LANGS HET WATER (FW Pad)

Friese Woudenpad: kaarten 3 & 4

Na een lange tussenpose hebben we eindelijk de draad weer opgepakt. We gaan het traject ‘Ezumazijl – Sylsterwei – Ee’ lopen. Niet zo’n lange route, want we, vooral ik, moeten er weer even inkomen. Het is droog vandaag met zelfs een beetje zon maar ook met een schrale frisse wind. We zijn goed voorbereid en voorzien van diverse laagjes!

In Ezumazijl steken we de sluisbrug over en gaan meteen daarna links een trap op om even verderop uit te komen naast een (oude) dam van basaltblokken. Weet jij het verschil tussen een dam en een dijk? Een dam scheidt water van water, een dijk scheidt water van land. Klinkt logisch! Basalt wordt in Nederland veel toegepast als dijkbekleding, voor kademuren, golfbrekers en strandhoofden. Door de vorm zijn basaltblokken als een puzzel in elkaar te passen en door de onregelmatigheden langs de zuil ontstaat een sterk onderling verband. Deze dam is in verval geraakt en we lopen er dan ook niet overheen, maar vervolgen ons pad over de grasdijk langs het water (Raskes). Grappig genoeg komen we uit op een plek waar we vaak genoeg zijn gaan kijken naar vogels in het Lauwersmeer. Ook nu kunnen we de verleiding niet weerstaan en lopen we snel naar boven waar de stoelen met de hoge rugleuningen je moeten beschermen tegen de wind vanaf zee. Het is vandaag kennelijk geen rustpunt voor welke vogel dan ook. Op een enkele gans op afstand na zien we niets bijzonders. We lopen verder over de asfaltweg richting de verbrandde vogelkijkhut. Het skelet van de oude hut staat zwart geblakerd tussen de wuivende pluimen. Je vraagt je af hoe hier ooit brand is ontstaan. Blikseminslag of toch vandalisme? Ook vanaf dit punt zien we geen vogels, althans niet echt dichtbij. Aan de andere kant van ons zien we wel diverse hertjes in de verte evenals een kudde Konikpaarden. Aan het einde van de jaren tachtig werden deze oerpaarden naar het Lauwersmeer gebied gehaald om ze te laten grazen op de voormalige zandplaten en kwelders van de oude Lauwerszee. De paarden houden het gras kort zodat steltlopers hier kunnen broeden. Van oorsprong komen deze paarden uit Wit-Rusland en Polen waar ze in het wild leefden. De Konikpaarden zijn nauw verwant aan de Tarpan, één van de drie oerrassen van zo’n 15.000 jaar geleden. Dit ras leefde in Oost Europa en stierf in 1870 uit door overbejaging. Het vlees van de Tarpan was toentertijd namelijk een echte delicatesse. Ook het Konikpaard is eigenlijk uitgestorven. In Polen heeft men dit paard echter met speciale fokprogramma’s terug kunnen fokken. Zie hier het resultaat. 

Sluis bij Ezumazijl

Aan de zeedijk tussen Ezumazijl en Nijlȃn zien we opeens een bijzondere woning die opgebouwd lijkt uit twee aan elkaar gekoppelde dozen; het dubbele dozen huis. De van baksteen gemetselde tuinwoning heeft een op het zuiden uitkijkende woonkeuken. Via een trap met glazen wanden loop je omlaag naar de belvedère met uitzicht op de omringende omgeving. Het volgt als het ware de glooiing van de dijk.

Het dozenhuis

In de vorige eeuw stond hier een boerderijtje of eigenlijk een kooikerswoning voor de verderop gelegen eendenkooien. Hoe werkt een eendenkooi nu eigenlijk precies? De kooiker lokt wilde eenden naar zijn kooi door ze te voeren. Door de beschutte ligging van de kooiplas en door de aanwezigheid van ‘staleenden’ (tamme eenden die het hele jaar in de kooi blijven) voelen de wilde eenden zich hier veilig. De kooiker lokt de eenden dan verder de vangpijp in met voer en soms met behulp van een kooikerhondje. Als de eenden in de vangpijp zitten, laat hij de eenden schrikken waarop de eenden naar het licht, aan het einde van de pijp, vliegen. De pijp komt uit in een gesloten gebied dat aan de bovenkant afgeschermd wordt door gaas of netten. Vroeger ging het puur om de verkoop van de eenden, tegenwoordig worden eendenkooien vaak gebruikt om de eenden te ringen en daarna weer vrij te laten. In deze omgeving moeten nog vier eendenkooien liggen, waarvan er nog één in gebruik is. 

Wat op de kaart een aardig ‘recht toe, recht aan’ pad leek, blijkt gelukkig toch erg afwisselend te zijn met veel nieuwe ontdekkingen en mooie vergezichten. We genieten! Wanneer het verharde pad weer overgaat in een graspad en we even later een gammel picknickbankje tegenkomen, vinden we het tijd voor een kop koffie. De eerste helft is zeer vlotjes verlopen. Even verderop steken we de provinciale weg over en vervolgen we het kronkelende graspad verder. Hier liggen diverse mooie terpen (we zijn in Friesland ;). Hier zien we ook hele grote zwermen vogels, die plots, met een behoorlijk lawaai, op kunnen vliegen wanneer we te dichtbij komen. Volgens ons zijn dit brandganzen, trekvogels die vooral uit de broedgebieden in Nova Zembla en Zweden, naar ons land trekken. Hier is overdag voldoende voedsel in de graslanden te vinden en bieden de vele meren en rivieren ’s nachts een veilige slaapplaats. De hoofdzakelijk zwart-witte vogels, met een bijna helemaal witte kop, overwinteren hier meestal in groepen van wel duizenden vogels. Indrukwekkend! Naast ganzen zien we op dit stuk met enige regelmaat herten in de verte en veel schapen dichterbij. Dat is ook niet zo gek als je de cijfers bestudeert. In Nederland bestaat ongeveer 40% van de landbouwgrond uit grasland, in Friesland is dit bijna 70%. Met 175.000 hectare grasland is Friesland de grootste weideprovincie en heeft het ook de meeste schapen. De schapen hebben hun wintervachtje alweer aan en staren ons nieuwsgierig, al is het op gepaste afstand, aan.

We genieten

De zon doet haar best om door de donkere, wat dreigende lucht heen te breken, waardoor de wereld om ons heen van een  intense kleurenpracht wordt voorzien. Volgens onderzoekers zijn de helderste en meest intense kleuren in de natuur meestal blauw of groen. Deze kleuren worden door lichtverstrooiing gecreëerd en veranderen onder verschillend licht. In de omstandigheden hier worden ze deels krachtiger, dieper, rijker en donkerder, terwijl ze tegelijkertijd gedeeltelijk oplichten en heldere accenten vertonen. Kleuren om te ervaren. 

