SEVILLA; de koekenpan van Europa (Spanje)

Sevilla heeft een bijzondere kleur (‘tiene un color especial’) zeggen ze in Spanje. Wij hebben deze bruisende stad een paar jaar geleden al uitgebreid te voet ontdekt en ervaren, dus kunnen we ons nu verheugen op een relaxte herontdekking met ‘nieuwe ogen’. Deze stad is naast alle bekende bezienswaardigheden immers ook de geboorteplaats van de traditionele flamenco en beroemd om zijn tapas. Vanwege de extreem hoge temperaturen in de zomer wordt de stad ook wel ‘de koekenpan van Europa’ genoemd. Sevilla is één van de warmste steden van Europa, Waar hebben we dat eerder gehoord? In de zomer kunnen de temperaturen oplopen tot zo’n 45 graden. De meeste inwoners trekken dan richting zee om daar verkoeling te zoeken.

Sevilla is trouwens een handels­haven ……… zonder zee. Eén van de meest verrassende weetjes over de stad is dat de handels­haven op 70 kilometer van de kust, aan de Guadalquivir rivier, ligt. In de 16e eeuw was het één van de belangrijkste havens ter wereld. Hier kwamen schepen vol goud, specerijen en exotische producten aan vanuit de ‘Nieuwe Wereld’. Omdat Sevilla niet direct aan zee ligt, konden alleen kleinere schepen de stad bereiken, maar dat hield de stad niet tegen om een centrale rol te spelen in de handel met Amerika. Zelfs nu is Sevilla’s haven nog steeds actief en de enige echte rivierhaven van Spanje, waar schepen tot 5.000 ton de stad kunnen binnenvaren en de eeuwenoude band met de zee levend te houden.

We logeren deze keer hartje centrum aan een pleintje vol sinaasappelbomen. Sevilla schijnt de meeste sinaasappelbomen ter wereld te hebben – naar schatting zo’n 50.000! Deze traditie gaat terug tot de tijd van Al-Andalus, de middeleeuwse moslimstaat alhier van 711 tot 1492. Ze geloofden dat het planten van een sinaasappelboom geluk bracht. Als bijkomend voordeel werden de vruchten gebruikt voor medicinale doeleinden. In de lente verspreiden de bloesems (azahar) een heerlijk zoete geur door de stad. Een nadeel is dat naar schatting 90% van de inwoners in meer of mindere mate hooikoorts heeft…..

We logeren aan een sfeervol pleintje (RK)

Daarnaast zijn al die miljoenen kilo’s sinaasappels veel te bitter om te eten. Ze worden gebruikt als veevoer, in cosmetica, voor marmelade en zelfs om elektriciteit op te wekken! Hoe dat precies in z’n werk gaat? Elektriciteit uit sinaasappels wordt opgewekt via vergisting van het sap, waarbij methaangas ontstaat voor biogas en elektriciteit. Een proefproject in Sevilla toonde aan dat 1000 kg sinaasappels 50 kWh aan stroom levert, wat genoeg is om vijf huishoudens per dag van energie te voorzien.

Een kilo sinaasappels telt ongeveer 3-8 vruchten, afhankelijk van de grootte en gezonde bomen leveren gemiddeld zo’n 200 – 350 sinaasappels per seizoen. Laten we eens uitgaan van 5 sinaasappels per kilo en 300 sinaasappels per boom (60 kilo per boom), dan leveren al die bomen, na vergisting, volgens een snel rekensommetje, samen zo’n 3.000 kWh op, toch genoeg voor 300 huishoudens……… Mits je er niets anders mee doet, natuurlijk. Over duurzame alternatieve energie gesproken ;).

Overal zie je sinaasappelbomen
De sinaasappel zijn veel te bitter om zo te eten

Om de grote kathedraal van Sevilla kun je niet heen. Merkwaardig is het om te horen dat deze kathedraal (evenals in andere grote steden) eeuwenlang het doelwit is geweest van een bijzondere vorm van graffiti. In het begin van de 19e eeuw zijn hier op de zijmuur rode anagrammen geschilderd door afgestudeerde studenten. Alleen degenen die zijn doctoraat behaalde, mocht zijn persoonlijke anagram voor de eeuwigheid op de kathedraal zetten als eerbetoon aan de wetenschap. Zou deze traditie nog steeds in ere worden gehouden?

Je anagram voor de eeuwigheid

Terwijl we langs de kathedraal en de Giralda toren (ooit een minaret) lopen, zien we opeens een groepje vrouwen die met elkaar op de foto gaan in hun flamenco outfit. Iedereen om ons heen stopt en haalt zijn of haar telefoon tevoorschijn. De dames verblikken of verblozen niet door alle aandacht. Sterker nog, we worden getrakteerd op een spontane gracieuze demonstratie van enkele dames. Het wordt opeens erg dringen geblazen om de groep goed te fotograferen, hahaha.

Zomaar op straat

Behalve de kathedraal is Sevilla ook een stad vol prachtige paleizen en herenhuizen, waarvan Casa de Salinas, een privé paleis, er eentje is die we nog niet eerder hebben gezien. Het is een ‘hidden gem’, aan de buitenkant haast onopvallend in het straatbeeld, maar van binnen vol rustige patio’s, prachtige mozaïeken en zuilengalerijen. Extra bijzonder is dat het geen doorsnee museum is, maar een echte woonplek. Casa de Salinas werd gebouwd in de 16e eeuw, een tijd waarin veel rijke families in Sevilla grote herenhuizen lieten bouwen rond mooie binnenplaatsen. De prachtige binnenplaats van Casa de Salinas werd in de tweede helft van de 16e eeuw regelmatig gebruikt voor premières van toneelstukken.

De binnenplaats als decor

Het huis kent een lange, bewogen geschiedenis. Ooit stond het bekend als Casa de Jaén, genoemd naar de eerste eigenaar: Baltasar Jaén. In die tijd maakte het huis deel uit van een chique buurt vol invloedrijke families. Nadat vele erfgenamen van Baltasar Jaén hier hebben gewoond, hield het landgoed Jaén in 1843 uiteindelijk op. Het huis had ondertussen al heel wat meegemaakt. In de vroege 19e eeuw werd het bezet door Napoleontische troepen, later diende het als woonhuis, drukkerij, school en zelfs internaat. Ook had op een gegeven moment een vrijmetselaarsloge, bestaande uit leden van de Sevilliaanse elite, het huis in gebruik. Bij hun vertrek lieten ze niet alleen geruchten achter over duistere rituelen en begraven lichamen, maar ook ging er een verhaal rond dat er ergens in het huis een geheime schat lag. Vele mensen gingen vervolgens overal gaten in muren en vloeren boren, totdat ze per ongeluk een oude septic tank doorbraken… met alle gevolgen van dien. Pas in 1930 kwam er een beetje rust in het huis, toen het herenhuis eigendom werd van de familie Salinas. Sindsdien is het tot aan de dag van vandaag in handen van deze familie, die het pand meerdere malen gerestaureerd heeft, waardoor de originele 16e-eeuwse elementen weer tot leven zijn gewekt.

Veel oorspronkelijke details
Spel van licht en donker (RK)

De muren zijn bedekt met tegels gemaakt in Triana. Wanneer je de tweede patio betreedt zie je een prachtig mozaïek uit de 2e eeuw, gewijd aan Bacchus, welke afkomstig is van de archeologische opgravingen van de Romeinse stad Itálica.

Tegels uit Triana (RK)
Mozaïek van Bacchus

We lopen vol verwondering rond, terwijl we luisteren naar de verhalen op onze koptelefoontjes. Het lijkt alsof de tijd hier even heeft stilgestaan! De met de hand beschilderde tegels, houten plafonds met prachtige patronen, balkons en elegante zuilen, alles vertelt iets over de tijd waarin het gemaakt is. Kleuren en vormen zijn met zorg uitgekozen zodat alles perfect met elkaar matcht. Sommige kamers zijn ingericht alsof je zo even kunt aanschuiven aan tafel. Dat is eigenlijk ook zo, want al die kamers worden na de openingstijden voor bezoekers gewoon weer door de familie gebruikt.

