DOKKUM (FW Pad)

Friese Woudenpad: 5, 6 & 7

We laten het Lauwersmeer gebied langzaamaan achter ons en zijn nu op weg naar Dokkum. We gaan lopen, volgens ons boekje, ‘door een typisch zeeklei landschap met verre horizonten waartegen zich af en toe een terpdorp aftekent.’ Zoals de naam al aangeeft, is het zeeklei landschap gevormd door de zee. Tijdens vloed zocht het zeewater zijn weg over het land via kronkelende kreken of prielen. Bij elke vloed nam het water nieuwe sediment deeltjes mee en bij eb bleven deze deeltjes op het land achter. Door dit voortdurende proces van aanvoer en bezinking werden de slikken steeds hoger. De dikke lagen klei in het huidige zeekleigebied zijn daarvan de restanten. Het zeeklei landschap is verder vlak en open. Op zeekleigronden vindt meestal grootschalige landbouw plaats, want kleigrond is namelijk erg voedselrijk, houdt lang water vast en levert grote opbrengsten per hectare. Na Dokkum zal het landschap zichtbaar veranderen, dus we moeten nu van de gelegenheid gebruik maken om de omgeving rondom tot ons te nemen. Dat gaat vast lukken!

We starten in Ee, een plaatsje met de kortste plaatsnaam van ons land. Zo kort dat het zelfs niet te vinden is op ons navigatie systeem. Ee is een klein terpdorp, al ontstaan in de 10e eeuw, met een beschermd dorpsgezicht. De kerk staat ook hier op de top van de terp en vormt het centrale punt van het dorp. Hij dateert uit omstreeks 1220 en is gewijd aan Gangulfus. Tot 1580 was het een Rooms Katholieke Kerk, vanaf 1816 werd het de Nederlands Hervormde Kerk en sinds de fusie van de beide kerken: Tsjerke op ‘e Terp.

De weg naar de ‘Tsjerke op ‘e terp’

Gangulfus, Gangolf, Gandouffe of misschien zelfs Gandalf 😉 was een grootgrondbezitter, ridder en hoveling in Bourgondië tijdens de regeerperiode van Pepijn de Korte (714-768). Volgens de legende was hij een vertrouweling van deze Pepijn, die op één van zijn jachttochten een wonderbaarlijke bron heeft ontdekt. Zo bijzonder dat toen Gangulfus vermoedde dat zijn vrouw hem bedroog met een priester (zijn vrouw ontkende), hij haar vroeg of ze haar hand in de bron wilde steken. Haar hand kwam verbrand uit de bron, waarmee haar overspel werd bevestigd. Hij stuurde zijn vrouw weg en verbande de priester. Die nam (natuurlijk) wraak en vermoordde Gangulfus. Sint Gangulfus staat nog steeds bekend als de beschermheilige (patroon) van de leerbewerkers, schoenmakers, kinderen en paarden en wordt aangeroepen tegen kniepijnen, huid- en oogziekten en bij echtelijke moeilijkheden en ….. je raadt het al….. overspel. Hoe hij vanuit Frankrijk in Friesland terecht is gekomen? Hij werd door de koning naar de noordelijke Nederlanden gezonden om de heidenen te bekeren. Bisschop Wulfram (een beer van een man) werd meegevraagd als lijfwacht, want in Friesland was het toen nog gebruikelijk dat mensen, ook kinderen, na door het lot te zijn aangewezen, werden geofferd aan de Germaanse/Friese goden. Het waren beslist andere tijden! De ‘omgong’ rond de kerk is een mooi stukje in het dorp met oude, mooi gerestaureerde huizen, een oude waterpomp en uiteraard een mooi onderhouden kerkhof. Op dit kerkhof  staat een bijzonder monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog. Dokter Jarl Ruinen was, ten tijde van WOII, huisarts in Ee en heeft veel gedaan om Joodse mensen een onderduikadres te geven. Nog tijdens de oorlog werd hij echter opgepakt en geëxecuteerd. 

Met een hoop informatie en goede zin lopen we, over een klinkerweg, het dorp uit op weg naar het Dokkumergrootdiep, de vroegere verbinding tussen de stad Dokkum en de open zee.