In dit gebied zwoegden trekpaarden vroeger langs het water (Grootdiep) om goederen en mensen met de trekschuit te vervoeren. Lange, smalle schepen (soms ook voortgetrokken door mensen) waren hier de eerste vorm van vervoer met vaste vertrektijden. Wij lopen echter niet vlak langs dit Grootdiep, maar meer landinwaarts langs andere stroompjes die door het landschap meanderen. Het beeld verrast daardoor steeds op een andere wijze. Opeens zien we een paar huizen. We zijn in Ald Terp aangekomen, een klein buurtschap bestaand uit een drietal huizen. Grappig verhaal: Op het internet doet het verhaal de ronde dat de Amerikaanse oud-president Barack Obama zou afstammen van het Friese geslacht Obbema, dat vermoedelijk komt uit de buurtschap Ald Terp. Een zekere Jelle Obbema zou eind 19e eeuw naar Kenia zijn geëmigreerd en daar een fabriek in pepermuntolie zijn begonnen. Na terugkeer zou hij de grondlegger zijn geworden van de King pepermuntfabriek in Sneek. De achternaam van zijn nakomelingen in Kenia zou zijn verbasterd tot Obama, waar de vader van Barack Obama uit voortgekomen zou zijn. Dit blijkt uiteindelijk een ‘broodje aap’ te zijn, maar leuk is zo’n verhaal ter plekke zeker wel.

Ald Terp

De terp van Ald Terp is een archeologisch rijksmonument en wordt gedateerd omstreeks de 7e eeuw. Het is niet een bijzonder hoge, maar wel een uitgestrekte en vrijwel onbebouwde terp. De terp is maar beperkt afgegraven, waarschijnlijk door het ontbreken van een opvaart waarlangs de terpaarde gewoonlijk werd afgevoerd. Na de eerstvolgende driesprong bereiken we de terp van een volgend buurtschap. De terp, waarop buurtschap Tibma is ontstaan, dateert uit de 5e tot 7e eeuw en is eveneens een rijksmonument. Hier vinden we opeens een winkeltje annex cafeetje. De eigenaren hebben het pand zelf compleet verbouwd en hebben ze grootse plannen voor de toekomst met een theehuis, een buitenterras en een mogelijkheid om te overnachten. Wij schuiven aan de ‘stamtafel’ middenin de kleine winkel van sinkel met een keur aan handgemaakte producten. Een onverwachts rustmomentje. Het is nu nog maar een klein stukje naar ons eindpunt. 

Volgens de beschrijving is het dorp Ee eveneens ontstaan op een terp, eentje die enkele eeuwen voor de jaartelling, op een kwelderwal in een landschap van kreken en zeearmen, werd opgeworpen. De volgende keer moeten we ons maar wat meer verdiepen in alle wetenswaardigheden alhier. Zoals ze hier zeggen: ‘dit wurdt trochset’. 

KUIERJE TROCH FRYSKE WȂLDEN (FW Pad)

Friese Woudenpad: kaarten 1 & 2

Onze keuze voor een tweede lange afstandswandeling is gevallen op het Friese Woudenpad. Dit pad (LAW 1-1) loopt van Lauwersoog tot aan Steenwijk en ligt voor 95% in het oostelijke deel van Friesland. De wandeling koppelt de Nationale Parken Lauwersmeer, Friese Wouden, Drents-Friese Wold en de Weerribben aan elkaar en is daarmee, volgens de makers, één van de mooiste LAW’s in Nederland. 

We gaan het beleven! Het pad begint dus in Lauwersoog, net over de grens in Groningen. We starten in stijl met een kop koffie in het nieuw herbouwde restaurant op de dijk, waarna we gesterkt en vol goede moed langs de sluizen Friesland binnenlopen. Het complex R.J. Cleveringsluizen ligt langs de provinciale weg ten westen van Lauwersoog. Deze spuisluizen bestaan uit drie bouwwerken met ieder vier spuikanalen, waarvan er twee op Fries grondgebied staan en ééntje op Gronings grondgebied.

Sombere lucht boven de Cleveringsluizen

Wat weten we eigenlijk van het waarom en waarvoor van deze sluizen? De Lauwerszee was ooit een zeetong die in een zware storm rond het jaar 1280 is ontstaan. Het was een zee vergelijkbaar met de huidige Waddenzee en liep tijdens eb grotendeels leeg. Deskundigen dachten dan ook dat de zee uiteindelijk ‘vanzelf’ dicht zou slippen. Zoutkamp, rond 1400 aan de kust van de Lauwerszee neergezet als vesting, heeft in de eeuwen daarna geleefd met en gevochten tegen de zee. Totdat de Grote sluis bij Zoutkamp de Lauwerszee van het Reitdiep afsloot in 1877, hadden plaatsen langs het Reitdiep tot en met de stad Groningen te maken met eb en vloed. De watersnoodramp in 1953 en de Kerstvloed in 1954 hebben grote invloed gehad op de afsluiting van de Lauwerszee. Argumenten als ‘het vergroten van de veiligheid’ en ‘het verkorten van de kustlijn’ gingen opeens een grote rol spelen. Na het afsluiten van de Lauwerszee in 1969 ontstond het Lauwersmeer. De uitwateringssluizen zorgen ervoor dat het water van de Friese boezem en de Electraboezem op de Waddenzee wordt geloosd. De spuisluizen worden opengezet als het eb is op de Waddenzee is. Op dat moment is de stand van het buitenwater (Waddenzee) lager dan dat van het Lauwersmeer en kan het onder vrij verval naar buiten stromen, waarmee de boezem wordt ontlast en daarmee het overtollige water kwijt is. 

Even nalezen leert ook dat er tot de zomer van 2012 vaak is nagedacht over het vervangen van de spuisluizen door een nieuw elektrisch gemaal. De capaciteit zou 15.000 m3 per minuut bedragen. Ter vergelijking: de Cruquius, bij de droogmaking van de Haarlemmermeer (1852) had een capaciteit van 2.500 m3 per minuut, het ir. D.F. Woudagemaal Lemmer (1920) van 4.500 m3 per minuut en het J.L. Hooglandgemaal Stavoren (1967) van 9.000 m3 per minuut. De geschatte kosten van het nieuwe gemaal zouden echter minimaal 180 miljoen euro bedragen. Zet je deze hoge kosten af tegen de verwachting dat het gemaal maar tien dagen per jaar zou gaan draaien, dan is het niet verwonderlijk dat de vervanging van de spuisluizen uiteindelijk definitief is afgeblazen.

We leren verder dat spuien onder natuurlijk verval één belangrijk nadeel kent: de waterstand van het buitenwater is niet te beïnvloeden. Als er een stevige noordwester storm staat (windkracht 8 of meer) wordt het water vanuit de Noordzee de Waddenzee ingeblazen. Daardoor staat er bij Lauwersoog in zulke gevallen een hogere waterstand dan onder normale weersomstandigheden. Omdat het buitenwater dan hoger staat dan het binnenwater, kunnen de spuisluizen niet geopend worden en blijft het overtollige water uit de Friese en Groningse boezem in het Lauwersmeer staan. Dit kan een aantal dagen duren zonder dat er sprake is van een groot veiligheidsrisico. Anders wordt het als er ook sprake is van gelijktijdige overvloedige neerslag. In dat geval raken de beide boezems vol of zelfs overvol. Het water kan dan letterlijk geen kant meer op. Gelukkig hebben we daar op deze frisse, maar zonnige dag niet mee te maken. 