Alsof je zo kunt aanschuiven……. (RK)

Overal in Sevilla zie je een bijzonder stadslogo. Je ziet het woord ‘NO8DO’ op putdeksels, op gevels van gebouwen, de stoep, op vlaggen etc. De 8 in het midden is een knot wol (in het Spaans madeja) en dus staat er ‘NO MADEJA DO’, dat wil zeggen; no me ha dejado. De betekenis is: ‘zij/hij heeft me niet verlaten’, maar het is niet helemaal duidelijk waar deze tekst oorspronkelijk vandaan komt. NO-DO werd ook in andere religieuze Europese steden gebruikt in de Middeleeuwen. Het zijn de eerste letters van Nomine Domine, te vertalen als ‘in de naam van God.’ Het 8 teken zou dan staan voor ‘nodus’ of knoop, in dit geval een symbool van loyaliteit. Je hoort vaak dat de Sevillianen geloven dat het staat voor de trouwheid van hun stad aan Koning Alfonso X, de Wijze, toen deze in de 13e eeuw in oorlog was met zijn zoon Sancho. Sancho gaf toen toestemming om deze tekens te gebruiken als eer aan zijn vader Alfonso, omdat Sevilla hem als koning trouw bleef.

Het stadslogo (foto internet)

We horen dat er meer lokale legendes verbonden zijn aan Sevilla. Misschien wel de bekendste is die van Don Juan, een beruchte rokkenjager en een ‘vrije geest’. Hoewel de historische juistheid van deze figuur omstreden is, houdt het verhaal over zijn heldendaden en zijn uiteindelijke lot het publiek al eeuwenlang bezig. Zeg nou zelf: wie kent hem niet? Legendes van een betoverde tuin en een Moorse prinses spelen zich logischerwijs af in en rondom het Alcázar Paleis. Er wordt gezegd dat er in het paleis een betoverde tuin verborgen ligt, een geheim paradijs vol exotische planten, geurige bloemen en een glinsterende fontein. Alleen mensen met een zuiver hart en een ware liefde voor de natuur kunnen dit verborgen juweeltje ontdekken. We hebben het paleis tijdens onze vorige trip uitgebreid bezocht, maar helaas……. De Moorse prinses was verliefd geworden op een christelijke ridder. Toen hun verboden liefde werd ontdekt, moest de prinses de stad ontvluchten. Ze zwoer echter op een dag terug te zullen keren om zich met haar geliefde te herenigen. Sommigen geloven dat de geest van de prinses nog steeds rondwaart in het paleis van Alcázar, op zoek naar haar verloren liefde. Grappig om je te realiseren dat legendes vaak gebaseerd zijn op een (kleine) historische kern die in de loop der tijd is aangedikt met fantasie elementen. Veel van deze legendes hebben een dramatische, mysterieuze of soms trieste wending, terwijl anderen juist inspirerend, wonderbaarlijk of zelfs triomfantelijk zijn. Keuze genoeg!

Verwondering vind je overal (RK)

Het is inmiddels lekker buiten; fris met een beetje zon en een temperatuur van net boven de 20 graden C. Prima weer om ‘een terras te pakken’. Dat is geen probleem, want je vindt op elke hoek wel een sfeervol barretje of restaurant.

Salud!

Ons wordt aangeraden om de ‘Mercado de Triana’, een overdekte markthal in de wijk Triana, te bezoeken. Dat klinkt aantrekkelijk. Pas bij de Trianabrug realiseren we ons dat we hier de vorige keer ook geweest zijn. Niet erg, hoewel we ook deze keer niet erg onder de indruk zijn van de markt zelf. Zijn we al te verwend geraakt?

Net over de Triana brug vlakbij de markt

De wijk Triana is zeker leuk om nog eens door te lopen. Volgens de mythologie is deze wijk gesticht door Astarte, de godin van de vruchtbaarheid. Toen Hercules (zoon van oppergod Zeus en een halfgod met bovenmenselijke kracht en moed) achter Astarte aanzat, vluchtte zij naar de oevers van de Guadalquivir rivier en zo ontstond de wijk Triana. Hoe het ook zij, het resultaat was (en is) een levendige volkswijk, een authentieke (zigeuner)wijk met kleine straatjes die ook wel werd beschouwd als ‘de andere kant’. Vroeger zeiden mensen uit Triana die de brug overgingen naar het centrum zelfs dat ze ‘naar Sevilla’ gingen. De Trianeros beschouwen Triana nog steeds als los van Sevilla. Van oudsher lag Triana centraal ten opzichte van alle belangrijke (water)wegen van de stad en was de handelswijk beroemd om zijn typische Azulejos tegels en aardewerk. De Azulejos zijn keramiektegels met een typisch blauwe beschildering. Door de ligging had de wijk regelmatig te maken met overstromingen, want er waren geen dijken om het water tegen te houden. In de tweede helft van de 20e eeuw is de Guadalquivir rivier aangepast en sindsdien zijn er gelukkig geen overstromingen meer geweest.

Samlle straatjes (RK)

Sevilla was een heerlijke afsluiting van ons Moorse rondje. Wat hebben we veel gezien, geproefd en zelfs een beetje gewinkeld. Al zijn het dan vooral lekkere olijfoliën voor thuis. De Spaanse olijfolie, de basis van de mediterrane keuken, wordt tenslotte niet voor niets ‘de gouden nectar’ genoemd.

Sfeervolle winkelstraten

Natuurlijk hebben we ook weer gegeten bij ‘El Pasaje’, een restaurantje wat we ons nog bijgebleven is van de vorige keer en dat ook deze keer haar reputatie (voor ons) weer waarmaakt. We worden zelfs herkend, hetgeen goed is voor een traktatie in de vorm van een speciaal lokaal dessertwijntje.

MÁLAGA; het Barcelona van het zuiden (Spanje)

Eén van de meest bekende bijnamen van de stad is het Barcelona van het zuiden, vanwege ‘de combinatie van hippe restaurants, musea en stranden, het bruisende stadsleven en de toegang tot de Costa del Sol’. Zo’n grote veelzijdige stad als deze heeft echter al gauw meerdere bijnamen, het is maar net welke invalshoek je wilt benadrukken, nietwaar? Zo heeft de stad op populair niveau de bijnaam ‘la bella’ (de mooie) gekregen, terwijl ze in verschillende liederen ‘Bombonera’ (bonbondoos) wordt genoemd. Zeer waarschijnlijk vanwege het populaire stadion van Málaga CF, Estadio La Rosaleda, want een Bombonera wordt vaak geassocieerd met stadions met een intense sfeer waar het publiek dicht op het veld zit. Málaga wordt verder ook wel de ansjovisstad genoemd, de inwoners zelf zijn daardoor de ansjovissen (los boquerones), omdat dit typische visje een delicatesse is in de stad. Sowieso staat Málaga bekend om de grote hoeveelheden vis die hier gegeten wordt. Bij bijna elk restaurantje kun je wel een portie ‘pescaíto frito’  (gefrituurde vis) bestellen.

Een stad aan de Middellandse zee en maar zo’n 130 kilometer ten noorden van Marokko waardoor het de zuidelijkste (grote) stad van Europa is, vraagt om een plaatsje in onze ontdekkingstocht. Helemaal omdat Málaga 300 zonnige dagen per jaar telt. Met alle somberheid (qua weer dan) van de afgelopen dagen, zijn we wel toe aan een beetje zon! We rijden bijna recht naar het zuiden om de kustweg te nemen en zo alvast een indruk te krijgen van het leven aan de Middellandse zee. Dat is niet zo’n succes, want we zien vooral veel hoge flatgebouwen dicht op elkaar en zien maar heel weinig van de zee zelf. Gelukkig hebben we wel beter weer vandaag met af en toe een beetje zon. Dan ziet alles er toch meteen een heel stuk vriendelijker en uitnodigender uit.

De zuidelijkste (grote) stad van Spanje (RK)

Málaga is alweer de derde stad in ons rijtje belangrijkste Moorse steden in Andalusië. Hoewel Granada, Córdoba en Sevilla de absolute hoogtepunten zijn met een rijk islamitisch erfgoed, waaronder het Alhambra in Granada, de Mezquita in Córdoba en het Alcázar in Sevilla, is Málaga een stad waar je, ondanks het ontbreken van een grootse blikvanger, zeker genoeg invloeden uit de Moorse periode kunt zien. Volgens ons boekje combineert Málaga ‘historische charme met moderne cultuur: je vindt er bezienswaardigheden zoals het Alcazaba, het Romeins theater en het geboortehuis van Picasso’.