Snel een kop koffie aan een stenen tafeltje langs het water
In de verte ligt de oude steenfabriek

Langs het water ligt een oude steenfabriek van rond 1800. Friesland was vroeger zeer bekend om zijn baksteenindustrie. Ondertussen zijn de meesten verdwenen. Deze fabriek staat er nog wel, maar daar is ook alles mee gezegd. Wat een rotzooi, wat een vergane glorie. Jammer! We lopen verder langs het water en genieten van een voorzichtig zonnetje wat af en toe door de wolken probeert te piepen. Verder is het behoorlijk koud met een harde wind uit het oosten. We moeten stevig doorstappen om warm te blijven. Bij de grote weg aangekomen buigen we af naar links en zien we de torenspits van Dokkum al in de verte liggen. Hoewel we over een fietspad lopen, is dit geen bijzondere weg, Met recht een overbruggingsstukje om in Dokkum te kunnen komen. 

Dokkum zelf, de meest noordelijke stad van Nederland, wordt vaak in één adem genoemd met Bonifatius. Bonifatius was een man met een missie. De Engelse missionaris reisde naar Friesland om de Friezen te bekeren. Een makkie dacht hij, want zijn eigen Angelsaksische taal leek op het Oudfries, dus de communicatie kon toch zeker geen probleem zijn? De reis naar Dokkum leek wel iets op een parade toen de hoogbejaarde Bonifatius (ongeveer tachtig) in 754 met zijn gevolg naar Friesland trok. Voor de Friezen deed de bekeringsexpeditie echter denken aan een oprukkend leger. Ze grepen in, blokkeerden de weg en maakten korte metten met hem en zijn gezelschap. Bonifatius werd in Dokkum vermoord. Maar Dokkum is meer dan alleen een bedevaartsoord. Ze zeggen zelf: ‘we staan met beide benen in de klei.’ Het verhaal vervolgt: ‘met de Waddenzee en het Lauwersmeer gebied als natuurrijke achtertuin, is een week al snel te kort om vanuit Dokkum alle uitstapjes te maken die dit Hoge Noorden te bieden heeft. Het ligt niet aan het einde van de wereld, maar je kunt het vanaf daar wel zien.’ 

Bonifatius voor de zoetwaterbron
Een wandeling door de tuin erachter is verrassend

Wij zien ondertussen, het ons bekende, Grand Café de Waegh opdoemen in een zijstraatje en besluiten dat we toe zijn aan een lekkere warme lunch. Het restaurant zit in een monumentaal pand wat in 1754 werd gebouwd als boterwaag. Hier werd boter gewogen. Het recht op een waag was vroeger één van de stadsrechten en handelaren werden verplicht producten, zoals kaas en boter, in de stadswaag te laten wegen. Een waag bevorderde de eerlijke handel, want de gewichten waren officieel vastgesteld. Een onmisbaar iets voor de stad als betrouwbaar handelscentrum. Na de lunch wandelen we op ons gemakje verder. Er is veel te zien. Mooie gevels, prachtig stadhuis, molens, kerken, een stadswal, kades, een oude kapel en zelfs een zoetwaterbron. Veel is toch te danken aan Bonifatius. Vanaf eind 19e eeuw werd Dokkum vanwege de marteldood van Bonifatius een bedevaartsoord. Er doken zelfs plotseling allerlei beenderen van de heilige op, die later allemaal vals bleken te zijn. Ondanks zijn dood ging de kerstening van de Lage Landen gewoon door. Veel christenen kwamen eveneens naar Dokkum voor de Bonifatiusbron. Het verhaal gaat dat hier spontaan zoet (!) water uit de grond opwelde toen het paard van Bonifatius met zijn hoef op de grond stampte of omdat Bonifatius zelf hier met zijn staf op de grond tikte (verschillende bronnen, andere versies). De bron heeft Dokkum eeuwenlang van  zoet water voorzien, wat als een wonder werd beschouwd in deze zilte omgeving. Dat middeleeuwse bronwater bleek trouwens niet echt lekker en als het water niet te drinken is, dan maak je bier. Bier was in de Middeleeuwen veiliger dan het vervuilde stedelijke water en voedzamer, want in graan en gist zitten vitamine B en voedingstoffen. Een middeleeuws ‘mensch’ sloeg ongeveer 300 liter bier per jaar achterover, dat is bijna een liter per dag. Wat doet de moderne mens tegenwoordig?