Blik op het Wad (RK)

Meteen na de sluizen slaan we rechtsaf en lopen we de Waddenzeedijk op welke we voorlopig gaan volgen. Ondanks dat we dit gebied goed kennen, blijft het iedere keer weer een cadeautje om het Wad in alle rust te ervaren. De weidsheid, de rust, de zilte lucht en het altijd weer anders ogende landschap blijven de moeite waard. Een heerlijke plek om je te ontspannen, je hoofd leeg te maken, je mentaal weer op te laden en vooral om te genieten. Volgens een gelukspsycholoog zit er in je hoofd een interne batterij, net zoals in je telefoon. Als je de hele tijd bezig bent, raakt de batterij op een gegeven moment gewoon leeg. Wat wij als mensen vergeten is om ons af en toe op te laden. Doe je dit niet, dan beland je, volgens deze deskundige, in de energiebesparingsstand, waarin je wel van alles kan, maar je tegelijkertijd stiekem moe en prikkelbaar bent. Herkenbaar toch? De Waddenzee met haar uitgestrektheid is, voor ons, zeker een ideale plek om op te laden

Opladen tijdens het wandelen (RK)

Naar links kijken we uit over de polders. Het blijft een bijzonder idee dat dit land nog maar zo kort geleden deel uitmaakte van het zeelandschap. De boeren hier hadden al vroeg ontdekt dat gewonnen land op de zee erg vruchtbaar was. Ze groeven smalle diepe greppels in het kweldergebied die het zeewater bij eb afvoerden. De ‘hogere’ grond kon op die manier goed indrogen. Het vers aangevoerde slib zette zich af op de ‘hogere’ grond. Vooral in Groningen was dit lucratief voor de boeren, want de kustboeren kregen hier, volgens het Ommelanden Landrecht (1601) de eigendomsrechten van de landaanwinning.

Mooi in eenvoud (RK)

Net op het moment dat we wel toe zijn aan een verandering van omgeving, hoe mooi dan ook, dalen we langs de dijk af en vervolgen we onze weg even verderop over een lage grasdijk, die in vroeger dagen een zeedijk is geweest. Het land links van ons is de Bantpolder, een vogeloase van 113 hectare wat onderdeel uitmaakt van het Nationaal Park Lauwersmeer. Jaarrond is de Bantpolder een vogelgebied met in het voorjaar veel broedende weidevogels, zoals de grutto, de tureluur en de graspieper en in de herfst en winter grote groepen ganzen. Ook tijdens de voor- en najaarstrek en tijdens hoogwater maken veel vogels gebruik van het gebied. Helaas voor ons zien we slechts een enkele vogel al zou ik echt niet weten welke. Verder zien we vooral veel schapen op de dijk, schapen in een lange rechte lijn voor ons uit. Ze lijken alleen voor ons aan de kant te willen gaan wanneer we echt te dichtbij komen. Bij het Banthȗske (een boerderij) aangekomen, lijkt de weg veranderd te zijn. De boer wil misschien niet dat alle wandelaars over zijn land lopen? We moeten onze weg naar Oostmahorn over de weg te vervolgen. 

Niet de mooiste kant 😉
Even wachten levert een beter resultaat op (RK)

Oostmahorn is net als Ezumazijl (ons einddoel) een buurschap dat onder het dorp Anjum valt. In het collectieve geheugen van de Friezen wordt Oostmahorn echter wel als dorp ervaren (inmiddels is het dat ook), vooral omdat het lange tijd, vanaf ongeveer 1830, de vertrekplaats was van de veerdienst naar Schiermonnikoog en de ligplaats van de reddingboot. Al vanaf 1962 staat hier op de voormalige zeedijk het Paviljoen Toxopeus (nu Lauwersmeer paviljoen). Een paviljoen genoemd naar Klaas Toxopeus, de schipper van reddingsboot Insulinde. Hij redde met zijn schip meer dan driehonderd mensen. 

Het haventje van Oostmahorn met de Insulinde (foto internet)

Net voorbij Oostmahorn lopen we langs Esonstad. Het is een Landal vakantiepark, maar het is ook écht een stad(je)! Dit nieuwe Esonstad is vernoemd naar het oude Ezonstad. Volgens de verhalen zou die stad omstreeks 341 gebouwd zijn door Odilbald, de zesde hertog van de Friezen. In 808 werd Ezonstad door de Noormannen bijna geheel geplunderd en afgebrand, maar met hulp van het rijke Stavoren werd de stad snel herbouwd. In 958 werd Ezonstad nog een machtige stad genoemd. Waardoor de stad in verval is geraakt is niet bekend. Anderen beweren dat Ezonstad helemaal niet heeft bestaan, maar ontsproten is aan de fantasie van 16e-eeuwse Friese geschiedschrijvers. Hoe het ook zij, we zien nu stadspoorten en kleine straatjes met mooie gevelhuizen. Het ziet er heel sfeervol uit. Alles nieuw dus en kennelijk vol met van alles van nodig blijkt te zijn voor een fijne vakantie. Ook weer iets bijzonders, al is het dan van een andere orde.

De toegangspoort tot Esonstad (foto internet)

Een paar kilometer verderop lopen we Ezumazijl binnen alwaar onze fietsen staan. Met zo’n 12 kilometer in de benen is de kop er weer af. Binnenkort een vervolg?

NOORDELIJKE EILANDEN – Norðuroyggjar (Faroer eilanden)

Van de zes noordelijke eilanden, Fugloy, Swínoy, Viđoy, Borđoy, Kunoy en Kalsoy, hebben we er slechts de helft bezocht. De eerste twee liggen het meest oostelijk en kun je alleen per ferry of helikopter bereiken en het meest westelijke eiland Kalsoy is eveneens alleen per ferry te bezoeken. We hadden dit laatste eiland zeker op ons programma staan, maar hebben het uiteindelijk niet gedaan vanwege de weersomstandigheden (veel mist en nattigheid) en het beperkte vaarschema van de ferry in combinatie met veel belangstelling voor de overtocht waardoor het risico bestaat dat je niet mee terug kunt. De grootste bezienswaardigheden op het smalle en langgerekte eiland Kalsoy zijn het standbeeld van Kópakonan (de zeehonden vrouw uit het bekende sprookje) in het dorp Mikladalur midden op het eiland en de wandeling van het meest noordelijke dorp Trøllanes naar de vuurtoren Kallur. Een grappig weetje is dat het meest noordelijke deel van Kalsoy is gebruikt als filmlocatie voor de 25e James Bond-film ‘No Time to Die’ die in 2021 in de bioscopen heeft gedraaid. Helaas! Gelukkig blijven er dan nog drie eilanden over die met tunnels en dammen wel goed bereikbaar zijn. De grootste bezienswaardigheden van de eilanden zijn ook hier de indrukwekkende natuur en het imponerende landschap. In het noorden is het landschap ruiger, met steile kliffen en hoge bergen in vergelijking met het zuiden waar het landschap een stuk glooiender is. Volgens de locals is zelfs de mentaliteit anders en zijn de mensen in het zuiden veel rustiger en minder gehaast dan in het noorden.

