SCHUDDEN AAN MIJN BOOM

Geïnspireerd door een theatershow van Jörgen Raymann, waarin de oude wijsheid ‘als je wilt weten waar je naartoe wilt gaan, moet je weten waar je vandaan komt’ centraal staat, begin ik aan een eigen reflectie van mijn stamboom. Ik ga schudden aan mijn persoonlijke boom! Een duik in het verleden om te onderzoeken of daar nog nieuwe verrassingen uit voort zullen komen……

Omdat we nog steeds leven in een min of meer patriarchale samenleving (al zullen velen dat misschien betwisten) begin ik met de wortels van mijn vader. Al vanaf zeer jonge leeftijd werd ik doordrongen van het feit dat ik afstam van de schrijver P.A. Daum. Als opa van mijn opa en bekend schrijver in en over Nederlands Indië werd zijn naam dikwijls genoemd, want mijn opa hield van familielijnen uitpluizen, het onderhouden van contacten met verre leden van onze wijdverspreide familie en uiteraard over het vertellen daarover. Het was toen nog niet zo aan mij besteed.  

Paulus Adrianus (Paul Adriaan) Daum (de latere schrijver) werd op 3 augustus 1850 geboren in een Haagse volksbuurt als zoon van een ongehuwde moeder. Dat is op zich al interessant, wat is het verhaal daarachter? Tijd voor verder onderzoek? Eerst even verder over deze Paulus (1850-1898) . Hij groeide op aan de rand van het zuidoostelijk kwartier van Den Haag, wat in die tijd werd omschreven als: ‘door het Spui in tweeën gesneden krioelt aan de ene zijde het kroost Abrahams van mindere gehalte, mannen, vrouwen, kinderen en insecten…… Aan de andere kant van het water vind je armoede, landloperij, weelderige losbandigheid en lage ontucht ……’ Met andere woorden er woonden onbetrouwbare vreemdelingen en er werd ‘geraasd (veel lawaai gemaakt) door het schuim van Den Haag’. Een pittig buurtje dus. Daarentegen was deze wijk niet alleen het armste deel van de stad, het was ook het meest dynamische.

Paulus (of Paul) kreeg in zijn jeugd weinig onderwijs (mogelijk door gebrek aan geld) en wordt daarom wel beschouwd als een autodidact, iemand die zijn kennis door zelfstudie, zonder begeleiding door een educatieve organisatie of opleiding, heeft verkregen. Paul was leergierig en hij had het geluk dat hij goed werd opgevangen o.a. door de familie van zijn latere vrouw Hendrika Vink. Hij las en studeerde veel en begon al vroeg met het schrijven van novellen die werden gepubliceerd. Ik lees dat hij zich later ondanks dit succes schaamde voor dit werk; ‘ ik zou geld geven als ik dit prulwerk ongedaan kon maken’. Toch bezorgde dit vroege werk hem een baan als redacteur van het Haagse dagblad ‘Het Vaderland’. Ruim twee jaar (1878) kreeg hij een baan aangeboden in Semarang (Indonesië) bij het nieuwe dagblad ‘De Locomotief’ waardoor zijn carrière tot ongekende hoogten steeg, zeker binnen Indonesië.  Hij werd hoofdredacteur van verschillende Indische kranten en schreef zelf ook feuilletons (de voorloper van de ‘blog’, hahaha) onder het pseudoniem Maurits. ’Uit de Suiker in de Tabak’ was zijn eerste boek in afleveringen. Hierover werd later geschreven dat Daum zich, in de vijf jaar die lagen tussen zijn aankomst in Indië en de publicatie van zijn eerste boek, had ontwikkeld van een ‘zoveelste rang auteurtje’ tot een ‘uitstekend romancier’.

Terug naar zijn moeder, Maria, oudste dochter van Paulus Daum en Maria Borsboom. Om het een en ander goed te begrijpen, moeten we een klein stukje verder terug in de geschiedenis. Omstreeks 1848 verhuisden moeder Maria Borsboom, op dat moment al weduwe, en haar kinderen naar het zuidoostelijk deel van Den Haag, naar de ‘Bogt van Guinea’ (het tegenwoordige Huijgenspark). Echtgenoot Paulus was in 1847 overleden en het wegvallen van de broodwinning was vast de reden van de verhuizing naar deze, sociaal minder in aanzien staande, wijk. In de wijk woonden toen vooral de zogenaamde ‘fatsoenlijke volksklasse’, waartoe de familie Daum ook behoorde. Paulus was eerst tapper (café houder) en later bode geweest. De oudste zoon was ‘werkman’, wat betekende dat hij een ambacht uitoefende. Andere kinderen waren ‘bediende’, waaronder Maria. De vader van haar kind was n.l naar alle waarschijnlijkheid iemand uit de ‘betere kringen’ die zich, zoals ze dat zo mooi zeggen, aan de dienstbode had vergrepen om zich daarna weer terug te trekken in de anonimiteit. Onderzoek naar vaderschap was in die tijd wettelijk verboden. Een bescherming van de hogere standen? Dochter Maria vernoemde haar zoon naar haar vader Paulus en haar jongste broer Adriaan Cornelis. Met de vernoeming van het kind naar zijn naaste familie werd benadrukt dat zowel Maria als haar zoon bleven behoren tot het gezin Daum, hetgeen in die tijd niet vanzelfsprekend was. Maria werd daarna wel, door haar omgeving, gezien als een ‘gevallen vrouw’, want in de publieke opinie werd er in die dagen een nauw verband gelegd tussen een ongehuwde moeder en een prostituee. Moeilijke jaren volgden. 