Grand cafe de Waegh

Naast alle andere wetenswaardigheden is Dokkum zeker ook bekend vanwege de elfstedentocht. Hoewel deze de laatste jaren niet meer is gereden blijft het elk jaar een spannende tijd.

Het keerpunt is nog steeds een markant punt

De eerste Elfstedentocht werd in 1909 gereden volgens het web: ‘Vroeg in de ochtend van 2 januari 1909 arriveren rijders van de allereerste Elfstedentocht in Dokkum. Vanwege de invallende dooi wordt de tocht in 1909 drie dagen eerder gereden dan aangekondigd. Toch zijn er veel schaatsers die het niet aandurven. Slechts 23 rijders verschijnen aan de start in Leeuwarden. De voorzitter waarschuwt hen: ‘Doe in het begin kalm aan, want wie het eerst in Dokkum is, zou weleens het laatst in Stavoren kunnen zijn.’ Het keerpunt in Dokkum is nog steeds één van de meest markante punten van de Elfstedentocht. We zien de bankjes, waarvan twee in de vorm van Friese doorlopers, op de kaden die de draai, die schaatsers hier moeten maken, symboliseren. Sinds 1929 is Dokkum trouwens de laatste stempelpost geworden. De reden? Veiligheid, want de rijders kunnen verdwalen op de Friese Meren in het donker.

LANGS HET WATER (FW Pad)

Friese Woudenpad: kaarten 3 & 4

Na een lange tussenpose hebben we eindelijk de draad weer opgepakt. We gaan het traject ‘Ezumazijl – Sylsterwei – Ee’ lopen. Niet zo’n lange route, want we, vooral ik, moeten er weer even inkomen. Het is droog vandaag met zelfs een beetje zon maar ook met een schrale frisse wind. We zijn goed voorbereid en voorzien van diverse laagjes!

In Ezumazijl steken we de sluisbrug over en gaan meteen daarna links een trap op om even verderop uit te komen naast een (oude) dam van basaltblokken. Weet jij het verschil tussen een dam en een dijk? Een dam scheidt water van water, een dijk scheidt water van land. Klinkt logisch! Basalt wordt in Nederland veel toegepast als dijkbekleding, voor kademuren, golfbrekers en strandhoofden. Door de vorm zijn basaltblokken als een puzzel in elkaar te passen en door de onregelmatigheden langs de zuil ontstaat een sterk onderling verband. Deze dam is in verval geraakt en we lopen er dan ook niet overheen, maar vervolgen ons pad over de grasdijk langs het water (Raskes). Grappig genoeg komen we uit op een plek waar we vaak genoeg zijn gaan kijken naar vogels in het Lauwersmeer. Ook nu kunnen we de verleiding niet weerstaan en lopen we snel naar boven waar de stoelen met de hoge rugleuningen je moeten beschermen tegen de wind vanaf zee. Het is vandaag kennelijk geen rustpunt voor welke vogel dan ook. Op een enkele gans op afstand na zien we niets bijzonders. We lopen verder over de asfaltweg richting de verbrandde vogelkijkhut. Het skelet van de oude hut staat zwart geblakerd tussen de wuivende pluimen. Je vraagt je af hoe hier ooit brand is ontstaan. Blikseminslag of toch vandalisme? Ook vanaf dit punt zien we geen vogels, althans niet echt dichtbij. Aan de andere kant van ons zien we wel diverse hertjes in de verte evenals een kudde Konikpaarden. Aan het einde van de jaren tachtig werden deze oerpaarden naar het Lauwersmeer gebied gehaald om ze te laten grazen op de voormalige zandplaten en kwelders van de oude Lauwerszee. De paarden houden het gras kort zodat steltlopers hier kunnen broeden. Van oorsprong komen deze paarden uit Wit-Rusland en Polen waar ze in het wild leefden. De Konikpaarden zijn nauw verwant aan de Tarpan, één van de drie oerrassen van zo’n 15.000 jaar geleden. Dit ras leefde in Oost Europa en stierf in 1870 uit door overbejaging. Het vlees van de Tarpan was toentertijd namelijk een echte delicatesse. Ook het Konikpaard is eigenlijk uitgestorven. In Polen heeft men dit paard echter met speciale fokprogramma’s terug kunnen fokken. Zie hier het resultaat. 