De bekendste en chicste hoofdstraat van Málaga

Wij starten onze tocht, hoe kan het ook anders, in het centrum bij de kathedraal aan het plein ‘Plaza del Obispo’. Vanuit alle kanten in de stad valt de toren van de kathedraal op, vooral omdat het er maar eentje is. In 1487 werd de stad Málaga veroverd door de Castiliaanse troepen. Zij verdreven de Moren en zorgden ervoor dat de grote Aljama Moskee met de grond gelijk werd gemaakt. Op deze plek moest de kathedraal ‘La Santa Iglesia Cathedral Basilicade la Encarnacíon’ komen. In 1528 zijn ze begonnen met de bouw om ruim 200 jaar door te werken aan de voltooing, al moet er wel bij vermeld worden dat het bouwproces heel vaak onderbroken werd vanwege geldgebrek. De linkertoren van 84 meter is hierdoor wel compleet, maar de rechtertoren is nog steeds maar half afgebouwd. Het geld dat iedere keer opnieuw apart werd gezet voor de rest van deze toren, werd uiteindelijk steeds weer uitgegeven aan andere dingen. In 1782 besloot ‘de stad’ dat de bouw van de kathedraal van Málaga klaar was, dan maar zonder complete rechtertoren. In de volksmond staat de kathedraal daardoor vooral bekend onder de toepasselijke naam ‘La Manquita’, wat zoiets als de ‘manke’ of (meer liefkozend) de ‘éénarmige dame’ betekent.

Die ene toren (RK)
In de ‘éénarmige dame’ (RK)

Het vlakbij gelegen Alcazaba (Moors fort) is mooi bewaard gebleven. De basis van het fort stamt uit de negende eeuw en is in de elfde eeuw verder uitgebreid als onderdeel van de vestingmuren die destijds rondom Málaga zijn gebouwd.

Het Alcazaba is mooi bewaard gebleven

Het geheel bestaat uit muren, wachttorens, patio’s en tuinen. Binnen de muren bevonden zich ook drie paleizen en een voormalig woongedeelte die de grandeur van vroeger nog steeds voelbaar maken. Vanuit het hoger gelegen Gibralfaro kasteel werd de vesting verdedigd, waarmee het fort een veilige plaats voor vorsten en gouverneurs was. De vesting heeft dubbele ringmuren en meerdere verdedigingstorens, ontworpen om zowel externe aanvallen als opstanden binnen de muren af te weren. De Arabische invloeden uit de tijd van de Moorse overheersing zie je duidelijk terug in het Alcazaba. Veel Arabische tekens, figuren en fraai versierde bogen. In de tuinen met vijvers zijn irrigatiesystemen aangelegd, iets waar de Moren in uitblonken.

Patio’s, zuilen en bogen (RK)
Mooie details langs de randen en het plafond

Na de christelijke verovering diende de Alcazaba aanvankelijk als koninklijke residentie. De ‘Torre del Cristo’, ofwel de toren van Christus, is later nog velen jaren gebruikt als kapel. Weer later trokken gewone bewoners in het fort en ontstond er een hele volkswijk binnen de muren. Deze huizen zijn in de 20e eeuw verwijderd tijdens de grootschalige restauratie.

De irrigatiesystemen zijn kunstig aangelegd (RK)

Omdat het fort tegen de Gibralfaroberg is aangebouwd, ligt het hoger dan de stad zelf. Het uitzicht vanuit de tuinen en vanaf de vestingmuren is zeker de moeite waard. Je ziet vanaf hier aan zeekant de haven van Málaga, terwijl de stadskant uitzicht biedt op het oude centrum en de bergen in de verte. In het zonnetje is dit absoluut geen verkeerde plek ;).

Uitkijken over de Middellandse Zee
Aan de andere kant de stad en de bergen

Tegen het Alcazaba aan ligt het Romeins theater of ‘Teatro Romano’, gebouwd in opdracht van de Romeinse Keizer Caesar Augustus. Waarschijnlijk werd het tot de derde eeuw zelfs nog gebruikt door de Moorse overheersers. Toch is het pas bij toeval in 1951 ontdekt tijdens de bouw van La Casa de la Cultura (gemeentelijk archief en bibliotheek). Eind jaren 80 is dit gebouw zelfs afgebroken om verdere opgravingen te kunnen doen. Het gehele theater bleek deels in de voet van de Gibralfaro berg en deels onder de gebouwen rondom verborgen te liggen. Bij de opgravingen bleek dat er grote delen van het theater waren verdwenen. De Romeinen hebben zelf een deel van het theater omgebouwd tot een soort fabriek. De Moorse overheersers hebben later een deel van het theater gebruikt voor de bouw van het Alcazaba. Zo zijn er verschillende marmeren Romeinse pilaren terug gevonden in het fort. Desondanks is de vorm van het theater nog wel goed zichtbaar. Bijzonder dat je er zo langs kunt lopen, een stukje geschiedenis dat moeiteloos aansluit bij het dagelijks leven.

Ook verrassend (voor mij) is dat Pablo Picasso (1881-1973) in Málaga geboren is. Het verhaal gaat dat het een zware bevalling was in het bijzijn van een oom, die arts was, en een vroedvrouw. De vroedvrouw dacht dat het kind dood was en besteedde alleen aandacht aan de moeder. Gelukkig redde zijn oom Pablo van de verstikkingsdood. Op het plein voor het geboortehuis vind je een bronzen standbeeld van de schilder zittend op een bankje. Het is wel even zoeken op het grote plein met alle drukte en levendigheid wanneer de zon net onder is gegaan, maar dan heb je ook wat ;).

Even buurten met een wereldberoemde man

Al op negen jarige leeftijd schilderde Pablo zijn eerste schilderij met olieverf; ‘de picador’, een stierenvechter in de arena. Vanaf 1894 hield Pablo een dagboek bij, waarin hij portretten en karikaturen tekende. Schilderijen signeerde hij in die jaren met P. Ruiz. Dit was de achternaam van zijn vader. Hij was n.l. het eerste kind van José Ruiz Blasco en María Picasso López. Zijn twee achternamen zijn conform het Spaanse naamstelsel achtereenvolgens de eerste achternaam van zijn vader en de eerste achternaam van zijn moeder. Merkwaardig is dat hij later onder zijn tweede achternaam Picasso bekend is geworden. Pablo vertrok als jong volwassene samen met een vriend per trein (een reis van enkele dagen) van Barcelona naar Parijs, toen dé wereldstad en centrum van de kunstwereld. Parijs was de ‘lichtstad’ met de Eiffeltoren die, evenals enige straten, omstreeks 1900 al verlicht werd met elektrisch licht. Hier ontmoette hij zijn eerste Parijse vriend, de journalist en dichter Max Jacob. Ze deelden samen een appartement; Max sliep ’s nachts, terwijl Picasso overdag sliep en ’s nachts werkte. Het waren tijden van armoede, kou en wanhoop. Veel van Picasso’s werk werd verbrand om de kleine woning warm te houden. Op de Wereldtentoonstelling van 1900 hing in het Spaanse paviljoen het schilderij ‘De laatste ogenblikken’ van de toen 19-jarige Picasso. Van dit schilderij is alleen nog een voorstudie over: Priester bezoekt stervende man uit 1899. Het echte schilderij is door hemzelf later overgeschilderd en als ondergrond gebruikt voor een schilderij met de veel positievere titel: la vie (het leven). In 1904 verhuisde Pablo definitief naar Parijs.

Een veel terugkerend motief in zijn oeuvre is de vrouwelijke vorm. Zijn vele minnaressen fungeerden tevens als zijn muzen. Telkens als Picasso weer een nieuwe minnares had, was dat duidelijk te zien in zijn werk door een wisseling in zijn stijl. Picasso wordt door velen gekarakteriseerd als een rokkenjager en een vrouwenhater, een ‘maltratador’ (een misbruiker), die ‘zijn’ vrouwen op een voetstuk zette en ze vervolgens keihard liet vallen. Hij zou daar zelf over gezegd hebben: ‘Voor mij zijn er maar twee soorten van vrouwen: godinnen en deurmatten’. Zijn kleindochter Marina Picasso schrijft in haar memoires over zijn behandeling van vrouwen: ‘Hij onderwierp ze aan zijn dierlijke seksualiteit, temde ze, betoverde ze, verslond ze en verpletterde ze op zijn doeken.’ Wauw, geen denderende persoonlijkheid, ook al is hij dan één van de bekendste Spaanse kunstschilders geworden.

Een nieuwe liefde en daardoor Een positieve kijk?
Symbool voor zijn haat-liefde verhouding tot de vrouw?

Málaga eert hem, vanwege dat laatste feit, dan ook met een eigen museum. Het museum, in een oud familiepaleis, is nog redelijk jong; het is in 2003 geopend en mede mogelijk gemaakt door de familie Picasso. De erfgenamen gaven toestemming om hun familiebezit voor 50 jaar in dit museum tentoon te stellen. De collectie bestaat uit ongeveer 200 werken (schilderijen, sculpturen en schetsen) van de kunstenaar. De meeste van zijn echt bekende werken vind je hier echter niet, die kun je zien in het Picasso museum van Barcelona of dat van Parijs, terwijl zijn bekendste werk ‘La Guernica’ in Madrid hangt.

