STREYMOY – på eventyr (Faroer eilanden

Vandaag willen we het eiland Stremoy verder ontdekken, we gaan op avontuur. Er zijn niet zo heel veel wegen op de Faeröer, toch er valt genoeg te zien onderweg.

Het groene eiland is Streymoy (bron: internet)

We rijden eerst naar de westkust waar de plaatsjes Kvivík en Vestmanna liggen. Bij Vestmanna houdt de weg op. De naam Vestmanna suggereert dat hier vroeger “mannen uit het westen” woonden. Deze mannen waren Ierse monniken waarvan wordt aangenomen dat ze de eerste mensen zijn die zich meer dan 1000 jaar geleden op de Faeröer hebben gevestigd. Hier was en is de visserij de belangrijkste industrie, zowel op zee als op land. We zien veel viskweek stations; grote, aan elkaar vastgebonden, ronde ‘vijvers’ in het water die gebruikt worden voor het kweken van zalm. Omdat er steeds minder vis in de zee zit, zijn ze hier vis gaan kweken. De fjorden in Noord Europa zijn hiervoor een ideale plaats, het zeewater is er kalm, zuurstofrijk en het is hier beschut. De hele trein aan vijvertjes wordt vergezeld door een klein schip om de stand van zaken goed in de gaten te houden. Zo mag een zalm niet meer voedsel krijgen dat hij op kan. Stopt de zalm met eten dan stopt ook de toevoer van voedsel. Het hele proces van kuit tot volwassen zalm van 5 kg duurt ongeveer drie jaar. Vestmanna is echter het meest bekend vanwege de boottochten naar de wilde vogelkusten vol met grotten. Helaas voor ons zijn we voor het seizoen aan en is het weer te onstuimig om zo’n tocht te ondernemen. Hopelijk zullen we de befaamde papegaaiduiker nog ergens anders treffen?

Ergens onderweg

In Kvivík werden in 1942 overblijfselen van andere vroege bewoners aangetroffen. Ze vonden hier, vlakbij de kerk en aan de oever van een riviertje, restanten van een zogenaamd ‘longhouse’ en een koeienstal uit de tijd van de Vikingen. Kenmerkend zijn de dikke muren bestaande uit stenen gecombineerd met klei. Van het huis lijkt het zuidelijkste deel te zijn weggespoeld. Toch wordt geschat dat het zo’n 21 meter lang en bijna 6 meter breed moet zijn geweest. Boven op de stenen vloer was een vloer van aarde opgeworpen met in het midden een vuurplaats van 7 meter lang. Hoeveel mensen zouden hier gewoond hebben? Van de koestal is nog maar weinig over.  Deze stal is uniek omdat er, tot heden, op de Faeröer geen enkel ander dergelijk gebouw uit de Vikingtijd is ontdekt. We kunnen sommige afscheidingen, waartussen de koeien stonden, nog zien. Was hier inderdaad plaats voor 12 koeien? Dat waren dan beslist kleinere koeien dan die wij vandaag kennen!

Restanten uit de Vikingtijd met de koestal op de voorgrond

Kvivík is verder een plaatsje als zo vele andere plaatsjes hier. Liggend in een vallei, beschut door de berghellingen en aan het water. In het plaatsje is geen winkel te vinden. Dat zien we vaker. Wel een kerk. Elk zichzelf respecterend dorpje heeft tenminste een kerk en…..een voetbalveld. Hoewel de weersomstandigheden vaak erbarmelijk zijn en er weinig te beleven valt, niet bepaald een voetbalwalhalla, trekt de nationale voetbalcompetitie hier toch behoorlijk wat buitenlanders aan. Een opstapje naar grotere clubs? ‘Het weer heeft hier een grote invloed op alles en kan heel extreem zijn’, vertelt de Nederlandse Ghanees Albert Adu in een interview in een sport magazine. ‘Tijdens mijn eerste seizoen werden regelmatig wedstrijden afgelast door slecht weer. Toch ging de wedstrijd regelmatig gewoon door als het eigenlijk veel te hard waaide. Eén keer waaide het zo hard, dat de bal steeds werd teruggeblazen naar de keeper als hij uittrapte. Ik wist niet wat ik meemaakte en dacht nog: wat als we zo een doelpunt tegen krijgen, dat kan toch niet? Mijn teamgenoten keken er niet van op, die hadden op die manier al vaker eigen doelpunten zien vallen.’ Als je hier kan spelen, kun je dat overal, denk ik. Onderweg ontmoeten we een Serviër die hier ooit terecht is gekomen als prof voetballer, maar het kennelijk niet heeft gemaakt. Hij vond het geweldig om met ons herinneringen op te halen aan Roda J.C., Feyenoord en natuurlijk aan zijn vriend Dušan Tadić die volgens hem op het veld een beest en buiten het veld een lammetje is. 

Bijna elk dorp heeft een eigen voetbalveld

We rijden terug naar het beginpunt van de Kollarflørđur waar de weg zich splitst en rijden langs de oostkant weer naar boven. Onze eerste stop aan die kant is Hvalvík (walvisbaai) gelegen in een kleine inham van de Sundini, het water wat de eilanden Stremoy en Eysturoy scheidt. In deze inham was ooit de komst en de vangst van walvissen de belangrijkste activiteit voor het hele eiland. De vangst van de eerste griend (een klein soort walvis) was vroeger een groot feest. Tot zo’n 150 jaar geleden kon het gebeuren dat iemand opeens heel hard riep: ‘Grindebud’, waarop iedereen het werk liet liggen en naar buiten liep. Het nieuws ging rond als een spreekwoordelijk en ook een letterlijk lopend vuurtje. Er werd een vuur aangestoken en iedereen die verderop het vuur zag, stak eveneens een vuur aan ten teken dat de boodschap begrepen was. Zo werd binnen de kortste keren het goede nieuws verspreid langs de hele kuststrook. Omdat de griend meestal in groepen zwemt, betekende de vangst niet alleen een overdadig maal op de dag zelf, maar ook voldoende voedsel voor een langere tijd. Alle reden tot blijdschap dus.

Veel houten huizen in Hvalvík

In dit dorpje staat ook de oudste houten kerk van de eilandengroep. Het is gebouwd van pijnboomhout gekocht van een gestrand schip in het nabije Saksun.

Het oudste kerkje (RK)

In Hvalvik houden we links aan en rijden we verder over de ‘boterbloem route’ (mooie route) naar Saksun, een zeer klein plaatsje, eigenlijk meer een verzameling huizen, wederom gelegen op het eindpunt van een weg. Van Saksun wordt gezegd dat het het mooiste dorpje is van de Faeröer. Het is namelijk één van de meest gefotografeerde plekken in de archipel. Het dorpje bestaat uit een handjevol huisjes met traditionele grasdaken en het omringende landschap is minstens zo iconisch.

Bekende naam 😉

Saksun ligt ingesloten tussen grillige bergtoppen en er is slechts één kronkelende weg die het met de buitenwereld verbindt. De ligging wordt daarom beschreven als een natuurlijk amfitheater. Het ademt haast een extreme soberheid uit. Een klein wit kerkje ligt prachtig in het omringende landschap. Het grasdak gaat bijna naadloos over in het gras van de berghellingen, al is alles nu bedekt met een laagje sneeuw. Ik blijf me eraan vergapen. Grappig detail is dat dit kerkje ooit gebouwd is in Tjørnuvik (onze volgende bestemming) en in 1858 over de bergen naar hier is gebracht. Het waarom van deze verhuizing wordt er niet bij vermeld.