Ondertussen zijn er zo al diverse verhalen uit mijn boom gevallen. We zijn inmiddels aangekomen bij Maria (1824-1881) en haar vader Paulus (1797-1847). Tot en met de schrijver Daum allemaal afkomstig uit Den Haag. Al speurend en napluizend kan ik nog één verdere voorouder vinden en wel Johannes Daum, de opa van Maria en de overgrootvader van de schrijver. Veel meer dan dat hij geboren is in 1771 en overleden in 1855 is er echter niet bekend. Opvallend is wel dat zijn geboorteplaats Leiden is, alhoewel Leiden en Den Haag natuurlijk relatief dichtbij elkaar liggen. Johannes is de overgrootvader van de grootvader van mijn grootvader. Wat maakt hem dat van mij?

De opa van mijn opa is mijn betovergrootouder (Paul Adriaan/Maurits), zijn moeder (Maria) is mijn oudouder, haar vader (Paulus) wordt dan mijn oudgrootouder en zijn vader (Johannes) is dan tenslotte mijn oudovergrootouder. Een mond vol! Dit is dan nog maar de 8e generatie terug, de lijst met namen is vele malen langer. Ik vraag me af of iemand ooit al die voorouders kan vinden?

Ik ben mijn verhaal begonnen met de schrijver Paul Adriaan Daum en ben teruggegaan in de tijd om te eindigen bij Johannes Daum, waarna ik niets meer kan vinden. Mijn eigen opa vertelde altijd dat wij afstammen van de Hugenoten. Vanaf de jaren 1680 verspreidden tussen de 200.000 en 600.000 Fransen zich over Europa en verder. Onze familienaam veranderde, volgens hem, van Dame in Daum toen wij in Nederland terecht kwamen. Ik kan helaas niet ‘controleren’ of dat waar is. Wat we nu wel weten is dat de schrijfwijze van de familienamen in de loop der eeuwen evolueerde, dus een andere schrijfwijze behoort beslist tot de mogelijkheden.

Na de schrijver Paulus Adrianus gebeurde er natuurlijk ook nog het een en ander, anders zou ik er niet zijn, nietwaar? De oudste zoon van Paulus werd weer een Paulus Adrianus (1872-1922). Geboren in Utrecht werd hij ergens gedurende zijn leven directeur van de stoomvaartmaatschappij Nederland, waardoor ook hij terecht kwam in Indonesië. Sinds zijn vertrek naar Nederlands Indië werd het gebruikelijk dat de kinderen geboren werden en opgroeiden in de tropen. Voor hun studie vertrokken ze naar Nederland om daarna carrière te maken terug in hun geboorteland. Met het eerste verlof nog eenmaal terug naar Nederland om een vrouw te zoeken en vervolgens terug naar Indonesië waar de cyclus opnieuw begon.

Zijn oudste zoon Paul Adriaan (mijn opa) werd dus geboren in Indonesië uit een huwelijk met Suzanna Boucher (een française). Vanaf nu wordt de wereld kleiner en het leven avontuurlijker ;-D. Deze Paul Adriaan trouwt met, de in Johannesburg geboren, Maria Livia Christina de la Lande Cremer, waaruit onder meer mijn vader Paul Adriaan geboren werd in 1930 (Medan, Indonesië). Driemaal raden…..inderdaad de oudste zoon van de oudste zoon. De WOII gooide roet in het eten en de familietraditie met begrip tot de tropen stopt hier dan ook. Met mijn vader houdt eveneens onze (Daum) stamboom op, althans onze directe lijn. Mijn ouders kregen drie dochters en om aan te geven dat er toch echt niet nog een kind zou komen, gaven ze hun jongste dochter de initialen P.A. mee. Inmiddels hebben mijn zussen en ik zelf kinderen, maar geen van onze kinderen draagt ‘onze’ achternaam, dus van ons hoef je geen ‘daum appeltjes’ meer te verwachten. Ook de broers van mijn vader hebben gezamenlijk maar één zoon voortgebracht. Het is aan hem om de naam hoog te houden :).