Desondanks is hier genoeg te bewonderen en is de belangstelling groot. Ondanks vooraf geboekte tickets met een tijdslot zijn de rijen lang en is het binnen telkens even je kans afwachten om de werken goed te kunnen zien. Hier hangen een aantal stukken die nog nooit eerder in een ander museum getoond zijn. Het geheel wordt beschreven als een reis door Picasso’s kunst van vroege schetsen tot de laatste schilderijen uit de jaren zeventig. Echt de moeite waard!

De Stierenkop (1942) is gemaakt van een leren fietszadel en een fietsstuur

Na afloop slenteren we op ons gemakje door de stad, langs kleine straatjes en brede boulevards. Overal zijn mensen en de terrassen zitten bomvol. Wij weten nog net een lekker plekje in de zon te bemachtigen voor een lichte lunch. De bediening is helaas gehaast, de service nonchalant en de prijs exorbitant.

Verrassende straatjes
Vergeet niet om ook omhoog te kijken……
Een ander perspectief (RK)

Het aantal toeristen naar Málaga (voor een stedentrip of vakantie) verbreekt tegenwoordig alle records, waardoor hotels en appartementen als paddestoelen uit de grond vliegen. Málaga heeft bovendien een mooie grote haven waar steeds meer cruiseschepen aanmeren met vele honderden passagiers aan boord die ook graag de stad willen bezoeken. De keerzijde van een toeristenstad is dan dat authentieke winkels plaatsmaken voor toeristische voorzieningen, dat huisvesting een probleem wordt (we zien erg veel daklozen en bedelaars) en dat steeds meer lokale mensen hun stad verlaten om hun levensgeluk elders terug te vinden. Jammer! De gemeente probeert zeker mee te denken en heeft b.v. het centrum autovrij gemaakt en veel gebouwen gerenoveerd, waardoor de stad een stuk mooier is geworden. Maar of dit genoeg is…….

Granada – de parel van Andalusië (Spanje)

Deze Andalusische stad aan de voet van de Sierra Nevada is gevormd door verschillende culturen en zit vol opmerkelijke weetjes die veel verder gaan dan alleen het beroemde Alhambra. Zo was Granada in de 14e eeuw de grootste stad van Europa. Niet Londen, Parijs of Rome maar Granada had in die tijd de meeste inwoners. De stad bruiste van het leven met twee grote moskeeën: één op het Alhambra (het nu beroemde paleis- en fortcomplex) en een ander in het stadscentrum. Deze bloeitijd viel samen met het hoogtepunt van de Nasridische dynastie, de laatste Arabische islamitische dynastie die van 1237 tot 1492 over Granada heerste. Dat klinkt veelbelovend!

Hoewel de weersvoorspellingen nog niet veel beter zijn, proberen we onze tijd goed te gebruiken. We beginnen onze verkenning met de ‘Catedral de Granada’. Deze indrukwekkende kathedraal kent een bouwtijd van meer dan 180 jaar. Dit is een project geweest waarvan zelfs de achterkleinkinderen van de oorspronkelijke bouwers de voltooiing niet meer hebben meegemaakt! Dit imposante gebouw van 115 meter lang en 67 meter breed (ongeveer de grooste in Europa) werd gebouwd nadat de Arabieren in 1492 waren verslagen door de legers van Ferdinand II van Aragon. De moskee die er stond, werd met de grond gelijk gemaakt als symbool van het christelijke overwicht. De bouw werd pas in 1704 afgerond, dwars door de heerschappij van verschillende koningen, architecten en bouwstijlen heen. Er wordt zelfs verteld dat één van de architecten letterlijk stierf van uitputting door het toezicht op de bouw. Het resultaat is een mix van stijlen; van gotiek tot renaissance en barok. Ondanks zijn grootsheid mist de kathedraal een toren. Door geldgebrek en structurele twijfels werd er uiteindelijk maar één van de twee geplande torens gebouwd. Zelfs 180 jaar waren niet genoeg om het oorspronkelijke plan volledig uit te voeren ;).

Capilla mayor

De kathedraal is gewijd aan de Maagd van de Incarnatie, een verwijzing naar Maria, want ‘zij belichaamt de menswording (incarnatie) van God en wordt vereerd als een zuiver, nederig model van geloof’. Eén van de belangrijkste trekpleisters zijn de vijftien kapellen, waarvan de Capilla Mayor het absolute hoogtepunt is. Wat een pracht en praal. Ook kun je niet om de twee grote vergulde 18e eeuwse orgels heen. Twee orgels om een groots en ruimtelijk stereofonisch geluidseffect te creëren tijdens christelijke vieringen. De gedachte is dat deze opstelling, met een ‘Epistel-orgel’ en een ‘Evangelie-orgel’ tegenover elkaar, de muzikale ervaring in de grote ruimte versterkt. Wij kunnen het geluid niet beoordelen, maar kijken wel vol verwondering naar de overdaad om ons heen.

Gewijd aan Maria
Beide orgels tegenover elkaar

Vragen als ‘hoe konden zij in die vroegere arme tijden de bouw van zulke majestueuze kathedralen bekostigen?’ en ‘waarom laten die kerken zo’n grote weelde zien?’ komen haast ongewild naar boven. Naar blijkt ‘verdiende’ de kerk het geld hiervoor grotendeels met de verkoop van zogenaamde aflaten, een soort kwijtscheldingen. In de 11e eeuw bedachten ze dat niet alle zondaars onherroepelijk voor eeuwig en altijd in de hel hoefden te eindigen, maar dat er ook een soort doorgangshuis bestond; het vagevuur. Zondaars die het niet al te bont hadden gemaakt, werden daar ‘gezuiverd’ voordat ze alsnog de hemel in mochten. Hoelang ze moesten branden, hing af van de ernst van hun zonden. Bovendien konden ze hun verblijf bekorten door schenkingen aan de kerk te doen. In ruil daarvoor ontvingen ze aflaten, die meestal werden uitgedrukt in het aantal dagen of jaren waarmee hun vagevuur straf werd bekort. Gaandeweg werd een godsdienstig doel steeds minder belangrijk en kwam er een directe band tussen geldsom en aflaat. Aflaten waren gewoon bij de kerk te koop en werden gretig verhandeld, waarbij het om enorme bedragen ging. Tussen 1480 en 1520 was zeker twee derde van de bouwgelden daaruit afkomstig.

Naast bidden en missen had de kathedraal nog een doel, namelijk als grafkapel. De Capilla Real is gebouwd in opdracht van koningspaar Isabel en Ferdinand om als grafkerk te dienen voor henzelf en hun opvolgers. De preekstoel in de ruimte had als voornaamste doel om diplomaten en adellijken te kunnen toespreken. Daarom staat de preekstoel tegenover de zetel van de koning, terwijl de praalgraven van Isabel en Ferdinand tussen de banken voor de diplomaten en de preekstoel staan. Zo konden de diplomaten niet zien, welke aanwijzingen de koningen aan de predikant gaf……

Verboden te fotograferen, vandaar een foto van het internet

Via Plaza de Bib-Rambla, het centrale plein in het winkelgebied en centrum van Granada, gaan we met een klein busje naar het Alhambra, het ‘achtste wereldwonder’ volgens de Spanjaarden. Het is een prachtig middeleeuws paleis- en fortcomplex en staat bekend om zijn Moorse architectuur, mooie tuinen en als ‘rood kasteel’ (Al-Hambra). Het ontwerp dat voor Alhambra werd gemaakt had oorspronkelijk zes paleizen, talloze badhuizen, twee torens en een irrigatiesysteem genaamd ‘acequias’, dat de afhankelijkheid van de opvang van regenwater wegnam. De belangrijkste onderdelen van het Alhambra anno nu zijn: de Nasiridische paleizen (van de laatste Arabische, islamitische dynastie), de Generalife (het zomerpaleis met grote, prachtige tuinen en waterpartijen), het Alcazaba (een militaire vesting met torens met een panoramisch uitzicht over Granada) en het paleis van Karel V wat later midden in het complex werd toegevoegd. Keizer Karel V trouwde in 1526 met Isabella van Portugal en bracht zijn wittebroodsweken door in de Nasiridische paleizen van het Alhambra. Hij bedacht toen dat hij zich hier wilde vestigen en gaf opdracht om ter plekke een eigen paleis voor hem te bouwen. Volgens sommigen doet dat paleis afbreuk aan de uitstraling, maar gedane zaken……. Jaarlijks bezoeken toch ongeveer 2,5 miljoen mensen deze eeuwenoude fortificatie. Wil je echter, zoals wij, op de bonnefooi het complete Alhambra met de paleizen zien, dan is de kans heel erg groot dat het uitverkocht is. Vooraf via internet reserveren, waarbij je een vaste toegangstijd krijgt voor de Nasridische paleizen, is een must. Jammer, maar gelukkig kunnen we nog wel terecht in het Alcazaba en de Generalife.