Een overzicht van alle 18 eilanden (internet)

We logeren op het eiland Borðøy in de plaats Klaksvík, het enige andere dorp op de Faeröer met stadse pretenties. Klaksvík is qua inwonersaantal de tweede stad van het land. De belangrijkste activiteiten van de stad zijn, naast een bestuurlijke centrum voor de noordelijke regio, de visvangst en de bijbehorende visindustrie. In de 19e eeuw veranderde Klaksvik haar focus van landbouw naar visvangst, investeerde in een moderne haven, waardoor tegenwoordig 1/5 van alle vis uit het land vanuit Klaksvik wordt geëxporteerd. Het is dan ook geen wonder dat de populatie van de andere noordelijke eilanden naar hier komt voor de dagelijkse boodschappen en andere noodzakelijke dingen, als bank, bibliotheek etc. etc. Daarnaast wordt hier het populaire Føroya Bjór gebrouwen. Ooit begonnen door een lokale boer is het door de jaren heen uitgegroeid tot ’s lands beste en grootste bierbrouwerij.

Klasvík ligt op een smalle strook tussen twee fjorden (RK)

Je kunt zien dat de stad zich aan het ontwikkelen is. Er is b.v. een gezellige koffiebar, Frida, waar we dagelijks een lekkere cappuccino halen. Weer eens wat anders dan een benzinestation :). Opvallend is ook de Christianskirkjan (de kerk), genoemd naar de Deense koning Christian X, waar de toren los opzij van de kerk staat. Het gebouw is één van de eerste moderne kerken in Scandinavië geïnspireerd door de oude stijl. De inspiratie komt van zowel de oude Viking zalen als de gemeenschappelijke ruimtes in traditionele huizen op de Faeröer. De kerk is gebouwd ter nagedachtenis van lokale zeelieden die hun leven verloren tijdens WOII. Wonderlijk genoeg is praktisch elke kerk die we van binnen willen bekijken op slot. Zo ook hier. Jammer. Het verhaal gaat dat er in veel kerken roeiboten of kerkschepen aan het plafond hangen. Gewoonlijk worden zulke schepen aan de kerk geschonken door zeelieden en scheepsbouwers. In deze kerk moet een traditionele houten acht roeiboot aan het plafond hangen. Dat is bijzonder. Deze boot was ooit de grootste is zijn soort hier op de eilanden. Gebouwd in 1890 is hij door een lokale priester gebruikt op zijn reizen van zijn thuisbasis Viðareiði (op Viđoy) naar de meer afgelegen plaatsen waar hij zijn preken hield. De boot is ook gebruikt door mensen van het eiland Fugloy voor vis- en zelfs walvisvangst. Een boot met een verhaal.

Christianskirkjan

Om de ligging van en het uitzicht rondom Klaksvík ten volle te appreciëren, kun je het best de berg Klakkur (413m) achter het dorp beklimmen. Bovenop heb je dan een mooi uitzicht op de stad tussen de twee baaien. We hebben een poging gedaan, maar hebben ook deze keer de top niet gehaald. Desondanks was het wel een bijzondere en zeker een winterse ervaring.

Heel winters
Het steile pad naar de top is onzichtbaar

Behalve de weg naar Klaksvík zijn er weinig wegen. Weg 70 voert je door 2 lange tunnels naar het noordelijkste puntje van het eiland: Múli. Op diverse plaatsen vind je tunnels met eenrichtingsverkeer en dan ook nog zonder verlichting. Er wordt aangegeven welke rijrichting voorrang heeft en voor de ‘tegenliggers’ zijn er op regelmatige afstand uitwijkplaatsen in de tunnel gemaakt. De tunnels naar Múli zijn eveneens slechts voorzien van 1 rijbaan, maar werken met verkeerslichten waardoor er geen uitsparingen nodig zijn. De smalle rijweg in het donker geeft de tunnel iets claustrofobisch. Oefening baart kunst en na een paar keer heen en weer draaien we hier onze hand niet meer voor om. Múli heeft nooit meer dan 25 inwoners gekend. Je kon er alleen komen per boot of door een lange wandeling van 7 km. over land. Het was dus niet vreemd dat het dorp soms maandenlang was afgesloten van de rest van de wereld.

Slechts een paar huisjes dicht bij elkaar….. (RK)
Een luxe schapen-huisje vlak aan de rand (RK)

Múli is een oud plaatsje, het wordt al genoemd in de zogenaamde ‘Hundabrævið’ (de hondenbrief), waarin het gebruik van schapenhonden in de Faeröer beschreven wordt. Zo gelegen aan het eind van de wereld wordt de plek beschreven als: ‘het nu verlaten gehucht Múli, bestaand uit drie vervallen houten huizen die dicht bij elkaar staan alsof ze zo bescherming vinden tegen de onbarmhartige krachten van weer en wind, getuigt stilletjes van de definitieve overgave van de mens aan de meedogenloze krachten van de natuur.’ Iets om even bij stil te staan. We lezen dat dit dorp nog geen generatie geleden een ‘bruisende gemeenschap’ was. De mannen waren echter altijd, soms wekenlang, op zee en langzaam maar zeker trokken toch steeds meer mensen weg, op zoek naar meer zekerheid en steun. Om deze ontvolking tegen te gaan werd het dorp in 1970 als laatste dorp op de eilanden voorzien van elektriciteit. Jaren later werd er een weg aangelegd van Múli naar het plaatsje Norðdepil. Ironisch genoeg was het ‘too litlle, too late’ en trokken de laatste mensen weg nadat de weg klaar was. De laatste bewoners, twee oudere stellen van dik in de tachtig, konden gewoon niet meer op zichzelf wonen in zo’n verlaten uithoek. Gedurende de zomermaanden komen sommige vroegere inwoners terug en gebruiken ze hun vroegere woningen als vakantiehuisje. Eén van de huizen, Har Norð, is nu zelfs beschikbaar op Airbnb. Wij lopen hier op ons gemakje rond, zoeken de verlaten schapen-hutjes op en bedenken of wij ooit in zo’n omgeving in zulke ‘harde’ omstandigheden zouden kunnen aarden. Een leuk weetje is dan weer dat in dit gebied opnames zijn gemaakt voor een crimi (Trom). Je kunt je er iets bij voorstellen. Ruig, eenzaam en een naar binnen gekeerde wereld zijn ideale componenten voor iets spannends. We hebben hiermee nu al 2 films die we moeten gaan bekijken.

Toi, toi, toi ……..
Buurtbewoners 🙂

Redenen om naar de Faeröer te komen zijn, volgens liefhebbers, op één hand te tellen: de Faeröerse keuken, culturele ervaring, vogels spotten, prachtige wandelingen en eiland hoppen. Van origine wordt er in de Faeröerse keuken veel gebruik gemaakt van zalm (heerlijk), lam (heel mals), aardappelen, knollen en rabarber.  Een befaamde techniek die nog steeds veel wordt gebruikt is fermenteren, in het Faeröers heet dit ræst. Dit heeft niet bij ons op het menu gestaan, we zijn het niet tegengekomen in onze restaurantjes. Wat ons vooral wel is opgevallen zijn de vele ‘afhaal pizza’ restaurantjes in de iets grotere dorpen. Toch kent Tørshavn zelfs een 2 sterren restaurant.