Het uitzoeken van mijn stamboom (genealogie) bleek echt een beetje verslavend, maar dan in de allerbeste vorm. Het laat je niet los, je móet verder zoeken, je wilt steeds meer weten…….. Blijven schudden dan maar? 

WEEM

In veel dorpen in het noorden (van Nederland) staat een groot huis in de buurt van de kerk. Deze zogenoemde weem (weme, wheem of wheeme) is een lokale naam voor een pastorie. Vroeger was een pastorie de ambtswoning van een pastoor of predikant en zijn gezin en had elke parochie haar eigen pastorie. Trouwens een pastorie van een kathedraal wordt bij de katholieken een plebanie genoemd, want pastoor van de kathedraal heet een plebaan. Het is maar dat je het weet……

De pastorie behoort tegenwoordig meestal niet meer tot ‘de kerkgoederen’, maar het woord ‘weem’ (als naam) verwijst nog wel naar de oorspronkelijke functie van het huis. Deze naam komt van het oud Friese ‘wetheme’ wat ‘kerkelijk bezit’ betekent. In oost Nederland wordt met dit woord ook vaak een aan de pastoor of kapelaan (soort onderpastoor) toebehorend stuk (boeren)land bedoeld. Grappig is dat het Middelnederlandse woord ‘wedem’ zowel pastorie als bruidsschat betekende. Bijzonder, toch? Ter verduidelijking: het Middelnederlands, een taal die tussen 1200 en 1500 werd gesproken, is de opvolger van het Oudnederlands en een voorloper van de ons bekende moderne Nederlandse taal. Volgens ‘mijn woordenboek’ betekent ‘weem’ naast pastorie of vroegere predikantswoning eveneens ‘vroegere koopprijs voor een bruid’. Het blijft een aparte combinatie van betekenissen. 😉

Wij gaan wonen in een voormalige weem! Of om Shakespeare te citeren, we gaan leven in een droom, want pastorieën zijn gemaakt van ‘such stuff as dreams are made on.’ Zijn citaat gaat weliswaar niet echt over een pastorie, maar het klinkt wel mooi, poetisch…. Op het internet kom ik een stukje tegen wat een typerend sfeertje van ons dorp(je) in vroeger tijden schetst: ‘De klok slaat vijf uur wanneer de dominee van de Hervormde Kerk de deur achter zich dichttrekt. De meeste inwoners van het Groningse plaatsje gaan nu aan tafel, maar zijn werkdag zit er nog niet op. De kerkgemeente is klein en er zijn te weinig leden om een dominee te onderhouden. Hij heeft dus een tweede baan nodig. Aan het eind van het kerkpad staat daarom geen gewone ambtswoning, maar een weem: een pastorie en een boerderij ineen.’ Het was dan misschien wel een droomhuis, maar beslist geen gemakkelijk leven. Annie M.G. Schmidt schrijft over haar jeugdjaren: ‘Onze pastorie was oud, zeer koud en met grote holle kamers, die mijn moeder nauwelijks vermocht te meubelen.’ Het gedicht ‘Pastorie’ van Seth Gaaikema (zelf een dominee’s zoon) geeft eveneens een beeld: ‘Pastorie, die hoe ver ook verwijderd – Ik nog dagelijks vóór me zie –Door en door kerkelijke – En bij de schoonmaak zo bewerkelijke – Pastorie’

IMG_2780

Er wordt ook wel gezegd dat je een pastorie vroeger kon vergelijken met een glazen huis of anders zeker met een papieren huis. Een glazen huis omdat er zo weinig privacy was voor de bewoners. De predikanten hadden immers geen baan van negen tot vijf, zij bekleden een ambt! Daarmee hadden ze werktijden van 24 uur, zeven dagen in de week. De benaming papieren huis komt vanwege het feit dat een pastorie vaak voorkomt in krantenberichten, verhalen etc. Ook details zowel met betrekking tot salariëring, opbrengsten van landerijen en fondsen als belastingen, kosten voor b.v. onderhoud en dergelijke werden nauwgezet per parochie gedocumenteerd en werden uiteraard met veel interesse gelezen door met name predikanten die voor een parochie werden gevraagd. Spottend werd er gefluisterd dat predikanten ‘hoe geestelijk ze ook waren, het materiële zeker niet vergaten.’ Alhoewel….. hoe ruim, hoe gerieflijk en op welke plek gelegen is, voor ons allemaal, niet onbelangrijk voor een woonplek.