Verdedigingsfort

Waar de Alcazaba het oudste deel is met robuuste torens, dikke muren en smalle doorgangen kenmerkend voor een militair fort, werd het zomerpaleis gebruikt als plek om uit te rusten en tot rust te komen buiten de drukte van het hofleven. Wat de Generalife zo bijzonder maakt, is de combinatie van architectuur en tuinen. Anders dan de paleizen in het hoofdcomplex was dit geen plek voor officiële ontvangsten of staatszaken, maar een rustoord waar de heersers zich konden terugtrekken. De ligging net buiten de versterkte muren van het Alhambra gaf de Generalife een eigen sfeer: minder formeel, meer gericht op ontspanning en het genieten van het landschap. Het hart van de Generalife wordt gevormd door de ‘Patio de la Acequia’, een langgerekte binnenplaats met een smal kanaal dat van begin tot eind doorloopt. Dit is een van de bekendste plekken binnen het Alhambra waar de combinatie van water, beplanting en symmetrische vormen goed laat zien hoe belangrijk rust en balans waren voor de Nasridische heersers. Rondom deze patio vind je verschillende kamers en galerijen die vroeger dienst deden als privévertrekken en plekken om te schuilen tegen de hitte.

Het hart van de Generalife

Vanaf de bovenste gedeelten kijk je uit over het Alhambra en de stad Granada. Deze uitzichten maken duidelijk waarom dit zomerpaleis juist hier werd aangelegd: dicht bij het hof, maar ver genoeg om afstand te nemen van de drukte en de hitte van het dagelijkse bestuur. Heel bijzonder! We hebben vast wat gemist met de paleizen, maar de tuinen maakte veel goed, helemaal omdat de regen even verstek liet gaan om plaats te maken voor een (waterig) zonnetje.

Uitkijkje van de Generalife over de stad Granada
Je blijft je verbazen ……..

Op de heuvel tegenover het Alhambra ligt de oude Arabische wijk El Albaicín. In de 13e eeuw was het een welvarende wijk met de nodige paleizen en een doolhof van smalle straatjes en pleinen in combinatie met veel witgekalkte huizen. Na de verovering (van Granada) in 1492 door de katholieke koningen werden in deze wijk, zoals overal, de oorspronkelijke moskeeën afgebroken en vervangen door kerken. De wijk is het beste te voet te verkennen aangezien de straatjes steeds smaller worden. Het is een hele klim naar boven, maar zo krijg je wel verreweg de beste indruk van deze bijzondere plek. Dat klinkt natuurlijk heel aantrekkelijk, maar het regent (nog) steeds zo hevig dat we besluiten om in plaats daarvan een flamenco dans te bezoeken in de ernaast gelegen wijk Sacromonte.

De smalle straatjes van El Albaicin (RK)

In de 15e eeuw vestigde zich hier een grote groep Spaanse zigeuners, de gitano’s. De zigeuners maakten hun woningen door stukken uit de heuvel te hakken. Dit leidde tot de typische grotwoningen waar de wijk nu om bekend staat. De grotwoningen hebben vaak slechts twee of drie kamers. In dezelfde eeuw kreeg de heuvel (Valparaiso) de status als heilige berg, omdat ze dachten in grotten van de heuvel restanten aan te treffen van de patroonheilige van de stad, San Cecilio. De letterlijke betekenis van Sacromonte is dan ook heilige berg. Deze gitano’s stonden niet alleen bekend om hun typische grotwoningen, maar ook om de flamenco. De zigeuners van Granada kennen zelfs hun eigen vorm van flamenco, de zambra mora, een combinatie van de traditioneel Spaanse flamenco en de sensuele Arabische buikdans. Toeristisch en een belevenis die we toch niet mogen missen?

Zo betreden wij nieuwsgierig een traditionele (kleine) grotwoning (een tablao; bar met show) en zitten we even later met onze voeten praktisch op de dansvloer. Dichterbij kan bijna niet! Dit belooft een intieme, intensieve ervaring te worden. We ontdekken dat een show uit ‘live gitaar, gepassioneerde zang (cante jondo) en expressieve dans’ bestaat.
 Een diepgewortelde traditie, gekenmerkt door krachtige emoties, snel voetenwerk en een directe verbinding tussen artiesten en publiek. Mijn buurvrouw is een Spaanse woonachtig op de Canarische eilanden, die praktisch geen woord Engels spreekt (mijn Spaans is ook niet geweldig), maar ze maakt mij met handen en voeten en veel expressie duidelijk dat ze hier is met vele vrouwelijke familieleden en dat deze show het echte werk is. De artiesten hebben er zin in en zwepen elkaar op tot grote(re) hoogten. Met de toegift gaat het publiek los. Dit lied kent iedere Spanjaard kennelijk. Wij kijken verbaasd om ons heen en joelen mee waar we kunnen invallen. Inderdaad een ervaring!

Expressieve dans (RK)
Snel voetenwerk (RK)

Op de terugweg stoppen we nog even bij ‘het mooiste plein van de stad’, het Plaza de San Nicolás in Albaicín. Vanaf hier heb je namelijk een geweldig uitzicht op het Alhambra en op, als je ze tenminste kunt zien, de besneeuwde toppen van de Sierra Nevada. Dit is het Mirador San Nicolás en hier maak je de foto die op vrijwel elke ansichtkaart van Granada staat. Dat is tenslotte niet voor niets, denk ik dan maar. Prachtig, ondanks de gestage drup die het uitzicht wat versluiert.

Alhambra vanaf het uitkijkpunt
Zelfs het plein is mooi betegeld (RK)

We wagen ons ook aan een tapas tour, de ‘ultieme manier om de stad te ervaren, aangezien je bij elk drankje een gratis tapa krijgt’. Dat hebben wij ook al diverse keren ervaren. Net als in de rest van Spanje zijn tapas ook hier enorm populair. Het grote voordeel van een studentenstad als Granada is de traditie dat je een gratis tapa krijgt bij elk drankje en vaak een andere tapa bij een tweede drankje. Tussen de verschillende bars is het ook vaak een wedstrijd om de klant met de beste tapas te winnen. Hoe bijzonder ook, wij willen graag meer informatie over de tapas en alles wat daarbij komt kijken. Het hoe, waar, wat en waarom als het ware.

Onze Amerikaanse gids Bruce weet hier wel raad mee. Hij woont alweer een aantal jaren met zijn Spaans partner in deze stad en vindt het heerlijk om andere buitenlanders mee op sleeptouw te nemen om verhalen en anekdotes te vertellen onder het genot van. Zo vertelt hij over één van de typische gerechten van Granada: de Sacromonte omelet. De échte omelet wordt gemaakt met gekookte kalfshersenen en testikels van een stier, allemaal gesneden, gebakken en uiteindelijk gemengd met opgeklopte eieren. Wijselijk heeft Bruce dit vandaag niet op het menu staan bij één van de vijf cafeetjes waar wij aanschuiven of is dit toch een gemiste kans? Ik weet niet eens precies meer wat we allemaal geproefd hebben, wel dat elk cafe ook nog een glas wijn voor ons erbij serveerde. Zelfs met halve glazen of soms eentje overslaan, werd de stemming onderling steeds gezelliger. Een leuke groep, vol ervaringen, interesses en de bijbehorende verhalen.

De beroemde Trevélez-ham, een van de sterproducten van Granada (foto internet)

Bruce vertelt ons tot besluit nog een leuk weetje over de naam van de stad. Granada stamt af van het Spaanse woord voor granaatappel. De granaatappel was een symbolische vrucht in de Islamitische cultuur en wordt geassocieerd met vruchtbaarheid, leven en overvloed. Volgens de legende koos de stichter van Granada, de Berberse koning Alhamar, deze naam voor de stad vanwege de overvloed aan granaatappelbomen in de omgeving. Over Moorse invloeden gesproken!

We hebben dan misschien andere dingen gedaan vanwege de regen, maar hebben wel het gevoel dat we Granada (een beetje) hebben leren kennen.

Córdoba – de braadpan van Andalusië (Spanje)

Een bijnaam als ‘de braadpan van Andalusië’ heb je natuurlijk niet voor niets. In Córdoba worden de warmste temperaturen van heel Europa gemeten. Vanaf juli is het vier maanden lang tropisch heet, waarbij 40 graden Celsius geregeld gehaald wordt met zelfs recordtemperaturen rond of net iets boven de 45 graden. Logisch dus dat dan het tempo van het leven over het algemeen laag ligt en een siësta halverwege de middag eigenlijk helemaal geen luxe is.