Saksun in de sneeuw (RK)
Hier wonen echt meer schapen dan mensen (RK)
Het kerkje gaat op in het landschap (RK)

Verrassend genoeg trekt een huisje onderaan de heuvel de meeste aandacht. De bewoners kunnen geen fotograaf meer zien. Wij besluiten hen dan ook maar met rust te laten, er is tenslotte genoeg te zien en te bewonderen.

Hoe eenzaam en afgelegen woon je hier in dit meest gefotografeerde huis?

Weer terug in Hvalvík nemen we nu de rechter weg langs het water richting Tjørnuvík. Onderweg rijden we langs de Fossá, de grootste waterval op de eilanden. De naam betekent in de lokale taal: ‘rivier met watervallen’. De naam dekt de lading, want deze waterval stort via twee niveaus ruim 140 meter naar beneden. Hoewel het moeilijk is om het geheel van onderaf gezien goed vast te leggen, hebben we het zeker geprobeerd. Om de waterval nog beter in haar volle glorie te zien, hebben we zelfs even een kort uitstapje over de brug naar het buureiland gemaakt.

Fossá (RK)

Aan het einde van de weg ligt Tjørnuvík, een plaatsje wat vaak wordt aangedaan door zeezeilers en wat ook zeer geliefd is door surfers. Ook hier liggen hoge bergen rondom. Vanuit het dorp, vanaf het zwarte strand, heb je goed zicht op twee pieken in de zee: Risin en Kellingin oftewel de reus en de heks.  Een legende verhaalt dat een hoofdman uit IJsland een reus en zijn vrouw, een heks, naar de Faeröer stuurde om de eilanden te stelen en terug naar IJsland te brengen omdat hij was zo jaloers was op de schoonheid van de Faeröer. Het stel besloot een touw om één van de bergen te binden opdat ze de eilanden terug konden slepen. Hun inspanningen waren niet erg succesvol omdat de berg in kwestie doormidden ‘scheurde’. Het stel werd daarna steeds vastbeslotener, deze klus moest lukken. De reus en de heks wisten dat ze zich moesten verstoppen voordat de zon opkwam. Ze waren echter zo in de ban van hun werkzaamheden dat ze toch verrast werden door de opkomende zon. De eerste stralen veranderden hen in steen. Volgens de legende staan de pieken westwaarts, verlangend kijkend over de zee naar hun thuisland. Of dat werkelijk zo is kunnen wij van onze plek niet zien. De beide pilaren zijn zo’n kleine 80 meter hoog. Zie je ze als kleine punten in het water naast de torenhoge rotsen rondom, dan krijg je echt een gevoel van de grootte, de onherbergzaamheid en de verlatenheid rondom.

Tjørnuvík ligt ingesloten door hoge bergen
Vanaf het strand gezien
Indrukwekkend (RK)

Het is langzamerhand tijd om terug te rijden naar Tórshavn. Het weer wordt slechter, het begint weer te sneeuwen en de wegen lijken glad en glibberig. 

Blij met de winterbanden

In de hoofdstad lopen we nog eens door Tinganes, de historische lokatie van de Faeröerse regering. Tinganes betekent ook ‘parlement punt’ in de lokale taal. Het parlement kwam hier voor het eerst bijeen in de Vikingtijdperken toen Noorse kolonisten hun Ting (parlement) hier plaatsten in 825. Daarmee is het één van de oudste parlementaire ontmoetingsplaatsen ter wereld. In die tijd vond de ontmoeting waarschijnlijk plaats op de rotsen van het schiereiland.

Het gebouw wat nu op het uiterste punt van het kleine schiereiland staat, ‘Skansapakkhusið’, is momenteel het hoofdgebouw van de regering. De kleine hoofdstraat heet Gongin en herbergt de oudste delen van de stad. Veel van de huizen op Tinganes zijn gebouwd in de 16e en 17e eeuw en zijn, als de typerende rode houten huizen, nog steeds in gebruik.

Ter oriëntatie
Tinganes met typerende rode huizen.

Vlakbij in de haven vinden we een gezellig restaurant, the Tarv, waar we de dag goed af kunnen sluiten met gegrilde lokale zalm en een goed glas Föroya Bjór (letterlijk ‘Faeröers bier’). Hiermee sluiten we onze avonturen op Stremoy (voorlopig) af. Morgen naar Vágar ten westen van Streymoy en daarna vertrekken we naar Runavik op het buureiland Eysturoy, ten oosten van ons.  

Het besluit van een geslaagde dag!

STREYMOY – til fods 👣 (Faroer eilanden)

In de lokale taal, het Faeröers, wordt het hele land aangeduid als Føroyar, waarbij ‘oyar’ het meervoud is van ‘oy’, een oud lokaal woord voor eiland. Het eerste deel, før, is waarschijnlijk oud Noors voor schaap/schapen, al wordt dat wel eens bestreden. Het zou kunnen zijn dat dit deel van de naam terugvoert naar de Ierse monniken die zich hier al rond 625 vestigden en de eilanden een naam gaven afgeleid van het Gallische woord ‘fearrann’ wat land of landgoed betekent. Deze naam werd vervolgens overgenomen door Noorse kolonisten die ‘oyar’ (eilanden) toevoegden. Je zou dus kunnen zeggen dat de naam of ‘schapeneilanden’ of ‘land eilanden’ betekent. Mij lijkt de eerste vertaling logischer want hier zijn echt heel veel schapen. Er wonen hier zelfs meer schapen dan mensen. De dieren zijn dan ook een belangrijke bron van inkomsten. Een lokale toeristenorganisatie heeft ze nu ingezet om de landschappen van de eilanden vast te leggen. Er zijn camera’s geïnstalleerd op de ruggen van de schapen, waardoor het land zijn eigen Google Street View creëert. Wij hebben ondertussen wel veel schapen maar nog geen schapen met een camera gezien. Het toeristenseizoen is dan ook nog niet begonnen. 

Lokaal schaap (RK)
Je ziet ze overal (RK)

Het bijzondere van de Faeröer is vooral de ligging midden in de Atlantische oceaan tussen Schotland, Noorwegen en IJsland. Als je je dan bedenkt dat deze eilandengroep ontdekt is met kleine schepen dan geeft het je zeker een andere kijk op deze bestemming. Het land bestaat uit achttien kleine eilandjes en telt ongeveer 50.000 inwoners. Het heeft een eigen regering en een eigen taal, maar toch hoort het bij Denemarken. Achttien eilanden ……. waar moet je dan beginnen met je verkenning?

De ligging midden in de Atlantische Oceaan (bron: internet)

Wij komen aan op het eiland Streymoy of ‘eiland van stromen’ wat het grootste eiland van de Faeröer is. Dit eiland wordt omgeven door verschillende soorten wateren; van rustige baaien en indrukwekkende fjorden tot een woelige en soms woeste oceaan. Op dit eiland ligt ook de hoofdstad Tórshavn waar we de eerste nachten zullen verblijven in Hotel Brandan. De naam van de stad betekent haven van Thor. In de Noorse mythologie was Thor de zoon van Odin en Fjorgyn en was hij de god van de vruchtbaarheid, de donder, weer en wind. Heel toepasselijk want de weercondities schijnen hier vooral winderig, nat, bewolkt en koud te zijn. We gaan het beleven.