IMG_2777

Onze weem werd aan het eind van de achttiende eeuw gebouwd. Ik geloof dat het voorhuis stamt uit 1850. Inmiddels is het al vele jaren in gebruik als woonhuis. In 1910 is de boerenschuur vervangen door een consistoriekamer. De consistoriekamer of consistorie is een ruimte waarin de kerkenraad (binnen de protestantse kerk het hoogste orgaan van de plaatselijke en in principe zelfstandige kerkgemeente) vergadert. Het protestantisme is, naast het rooms-katholicisme, de oosters-orthodoxe kerken en het anglicanisme, één van de vier grote stromingen binnen het christendom. Deze stroming ontstond nadat ‘leerstellingen en praktijken in de katholieke kerk in West-Europa van binnenuit weerstand begonnen op te roepen’. Vorig jaar was het vijf eeuwen geleden dat Maarten Luther zijn 95 stellingen vastnagelde aan de kerk van Wittenberg in Duitsland en daarmee de Reformatie ontketende. Deze publicatie op 31 oktober 1517 wordt gezien als het symbolische begin van het protestantisme. Ondertussen is onze consistorie verandert in een sfeervolle woonkeuken van alle gemakken voorzien. De tijd schrijdt voort. 😉

Attachment-1

Veel pastorieën in Nederland zijn destijds tegelijk met de bijbehorende kerk ontworpen en vormen daarmee een architectonische eenheid. Het komt natuurlijk ook voor dat de pastorie ouder of jonger is dan de kerk en daarom in een andere stijl is ontworpen. Zulke pastorieën zijn dan niet of nauwelijks te onderscheiden van een gewoon woonhuis dat toevallig naast de kerk staat. Over onze weem is helaas niet zoveel bekend, maar ik vind het beslist meer dan een toevallig woonhuis naast de kerk, of is dat ‘wishful thinking’?

IMG_2778

Het aantal gelovigen is door de jaren heen flink afgenomen door de voortschrijdende ontkerkelijking, waardoor parochies zijn samengevoegd en pastorieën vrij kwamen voor de verkoop. Ook in ons geval heeft de dominee allang een ander onderkomen gezocht. De kerk is echter nog steeds in gebruik, al wordt hij tegenwoordig weinig door de dorpsbewoners zelf bezocht. Volgens een lokale ‘oldtimer’ zijn het vooral de inwoners van omringende dorpen, die of in hun eigen dorp een slechte verstandhouding hebben met hun kerk of misschien net een andere stroming aanhangen, die graag naar ‘onze’ kerk komen voor de zondagsdienst. In ieder geval hebben wij geconstateerd dat het klokgelui zondags rond negenen een luid (maar tevens een ontegenzeggelijk warm) onthaal ten gehore geeft. We maken deel uit van een gemeenschap, zij het dan meer in figuurlijke zin.

SOAKSUM

Saaksum (Soaksum of zelfs Soaksm), een klein dorpje zo’n vijftien kilometer ten noordwesten van de stad Groningen, wordt door haar dorpsbewoners wel ‘de parel in de kroon’ genoemd. In 1840 kent het dorp, toen nog als Saaxum geschreven, 45 huizen met 314 inwoners, nu zijn er ca. 40 huizen met rond de 100 inwoners. Het is echter steeds een in gave staat verkerend wierde dorp gebleven, waardoor Saaksum in september 1991 de status beschermd dorpsgezicht heeft gekregen. Het ‘beschermde gezicht’ beslaat een oppervlakte van 16,9 hectare waarbij panden die binnen dit gebied vallen niet automatisch de status van beschermd monument krijgen. Volgens de site richt de gezichtsbescherming zich op ‘de stedenbouwkundige en cultuurhistorische waardering van het gebied en wil het toekomstig functioneren daarvan veiligstellen’. Toe maar…..

Het huidige karakteristieke beeld van het dorp wordt, door het archief cultureel erfgoed, als volgt geschetst: ‘De kerk, ongeveer op de kruin van de wierde, staat enigszins terzijde van de woonbebouwing op de westflank. De aanwezigheid van een drietal boerderijen (heerden) is er waarschijnlijk de oorzaak van dat de woonbebouwing op een relatief klein gedeelte van de wierde dicht opeen gepakt is. Zowel het open middengebied rond de kerk, het voormalige borgterrein en de heerden naast de geconcentreerde woonbebouwing, als de geheel bewaard gebleven ringweg (ossenweg) aan de voet van de wierde zijn kenmerkend voor de historische dorpsstructuur.’ Je ziet het dorp voor je.

IMG_2774

Bij het binnenrijden (vanuit het oosten) overheerst het beeld van de kerk. Kom je echter vanuit het westen het dorp binnen, dan rijd je, volgens een lokaal krantje, ‘langs de wierde Englum en tref je buiten het dorp ruime boerderijen aan. Eénmaal in het dorp kom je vervolgens uit tussen knusse woningen, die dicht tegen elkaar aan gedrukt liggen, zoals een koppel koeien, rug aan rug, in de wind en regen.’ Dat roept een fijn beeld op!! Datzelfde artikel weet te vertellen dat de naam Saaksum afgeleid is van het Latijnse Saqum, hetgeen klif betekent. De wierde fungeerde als een soort klif in de woeste zee. Het was een andere tijd, zullen we maar zeggen ;).