Wij hebben gekozen voor de milde winter en hopen te ontsnappen aan de ijzel omstandigheden in het noorden van ons eigen land. Helaas is het weer niet te voorspellen en hebben Spanje en Portugal nu te maken met noodweer door storm Leonardo. Op 5 februari zijn de hevige regenbuien nog niet voorbij en ook op de dagen daarna wordt weer zware regenval verwacht. De Volkskrant schrijft: ‘Vooral de zuidelijke regio Andalusië is flink getroffen door storm Leonardo. In totaal zijn zevenduizend mensen geëvacueerd. Het verkeer ligt goeddeels stil: meer dan 140 wegen zijn afgesloten en meerdere treinen rijden niet. Een deel van de scholen bleef dicht. De waterstand van de Andalusische rivier Guadalquivir is extreem hoog en in Córdoba vrezen autoriteiten dat de rivier zal overstromen.’ 

Zoals wij het zien (RK)

Wij komen in de stromende regen in Córdoba aan. Gelukkig heeft ons hotelletje midden in het oude gedeelte van de stad een garage naast de deur. Ingecheckt en wel besluiten we om direct de directe omgeving te gaan verkennen. Onze eerste aanschaf is, heel toepasselijk, een paraplu om vooral alle extra’s, zoals een camera, een beetje droog te houden.

De eerste aankoop is een noodzakelijke paraplu (IK)
Het is meteen duidelijk wat je hier kunt kopen 😉 (IK)

We logeren vlakbij de indrukwekkende Romeinse brug, de Puente Romano de Córdoba. Dit is een eeuwenoude stenen brug uit de 1e eeuw voor Christus en (mede) daardoor één van de beroemdste Romeinse bruggen van Spanje. Grappig weetje is dat deze brug te zien is in de serie Game of Thrones als de brug van Volantis, één van de belangrijkste steden op het vasteland van Essos. Zowel in de serie als hier ter plekke kun je vanaf de brug genieten van prachtige uitzichten op de Guadalquivir rivier (de naam ‘Guadalquivir’ komt uit het Arabisch; ‘Al-wadi al-kabir’ betekent ‘de grote rivier’) en op het historische centrum van Córdoba. Dit is niet zomaar een brug. Deze Romeinse brug is één van de weinige monumenten uit de Romeinse tijd die bijna helemaal intact is gebleven en al meer dan 2.000 jaar dienstdoet als oversteek. Dezelfde stenen waar wij nu overheen lopen, zijn ooit betreden door Romeinse keizers, Arabische kaliefen en christelijke koningen. Uit Córdoba kwamen b.v. twee Romeinse keizers, t.w. Trajanus en Hadrianus, de Romeinse dichter Lucanus en de beroemde Romeinse stoïcijnse filosoof Seneca. Het stoïcisme is een eeuwenoude Griekse filosofie die innerlijke rust, deugdzaamheid en rationeel denken centraal stelt. Dan had je ook nog de filosoof Averroës, die in de twaalfde eeuw de ideeën van Aristoteles in overeenstemming probeerde te brengen met de leer van de islam. Het is een gegeven dat de traditie van grote denkers hier eeuwenlang is blijven bestaan, waardoor Córdoba een echt intellectueel centrum van de oude wereld is geweest.

Vanaf de brug is de ‘wildheid’ van de rivier goed te zien (IK)

Wij lopen rustig over de brug, terwijl we regelmatig even stilstaan om over de leuning naar de onstuimige rivier te kijken. We zijn niet de enigen. Veel lokalen doen hetzelfde, zo’n wild stromende rivier en zulk hoog water zien ze hier ook niet elke dag. Aan de overkant zie je de Torre de la Calahorra, die vroeger als toegangspoort en verdediging diende. Ongeveer halverwege de brug zien we een standbeeld van San Rafael, gebouwd in 1651. San Rafael ((beschermheilige van o.a.reizigers, blinden, gelukkige ontmoetingen) wordt gezien als de beschermengel van Córdoba. Rondom het beeld staan kaarsen. Het verhaal gaat dat de kaarsen een teken van zegening zijn voor de reizigers die naar Córdoba komen of de stad juist weer verlaten. Het is niet meer dan logisch dat we op de terugweg over de brug naar de stad toe de stadspoort, Puerta del Puente, uit de 16e eeuw duidelijk kunnen zien. De poort wordt ook wel de Arc de Triomphe van Cordoba genoemd. Het is één van de drie nog overgebleven oude stadspoorten uit de stadsmuren van Córdoba. In 1912 heeft Alfonso XIII de omliggende stadsmuren verwijderd en sinds 1928 is de Puerta del Puente omgevormd tot een historische gedenkpoort.

In de verte de Torre mysterieus in het donker (RK)
San Rafael, de beschermengel van de stad (RK)
De stadspoort is indrukwekkend (IK)

Sinds 1931 is de stadspoort, samen met de brug en het verdedigingswerk aan de andere kant, uitgeroepen tot ‘Bien de Interés Cultural’ in de categorie monumenten. Het geheel maakt ook deel uit van het historische centrum van Córdoba, dat in 1984 tot Unesco werelderfgoed werd verklaard.

Inmiddels zijn we werkelijk doorweekt en is het de hoogste tijd voor ‘una copa de vino y una tapa’, want volgens ons boekje is dat een van de leukste dingen om te doen terwijl je van het lokale leven om je heen geniet. Tapas eet je eigenlijk als een snack en niet als een maaltijd. Toch kun je vaak op basis van tapas wel een menu samenstellen, een leuke manier om zoveel mogelijk verschillende gerechten te leren kennen. De bekendste tapa hier is wel Rabo de Toro, een stoofpot die vroeger werd gemaakt van de staart van de stier…..hoewel de staart vandaag de dag lang niet altijd deel uitmaakt van het gerecht. Wij gaan echter voor een ander, hier zeer bekend en geliefd, gerecht: Salmorejo Cordobés. Ik lees: ‘dit eenvoudige maar voortreffelijke gerecht vangt de essentie van Córdoba’s culinaire traditie. Het mengt de levendige smaken van rijpe tomaten, rijke extra vierge olijfolie, een vleugje knoflook en een snufje zout tot een perfect gladde, gekoelde lekkernij.’ De moeite van het proberen zeker waard!

Salmorejo in de hoofdrol (IK)

Dit gerecht ontstond ooit als een slimme manier om oud brood te gebruiken dat overbleef door dit te mengen met basisproducten uit de Andalusische voorraadkast: knoflook, azijn, olijfolie en zout. In de oorspronkelijke vorm was het een soort dikke pasta zonder tomaat. In feite werd de tomaat pas in de loop van de 18e eeuw toegevoegd. Achter die kom met brood en tomaat schuilt dus een recept met een eeuwenoude traditie dat van generatie op generatie is doorgegeven, zich heeft aangepast, opnieuw is uitgevonden en de wereld, buiten Andalusië, heeft veroverd. In Córdoba nemen ze salmorejo serieus. Zozeer zelfs dat er een gastronomische broederschap bestaat die exclusief aan dit recept is gewijd. Ze organiseren wedstrijden, proeverijen, samenwerkingen met kookscholen en zelfs een jaarlijkse viering van de ‘Dag van de Salmorejo’. Lopend door de stad kun je in de Joodse wijk (Judería de Córdoba) zelfs een klein straatje ontdekken: de Calleja del Salmorejo Cordobés, waar je een tegel met het originele recept van de salmorejo op de muur kunt vinden. We gaan de komende dagen nog vaker van dit gerecht genieten!

Weer enigszins droog gaan we verder op stap door het historische centrum, dat één van de grootste oude binnensteden van Europa blijkt te zijn. In het jaar 711 werd Córdoba bezet door de Moren en in 756 werd de stad de hoofdstad van Emiraat van Córdoba. Een emiraat is een gebied  dat onder het bestuur van een emir,een Arabische prins, vorst of leider, valt. Hiermee werd Córdoba eigenlijk meteen de machtigste stad van het Moorse rijk Al-Andalus dat vrijwel heel het Iberisch schiereiland besloeg en zelfs een stukje in het zuiden van het tegenwoordige Frankrijk. We lopen door smalle straatjes die kronkelen tussen witgekalkte huizen, kleine pleintjes en verborgen binnenplaatsen. In de Patio’s, de binnentuinen, kun je het hele jaar genieten van kleurrijke bloemen en een authentieke sfeer met de geur van jasmijn en oranjebloesem in de lucht. Tenminste zo wordt het beschreven. De regen met de daarbij behorende kou maken hier op dit moment helaas een wat troosteloos geheel van, waardoor de gebruikelijke charme gewoon niet tot haar recht komt. Onze fantasie heeft moeite om het gebrek aan kleur, geur en rust in te vullen.

