar de noordelijke Nederlanden gezonden om de heidenen te bekeren. Bisschop Wulfram (een beer van een man) werd meegevraagd als lijfwacht, want in Friesland was het toen nog gebruikelijk dat mensen, ook kinderen, na door het lot te zijn aangewezen, werden geofferd aan de Germaanse/Friese goden. Het waren beslist andere tijden! De ‘omgong’ rond de kerk is een mooi stukje in het dorp met oude, mooi gerestaureerde huizen, een oude waterpomp en uiteraard een mooi onderhouden kerkhof. Op dit kerkhof  staat een bijzonder monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog. Dokter Jarl Ruinen was, ten tijde van WOII, huisarts in Ee en heeft veel gedaan om Joodse mensen een onderduikadres te geven. Nog tijdens de oorlog werd hij echter opgepakt en geëxecuteerd. 

Met een hoop informatie en goede zin lopen we, over een klinkerweg, het dorp uit op weg naar het Dokkumergrootdiep, de vroegere verbinding tussen de stad Dokkum en de open zee.

Snel een kop koffie aan een stenen tafeltje langs het water
In de verte ligt de oude steenfabriek

Langs het water ligt een oude steenfabriek van rond 1800. Friesland was vroeger zeer bekend om zijn baksteenindustrie. Ondertussen zijn de meesten verdwenen. Deze fabriek staat er nog wel, maar daar is ook alles mee gezegd. Wat een rotzooi, wat een vergane glorie. Jammer! We lopen verder langs het water en genieten van een voorzichtig zonnetje wat af en toe door de wolken probeert te piepen. Verder is het behoorlijk koud met een harde wind uit het oosten. We moeten stevig doorstappen om warm te blijven. Bij de grote weg aangekomen buigen we af naar links en zien we de torenspits van Dokkum al in de verte liggen. Hoewel we over een fietspad lopen, is dit geen bijzondere weg, Met recht een overbruggingsstukje om in Dokkum te kunnen komen. 

Dokkum zelf, de meest noordelijke stad van Nederland, wordt vaak in één adem genoemd met Bonifatius. Bonifatius was een man met een missie. De Engelse missionaris reisde naar Friesland om de Friezen te bekeren. Een makkie dacht hij, want zijn eigen Angelsaksische taal leek op het Oudfries, dus de communicatie kon toch zeker geen probleem zijn? De reis naar Dokkum leek wel iets op een parade toen de hoogbejaarde Bonifatius (ongeveer tachtig) in 754 met zijn gevolg naar Friesland trok. Voor de Friezen deed de bekeringsexpeditie echter denken aan een oprukkend leger. Ze grepen in, blokkeerden de weg en maakten korte metten met hem en zijn gezelschap. Bonifatius werd in Dokkum vermoord. Maar Dokkum is meer dan alleen een bedevaartsoord. Ze zeggen zelf: ‘we staan met beide benen in de klei.’ Het verhaal vervolgt: ‘met de Waddenzee en het Lauwersmeer gebied als natuurrijke achtertuin, is een week al snel te kort om vanuit Dokkum alle uitstapjes te maken die dit Hoge Noorden te bieden heeft. Het ligt niet aan het einde van de wereld, maar je kunt het vanaf daar wel zien.’ 

Bonifatius voor de zoetwaterbron
Een wandeling door de tuin erachter is verrassend

Wij zien ondertussen, het ons bekende, Grand Café de Waegh opdoemen in een zijstraatje en besluiten dat we toe zijn aan een lekkere warme lunch. Het restaurant zit in een monumentaal pand wat in 1754 werd gebouwd als boterwaag. Hier werd boter gewogen. Het recht op een waag was vroeger één van de stadsrechten en handelaren werden verplicht producten, zoals kaas en boter, in de stadswaag te laten wegen. Een waag bevorderde de eerlijke handel, want de gewichten waren officieel vastgesteld. Een onmisbaar iets voor de stad als betrouwbaar handelscentrum. Na de lunch wandelen we op ons gemakje verder. Er is veel te zien. Mooie gevels, prachtig stadhuis, molens, kerken, een stadswal, kades, een oude kapel en zelfs een zoetwaterbron. Veel is toch te danken aan Bonifatius. Vanaf eind 19e eeuw werd Dokkum vanwege de marteldood van Bonifatius een bedevaartsoord. Er doken zelfs plotseling allerlei beenderen van de heilige op, die later allemaal vals bleken te zijn. Ondanks zijn dood ging de kerstening van de Lage Landen gewoon door. Veel christenen kwamen eveneens naar Dokkum voor de Bonifatiusbron. Het verhaal gaat dat hier spontaan zoet (!) water uit de grond opwelde toen het paard van Bonifatius met zijn hoef op de grond stampte of omdat Bonifatius zelf hier met zijn staf op de grond tikte (verschillende bronnen, andere versies). De bron heeft Dokkum eeuwenlang van  zoet water voorzien, wat als een wonder werd beschouwd in deze zilte omgeving. Dat middeleeuwse bronwater bleek trouwens niet echt lekker en als het water niet te drinken is, dan maak je bier. Bier was in de Middeleeuwen veiliger dan het vervuilde stedelijke water en voedzamer, want in graan en gist zitten vitamine B en voedingstoffen. Een middeleeuws ‘mensch’ sloeg ongeveer 300 liter bier per jaar achterover, dat is bijna een liter per dag. Wat doet de moderne mens tegenwoordig?

Grand cafe de Waegh

Naast alle andere wetenswaardigheden is Dokkum zeker ook bekend vanwege de elfstedentocht. Hoewel deze de laatste jaren niet meer is gereden blijft het elk jaar een spannende tijd.

Het keerpunt is nog steeds een markant punt

De eerste Elfstedentocht werd in 1909 gereden volgens het web: ‘Vroeg in de ochtend van 2 januari 1909 arriveren rijders van de allereerste Elfstedentocht in Dokkum. Vanwege de invallende dooi wordt de tocht in 1909 drie dagen eerder gereden dan aangekondigd. Toch zijn er veel schaatsers die het niet aandurven. Slechts 23 rijders verschijnen aan de start in Leeuwarden. De voorzitter waarschuwt hen: ‘Doe in het begin kalm aan, want wie het eerst in Dokkum is, zou weleens het laatst in Stavoren kunnen zijn.’ Het keerpunt in Dokkum is nog steeds één van de meest markante punten van de Elfstedentocht. We zien de bankjes, waarvan twee in de vorm van Friese doorlopers, op de kaden die de draai, die schaatsers hier moeten maken, symboliseren. Sinds 1929 is Dokkum trouwens de laatste stempelpost geworden. De reden? Veiligheid, want de rijders kunnen verdwalen op de Friese Meren in het donker.