Een lekkere lunch bij Frida

De Faeröers zijn erg trots op hun cultuur, die vooral tot uitdrukking komt in hun taal en hun kleding. Vooral op zondag gaan velen in hun traditionele kleding naar de kerk. Het doet ons wat denken aan tradities in Staphorst en omstreken. Aan het maken van de kleding wordt veel tijd en aandacht besteed. Elk onderdeel wordt het liefst zelf geweven of gebreid. Het is traditie dat de vrouwen binnen een familie nauw samenwerken om van alle losse onderdelen een mooi geheel te maken. Vrouwen dragen vaak een lange rok met een brede blauwe sjaal erover. Mannen dragen vaak een vest met een driekwart broek en lange sokken. 

Onderweg (RK)
Nu het wat warmer wordt, stroomt er steeds meer water naar beneden (RK)

Eiland hoppen hebben we inmiddels al ruimschoots gedaan en we doen er nu nog een schepje bovenop. Alle eilanden liggen in het noorden als lange vingers naast elkaar. Het grotere Borđoy is met beide buren verbonden d.m.v. een dam. Makkelijker kan het niet. Op Viđoy (aan de oostkant) ligt, eigenlijk recht tegenover Múli, het plaatsje Viðareiði. Het is het meest noordelijke dorp van de eilanden. De weg naar Viðareiði gaat voor een groot deel langs de westkust van Viðoy met prachtige uitzichten over de fjord, waarin je ook de vele ‘viscirkels’ ziet, waarin voornamelijk zalm wordt gekweekt.

Viscirkels

Het kerkje hier schijnt een indrukwekkende hoeveelheid zilver te bezitten. Allemaal geschonken door de Britse regering nadat de inwoners de 13 opvarenden van het schip Brig Marwood hadden gered, die tijdens een winterstorm in 1847 voor de kust in nood raakten. We hebben deze schat niet zelf kunnen aanschouwen, ook hier zit de kerkdeur stevig op slot. Op weg naar een volgend hoogtepunt slaan we, tussen de twee tunnels in, af naar Árnarfjórđur om toch nog even die mooie waterval te bekijken. Om het nog beter te kunnen zien, lopen we langs het steile pad omhoog in de hoop boven op een plateau uit te komen en op die manier dichterbij het watergeweld te kunnen staan. Dat lukt niet, maar het uitzicht boven is wel prachtig. Het meeste transport werd vroeger via het water gedaan of anders liepen mensen van dorp naar dorp. Veel van deze wandelpaden zijn bewaard gebleven. Ideaal voor menig mooie wandeling. Het enige nadeel is dat je meestal dezelfde weg terug moet omdat de paden de meest directe afstand vormen tussen twee dorpen, terwijl de later aangelegde asfaltweg in ieder geval rondom of anders door de berg moet. Misschien dat er in het toeristenseizoen meer busmogelijkheden zijn? 

De weg naar boven bij Árnarfjórđur

Ons laatste uitstapje is naar het eiland Kunoy, ten westen van Klaksvíik. Over de hele lengte van Kunoy loopt één lange bergrug, waardoor het aantal dorpjes tot het aantal van twee is beperkt. Er is gewoonweg onvoldoende vlakke grond om een zelfvoorzienend dorp te bouwen. Niet alleen zijn de berghellingen te steil, er is ook een grote kans op lawines. We hebben de rotsblokken verspreid over de hellingen gezien. Absoluut afschrikwekkend in je achtertuin! Meteen aan het einde (of begin) van de dam ligt Haraldssund waar nog overblijfselen moeten liggen van vroegere Nederlandse bewoning. Of deze restanten zijn inmiddels al verwijderd of ze zijn erg goed verstopt, want wij hebben ze niet kunnen vinden en zoveel begaanbare wegen en paden zijn er gewoonweg niet op dit eiland. De enige weg loopt, grotendeels door een tunnel, van Haraldssund aan de oostkant naar het plaatsje Kunoy aan de westkust.

Kunoy

Kunoy is een wijd verspreid dorp met (uiteraard) een kerkje. Het verhaal gaat dat iedere visser één vis aan de kerk moest doneren teneinde het altaar en te kroonluchters te financieren. Wij lopen langs de ‘boerenweg’ omhoog en nemen een kijkje in de plantage boven het dorp waar geprobeerd wordt diverse bomen en struiken te kweken die zich kunnen handhaven in dit barre klimaat. Landbouw is nauwelijks ontwikkeld op de eilanden. De beperkte groei van gewassen maakt de productie van veel gewassen onmogelijk. Ook de steile berghellingen zijn niet ‘handig’ voor grootschalige akkerbouw. Daardoor worden aardappelen en gerst naast rabarber en knollen meestal alleen voor eigen gebruik verbouwd. Wel worden de steile hellingen meer en meer ontgonnen als gras- en hooiland voor de schapen. Het gras wordt zoveel mogelijk geoogst en gedroogd op grote stellages als voer voor de schapen in de winter. Het is onvoorstelbaar tot hoe hoog in de bergen je afrasteringen terugvindt. Naast schapen vind je heel soms een enkele koe. De melkproductie is ook hoofdzakelijk zelfvoorzienend.

Heel soms zie je een kei (RK)

Midden tussen de bomen in de plantage  ligt een gigantische rots als voorbeeld van het lawinegevaar. Er is een groot touw met knopen aan de ene kant gehangen om de durfals uit te dagen de rots te beklimmen. Aan de andere kant kun je dan ‘abseilen’ m.b.v. datzelfde touw.

Gigantische rotsblokken liggen her en der verspreid op de hellingen

We proberen nog verder omhoog te lopen om te zien waar we uitkomen. Hier loopt weliswaar een heel smal pad, maar het is gedeeltelijk onzichtbaar door de sneeuw. Verraderlijk vanwege de vele smeltwater stroompjes die nu verscholen liggen en de oneffenheid van het pad. Een sterke hand is ook nu weer onontbeerlijk!

Morgen is het alweer tijd voor de terugreis. Witte Donderdag is hier evenals Goede Vrijdag een feestdag. Niet alleen de monniken uit Ierland brachten het christelijk geloof naar hier, de machtshebbers uit Noorwegen deden hetzelfde. Het christendom werd (toentertijd) soms met harde hand opgelegd, er was geen sprake van een duidelijke keuze daarin. De kerk speelt vandaag de dag nog steeds een belangrijke rol in het dagelijks leven. Ik moet zeggen dat ik wel weet wat de betekenis is van Goede Vrijdag en Pasen, maar die van Witte Donderdag is me niet helemaal duidelijk. Even nalezen leert dat Witte Donderdag het begin is van het zogenaamde ‘triduum sacrum’, dat compleet wordt gemaakt door Goede Vrijdag en Stille Zaterdag. Op Witte Donderdag wordt het laatste avondmaal herdacht dat Jezus met zijn discipelen nuttigde, een dag voordat hij op Golgotha zou worden gekruisigd (Goede Vrijdag) Stille Zaterdag, de dag dat Jezus in het graf lag, is de laatste dag van de vastentijd. De naam verwijst naar het feit dat op die dag de klokken niet luiden tot aan de paaswake. Wordt hier in Nederland ook nog zo uitgebreid bij stilgestaan? Onze tien dagen zijn voorbij gevlogen! Wat hebben we veel te vertellen!