Smalle straatjes (IK)
Wind en regen is een lastige combinatie (RK)

Wel een echte bezienswaardigheid is de Mezquita of de Grote Moskee, die stamt uit de periode toen Córdoba één van de belangrijkste en rijkste steden ter wereld was. Voor Córdoba begon de periode van grootste roem in de 8e eeuw. Er werden toen ongeveer 300 moskeeën en ontelbare paleizen en openbare gebouwen gebouwd om te wedijveren met de pracht en praal van Constantinopel, Damascus en Baghdad.

Wij gaan de Mezquita bezoeken met een gids om meer te horen over de details en de betekenis van al het moois wat we gaan zien. De Mezquita is gebouwd op de fundamenten van een Romeinse tempel, waar bovenop later een kerk is gebouwd. Toen Córdoba door de Moren werd veroverd, ‘moest’ de bevolking de kerk aan hen verkopen, waarna het oorspronkelijke kerkgebouw werd gesloopt en werd begonnen met de bouw van een moskee. Als basis werden marmeren zuilen van nabijgelegen Romeinse villa’s gebruikt. Omdat deze te laag waren, werd hier een tweede boog bovenop aangebracht, waardoor de moskee zijn kenmerkende bouw kreeg. Destijds was de Mezquita de grootste moskee van Europa met 1200 zuilen en kon het plaats bieden aan 20.000 moskeegangers. Onze gids Rafa (van Rafael) vertelt vol passie over alle pracht en praal en bijzonderheden van deze moskee-kathedraal. Het ‘woud van bijna duizend zuilen’, die samen een spel van perspectieven creëren, wijst volgens het islamitische geloof naar het oneindige, waar Allah woont. Fascinerend. Vreemd daarentegen is dat de Mihrab, de nis die de gebedsrichting aangeeft, niet naar Mekka wijst, maar naar het zuiden. Over het waarom bestaan verschillende theorieën…….

Een ‘(palmen)bos van zuilen’ (RK)
Een spel van perspectief, een verwijzing naar het oneindige (IK)
De bovenkant van de Mihrab (IK)
De gebedsruimte in het grote geheel (foto internet)
De kapellen in het midden van de ruimte vallen op (IK)

De huidige klokkentoren was oorspronkelijk een minaret. Volgens Rafa bestaat de minaret nog steeds, de klokkentoren is er gewoon omheen gebouwd. Het binnenplein, de Patio de los Naranjos, is nu gewoon een rustig binnenplein omringd door sinaasappelbomen. Deze sinaasappels zijn, volgens onze gids, te bitter om zo te eten, ze worden vooral gebruikt om marmelade te maken. In de tijd van de kaliefen was dit echter een heel belangrijke plek. Het vormde het centrum van de islamitische gemeenschap, waar naast het gebed o.a. Arabisch onderwezen en rechtgesproken werd. Onder de sinaasappelbomen loopt een oud watersysteem dat is verbonden met oude putten die vroeger water leverden voor de rituele wasbeurten voor het gebed. Ingenieus.

Overal in de stad vind je trouwens sinaasappelbomen (IK)

Hoewel iedereen het over de ‘Mezquita’ heeft, werd het gebouw in 1239 officieel een kathedraal. De kathedraal is gebouwd in het hart van de Mezquita, waarbij 400 zuilen werden verwijderd. Hierna vonden (natuurlijk) nog de nodige uitbreidingen en verfraaiingen van de kathedraal plaats onder het bewind van Koning Ferdinand III van Castilië en keizer Karel V, al beweerde de laatste wel: ‘Jullie hebben vernietigd wat uniek was in de wereld en iets ervoor in de plaats gezet wat je overal kunt vinden!’ Dat is toch niet het geval ……. de moskee kathedraal zoals wij die vandaag zien, is een uniek gebouw (23.000 m2) met een mooie mengelmoes van zowel Moorse als katholieke invloeden in de Joodse wijk. 

De oude minaret zit in de klokkentoren (IK)

Córdoba stond vroeger sowieso bekend als stad waar verschillende religies naast elkaar leefde in de Joodse wijk. Nadat Córdoba in 711 was ingenomen door de moslims, gebruikten deze de joodse wijk als administratief centrum van de stad, waarop de joodse bevolking meer naar het noorden van de stad trok. In 1272 gaf Alfonso X de Wijze toestemming dat joden ook in andere wijken van de stad mochten wonen. Hierdoor ontstond een Joodse wijk dichtbij de moskee zoals die tot op de dag van vandaag nog bekend is. De joden en de moren leefde eeuwenlang vredig naast elkaar. De joden namen het Arabische geschrift over en andere typische Moorse gebruiken wat ervoor zorgde dat de joden in de tijd van de Moorse overheersing een goed leven hadden en hoge functies vervulden. Door een ommuurde afscheiding werden de joden beschermd tegen de christelijke agressie die er in die tijd heerste. Dat dan weer wel. 

In ere hersteld (IK)

De Synagoge van Córdoba (Sinagoga de Córdoba) in de wijk stamt uit 1315 en is één van de weinige overgebleven middeleeuwse synagogen van Spanje. De synagoge, gebouwd in mudéjarstijl (mengeling van moslim- en christelijke kunstvormen), bestaat o.a. uit een binnenplaats (toegankelijk vanaf de straat), een hal en een gebedsruimte. Aan de oostelijke kant van de hal is een trap die leidt naar de galerij van de vrouwen die uitkijkt op de gebedsruimte. Later is de synagoge omgevormd tot o.a. ziekenhuis en kapel voor het schoenmakersgilde. In de 19e eeuw werd het als nationaal monument weer gerestaureerd als de oorspronkelijke synagoge.

In de synagoge mooi versierde muren (IK)

Als laatste wil ik het Plaza de la Corredera nog benoemen, ook bekend als het Romeinse centrum.  Een typische ‘plaza’: mooi groot en rechthoekig en het enige in zijn soort in Andalusië! Net als veel van deze pleinen zijn ook hier ooit stierengevechten, verbrandingen en diverse festiviteiten gehouden.

De plaza ligt er vandaag verlaten bij (IK)

Door de regen geen terrasjes vandaag, maar we lopen wel snel even binnen in de overdekte markt om ons te verlekkeren aan de verschillende verse olijven! Ondanks alle regen was Córdoba een fantastische ervaring!

Groene oasen (Jacobspad)

Jacobspad: Stadspark-Piccardthof-Onlanden

De omschrijving van een oase is in dit geval ‘een rustige plaats met veel groen’. Deze bijzonder plekken vormen vandaag de rode (groene) draad van ons wandeling. Voor de pelgrims onder ons geeft zo’n groene oase een heel andere manier van rust dan het bidden in een kerk, getuige een pelgrimsverslag. ‘De stad achter me gelaten, een verademing op zich! Het lijkt wel of de groene oase me roept. Eén met de natuur en één met mezelf. Langzaam maar zeker vertraag ik naar mijn natuurlijke ritme. Langzaam maar zeker dwaal ik af, weg van de hectiek en dagelijkse gewoontes’ (Jacco Evers). Mooi toch?

Misschien met zo’n beeld voor ogen? (RK)
Of dromeriger zoals hier? (RK)

De eerste ‘oase’ voor ons is meteen het grootste groengebied van de stad; het Stadspark. De eerste plannen voor een groot stuk groen stammen uit het begin van de 20ste eeuw op initiatief van industrieel Jan Evert Scholten. Het doel was een park te creëren dat zich zou kunnen meten met de grote, destijds bekende parken van Wenen, Berlijn, Amsterdam en Den Haag. Op dit gebied boden de al bestaande parken in de stad, het Sterrebos en het Noorderplantsoen, naar zijn idee onvoldoende mogelijkheden.

Een visie (RK)

Jan Evert Scholten (1849-1918) woonde in Groningen. Hij erfde een fortuin na zijn vader’s dood in 1892 en werd daarmee één van de meest vermogende mannen in Nederland. Hij zat zelf echter ook niet stil. Hij zette het vaderlijk bedrijf, het Scholten-concern, voort en breidde zijn industriële en zakelijke activiteiten verder uit. Hij liet in 1873 ‘buitenhuis’ Villa Gelria bouwen aan de Verlengde Hereweg. Hij bezat al, vanaf 1881, een woonhuis aan de Grote Markt; het Scholtenhuis. Dit statige pand aan de Grote Markt werd aan het einde van de 19e eeuw in opdracht van zijn vader Willem Albert Scholten gebouwd. In WOII werd het echter het hoofdkwartier van de regionale afdeling van de Sichterheitsdienst (SD). Het pand werd toen berucht om de vele martelingen die er plaatsvonden en werd daarom wel ‘het voorportaal van de hel’ genoemd. Scholten gaf ook een belangrijke aanzet voor de toeristische ontwikkeling van het Paterswoldsemeer. Zo bouwde hij in 1908 buitenhuis de Paalkoepel, richtte hij in 1912 van de Watersport Paterswolde op, liet hij in 1916 de Meerweg asfalteren en bouwde hij in 1917 de Buitensocieteit, het clubhuis van de zeilclub.