De Faeröer-eilanden

We beginnen met helder, fris weer en besluiten lopend het stadje te verkennen. Bij het binnenvaren vanuit Denemarken was ons al opgevallen hoe klein en bescheiden deze hoofdstad is. Met een kleine 20.000 inwoners is het te vergelijken met een iets vergroot Roden. Rond de haven van Tórshavn ligt het oude gedeelte van de stad. We lopen als eerste naar Skansin (letterlijk: de sprong), een historisch fort op een heuvel naast de haven, vanwaar je een goed zicht hebt op de stad in al haar glorie. Vanaf 1580 staan hier mensen op de uitkijk, al is het tegenwoordig dan met een veranderde interesse. Dit fort is gebouwd door door Magnus Heinason om de stad te beschermen tegen piratenaanvallen nadat hij zelf ooit betrokken was geweest bij een overval door piraten. In WOII heeft het Engelse leger het fort gebruikt in de strijd tegen de Duitsers. De twee kanonnen die er nu nog staan herinneren aan deze periode.

Uitzicht over de stad vanaf Skansin
Verdedigingswerken (RK)

We lopen verder door het oude stadsdeel, gebouwd op een klein schiereilandje, met smalle straatjes, veel doorkijkjes en de typerende rode huisjes met veelal daken van gras. Tinganes is de voormalige locatie van parlement. Bijzonder, het lijkt open lucht museum ‘materiaal’, de oude huisjes zijn mooi bewaard en zijn nog steeds in gebruik. We zien diverse ambassades die zich hier gevestigd hebben.

Doorkijkje oude stadsdeel

We lopen op ons gemak verder richting winkelstraat, die ‘als een slagader’ door de stad loopt. Het is klein maar fijn zullen we maar zeggen. Wat opvalt is dat veel dingen hier gecombineerd worden. Zo heeft de boekwinkel een restaurantje annex en ook de VVV kent een royaal koffiebarretje. Hier vind je zelfs een supermarkt. Zoals we later zullen merken is de verkoop van levensmiddelen verder op veel plaatsen gecombineerd met de verkoop van benzine. Je moet het weten!

Omdat je hier moet profiteren van de weersomstandigheden, het kan immers zomaar omslaan, willen we vandaag ook nog gaan lopen van Tórshavn naar Kirkjubøur, het zuidelijkste plaatsje van dit eiland. Dit kleine plaatsje is eigenlijk niet meer dan een verzameling huizen langs de Hestfjørđur met zicht op twee eilandjes vlak voor de kust: Koltur en Hestur. Toch was dit plaatsje in de Middeleeuwen het kerkelijke en spirituele centrum van de Faeröer.

Starten bij het riviertje Sandá (RK)

We starten in de buitenwijk van de hoofdstad waar we naar beneden rijden tot we bij het riviertje de Sandá komen. Hier laten we de auto achter en gaan we op avontuur. Het pad staat goed aangegeven met rode paaltjes, maar eigenlijk wijst de weg zich vanzelf. Hier loopt maar één pad (steil) naar boven. Hoewel de wandeling omschreven wordt als ‘easy or moderate’ is de klim naar de top beslist ‘challenging’ te noemen. Boven aangekomen wordt het pad inderdaad gemakkelijker. We lopen van cairn naar cairn. In het Nederlands wordt een cairn een steenmannetje genoemd. Cairns zijn stapels stenen vaak in een conische vorm zoals een kegel die tegenwoordig vaak gebruikt worden als markeringen om de weg te wijzen. Het is de bedoeling dat je van cairn naar cairn loopt. Mocht je de volgende cairn niet kunnen zien (door mist of hevige regen), dan wordt je geacht te wachten tot deze weer opdoemt voor je je weg gaat vervolgen. Gelukkig hebben wij goed zicht en zien we vaak al verschillende stapels voor ons op de route verschijnen.

Lopen van cairn naar cairn (RK)
Soms klimmen en klauteren (RK)
De Cairns zijn duidelijk zichtbaar
Het is nog flink koud

De omgeving is hier prachtig. We praten in superlatieven. Het is hier ruig, woest, eenzaam, oorspronkelijk, groots, leeg en schitterend tegelijk. We lopen over smalle bergpaadjes vol keitjes, gras en zand, dus het is wel uitkijken geblazen. Ons uitzicht wordt steeds mooier. Eerst passeren we een soort platte verhoging, een preekstoel, gemaakt uit rotsen. Deze ‘dais’ is al sinds 1800 in gebruik voor bijeenkomsten in de open lucht. Zulke bijeenkomsten worden tegenwoordig nog steeds gehouden en je kunt je echt voorstellen hoe mensen hier op de hellingen zitten om te luisteren of samen te zingen. Vaderlandslievend zijn ze hier zeker.

Het spreekgestoelte (RK)
Woest en leeg landschap (RK)
Prachtige vergezichten (RK)

Zo halverwege de route zien we de twee eilandjes Koltur en Hestur voor ons opdoemen. Daarachter ligt het grotere eiland Sandoy waar je vanaf volgend jaar ook per tunnel kunt komen. Het uitzicht op deze wandeling schijnt kenmerkend te zijn voor wat je op deze eilanden kunt verwachten: doorkijkjes over en langs kale rotsen omgeven door water. Het is vooral de leegte die het hier zo bijzonder maakt, een landschap wat hier al eeuwenlang onveranderd ligt.

Eiland Hestur in de Hestsfjørđur
Is de draaikolk te zien?

Een legende vertelt over een jongeman van het eiland Koltur die verliefd werd op een meisje op Hestur. Uiteraard mocht niemand hier iets van weten, het stel ontmoette elkaar in het geheim. De jongen zwom met het tij mee naar het andere eiland en zwom na verloop van tijd weer met het tij terug naar huis. Helaas ontdekte de vader van het meisje wat er aan de hand was en joeg de jongen bij aankomst meteen terug met als dreigement hem te doden indien hij niet zou gaan. De jongen moest dus wel terug. Niemand heeft daarna meer van hem gehoord. Er wordt gezegd dat er als (zijn) wraak een draaikolk in de Koltursund (het fjord bij Koltur) is ontstaan.

Kirkjubøur
De Olavskirkjan als baken in het landschap (RK)

In al deze ongerepte natuur zien we opeens een wit kerkje aan de horizon te voorschijn komen. Kirkjubøur ligt voor ons. Terwijl we naar beneden lopen (alweer ‘challenging’!) zien we vlak voor de kust het hele kleine eilandje Kirkjubøhólmur. Ooit was dit verbonden met het dorp op het vasteland en als je goed kijkt zie je er nog steeds ruïnes van huizen staan. Van het dorpje zelf zijn, na een hevige storm in de 16e eeuw, maar een paar huisjes overgebleven. De houten huisjes die nu nog bewoond worden zouden tot de oudsten van Europa behoren. Zoals gezegd wordt Kirkjubøur gezien als de belangrijkste historische plek van de Faeröer. Hier vind je de ruïnes van de Magnus kathedraal, de St Olav’s kerk (Olavskirkjan) en een blokhut uit de 11e eeuw, een zogenaamde Roykstovan (rookkamer oftewel de woonkamer op de boerderij in vroeger dagen) waar ooit de bisschop heeft gewoond.