Nog een laatste blik op de hoofdstad (RK)

EYSTUROY (Faroer eilanden)

We zijn een paar dagen geleden verhuisd naar Eysturoy, het tweede grotere eiland. Doordat het met zowel een brug als een tunnel (sinds 2020) gemakkelijk te bereiken is, voelt het bijna of Streymoy en Eysturoy samen één groot eiland vormen. De naam Eysturoy betekent ‘oost eiland’ waarmee het waarschijnlijk is dat de eerste bewoners vanuit het westen (= Streymoy) kwamen.

De brug gezien vanaf Eysturoy

De grillige smalle delen van dit eiland zijn een voorbode van de nog kleinere en nog smallere eilanden verder naar het oosten. De meeste bewoning vind je in het zuiden waar ook de 3e grote plaats van het land, tevens onze thuishaven op dit moment, Runavik ligt.

Eysturoy (internet)

Het zuidelijk deel van het eiland wordt bijna doormidden gesneden door een groot fjord; het Skálafjørđur. Aan de noordkant dringt het Funningsfjørđur diep het land binnen waardoor het bijna lijkt of het eiland bestaat uit twee helften die in het midden bij elkaar gehouden worden. Veel kustlijn dus, dus ook meer wegen?

Funningfjørđur aan het begin van het gelijknamige fjord

De kustlijn van het hele land is ruim 1100 meter lang. Langs de kust wonen, zoals we al ontdekt hebben, de meeste mensen en vinden de meeste activiteiten plaats. Wegen zijn beperkt aanwezig en dan vooral alleen aan de kust of korte stukken landinwaarts. We proberen op elk eiland wat we bezoeken het hele wegennet met de auto te verkennen, waarbij we ons telkens weer verkijken op de afstanden. Alles is echt dichtbij! Dat klopt ook wel. De afstand van noord naar zuid is (maar) 118 km, die van oost naar west nog geen 80 km. De tunnels en bruggen die veel eilanden met elkaar verbinden, maken dat het reizen behoorlijk vlot verloopt.

Een lange kustlijn (RK)

Alleen het reizen naar eilanden slechts bereikbaar per boot, vragen planning en tijd. Ook hierbij speelt het feit dat het toeristenseizoen nog niet is begonnen een rol. Het zijn vaak kleine ferry’s, waar maximaal 12 auto’s op mee kunnen varen. Lokale mensen van de afgelegen eilanden maken hier ook gebruik van om naar hun werk of huis te gaan. Met andere woorden, vol is vol. Heb je echt je zinnen gezet op een dag en een tijd, dan moet je ruim voor de afvaart aanwezig zijn (minimaal een uur voordien) om zeker te zijn van een plaatsje. Maar goed dat is voor later zorg, vanuit Eysturoy zijn er geen verbindingen naar verder weg gelegen eilanden. We zijn aangewezen op de auto en onze benen!

Vaak even stoppen onderweg om van het uitzicht te genieten

Volgens onze gegevens moet het noorden van het eiland het mooist zijn, waar plaatsjes liggen als Eiđi, Gjógv aan de westkant en dorpjes als Elduvík, Oyndarfjørđur en Fuglafjørđur aan de oostkant van de Funningsfjørđur. De hele noordelijke omgeving wordt lyrisch beschreven: ‘hier torenen drie majestueuze bergen, waaronder de hoogste berg Slaettaratindur (882 meter), hoog boven kleine dorpjes uit. Ze vormen een imposante achtergrond voor deze vredige en afgelegen hoek van het eiland’. We gaan het zien!

Onderweg naar Gjógv

We beginnen in Gjógv (spreek uit als ‘dyeggv’ of iets wat daarbij in de buurt komt) wat letterlijk ‘rotskloof’ betekent. De naam is ontleend aan de 200 meter met zeewater gevulde rotskloof die vanaf het dorp naar de zee leidt, waarin het haventje ligt. Via een houten trap kun je steil naar beneden om in je boot te stappen.

Een natuurlijke haven (RK)

Het lijkt een heel avontuur, maar voor de dorpelingen is deze kloof een uitkomst, zeker als de wind pal op de kust staat. Mocht de wind ongunstig staan dan worden de (roei)boten in de haven langs de kant uit het water getakeld om te voorkomen dat ze kapot slaan op de rotsen. Ooit telde Gjógv 13 vissersschepen en leefde de bevolking vooral van de visvangst en de verkoop van gedroogde en gezouten vis; klippfiskur. We zijn onderweg al verschillende keren constructies tegengekomen waarop vis gedroogd kan worden. De Deense koning Frederik en zijn vrouw Mary brachten in 2005 een bezoek aan het dorp. Twee ouderen uit het dorp bedachten dat er een bankje geplaatst moest worden met uitzicht op de kloof en de daarachter liggende zee. Het bankje werd ‘Mary’s bank’ genoemd en staat er nu nog steeds. Op de parkeerplaats ontmoeten we een Faeröer die een paar Zweedse vrienden rondleidt. Hij vertelt enthousiast over de mooie omgeving, de kans om papegaaiduikers te zien (het is nu hun paartijd) en een leuk klein restaurantje waar je warme ‘kaffi’ kunt halen. Klinkt goed, temeer daar de meeste restaurantjes nog gesloten zijn.

Zicht op Gjógv, ook weer aan het einde van een route
Waar zijn de papegaaiduikers?

Het dorpje ligt prachtig. Je kunt vanaf hier alleen verder over het water. Helaas voor ons is het restaurantje voor de winter gesloten en hebben we geen papegaaiduiker kunnen ontdekken. Wel veel meeuwen die hoog in de bergen op platte stukjes nestelen. Je kunt achter het dorp de berg opwandelen om boven over de toppen naar de kliffen te lopen. Daar heb je vast een geweldig uitzicht, maar het weer is nat, guur en koud en wij hebben eigenlijk meer behoefte aan iets warms.

Naar Eiđi dan maar in de hoop een benzinestation te vinden waar vaak een koffiebarretje aan vast zit. In Eiđi moeten we echter, bij gebrek aan beter, genoegen nemen met wat crackers en kaas uit de supermarkt, waar ze gelukkig ook warme koffie verkopen. Ondertussen laat de zon zich een klein beetje zien en zo kunnen we met een beetje improvisatie genieten van onze eenvoudige lunch in de buitenlucht!

Improvisatie in de buitenlucht

Tussen Gjógv en Eiđi loopt hoog door de bergen weer een boterbloem route. Ergens op deze route moet de mogelijkheid zijn om de hoogste berg, de Slaettaratindur, te beklimmen. Hoewel het een uitdagende klim is, is het pad makkelijk te vinden……….ware het niet dat de weg ernaartoe heel glad en smal is. Het heeft gewoon veel gesneeuwd en op deze smalle weggetjes wordt geen sneeuw geschoven of gestrooid. Het weer zit ons niet mee! De top van de berg schijnt trouwens vlak te zijn, de naam betekent ook ‘platte top’ en volgens de Faeröers is het vlak groot genoeg om te dansen. Dansen lijkt mij niet nodig, maar een vlak oppervlak om goed rond te kijken is uiteraard niet te versmaden. Wie weet lukt het later?