IMG_2765

Wat is een wierde nu precies? Een wierde, een terp, een bult of een bergje is een door de mens opgeworpen woonheuvel bestaande uit mest, afval en zoden van het laagland. Ze werden gebouwd in een tijd dat het land nog niet beschermd werd door dijken en dientengevolge ‘bedreigd’ werd door periodieke overstromingen. Waarschijnlijk werd er al vanaf de zevende eeuw voor Christus geprobeerd om bij hoogwater ook een droge plek te hebben. Het, vooral in Groningen gebruikte, woord ‘wierde’ staat dicht bij het originele woord ‘wurth’, waarvan de uitgang -werd of -ward is afgeleid. Het woord is, volgens de uitleg, niet verwant aan het werkwoord ‘werpen’; ook al gaat het hier om een ‘opgeworpen’ heuvel. 🙂 Wierden werden niet alleen gemaakt om door mensen te worden bewoond, maar ook om het vee te beschermen en om er een soort ‘geriefhout’ dat slecht tegen natte grond kan, op te laten groeien. Een geriefbos (gerief betekent hier gebruik) is een klein bos waar vroeger het hakhout vandaan werd gehaald dat in en rondom het huis/boerderij werd gebruikt. De wierden, voorkomend langs de hele kust van de Waddenzee, werden veelal aangelegd op van nature toch al hoge plekken, zoals oeverwallen, vandaar dat ze vaak op een rij liggen. Een bekend voorbeeld is de uitloper van de Hondsrug met o.a. Adorp, Sauwerd, Ezinge, Winsum etc. In de 12e en 13e eeuw kwam er vermoedelijk een einde aan de bouw van wierden omdat een aaneengesloten stelsel van zeedijken het gebied dan tegen overstromingen gaat beschermen.

IMG_2766

De oude kerk, het middelpunt van het dorp, was, volgens een akte uit 1588, gewijd aan de heilige Catharina van Alexandrië. Catharina behoorde tot de populairste heiligen van de Middeleeuwen. Zij was (of is) één van de veertien ‘noodhelpers’, ze werd aangeroepen als beschermster tegen de pest, ter bewaking van de kuisheid en ze werd soms gezien als beschermster tijdens een bevallig. Allemaal noodsituaties (haha). Een gedenksteen beneden in de toren meldt dat deze in 1550 ‘ghemaket’ is. In de 16e eeuw is er ook sprake van een borg. In 1583 wordt het huis door de Groningers (stad) verwoest en daarna niet meer opgebouwd. De ligging van de borg, vlak naast de kerk en op het midden van de wierde geeft een nauwe relatie tussen kerk en borg aan evenals het belang van de bewoners van de borg ten opzichte van het dorp. De relatie tussen kerk en borg wordt bevestigd door het, al eerder genoemde, opschrift van een gevelsteen in de toren van de kerk, waaruit blijkt dat borgheer Coppen Jarges de toren in 1550 heeft laten bouwen. In 1709 werd de toren hersteld, maar in 1845 werd uiteindelijk besloten tot nieuwbouw van de kerk zelf wegens bouwvalligheid, waarbij de toren gelukkig wel kon blijven staan. De nieuwe (hervormde) kerk verrees tenslotte in 1849 en staat er nu nog steeds. De toren, opgetrokken van kloostersteen, is later wel grotendeels ommetseld in kleinere steen. Het oorspronkelijke metselwerk is binnen nog deels zichtbaar.

IMG_2772

Tot besluit een klein stukje geschiedenis over het ontstaan van de kerk en de nu nog steeds bekende naam Heer Alma. Volgens mondelinge overlevering ontstond er in het begin van de 16e eeuw een hoogoplopende ruzie tussen ‘den heer Alma tot Saxum wonende op de Heerlijkheid Alma en den proost (abt van een klooster) van Oldehove’. De ruzie liep zo hoog op dat heer Alma zich met zijn gezin van de ‘Proostdy’ van Oldehove afscheidde. Zijn bierbrouwerij liet hij daarop tot kerk inrichten en hij stelde daarbij een eigen kapelaan aan. De vorm en de algehele aanleg van de oude kerk bevestigen deze overlevering.