De oude bisschopszetel (RK)
Restanten van een oude kathedraal (RK)
Oud, ouder, oudst (RK)

Het witgeschilderde kerkje is markant en duidelijk van een afstand zichtbaar. Het is de oudste nog in gebruik zijnde kerk op de eilanden. Erachter liggen de resten van de kathedraal uit 1300. Ze zien er indrukwekkend uit, maar het schijnt onduidelijk te zijn of de kathedraal ooit afgebouwd is geweest. Op dit moment wordt het hele terrein door schapen bewoond. De huisjes hier zouden volgens overlevering allemaal uit drijfhout zijn opgebouwd. Voor een omgeving zonder bomen ben je dan afhankelijk van hout wat hier kennelijk royaal aanspoelde. Dichtbij het water zien we echter ook nog een paar ‘authentieke’ huisjes opgebouwd uit rotsblokken en voorzien van een grasdak. Achter deze huisjes vinden we een ideaal plekje, uit de wind, voor een (meegebrachte) kop koffie en een lunch, terwijl we uitkijken over het fjord en genieten van alles om ons heen. Wat een indrukken!

Wat een indrukken…. (RK)

LAATSTE KILOMETERS (Drenthepad)

Drenthepad: kaarten 13, 14 & 15

Met een prachtige zonnige lentedag in het vooruitzicht besluiten we vandaag de laatste kilometers van ‘ons’ Drenthepad te lopen. We willen de 16 kilometer van Appelscha naar Veenhuizen overbruggen, waar we bij het gevangenismuseum aldaar onze grote lus compleet zullen maken. Toch een mijlpaaltje!

De lente is begonnen

Om een kort resumé van deze prestatie te geven……. Het Drenthepad is een streekpad van 329 kilometer lang en heeft, volgens de bedenkers, precies wat elke wandelaar zoekt: rust en ruimte. Het pad wordt verder als volgt beschreven: ‘Het Drenthepad voert je door maar liefst 3 Nationale Parken: het heiderijke Dwingelderveld, het bosrijke Drents-Friese Wold en de betoverende Drentsche Aa. En passant kom je ook nog over de Hondsrug, waar geologisch veel te genieten valt. Het Drentse landschap is bijzonder schilderachtig. Je wandelt langs meanderende beekjes, over heidevelden en zandverstuivingen en door veengebieden. Authentieke boerderijen en robuuste hunebedden vind je op je pad. En nu en dan doe je zo’n heerlijk pittoresk brink- of esdorpje aan.’ We hebben dit inderdaad allemaal gezien en beleefd. Natuurlijk was de ene etappe leuker, boeiender, interessanter dan de andere, maar over het geheel genomen hebben we genoten van de rust en de ruimte en hebben we deze provincie van een heel andere kant leren kennen. 

Appelscha

We lopen vandaag dus van Appelscha naar Veenhuizen. Op de kaarten zien de wegen er aardig recht toe, recht aan uit. Het eerste stuk van Appelscha naar Ravenswoud is inderdaad een lange rechte weg. Er is geprobeerd om de route aantrekkelijker te maken door het plaatsen van informatie borden. De historische route neemt je mee door de geschiedenis van de dorpen. Er is onderweg aandacht voor vervening, WOII en typische dorpsberoepen. Zo lopen we langs paal nr 13: de veenbaaswoning. De ‘Gezamenlijke Compagnons van de Opsterlandsche en Ooststellingwerfsche Veenen en Vaerten’ traden niet zelf op als verveners. In het algemeen verkochten zij het aanwezige veen aan particuliere ondernemers, de verveners. Zij behielden zelf de ondergrond in eigendom, die dan later werd verpacht of verkocht. Eén van de belangrijkste verveners in Appelscha was Alle Wytzes van der Sluis (1813–1900), die zich hier omstreeks 1835 vestigde. Van de ruim 200 percelen veen die tot midden 19e eeuw door de Compagnons werden verkocht was het aandeel van de familie Van der Sluis bijna 50%! Aan de rechterzijde van de woning was een winkeltje aangebouwd. De veenarbeiders werden verplicht om hier hun boodschappen, levensmiddelen, kleding e.d. te kopen. Dit wordt gedwongen winkelnering genoemd. Soms werd het loon in goederen uitbetaald. De arbeider moest dan genoegen nemen met wat de veenbaas op dat moment kwijt wilde. Het huis staat er nog steeds, maar wordt waarschijnlijk opgeknapt, want de voorkant wordt ontsierd door grote borden.

informatiepaneel historische route

Even verderop, richting Ravenswoud, lopen we langs het monument van de Melkstaking in WOII. De aanleiding voor de spontane landelijke staking was de bekendmaking op 29 april 1943 dat Nederlandse oud-militairen die gevochten hadden in 1940 zich moesten melden om te gaan werken in Duitsland voor de Arbeitseinsatz. Door de vele Duitse doden tijdens de slag om Stalingrad was extra mankracht nodig om de Duitse oorlogsindustrie draaiende te houden. Net als elders in het land ging in Appelscha de staking gepaard met sabotage van de aanlevering van melk. Een grote groep mensen hield zich op bij het Compagnonshotel. Voor de melkauto werd geen ruimte gegeven, waarop de begeleidende veldwachter schoot toen het bevel van verspreiden werd genegeerd. Een Duitse patrouille werd te hulp geroepen en op deze plek openden de Duitsers het fatale vuur op de vluchters Anne de Boer, Melle Bruinsma en Jitse Kiewiet. Verslagen en verbijsterd werd onder druk van gezaghebbende Appelschasters de staking beëindigd: “gesmoord in bloed”.

Monument Melkstaking

Een volgend belangrijk aandachtspunt is de ophaalbrug waar we langs lopen. Ravenswoud heeft één rijksmonument, nl. de ijzeren ophaalbrug over de Eerste Wijk. De brug dateert waarschijnlijk uit 1894.

Een rijksmonument

Vanaf de ophaalbrug in Ravenswoud lopen we verder over een zandpad en een fietspad, waarna we (eindelijk) het bos in mogen. De bossen hier zijn aangeplant als productiebossen na de veenwinning, zo rond 1900. Het gebied staat bekend als de Compagnonsbossen.

Lange rechte wegen langs lange rechte kanalen

We besluiten een kleine omweg door het bos te maken om uitkijktoren De Zeven te kunnen bekijken. Een toepasselijke naam, want de toren is gebouwd in de vorm van een 7. De belangrijkste eis vooraf was om een toren te ontwerpen die ook gebruikt zou kunnen worden door mensen met enige hoogtevrees. De gekozen oplossing is een knik in de steile trap. Je kunt hierdoor de totale hoogte niet overzien. De 18 m hoge toren is als een gedraaide zeven en wordt ook wel de periscoop genoemd.

Uitkijktoren De Zeven (foto: internet)

De toren lijkt echter steeds van vorm te veranderen bij elke stap die je dichterbij komt. Eerst zie je overduidelijk een 7, maar langzaamaan verschijnt er opeens een knik in de toren. Loop je dan nog wat verder door, dan wordt de knik groter zodat de 7 bijna een Z wordt. Om het beeld van het uitgestrekte open veengebied niet te verstoren staat de toren in de bosrand. De toren heeft een stalen constructie die geheel bekleed is met onbehandeld larikshout, dat vergrijst in de tijd. Hierdoor wordt de toren één met de achterliggende bosrand. Met het ontwerp zijn diverse prijzen gewonnen waaronder de Houtarchitectuur Publieksprijs in 2001, de Vredeman de Vries Publieksprijs voor architectuur in 2002 en de Gouden Piramide, de rijksprijs voor inspirerend opdrachtgeverschap in 2003. Het is zeker iets bijzonders dus!

Eerst een 7 dan een z (foto: internet)

Terwijl de één de steile klim naar boven onderneemt om te kunnen genieten van een spectaculair uitzicht, blijft de ander genietend aan de rand van het hoogveen staan. Wat een weidsheid. Iemand van natuurmonumenten vertelt dat dit natuurgebied op de grens tussen Friesland en Drenthe ligt. Er leven veel bijzondere dieren, vooral vogels zoals de eerdergenoemde kraanvogels. Je kunt hier ook alle drie de slangensoorten, die we in Nederland hebben, tegenkomen: de adder, de ringslang en de gladde slang. Hmmm, ik vind het prima om die niet te ontmoeten.