Een tocht naar de waterval bij Eiđi (RK)
Een man in zijn element

We rijden terug naar het plaatsje Funningsfjørđur aan het beginpunt van het gelijknamige fjord en gaan vandaar uit langs de andere kant van het fjord weer omhoog naar de dorpjes aan de oostkant van het eiland. Je moet hier vooral genieten van de schoonheid en de ongereptheid van de natuur terwijl je tegelijkertijd moet bedenken welke invloed het isolement en de hardheid van het bestaan in de verlatenheid en de kleinschaligheid om je heen, zal hebben. Dit lijkt me niet altijd een gemakkelijke wereld om in te wonen, werken en leven. Misschien zien wij niet alles. De maatschappij is hier veelal naar binnen gericht. Aan de buitenkant van de huizen kun je vaak niet aflezen om wat voor soort huis het gaat. Een winkel ziet er bijna net zo uit als een ziekenhuis of een klein supermarktje. Je moet echt goed opletten, de details geven ons (soms) duidelijkheid. Daarentegen is Rose van Rose Café in Ljósá een uitzondering. Deze Ethiopische (getrouwd met een local) timmert aan de weg. Haar kleine cafe is goed te vinden middels borden langs de kant van de weg. Zij houdt van drukte om zich heen, volgens haar zijn de mensen hier een beetje ingeslapen. ‘Er is toch meer in het leven dan werken, eten en slapen’, zegt ze tegen ons terwijl zij smakelijk vertelt over haar ervaringen met de Faeröerse gemeenschap. Heerlijk zo’n plekje, want eerlijk gezegd missen we dat wel een beetje onderweg.

Even bijkomen en kletsen met Rose

Elduvik is een klein, wat verscholen en kleurig dorpje waar we onze eerste stokvis zien. De vissen hangen aan een lijn onder een afdakje te drogen. Eveneens een beetje verstopt staat een bijzonder kunstwerk. Een beeld wat de diepe onderwaterwereld uitbeeldt met helemaal bovenop de golven de mens in een kleine boot op de woelige golven. In het water zie je naast verschillende vissen ook een zeemeerman. Hier op de eilanden worden veel van de oude verhalen (mythen en legenden) vaak van mond tot mond doorgegeven. Veel verhalen gaan over gebeurtenissen uit het verleden. Ze maken onderdeel uit van de cultuur.

De onderwaterwereld is hier een verhaal op zich
Stokvis

In Oyndarfjørđur gaan we op zoek naar de ‘rinkusteinar’, de bewegende rotsen. Ze zijn, ondanks het bord, wat lastig te vinden, maar eenmaal beneden zien we twee grote rotsen in het water vlakbij de kust, waarvan eentje aan een ketting ligt. Deze rotsen zijn onverklaarbaar in beweging bij eb en vloed. Eigenlijk zie je het niet eens goed met het blote oog. Je moet vooral goed op de ketting letten en dan zie je inderdaad dat de rots zachtjes heen en weer beweegt. Is er ooit iemand op die rots gesprongen en heeft hij de beweging toen gevoeld? Hoe kom je hier anders achter?

Je ziet de beweging……. (RK)

Een volgende plaats in de buurt, Fuglafjørđur, is weer iets groter. Hier vinden we een toerist informatie kantoortje met een enorm vriendelijke jonge vrouw. Zij verzucht dat we niet echt in het goede seizoen zijn gekomen omdat veel attracties gesloten zijn tot half mei. Ze gaat eens rondbellen voor ons, maar moet concluderen dat veel mensen niet eens de telefoon beantwoorden. Ze raad ons Leirvík aan, meer richting zuiden, waar Vikingresten te vinden zijn en misschien hebben we geluk in Norđragøta. Daar ligt Blásastova, een oude boerderij van een gedistingeerde boerenfamilie uit de 19e eeuw. Dat spreekt aan!

Een typerend kerkje, deze staat in Norđragøta (RK)
Het openlucht museum achter de kerk

Het huis is open, maar er is niemand aanwezig. Op straat vragen we een voorbijganger om raad die ons doorverwijst naar de leraar en tevens museumbeheerder van het dorp. ‘Maar’, zegt hij, ‘mocht hij niet thuis zijn, dan mag je vast wel naar binnen als het open is.’ De leraar is niet thuis, we proberen hem tevergeefs te bellen en besluiten dan maar de stoute schoenen aan te trekken. Het is wel een ervaring. We stappen in een andere wereld. We komen binnen in de keuken, het hart van de boerderij. Vroeger woonden hier 15 mensen. In die tijd waren de grootste angsten mazelen of andere infectie ziekten en stormen, vooral als de mannen op zee waren voor de visvangst.

Vervlogen tijden (RK)
Droge sokken zijn altijd belangrijk (RK)

Een belangrijk punt dat dit een goedlopend huishouden was, is het feit dat de priester kwam logeren. In die tijd had niet elke kerk een eigen priester (er waren er niet genoeg), dus de priester reisde langs diverse kerken om zijn preken te geven. De kamer van de priester was voor hem alleen, niemand anders mocht deze ruimte gebruiken. Weer buiten krijg ik alsnog een telefoontje van de leraar. Hij is stomverbaasd dat zijn museum zomaar open is. Normaal gesproken is er een rondleiding op afspraak. Hij concludeert gelaten dat het is zoals het is. Of we deur wel goed achter ons in het slot willen trekken? Deze keer hebben we geluk gehad, dit was te leuk om te missen.

In Leirvík tenslotte vinden we de Viking resten gewoon naast het pompstation. Archeologische opgravingen hebben hier de boerderij Toftanes blootgelegd. De boerderij bestond ooit uit 4 gebouwen. Het grootste is een ‘langhus’ van 21 meter met dubbele muren en een dak van berkentakken en turf. Van dit lange huis was de ene helft voor de mensen en de andere helft voor de dieren. Daarnaast zijn er een ‘vuurhuis’, een voorraadkamer en een zogenaamd ‘uithuis’ waarschijnlijk voor de opslag van turf opgegraven.

Toftanes in Leivík (RK)
Gewoon langs de kant van de weg

Al met al hebben we weer veel gezien en beleefd de afgelopen dagen. Het zijn de kleine verrassingen en de ontmoetingen die onze ervaringen een extra tintje geven. Het is tijd voor onze laatste stop. Morgen vertrekken we naar de noordelijke eilanden.

VÁGAR (Faroer eilanden)

Gisteren waren we al even op Vágar, het eiland ten westen van Streymoy, maar toen was het uitzonderlijk slecht weer, zelfs voor Faeröer, met erg veel sneeuw, slecht zicht en smalle wegen. Geen goede combinatie. We hoorden later dat ze zelfs wegen hadden afgesloten hetzij vanwege de enorme sneeuwval, hetzij omdat de grond was gaan schuiven en er dikke rotsblokken naar beneden waren gekomen tot op de weg. Lang verhaal kort, vandaag de herkansing.