IMG_2771

Dit is weliswaar een tot de verbeelding sprekend verhaal, maar helaas…. Volgens deze overlevering zou Saaksum dan pas in het begin van de 16e eeuw een eigen kerk gekregen hebben, hetgeen onjuist blijkt te zijn. Het zegel van Humsterland, gehecht aan een oorkonde van 9 september 1361, vertoont drie kerken, welke naar alle waarschijnlijkheid de parochies Oldehove, Niehove en Saaksum voorstellen. Verder werd de plaatsnaam Saaksum ook al genoemd in een lijst met schenkingen die tussen de jaren 750 en 1150 aan een abdij in Fulda (Duitsland) werden gedaan. Al met al is de conclusie dat het verhaal van de bierbrouwerij niet op de parochiekerk kan slaan, maar dat wil niet zeggen dat het verhaal helemaal naar het land der fabelen kan worden verwezen. Meestal kent zo’n eeuwenlange overlevering wel een kern van waarheid of in ieder geval ligt er dan een specifieke gebeurtenis aan ten grondslag. Misschien heeft heer Alma na de ruzie een eigen huiskapelletje op zijn borg gecreëerd en daarvoor een eigen kapelaan aangesteld?

IMG_2768

We zullen het nooit precies weten, maar misschien verhoogt dat juist de charme van een dorp waar, qua aanzien, de tijd een beetje heeft stilgestaan. We gaan het beleven.

DE SIBERISCHE BEER

De laatste dagen wordt er in de media volop gesproken over de Siberische beer en dan gaat het in dit geval niet over de Oost-Siberische bruine beer (ursus arctos collaris). 😀
Waar gaat het dan wel over?
In het noordoosten van Europa is het altijd kouder dan in Nederland, dat is bekend. In het noorden van Rusland en in Siberië (met een poolklimaat) zijn temperaturen van -50 graden in de winter geen uitzondering. Door de invloed van hogedrukgebieden verplaatst de koude wind uit Siberië zich richting het westen, dus ook richting Nederland en gekscherend wordt er dan gezegd: de Russische (of Siberische) beer komt uit zijn hok.
Deze meteorologische aanduiding vindt zijn oorsprong in het verleden, Tijdens de Koude Oorlog werd Rusland meestal aangeduid als de gevaarlijke Beer. Als er nu dus extreme kou vanuit Siberië onze kant opkomt, wordt er daarom schertsend geroepen dat de Russische Beer in aantocht is. De winter laat dan echt zijn tanden zien.

IMG_2703

De term Russische beer heeft dus betrekking op een hogedrukgebied boven Rusland, gevuld met koude lucht, die met een oostelijke stroming op ‘transport’ wordt gezet naar ons land. Komend weekend (24 & 25 februari) en begin volgende week is de verwachting dat dit hogedrukgebied boven Noorwegen zal liggen en steeds krachtiger zal worden. Op de valreep van de winter (zo luidt de ‘juichkreet’ bij schaats-minnend Nederland) krijgen we daarmee toch nog strenge vorst in ons land ‘met de groeten uit Rusland’. ‘Giet it oan?’

IMG_2710

Hoe werkt dit dan? Hogedrukgebieden bewegen veel langzamer dan lagedrukgebieden en de wind om een hogedrukgebied draait op het Noordelijk halfrond tegen de wijzers van de klok in. Wanneer de ijskoude poollucht Nederland bereikt, krijgen we te maken met wekenlange diepvrieskou. Dat betekent (of kan betekenen ;)) strenge vorst overdag waarbij de temperatuur tussen de -10 graden en -15 graden ligt. s’ Nachts kunnen er records worden gebroken in Nederland en krijgen we mogelijk te maken met nachten waar -30 graden worden gehaald! Ongekend koud! Ik kan het me bijna niet voorstellen.
Het is waarschijnlijk onnodig om te vermelden dat al deze berichten ervoor zorgen dat het gonst van de verwachtingen. De Elfstedenkoorts heeft massaal toegeslagen.

IMG_2702

Eind februari en temperaturen die richting de -10 gaan, hoe bijzonder is dat eigenlijk? ’Redelijk’, zo vindt Gerrit Goosen, die, lees ik,  sinds jaar en dag alle statistieken van het weer in Eindhoven registreert. ‘Maar’, vervolgt hij, ‘in 1986 hadden we eind februari nog een Elfstedentocht. De zon wordt steeds sterker en daardoor wordt het overdag niet zo koud maar tijdens heldere nachten kan het nog flink vriezen. Het record voor februari dateert overigens van ’56. Toen vroor het op 16 februari bijna 22 graden. Dan valt -10 dus nog wel mee.’ Alles is relatief ;).