Uitzicht van bovenaf (RK)

Gelukkig lopen we ook over het Fochterloërveen, één van de laatste gebieden met hoogveen in west Europa. Hoogveen is eigenlijk een pakket van op elkaar gepakte, onverteerde, dode plantenresten wat onder water, maar boven de grondwaterspiegel, wordt gevormd. Het bestaat vrijwel uitsluitend uit de resten van veenmos, dat dikke kussens vormt en regenwater vasthoudt. Zo blijft de groeiplaats kletsnat, ook als de mosjes langzaam hoger groeien. Veenmoskussens kunnen zo als natte dekens steeds hoger en breder uitgroeien. De onderste delen sterven af maar deze verteren niet in het zure milieu. Laagveen daarentegen ontstaat anders. In ondiepe plassen groeien verschillende soorten water- en moerasplanten. In het najaar sterven de meeste planten af, maar de resten van deze planten verteren onder water nauwelijks. Ze hopen zich op totdat de hele plas opgevuld is. Kort gezegd is hoogveen de veensoort die ontstaat onder invloed van regenwater terwijl laagveen ontstaat onder invloed van grondwater. Om het allemaal nog iets ingewikkelder te maken wordt wel beweerd dat de onderste laag van alle hoogveen bestaat uit laagveen. Snap je het nog?

Kussentjes op het water

Dit stuk veen is ontsnapt aan de ‘ontginningswoede’ ten behoeve van landbouwgrond. Dit leek een onstuitbare ontwikkeling, volgens ons boekje, maar werd middels de troonrede van 1961 een halt toegeroepen. Het resterende deel van het Fochterloërveen kreeg toen een definitieve bestemming als natuurgebied. Tegenwoordig is het veen weer lekker nat, soms zelfs kleddernat en dat is precies zoals het moet zijn. Herstel gaat echter langzaam, hoogveen groeit in onze omstandigheden slechts 1 millimeter per jaar. Met een beetje geluk tref je hier weer kraanvogels, die hier na 250 jaar weer broeden. We houden onze vingers gekruist. Dat zou wat zijn!

Panorama foto van het Fochterloërveen (RK)

Op het veen loopt de route deels over een smal paadje, waar het water regelmatig flink hoog staat, een ‘natte voetenpad’ als het ware. Aangezien het de afgelopen dagen niet heeft geregend, is de grond erg droog en wagen we het erop. Altijd leuker dan over het fietspad lopen, toch?

We komen hier twee enthousiaste vogelspotters tegen die ons meteen begroeten met de vraag: ‘hebben jullie nog wat gezien?’ Inmiddels wijs geworden antwoord ik dat we we geen vogels hebben gezien, wat de reactie uitlokt: ‘Oh, maar welke dieren dan wel?’ Ook hierop moeten wij een bevredigend antwoord schuldig blijven. We komen niet verder dan citroenvlinders. Prachtig opvallend geel, maar razendsnel. Het stel noemt vervolgens hun eigen observaties op. Naast diverse slangen en vlinders hebben zijn ook een klapekster (zeldzaam), roodborsttapuiten, een blauwborst en vooral veel heikikkers gezien. Of wij wel weten dat de mannetjes blauw zijn? Een mannetjes heikikker kleurt namelijk prachtig blauw tijdens de paartijd in februari/maart. Wij moeten een beetje beschaamd constateren dat we toch niet zo goed opletten als we denken. We hebben wel veel gebubbel in het water gehoord en nog meer bellen gezien. Ook hebben we veel kikkers op een afstandje zien springen en bewegen, maar we hebben niet direct gezien dat er ook blauwe kikkers tussen zitten. Een gemiste kans. 

Een heikikker mannetje in de paartijd (foto: internet)
Geen kraanvogel te zien………

Zo mooi kan het niet blijven en dat doet het dan ook niet. Na het Fochteloërveen brengen (te) lange, (te) rechte fietspaden ons naar Veenhuizen.

Lang en recht (RK)

Veenhuizen is één van de zeven voormalige Koloniën van Weldadigheid en de grootste onvrije kolonie. Deze koloniën zijn opgericht in 1822 door generaal-majoor Johannes van de Bosch. Hij wilde daarmee twee vliegen in één klap slaan: de schrijnende armoede in de grote steden aanpakken én braakliggende grond benutten. Daartoe werden de paupers uit de steden, met goedkeuring van koning Willem I, in de veengebieden aan het werk gezet. Eerst nog op basis van vrijwilligheid. Toen die paupers toch wel erge lastpakken bleken, kwam er in Veenhuizen een echte strafkolonie. Grote gestichten verrezen hier, waarin 4000 vondelingen, wezen, landlopers en dronkaards werden ondergebracht. Die kazerne-achtige gebouwen zie je nog steeds in Veenhuizen. Een succes is het nooit geworden en in de loop van de jaren is Veenhuizen meer en meer een gewone strafinrichting geworden.

Veel tekenen van de ‘Weldadigheids-gedachte’ van heropvoeding van de paupers zie je nog steeds terug in het dorp. Op tal van huizen in de voormalige dwangkolonie zie je spreuken. Zo is de woning ‘Bitter en Zoet’ gebouwd als apotheek van het ziekenhuiscomplex. Later werd dit gebouw veranderd in een woning voor ambtenaren. De woning ‘Toewijding’ was vroeger het huis van de geneesheer-directeur en de woning ‘Plichtgevoel’ was eerst de woning van de apotheker en later dat van het hoofd van de verpleging. Het is vermakelijk om onderweg te bedenken voor wie de naam op het huis ooit bedacht is. ‘Humaniteit’ voor de predikant? Maar namen als ‘Flink en Vlug’, ‘Helpt Elkander’ en ‘Zorg en Vlijt? Bedenk het maar……. Mijn fantasie draait overuren. 

Namen op huizen in Veenhuizen (foto: internet)

De Koloniën van Weldadigheid hebben een zeer typisch landschap opgeleverd dat tweehonderd jaar na hun ontstaan nog altijd herkenbaar is, het resultaat van een doelgerichte ontginning door de mens. Nog altijd vervullen de voormalige Koloniën sociale, justitiële en welzijnsfuncties en doen mensen er aan land- en bosbouw. Veenhuizen bleef in eerste instantie wel altijd een buitenbeentje binnen het Nederlandse gevangeniswezen: de veroordeelden waren geen gewone misdadigers en de gestichten hadden geen tralies voor de ramen. In de loop van de tijd zijn er ook allerlei groepen ondergebracht die men ergens anders niet kwijt kon, zoals joodse vluchtelingen, dienstweigeraars en Nederlandse en Duitse oorlogsdelinquenten. Tegenwoordig is Veenhuizen een gewone gevangenis. 

Ons eindpunt: het gevangenismuseum

Sinds enkele decennia zien wij als samenleving meer en meer de waarde van de Koloniën als erfgoed in. In juli 2021 werd deze waarde internationaal erkend en werden de Koloniën van Weldadigheid ingeschreven op de UNESCO Werelderfgoedlijst. 

Heerlijk op een terras genieten we van een welverdiende kop koffie met een wafel vol aardbeien om het eind van dit streekpad te memoreren. De laatste kilometers en daarmee onze eerste lange afstandswandeling is gelopen. Een volgend boekje ligt al op ons te wachten. Op deze manier wandelen blijft verrassen. 