De erfenis van Scholten met de klok mee: de Paalkoepel, het grafmonument van de familie Scholten, het Stadspark (met een optreden van Sting) en Villa Gelria (DvhN 2023)

Tussendoor schonk hij de Stadjers, in 1913, een grote lap grond van 140 hectare met als doel: een openbaar park waar iedereen terecht kon voor sport, plezier en ontspanning. De ontwikkeling van het park heeft daarna toch nog heel wat voeten in de aarde gehad. Landschapsarchitect Leonard Springer (Springervijver in het park) werd ingevlogen om het geheel vorm te geven. Samen bedachten ze een plan om het braakliggende terrein om te toveren tot bijzonder natuurpark, geheel in Engelse landschapstijl. 

De toegang tot……. (IK)
De toegangstunnel is verrassend (RK)
Beide kanten van de toegangstunnel zijn bijzonder (IK)
Verderop veel graffiti (IK)
Oefening baart kunst, maar het wil nog niet zo lukken 🥴 (RK)

Aan de westkant kwam een gedeelte met een grote vijver en een paviljoen, wat ook dienst kon doen als tentoonstellingsruimte en/of een ruimte voor openbare bijeenkomsten. In het midden kwam een renbaan met een grasveld en aan de oostzijde een gedeelte met sportvelden en een ijsbaan. Uiteindelijk zijn alle ideeën gerealiseerd en kon de officiële opening in 1926 plaatsvinden.

Een moeder met kind in het gras bij het splinternieuwe Stadsparkpaviljoen, ca 1926 (Groninger Archieven)

Als eerbetoon is er in 1931 een monument voor Scholten geplaatst aan de Concourslaan, een prominente plek in het park. Boven op een kalkstenen muur staat een bronzen buste van Jan Evert Scholten die met een trotse het Stadspark inkijkt. Uit de muur waarop de sculptuur staat, zijn twee kinderfiguren in sportkleding gehouwen: een meisje met knotsen en een jongen met een discus. De bronzen plaquettes ernaast tonen een paard met een veulen en een paard met kar en wagen. Deze verwijzen naar de paardenfokkerij en de drafsport, twee liefhebberijen van Scholten. Op de hoeken van het monument zijn de wapens van Stad en Ommelanden aangegeven.

Het Scholten monument (RK)
Om de details wat beter te zien 😉 (IK)

Grappig genoeg lijkt de vlag van de Ommelanden veel op de Friese vlag. Dat blijkt ook wel te kloppen! Als gevolg van een gemeenschappelijk verleden lijken de vlaggen inderdaad op elkaar. Even nalezen leert dat de vlag van de Ommelanden gebaseerd is op het Ommelander wapen uit het laatste kwart van de 16e eeuw. De Ommelanders waren in die tijd in oorlog tegen de Spaanse koning Filips II (80-jarige oorlog). Mogelijk hebben ze daarom willen verwijzen naar de legendarische ‘Friese Vrijheid’, want de Friezen bestuurden zichzelf gedurende een groot deel van de Middeleeuwen en horigheid (dienstbaarheid aan een heer) kwam er niet voor. Het is wel goed om je daarbij te realiseren dat Friesland toen groter was dan de huidige provincie nu. Het hele Noord-Nederlandse en Noord-Duitse kustgebied werd aangeduid als Frisia, de Groninger Ommelanden dus ook. In wapenboeken verschenen vanaf de 15e eeuw afbeeldingen van wapenschilden van legendarische Friese koningen, zoals Redbad (Radboud) die waarschijnlijk leefde van 680 – 719. Hij stond in de vroege middeleeuwen bekend om zijn bijdrage aan het in leven houden van ‘de vurige Friese cultuur’.

De oudste afbeelding van het Ommelanden wapen ca 1590 (internet)

De Ommelander heren kozen voor een variant met drie blauwe schuine balken en elf rode harten, ook wel ‘waterroosplomben’ genoemd. De drie balken staan voor de drie Ommelanden Hunsingo, Fivelingo en Westerkwartier, de elf harten symboliseren de elf deelgebieden van de Ommelanden. De Friezen, dat wil zeggen de bewoners van de huidige provincie Friesland, hadden ondertussen voor een geheel ander wapen gekozen: twee gouden leeuwen op een blauw veld. Pas in 1830 werd het oude wapen van Redbad herontdekt en aan het eind van de 19e eeuw wapperde voor het eerst de hierop gebaseerde Friese vlag met de 7 rode ‘pompeblêden’ (een verwijzing naar de 7 historische gebieden waar de Friezen leefden). De Friese vlag is inmiddels veel bekender  geworden dan de Ommelander vlag, want tegen het veelvuldig gebruik in reclames kan een meer dan driehonderd jaar oudere geschiedenis niet op.

De provinciewapens van Friesland, Groningen en Drenthe op het voormalig onderkomen van het Nieuwsblad van het Noorden aan het Gedempte Zuiderdiep in Groningen (internet)

Leuk om zo lopend en genietend weer meer te leren over een stukje Groninger geschiedenis. Genieten is het zeker, want het is alweer lang geleden dat we zo in het Stadspark zijn geweest. 

Bijna vanaf het terras van het paviljoen (RK)
Wat is het aanzicht van het paviljoen veranderd…… (IK)

Aan de andere kant van de A7 ligt het Piccardthof, een volgende groene oase. Omstreeks 1938 werd in Groningen de Bond van Volkstuinders opgericht, die het gemeentebestuur vroegen een volkstuincomplex mogelijk te maken. In 1942 resulteerde dit in de oprichting van het complex door enkele stad-Groninger notabelen, waaronder Jan Hendrik Herman Piccardt, naar wie het volkstuincomplex is vernoemd. Piccardt vond het belangrijk dat mensen uit de stad een plek hadden waar ze hun eigen groente konden verbouwen en tussen het groen konden verblijven. De vereniging is ooit begonnen als moestuinen complex en later zijn daar de siertuinen bijgekomen. De nadruk ligt op tuinieren met respect voor de natuur. Zo bevinden zich op het terrein o.a. ook een vlindertuin, een bloementuin, een bloemenweide, een paddenpoel en een bijenstal. In 2009 ontving de Piccardthof de hoogste onderscheiding voor natuurlijk tuinieren. Het ruim 18 hectare grote gebied met meer dan 300 tuinen wordt beheerd door een Amateur Tuinders Vereniging.

Hier wonen veel ‘liefhebbers’ (IK)

Wij lopen er even binnen om een indruk te krijgen. Het is hier heerlijk rustig met overal bloeiende bloemen en veel groen. Haast jammer dat ons pad niet dwars door dit gebied gaat, maar er net langs. Alhoewel ook ‘onze’ weg is zeker de moeite waard met  hoge bomen aan beide kanten en een zandpad in het midden. We lopen eigenlijk, midden in de natuur en tegelijkertijd vlak langs Eelderwolde.

Het wordt al een beetje herfstig (IK)
Terwijl wij het zandpad oplopen, slaan zij af (RK)

Over de brug buigen we af naar de Madijk, de begrenzing van de Onlanden. De term onland wordt gebruikt voor woeste grond die vrijwel onbruikbaar is of was voor agrarisch gebruik. Het gebied wat we nu betreden, was oorspronkelijk een laaggelegen binnendelta tussen het Drentse zand en de Groningse zeeklei, waar vanaf het Drentse zandplateau de Drentse Aa en het Eelder- en Peizerdiep het gebied in stroomden. Nadat er in 1998 veel wateroverlast was en een aantal stadswijken van de stad Groningen dreigden te overstromen, is er besloten om het gebied om te vormen tot een waterberging. Hierdoor ontstond een natuurgebied van zo’n 2500 hectare. Het project kreeg de mooie en veelzeggende naam: ‘natte natuur voor droge voeten’. We komen hier al jaren en zien het ook elk jaar mooier, wilder, ruiger (welke term je ook wilt gebruiken) worden met een grote en toenemende diversiteit.

Een blik vanaf de Madijk (RK)

We sluiten onze wandeling van vandaag af bij de Onlanderij; de poort tot de Onlanden. De volgende keer lopen we verder door deze oase. Misschien ook met een gedachte zoals die van Jacco Evers: ‘de tocht geeft me alles wat ik nodig heb, vooral de stilte laat me dieper en dieper ademen.’