2018-03-01-PHOTO-00003039

Ondertussen zijn we een kleine week verder en wordt het tijd om de balans op te maken (hahaha). De meren en sloten vriezen inderdaad langzaam dicht en in Friesland is er zelfs een vaarverbod van kracht en zijn de sluizen overal stilgezet. Allemaal ter voorbereiding van een mogelijk staartje schaatsseizoen. Op voorspellingen alleen kun je niet schaatsen, zoals ze in Friesland zeggen, maar het blijft verbazingwekkend hoe iedereen onmiddellijk in de schaats-hype schiet zodra het gaat vriezen. De nieuwe schaatsen zijn, volgens de kranten, bijna niet aan te slepen, de schaatsenslijpers kennen gouden dagen en ook de verkoop van thermo kleding loopt geweldig. Bedenkingen dat het misschien ‘iet kâld’ (te koud) is en de kans op bevroren lichaamsdelen daardoor te groot, kunnen de (voor)pret van de meesten niet drukken. Een paar koude dagen zijn immers al genoeg om te kunnen schaatsen op natuurijs, zij het slechts de ondiepe plassen. Al dagen (nachten) wordt daarom de gevallen sneeuw zorgvuldig weggeveegd (weggeblazen) en staan er ploegen klaar om telkens weer een dun laagje water op het ijs te spuiten opdat de bovenlaag goed kan opvriezen en aandikken. Wie zal de strijd om de eerste marathon op natuurijs dit jaar winnen?

2018-03-01-PHOTO-00003040

Nederland schijnt trouwens één van de eerste landen te zijn waar het schaatsen ontdekt werd als een tijdverdrijf en een handige manier om in de winter snel naar je bestemming te reizen. De eerste schaatsen die in Nederland zijn gevonden, dateren uit de dertiende en veertiende eeuw. Volgens de kenners zijn er veel mooie schilderijen (b.v. van Hendrick Avercamp en Breughel) waarop je kan zien hoe een groot deel van het winterleven zich aan het einde van de middeleeuwen op het ijs afspeelde. ‘Het bood vertier, kinderen speelden met priksleeën en er waren al koek en zopie tentjes langs de kant. De schaatstraditie zit ons Nederlanders echt in de genen. We associëren het met sociale cohesie, met gezelligheid, met licht in de tijd van duisternis. De winter voelt voor veel Nederlanders niet compleet zonder natuurijs.’

IMG_2706

‘Schaatsen staat ook voor vrijheid, voor nieuw leven, voor nieuwe mogelijkheden’, legt een plaatselijke ijsmeester uit. ‘Door al het water zijn veel plaatsen (vooral in Friesland) vaak moeilijk bereikbaar. IJs opent letterlijk een nieuwe wereld. Traditioneel was de winter ook een tijd voor familiebezoek, omdat de reis dan veel sneller en eenvoudiger ging dan in de zomer. Om een voorbeeld te noemen: mijn vader woonde als jongetje op een afgelegen boerderij aan het water. Hij moest met de boot naar school, wat bijna twee uur duurde, maar ’s winters, op de schaats, was hij er al in een half uur.’

IMG_2708

Terug naar het heden. De eerste marathon op natuurijs is gereden (28/2) in Haaksbergen in een bittere kou met een gevoelstemperatuur van -18 graden en -8.5 graad op de thermometer. Veel mensen wagen zich op sloten, meren en ander open water met soms desastreuze gevolgen. Het blijft spannend schaatsen op bevroren water terwijl je even verderop de golfjes nog ziet kabbelen. Het ijs ‘zingt en kraakt’ op heel veel plekken, maar dit is erfgoed, dit is nostalgie!

IMG_2697

Volgens deskundigen zijn erfgoed en tradities heel kwetsbaar en mis je ze pas wanneer ze bijna zijn verdwenen. Het artikel meldt dat het soms gaat om heel kleine dingen. Om een voorbeeld te noemen: veel mensen weten nu al niet meer wat het betekent om met een warme kruik naar bed te gaan. Dat was vroeger onlosmakelijk met de winter verbonden, maar is verdwenen sinds we centrale verwarming en geïsoleerde huizen hebben. Zo groeit er nu ook een generatie op die niet meer weet hoe het is om elke winter op natuurijs te kunnen schaatsen. Ik geloof dat onze kinderen (horen bij de millennia generatie: geboren in en na 1982) maar een klein handjevol winters hebben meegemaakt waarin de ijsbaan open was. Het ijsvirus heeft hen nooit helemaal te pakken gekregen.

IMG_2714

Maar of je er nu warm voor loopt of het stiekem wel prima vindt dat de winters wat zachter worden, de Siberische beer (of ‘the beast from the east, zoals de Britten zeggen) heeft dit jaar echt voor een ijskoude, oer Hollandse winterfinale gezorgd!

 

 

 

DE ONLANDEN

‘Ingeklemd tussen de Groninger klei en het Drentse zand ligt een 2500 ha groot laagveengebied, waar zich, van oudsher, het water uit de Drentse beken verzamelde voordat het via de Lauwers en het Reitdiep doorstroomde naar de Waddenzee.’ Vroeger was dit gebied één groot veenmoeras, ongeschikt voor landbouw en ook verder onbegaanbaar voor de mens; een echt ‘Onland’, hetgeen zoveel betekent als ‘onbruikbaar woest land, met name moerasland’.