DE KALE DUINEN (Drenthepad)

Drenthepad: kaarten 11 & 12

De zon schijnt uitnodigend, er is geen wolkje aan de lucht en hoewel koud voelt het daardoor toch een beetje als een lenteachtige dag. Al met een ideale dag om de voorlaatste etappe van ons pad te ontdekken. We starten vandaag in Oude Willem (naar de oude herder die hier met z’n schapen liep) en lopen naar Aekingerbroek en verder over het Aekingerzand naar Appelscha. Appelscha ligt eigenlijk nèt in Friesland. Er wordt wel gezegd dat dit dorp in ‘het andere Friesland’ ligt, waarmee zuidoost Friesland wordt bedoeld. Hier geen landschap van klei, grote meren of vlakke weilanden, maar een zeer bosrijke omgeving met hoge zandgronden en een nationaal park. Het Drents-Friese Wold is één van de grootste aaneengesloten bosgebieden van ons land. Het wordt lyrisch omschreven als een gebied waarin je dwaalt van zandverstuiving naar vennetje en van heide naar moeras. We gaan het beleven!

Een nat gebied

We lopen in eerste instantie door een bos wat voornamelijk uit naaldbomen bestaat. We zien lange rechte stammen met hoge kruinen en horen het typerende ruisen van de wind door de naalden van die bomen. De Japanners hebben een naam voor dit geluid: matsukaze. ‘Matsu’ betekent pijnboom of naaldboom en ‘kaze’ staat voor wind, bries of luchtstroom. Letterlijk betekent matsukaze dan ook: de wind door de pijnbomen. Dit karakteristieke, zacht fluitende geluid heeft in Japan een sterk symbolische lading. In Japan zijn bomen (in het bijzonder pijnbomen) heilige plaatsen die de kami (goden) gebruiken om contact te zoeken met de wereld van de mensen. Het woord matsukaze roept dan een gevoel van bezinning en lichte melancholie op. Grappig is dat ditzelfde woord ook gebruikt wordt in de Japanse theeceremonie (chanoyu) waar het duidt op het karakteristieke geluid van kokend water in de theeketel, waarmee de gastheer of -vrouw thee zal maken. Dit geluid horen de gasten vanaf het moment dat zij de theekamer binnenkomen tot het moment dat zij vertrekken en staat daarom symbool voor de harmonie, eerbied, zuiverheid en afzondering. Alles wat in chanoyu als belangrijk wordt gezien. Er is een korte handeling waarbij dit geluid even afzwakt en dat is wanneer de gastheer of -vrouw vers water in de theeketel giet om aan te vullen wat genomen is en de aanwezigen zo te doordringen van het ritme van eeuwige, natuurlijke en dus noodzakelijke vernieuwing. Waar het luisteren naar het ruisen van de bomen al niet toe kan leiden…….

Een naaldboom impressie met ICM

Aekingerbroek is een bijzonder natuurgebied. Eigenlijk is het een kletsnat moerasgebied dat gevoed wordt door de Vledder Aa. De Vledder Aa is op haar beurt ook bijzonder omdat het de enige beek in Nederland is, waarvan de bovenloop (vanaf de bron het eerste deel van een rivier/beek) in een natuurlijke omgeving ligt. In de 20e eeuw werden beken rechtgetrokken, zodat het land droger werd en boeren hun land zo optimaal mogelijk konden gebruiken. De Vledder Aa, evenals de nabij gelegen beek Tilgrup, ontkwamen ook niet aan menselijk ingrijpen, wat tot gevolg had dat de natuurgebieden ernstig verdroogden. De inzichten zijn inmiddels veranderd met als gevolg dat de beken opnieuw hun eigen loop mogen zoeken. De natuur past zich aan en ontwikkelt zich weer als weleer.

Over smalle paadjes (RK)

Een uitspraak die op dit gebied van toepassing is: ‘in armoede begonnen, door arbeid gewonnen, in welvaart verzonnen’. Een van oorsprong ‘woest en ledig’ gebied wordt door hard werken geschikt gemaakt voor landbouwkundig gebruik. Inmiddels gaat het in ons land economisch dermate goed dat we ons kunnen permitteren om landbouwgrond weer om te vormen naar natuur: ‘in welvaart verzonnen’.

Wat maakt de Vledder Aa de Vledder Aa? De zoektocht naar de ziel en de betovering van het beekje de Vledder Aa wordt door dichter Marga Kool verwoordt in haar gedicht met dezelfde naam (2 fragmenten): 

‘Daar begint het uit regen

sijpelt door stuifzand

gefilterd, geslepen in donkere aarde

tot het lager gelegen

roestbruin omhoog kwelt, gaat stromen, een beek

——-

De mensen gaan wondere wegen, 

zegt de beek. Wat is de zin?

Ik heb de tijd, ik ken mijn plaats

mijn stroomgebied; ik kom, ik ga.

Een stukje eeuwigheid: de Vledder Aa’ 

De naweeën van de ‘drielingstorm’ (RK)

Ondertussen is het zowel naast als soms op het pad een natte bedoening. We hebben duidelijk te maken met de naweeën van de drielingstorm Dudley, Eunice en Franklin die half februari over ons land raasde. Je mag officieel spreken van een storm als een uur lang windkracht 9 wordt gemeten bij een KNMI-weerstation. Een drielingstorm is sowieso bijzonder, de laatste was in 1928, bijna honderd jaar geleden. Heb je zes dagen achter elkaar storm dan is schade natuurlijk onvermijdelijk. We zien veel afgeknapte bomen, heel veel verspreid losliggende takken en grote bulten samengebundelde takken klaar voor vervoer naar elders. Het is soms even zoeken, maar gelukkig vinden we iedere keer wel weer een smal ‘geitenpaadje’ om langs het water te kunnen lopen i.p.v. erdoor. We houden droge voeten!

De grenspoel op de grens van twee provincies

Precies op de grens van Drenthe en Friesland ligt de Grenspoel, een van oorsprong schoon en voedselarm ven dat ligt aan de rand van het stuifzandgebied Aekingerzand. Overal moet je schapen, schapen en nog eens schapen kunnen zien om de Kale Duinen kaal te houden. Wij kijken goed om ons heen en zien inderdaad in de verte een grote kudde schapen. Helaas niet op onze weg. Een tweetal dames ziet ons speuren en vragen belangstellend of we al iets gezien hebben. Meteen kijk ik naar hun uitrusting, zijn dit mogelijke vogelaars? Ik zie echter geen camera of verrekijker en antwoord een beetje algemeen dat we nog geen dieren hebben gezien, behalve dan de schapen verderop. ‘Nou’, reageert één van de dames enthousiast, ‘daarginds zit wel een blauwe (of was het toch een grauwe?) kiekendief.’ Toch vogelspotters! Even nalezen leert dat er in ons land verschillende soorten kiekendieven voorkomen, waaronder de grauwe, de blauwe en de bruine kiekendief. De bruine is het talrijkst met 1200 à 1400 broedparen. De andere soorten zijn veel zeldzamer: de grauwe telt maar 45 broedparen en de blauwe slechts 11. Blauwe kiekendieven leven echter wel in open, vochtige gebieden zoals duinen, moerassen, akkers en graslanden. Wat dat betreft is de omgeving hier dus zeer geschikt. 

Een blik van bovenaf (RK)

We staan vlakbij de uitkijktoren, die in 1995 is gebouwd door leerlingen van het Bijzonder Jeugdwerk Aekinga uit Appelscha. Misschien geeft een hoger uitzicht ons een betere kijk op de weidse wereld die ons omringd?