We gebruiken hier ‘ouderwets’ een kaart

We rijden via een zeetunnel die nu alweer zo’n twintig jaar in gebruik is, maar waar wel veertig jaar over gedaan is om hem te bouwen. Ze hebben hier een prima systeem voor het betalen van tol voor de zeetunnels. Je betaalt gewoon achteraf online. De passages worden goed gecontroleerd en je krijgt een boete wanneer je na zes dagen nog niet hebt afgerekend. Dat loopt op als je hier woont, want die tunnels zijn wel heel gemakkelijk! Van bovenaf gezien lijkt dit eiland op een hondenkop, waarbij de Sørvágsfjørður de bek is en het Fjallavatn (meer) het oog. Op dit eiland lopen nauwelijks wegen. Kenmerkend zijn wel de twee langgerekte meren, een aan de zuidkant en een aan de noordkant, met net geen verbinding met de oceaan. Laat dat nu net één van de highlights zijn die we vandaag willen gaan ontdekken. 

We rijden eerst zover mogelijk naar het noordwesten, naar het plaatsje Gásadalur. Het dorp met de waterval. Het is hier behoorlijk afgelegen, tot 2006 kon je hier slechts komen per boot. De enige route over land was door de bergen, de oude postroute vanaf Bøur die drie keer in de week door de postbode werd gelopen. De route bestaat nog steeds. De weg omhoog wordt echter als zeer uitdagend geclassificeerd. Het klinkt allemaal zo onwaarschijnlijk en toch is het nog niet eens zo lang geleden.

Gásadalur vanaf de weg gezien
Zo is het redelijk helder ……. (RK)
Opeens sneeuwt het

Het piepkleine kleurige dorpje  met 12 inwoners (hier wordt ons Saaksum met een kleine honderd inwoners als een royale plaats gezien!) ligt op het enige vlakke stuk in de verre omtrek. We parkeren de auto op de daarvoor bedoelde plekken en wandelen rustig naar het punt vanwaar je de waterval goed kunt zien. Vanaf hier heb je werkelijk een prachtig zicht op én een grote waterval én het dorpje op het plateau erboven temidden van hoge bergen. We hebben gelukt en aanschouwen dit tafereel net tussen de sneeuwbuien door. Het weer is reuze veranderlijk. Ze zeggen hier dat je bij ongunstige weersomstandigheden gewoon even vijf minuten moet wachten om het te zien veranderen. Dat is wel een heel optimistische kijk, maar het weer verandert absoluut vaak en snel. 

Onderweg naar Bøur
Een verstild landschap (RK)

Terug in Bøur kijken we uit over de rotseilanden Gáshólmur en Tindhólmur. Over het eerste is weinig te vertellen. De tweede wordt echter omschreven als een spectaculair en zeldzaam eiland zonder inwoners, met 5 pieken en 2 zomerhuisjes. De vijf toppen maken het eiland zo bijzonder dat ze zelfs een naam hebben gekregen: Ytsti, Arni, Lítli, Breiði, Bogni. Vrij vertaald komt dit neer op Verst, Adelaar, Klein, Breed en Gebogen. Niet erg inspirerend, maar ik denk dat de hoogste top (262 meter) de naam Adelaar draagt? Een legende bevestigd mijn theorie. Het verhaal gaat dat Tindhólmur niet altijd onbewoond is geweest. Een jonge boer, Rasmus, uit de buurt had zoveel onenigheid met zijn dorpsgenoten dat zij hem een stuk land op Tindhólmur aanboden om van hem af te zijn. Een win-win situatie, want Rasmus had een prima leven op het eiland met zijn schapen en voldoende vis en vogels om in zijn eigen onderhoud te voorzien. Op een dag sloeg het noodlot toe. Een grote adelaar nam het 2 jaar oude zoontje van Rasmus mee naar de hoogte piek op het eiland (Arni), waar haar jong hem oppeuzelde. Logisch dat Rasmus en zijn vrouw hier niet langer wilden wonen, toch? Net naast (of voor, het is maar hoe je ernaar kijkt) Tindhølmur ligt Drangarnir, de beroemdste rotsformatie van de Faeröer. Deze indrukwekkende 70 meter hoge zeeboog  met een iconisch gat steekt recht uit de Noord-Atlantische Oceaan omhoog. Al met al genoeg om je even te vergapen aan het uitzicht!

Rotsen en eilanden met verhalen (RK)

We rijden verder naar Miđvágur, met 1000 inwoners het grootste plaatsje van het eiland. Vanwege de ingesloten baai was ook dit plaatsje vooral bekend om haar walvisvangst. De dieren zwommen hier gewoon naar binnen, waardoor ze in 1899 zelfs de grootste vangst ooit hadden; er landden zo’n 1300 dieren op het strand. Tegenwoordig is deze plaats het startpunt voor een wandeling naar Trælanípa of de slavenrots. Zo genoemd omdat, in de tijd van de Vikingen, slaven die niet meer in staat waren hard werk te verrichten hier van de rots werden gegooid om te pletter te vallen op de rotsen beneden. Het is ook de plek waar meer en oceaan elkaar ontmoeten. Zo’n plek spreekt tot de verbeelding! 

Dik ingepakt tegen de kou
Zoekend naar de stevigste plekjes (RK)
Je kunt hier bijna niet verdwalen 😉 (RK)
Niet te lang stilstaan……..

Vanaf de parkeerplaats is er slecht één pad naar het uitzichtpunt. Het pad loopt langs het Sørvágsvatn-meer, het langgerekte meer in het zuiden. De meeste mensen noemen dit meer gewoon ‘Vatniđ’ oftewel ‘het water’. Omdat het gisteren flink gesneeuwd heeft, is het pad niet overal duidelijk zichtbaar en is het redelijk glad en glibberig. Ondanks deze ongemakken is het ook volop genieten van de wereld om ons heen. Het pad voert ons telkens door kleine stroompjes waar je over stenen je weg door moet vinden. Ik ben blij met een stevige hand als steuntje met het zoeken naar de meest gemakkelijke weg. Langzaam maar zeker komen we steeds dichterbij, de verwachtingen raken meer en meer gespannen. Het laatste stuk gaat steil omhoog. Er zijn stukken waarin een soort trapje is gemaakt, maar over het algemeen is de grond hier erg modderig en glad. Dit is voor mij een brug te ver en ik besluit mij aan de voet van de berg te vermaken en me te verbazen over de enorme kliffen aan de ene kant en het spectaculaire gegeven van een meer wat boven de oceaan lijkt te zweven aan de andere kant.

Het meer loopt ten einde aan mijn ene kant
Aan mijn andere kant staat hij daar echt boven op de top!!

Uiteraard gaat de durfal onder ons wel verder naar boven waar hij de meest adembenemende foto’s heeft gemaakt. Hoewel ik het dus niet allemaal samen heb gezien, heb ik zeker de afzonderlijke delen goed in me op kunnen nemen en mijn eigen voorstelling van het geheel kunnen maken. Zoals zo vaak haalt ook hier de verbeelding het niet bij de werkelijkheid! 

Waar het meer en de oceaan elkaar ontmoeten (RK)