IMG_1689

Volgens de geschiedenis van dit gebied werd er pas in de Middeleeuwen begonnen met pogingen tot ontwateren. Het waterpeil zakte langzaam en daardoor kon het gebied beetje bij beetje in gebruik worden genomen. Vooral ’s zomers want tot halverwege de vorige eeuw stond het gebied ’s winters nog helemaal blank en stroomde het water over de weg tussen Peize en Groningen. Vandaag de dag een bijna onvoorstelbaar aspect. Het terrein werd in die tijd eigenlijk volledig gebruikt als weidegebied en werd gekenmerkt door kleinschalige, natte graslanden met vele weidevogels en ganzen. Het hele laagveengebied viel onder de EHS (ecologische hoofdstructuur: een samenhangend netwerk van bestaande en toekomstige natuurgebieden dat wordt vormgegeven in het natuurbeleid van een bepaald land of een regio), maar grote stukken van het gebied waren nog bij boeren in eigendom. De weke grond maakte bewerking met machines echter vaak lastig. Het natuurbeheer was daardoor gericht op verschraling door beweiding, maaien en stoppen met bemesten. Rond het Leekstermeer liepen ’s zomers schapen en paarden te grazen. In de Peizermaden (wist je trouwens dat ‘made’ een ander woord is voor weiland?) waren vooral Limousine koeien te vinden. Slechts aan het eind van de zomer werden grote delen van het gebied gemaaid. Door het toegepaste beheer waren in de loop der jaren veel weiden ‘verruigd’ met hoge grassen. Dit gaf het gebied een rommelige en verwaarloosde aanblik. Daarom werd er in 2008 besloten om het veenweidegebied terug te geven aan de natuur. De Drentse beken stromen er nu weer doorheen en er kan zich opnieuw een moeras ontwikkelen met natuurlijk wisselende waterstanden. In 2009 kreeg het gebied officieel de naam ‘De Onlanden’ en eind 2012 waren de werkzaamheden min of meer afgerond.

_DSF0625-Edit

Eigenlijk wordt het gebied per jaar mooier en ‘natuurlijker’. De eigen website bejubelt de herinrichting en is zeker hoopvol voor de toekomst wat blijkt uit het volgende: ‘het beleid heeft een mooier, groter, gevarieerder en ruiger natuurgebied opgeleverd, waarin de otter het gebied inmiddels definitief heeft herontdekt. In oktober 2016 verschenen er zelfs drie jonge baby-otters voor de wildcamera.’ Ze hopen dat ook de bever hier, in de toekomst, een nieuw thuis zal vinden.

IMG_1690

Vanaf de weg is het al een intrigerend landschap, hoe zal het dan zijn op de fiets? Na bijna vijf jaar niet meer gefietst te hebben is het moment van herontdekken aangebroken. Een proefritje van zes kilometer eerder in de week in combinatie met het schitterende weer nodigen uit tot een grotere reikwijdte. We starten midden in Peize en rijden via de Brusselse weg De Onlanden binnen. Mooi dat het gebied slechts op bepaalde plaatsen toegankelijk is voor auto’s, waardoor het een eldorado is voor de fietsende en de lopende mens. Die zijn vandaag dan ook volop aanwezig! Het schijnt dat enkele wegen in het Onlandergebied er al honderden jaren liggen, zoals de Drentse Dijk en de Roderwolderdijk; één van de oudste, nog bestaande zandwegen in Drenthe. Ik geloof niet dat wij hierover gereden hebben, maar wat weet ik ervan ……… ik heb me voornamelijk geconcentreerd op mijn nieuwe omgeving, mijn verruimde horizon en mijn nieuwe mogelijkheden. Er gaat hier letterlijk weer een hele nieuwe wereld open.

_DSF0652

Overal hoor je vogels, bloeien kleurige bloemen overdadig, ruisen de hoge grassen zachtjes in de wind en zien we royale waterpartijen. Het fietsen bevalt zo goed dat we er, na Eelderwolde, nog een lusje aan vast willen plakken. Via de ‘hoogzit’, een uitkijktoren bij Eelderwolde in de buurt, keren we terug naar de hoofdweg om weer richting Groningen te gaan, waar we in Peizermade de weg oversteken om aan de andere kant terug te peddelen naar huis.

IMG_1688

_DSF0640

Ik geloof dat ik de oostkant (de heenreis kant) van het gebied haast mooier vind dan de westkant. Gevarieerder, uitbundiger, maar het kan ook zijn dat ik de westkant nog onvoldoende heb doorkruist :). Hoe dan ook, dit gebied is nog volop in ontwikkeling en vraagt gewoon om meerdere expedities. Na deze vuurdoop van 33 km ben ik er wel klaar voor!