Hoe verder je kijkt, hoe groter het lijkt’ (Jules Deelder)

Vanaf de toren kun je het landschap zien veranderen (mits je de toren vaker beklimt). Hoewel dit gebied is omringd met bos en heide, komt er in het gebied zelf vrijwel geen begroeiing voor. Daardoor hebben zand en wind hier vrij spel. De wind gaat alle kanten op en laat het zand steeds opstuiven. De Kale Duinen zijn, volgens onze informatie, perfect als het gaat om landschapsfotografie. Je kunt hier ‘een dynamisch contrast zien tussen droog en nat maar ook tussen het gelige zand en de blauwe lucht’. We hebben hard gewerkt (haha) om dit vast te leggen. Omdat gebieden met zandverstuivingen niet veel voorkomen, zulke gebieden zijn eigenlijk woestijnen, worden ze in heel Europa beschermd. Houthakkers, schapen en runderen houden ook hier het gebied open en daarmee het stuifzand ‘levend’. De Kale Duinen is een naam die hier past!

Drie berken spreken tot de verbeelding…….
Imposant (RK)
De wind wint langzaamaan de strijd
Eenzaam temidden van geel en blauw (RK)

DRENTS-FRIESE WOLD (Drenthepad)

Drenthepad: kaarten 9 & 10

Terwijl Nederland zich schrap zet om storm Corrie op te vangen, lijkt bij ons het ergste vanochtend alweer achter de rug en lijken we een tamelijk rustige dag te mogen verwachten vandaag. Sinds het najaar van 2019 worden in Nederland namen gegeven aan zware stormen om het bewustzijn van ‘gevaarlijk’ te vergroten, aldus het KNMI. Ondanks dat de kans klein is dat de hele lijst met namen gebruikt wordt, wordt er elk jaar in september (het begin van het stormseizoen) toch een nieuwe namenlijst gepubliceerd. Zo’n namenlijst is, om te voldoen aan de internationale afspraken, afwisselend vrouwelijk en mannelijk, waarbij de letters Q, U, X, Y en Z niet gebruikt worden. Storm Corrie is daarmee dus de derde storm van het seizoen, maar tegelijkertijd de eerste dit kalenderjaar. De storm is vernoemd naar de 83-jarige Corrie van Dijk. Zij was in 1964 de eerste vrouwelijke meteoroloog bij het KNMI. Bijzonder. Ik heb het lijstje ‘stormnamen’ van dit seizoen even bekeken, maar er staan weinig bekende namen op. Het dichtstbij komt Tineke op nr. 19. Het kan natuurlijk, maar laten we hopen dat we niet zoveel zware stormen met code oranje of rood over ons heen zullen krijgen!

Drents weerbericht 😀

We hebben vandaag ondertussen toch met een staartje nasleep van Corrie te maken. De N370 bij de Gasunie in Groningen is afgesloten vanwege loshangende panelen aan het pand. Dat zorgt, volgens de woordvoerder van Rijkswaterstaat, voor zo’n gevaarlijke situatie dat samen met de politie is besloten de weg tussen Hoogkerk en Groningen aan beide kanten af te sluiten, net als wat andere wegen rond het gebouw. Daarnaast is dit weekend ook het Julianaplein, en daarmee de A28, afgesloten ter voorbereiding van de ‘upgrade’ in de komende maanden, waardoor we behoorlijk moeten omrijden om op onze plaats van bestemming te komen. We starten vandaag bij het Oosterzand (bij Diever in de buurt) en lopen naar Oude Willem midden in het Nationaal Park Drents-Friese Wold. 

Het eerste stuk tot aan Diever is weinig spectaculair. We lopen lekker, maar de omgeving is niet heel bijzonder, zelfs een beetje monotoon…..of raken we gewoon verwend door alles wat we onderweg al gezien hebben? Volgens de beschrijving hebben we hier toch te maken met een ‘mooi voorbeeld van een esdorpenlandschap met hoger gelegen akkers op de essen en lager gelegen natte weiden op de broeklanden (moerassig of drassig land)’.

Weinig spectaculair (RK)

Wel komen we onderweg langs Wittelte en zien we een voormalig tolhuisje waarop het bord met tolheffingen bewaard is gebleven. In september 1928 hield de ‘tollenkwestie’, over de opheffing van de verschillende tolgelden, de gemoederen flink bezig. Uiteindelijk heeft dit geresulteerd in een kort artikel in het Nieuwsblad van het Noorden met de kop ‘Diever tolvrij’: ‘De gemeenteraad van Diever heeft – overeenkomstig het voorstel van burgemeester en wethouders besloten tot het afschaffen van den tol tusschen Dieverbrug en Vledder, ingaande 1 mei 1929. Eveneens is besloten tot opheffing van de tollen te Wittelte en Zorgvlied, ingaande 1 mei aanstaande. Al deze tolhuizen en tolboomen zullen publiek worden verkocht.’ En dat terwijl B&W zelf vrijgesteld waren van het betalen van tol…..

Dat waren nog eens tijden……

Het landschap verandert wanneer we bij Diever aankomen. Dit esdorp, aan de rand van het Drents-Friese Wold, staat bekend als het dorp van Shakespeare. Hier worden sinds 1946 toneelstukken van hem opgevoerd in een bijzonder openluchttheater, het Shakespearetheater. Bijzonder is dat het podium midden tussen de bezoekers staat en je een eigen picknickmand met eten en drinken mag meenemen. Naast dit openlucht theater staat het Globe Theater, vernoemd naar het wereldberoemde Globe Theatre in Londen. Het is volledig gemaakt van hout en heeft een dak van glas, zodat voorstellingen (sinds 2017) altijd door kunnen gaan en comfortabeler zijn voor bezoekers. Diever is één van de kerspelen in het Dieverderdingspil, waarbij een kerkspel een (kerk)dorp betekent en dingspil staat voor rechtsgebied. Om het een en ander in context te plaatsen: de provincie Drenthe was vroeger verdeeld in zes dingspillen. We lopen langs een mooi oud schultehuis, de vroegere ambtswoning van de schulte, schout, van Diever. Dit huis werd in 1604 gebouwd door Berend Ketel van Hackfort en is daarna nog door zes generaties Ketel mannen bewoond geweest, die allemaal Schulte van Diever zijn geweest. Voor het huis ligt een halve boom met daarnaast een bord waarop een ieder uitgedaagd wordt mee te helpen om samen een boomkist te maken zoals toentertijd, dwz met slechts een beitel. Een boomkist is een type graf waarin de dode in een uitgeholde boom is geplaatst. In Drenthe werd hiervoor vroeger de helft van de boom gebruikt in tegenstelling b.v. tot Denemarken, waar de hele boom gebruikt wordt en de tweede helft dan als deksel, zoals bij een grafkist, dient. Misschien omdat bomen hier veel schaarser waren? De uitdaging is nu om de boomkist aan het eind van de zomer af te hebben, maar of dat gaat lukken?

Het vroegere schultehuis (foto: internet)
Een boomkist in wording

We lopen Diever uit langs hunebed D52, waar, de ons langzamerhand zeer bekende archeoloog, Van Giffen wederom een belangrijke rol heeft gespeeld. Tegenwoordig vinden archeologen echter dat Van Giffen hier in z’n restauratiedrift te ver is doorgeschoten. Zo kon hij de functie van een zestal stenen niet meer bepalen en zelfs het oorspronkelijke aantal dekstenen was hem onbekend. Dat er nu toch weer een vrijwel compleet hunebed ligt, lijkt daarom meer het resultaat van giswerk dan van een verantwoorde restauratie, aldus de kritiek.

Het blijft toch indrukwekkend

We lopen verder, temidden van hoge bomen, tussen de landgoederen ‘De Ossekoele’ en ‘Heezenberg’ door. Informatieborden vertellen ons hoe hier ter plekke een grafheuvel werd afgegraven waarin het graf werd versterkt met een grote hoeveelheid kleinere veldkeien: de steenkist. We leren elke wandeling weer iets meer.

De borden helpen ons ontdekken

Nog maar ongeveer honderd jaar geleden bestond het landschap om ons heen voornamelijk uit stuifzanden, heidevelden en veengronden. Tussen 1920 en 1940 werd door de overheid besloten dat hier miljoenen bomen moesten worden geplant, waarvoor, in het kader van de werkverschaffing, heel veel werklozen werden ingezet. Onder erbarmelijke omstandigheden werden de werklozen gedwongen zeer zwaar werk te doen, alles met kruiwagen en schop, voor een hongerloontje. Wie weigerde was aangewezen op de armenzorg. Na WOII ging de werkverschaffing gewoon door onder een andere naam, de Dienst Uitvoerende Werken. Feitelijk veranderde er echter niets. Bijnamen van de DUW waren dan ook: ‘Door Uitputting tot Wanhoop’ en ‘Door Uitbuiting Winst’. 

De geschiedenis van het ‘productiebos’ ontvouwt zich…… (RK)

Over WOII gesproken….in de buurt van Diever moet in het bos een onderduikershol te vinden zijn. Wij hebben het helaas niet gezien, maar het spreekt tot de verbeelding, al is het alleen al vanwege de naam: ‘de Wigwam’. In de winter van 1943-1944 bouwde een groep verzetstrijders bij een onopvallende zandheuvel in het dennenbos een schuilplaats. Ze groeven de heuvel uit, bouwde van de dennenstammen een hol en herstelde de zandheuvel vervolgens weer in de oude vorm. Na een paar maanden hard werken was de schuilplaats gereed en verdwenen de verzetsmannen onder de grond. Eén van de leden was een verwoed lezer van Indianenverhalen. Daarom kreeg het onderduikerscomplex de naam ‘de Wigwam’. Helaas werd het hol eind 1944 toch door de Duitsers ontdekt, waarop de aanwezige bewoners werden aangehouden en het onderduikershol zelf werd opgeblazen. Na de oorlog werd de hut zoveel mogelijk in oude staat hersteld en kwam er een gedenksteen met namen van de acht slachtoffers. We hebben iets gemist!

Tegenwoordig wordt er veel bos gekapt met de bedoeling het gebied weer terug te geven aan de natuur, het moet weer heide en zand worden. We zien dat al gebeuren op het laatste stukje van onze wandeling; de Hoekenbrink. Waar deze naam vandaan komt is niet echt bekend, maar het zou mogelijk kunnen zijn dat de oorsprong ligt in een aantal imposante eiken van rond de 200 jaar oud. Vormen ze dan de vier hoeken van een open ruimte, een brink? Hoe dan ook, we lopen door weer een heel ander stukje natuur waarin veel heide, prachtig gevormde grillige bomen en een grote zandheuvel.

De route loopt met een boog over de Hoekenbrink (RK)
Grillig gevormde bomen (RK)

Hiermee naderen we ons eindpunt, de Bosweg in Oude Willem. Eveneens een naam die meteen tot de verbeelding spreekt. Het verhaal gaat dat de plaats genoemd is naar de ontginningsmaatschappij ‘Het Oude Willemsveld, die dit gebied heeft ontgonnen. Veel leuker is natuurlijk het verhaal dat de naam afkomstig zou zijn van de herder ‘Oude Willem’, die hier in de 19e eeuw zijn schapen zou hebben laten grazen. Vlak voordat we bij ons eindpunt aankomen, zien we nog een gedenkteken voor een neergestort Canadees vliegtuig (uit WOII) en haar bemanning. Dit vliegtuig maakte deel uit van een groep van 776 bommenwerpers, waarvan het overgrote merendeel Berlijn als doel had. Helaas werd dit toestel neergeschoten door een Duitse nachtjager, waarbij de zeven bemanningsleden allen om het leven kwamen. 

Herdenkingssteen Halifax B11. W231

Alsof het niet op kan met de monumenten, lopen we tijdens onze laatste meters van vandaag nog langs een monument ter nagedachtenis van het Kamp Diever A. Dit werkkamp bij Oude Willem bestond uit houten woonbarakken aan twee kanten van het terrein met in het midden een grasveld, de woning van de kok/beheerder, de keuken, het waslokaal en een kantine. Joodse dwangarbeiders voor Diever A vertrokken in januari 1942 vanaf het Centraal Station in Amsterdam. Het was een barre winter. De barakken waren niet op het extreme weer berekend. Door extra te stoken en veel dekens was het nog enigszins uit te houden. Door de vorst werkte alleen de kraan in de keuken nog: de waterleiding in de wasplaats was lange tijd afgesloten. Van werken kwam dan ook de eerste tijd niets terecht. De mannen moesten alleen de toegangsweg naar het kamp begaanbaar houden. Toen het weer verbeterde, werden de joodse mannen ingezet bij ontginningswerkzaamheden op de heidevelden. Er moest één meter diep worden gespit, waarbij de harde onderste laag vaak met een houweel moest worden bewerkt. Je kijkt dan toch opeens met andere ogen naar zo’n gebied. Op 20 juli 1942 werd een deel van Diever A leeggehaald. De dwangarbeiders werden naar kamp Westerbork gestuurd. Hun plaats werd ingenomen door een groep oudere mannen van veertig tot zestig jaar, die tot dan toe nog niet waren opgeroepen. Later dat jaar zouden ook zij met de achtergebleven oorspronkelijke groep te voet naar kamp Westerbork worden gestuurd. Dit gebeurde op meerdere plekken in Nederland en zo belandden op hetzelfde moment (in de nacht van 2 op 3 oktober tijdens Jom Kipoer- Grote Verzoendag) ruim tienduizend joden in Westerbork, die vervolgens werden omgebracht in de gaskamers van Auschwitz en Sobibor.

Kamp Diever A

Op 2 oktober 2002 was het precies 60 jaar geleden dat de joden uit de werkkampen in Nederland werden weggehaald. Op die dag zijn monumenten onthuld, zoals in Diever A, ter herinnering aan de joodse dwangarbeiders die de oorlog niet overleefden. De monumenten zijn ontworpen en gemaakt, vanuit drie verschillende beroepsopleidingen, door leerlingen van het Friesland College in Leeuwarden. De palen doen denken aan de bekende betonnen palen met prikkeldraad die rond veel concentratiekampen stonden. De leerlingen hebben daarmee een verband willen leggen met het uiteindelijke lot van bijna alle joodse dwangarbeiders. In de glazen plaat zijn prikkeldraden geëtst, waartussen tekst is aangebracht. Naast informatie over de werkkampen, bevat de tekst een gedicht van Jaqueline van der Waals over de niet aflatende plicht om tegen onrecht te strijden:

‘GEEF MIJ DE MOED OM ONRECHT TE ONDERKENNEN
OOK WAAR ‘T DOOR EEUWEN VAN GEBRUIK GEWETTIGD WORDT,
OOK WAAR DE MACHT, HET WEG TE NEMEN, SCHORT.’