Sluis bij Ezumazijl

Aan de zeedijk tussen Ezumazijl en Nijlȃn zien we opeens een bijzondere woning die opgebouwd lijkt uit twee aan elkaar gekoppelde dozen; het dubbele dozen huis. De van baksteen gemetselde tuinwoning heeft een op het zuiden uitkijkende woonkeuken. Via een trap met glazen wanden loop je omlaag naar de belvedère met uitzicht op de omringende omgeving. Het volgt als het ware de glooiing van de dijk.

Het dozenhuis

In de vorige eeuw stond hier een boerderijtje of eigenlijk een kooikerswoning voor de verderop gelegen eendenkooien. Hoe werkt een eendenkooi nu eigenlijk precies? De kooiker lokt wilde eenden naar zijn kooi door ze te voeren. Door de beschutte ligging van de kooiplas en door de aanwezigheid van ‘staleenden’ (tamme eenden die het hele jaar in de kooi blijven) voelen de wilde eenden zich hier veilig. De kooiker lokt de eenden dan verder de vangpijp in met voer en soms met behulp van een kooikerhondje. Als de eenden in de vangpijp zitten, laat hij de eenden schrikken waarop de eenden naar het licht, aan het einde van de pijp, vliegen. De pijp komt uit in een gesloten gebied dat aan de bovenkant afgeschermd wordt door gaas of netten. Vroeger ging het puur om de verkoop van de eenden, tegenwoordig worden eendenkooien vaak gebruikt om de eenden te ringen en daarna weer vrij te laten. In deze omgeving moeten nog vier eendenkooien liggen, waarvan er nog één in gebruik is. 

Wat op de kaart een aardig ‘recht toe, recht aan’ pad leek, blijkt gelukkig toch erg afwisselend te zijn met veel nieuwe ontdekkingen en mooie vergezichten. We genieten! Wanneer het verharde pad weer overgaat in een graspad en we even later een gammel picknickbankje tegenkomen, vinden we het tijd voor een kop koffie. De eerste helft is zeer vlotjes verlopen. Even verderop steken we de provinciale weg over en vervolgen we het kronkelende graspad verder. Hier liggen diverse mooie terpen (we zijn in Friesland ;). Hier zien we ook hele grote zwermen vogels, die plots, met een behoorlijk lawaai, op kunnen vliegen wanneer we te dichtbij komen. Volgens ons zijn dit brandganzen, trekvogels die vooral uit de broedgebieden in Nova Zembla en Zweden, naar ons land trekken. Hier is overdag voldoende voedsel in de graslanden te vinden en bieden de vele meren en rivieren ’s nachts een veilige slaapplaats. De hoofdzakelijk zwart-witte vogels, met een bijna helemaal witte kop, overwinteren hier meestal in groepen van wel duizenden vogels. Indrukwekkend! Naast ganzen zien we op dit stuk met enige regelmaat herten in de verte en veel schapen dichterbij. Dat is ook niet zo gek als je de cijfers bestudeert. In Nederland bestaat ongeveer 40% van de landbouwgrond uit grasland, in Friesland is dit bijna 70%. Met 175.000 hectare grasland is Friesland de grootste weideprovincie en heeft het ook de meeste schapen. De schapen hebben hun wintervachtje alweer aan en staren ons nieuwsgierig, al is het op gepaste afstand, aan.

We genieten

De zon doet haar best om door de donkere, wat dreigende lucht heen te breken, waardoor de wereld om ons heen van een  intense kleurenpracht wordt voorzien. Volgens onderzoekers zijn de helderste en meest intense kleuren in de natuur meestal blauw of groen. Deze kleuren worden door lichtverstrooiing gecreëerd en veranderen onder verschillend licht. In de omstandigheden hier worden ze deels krachtiger, dieper, rijker en donkerder, terwijl ze tegelijkertijd gedeeltelijk oplichten en heldere accenten vertonen. Kleuren om te ervaren. 

In dit gebied zwoegden trekpaarden vroeger langs het water (Grootdiep) om goederen en mensen met de trekschuit te vervoeren. Lange, smalle schepen (soms ook voortgetrokken door mensen) waren hier de eerste vorm van vervoer met vaste vertrektijden. Wij lopen echter niet vlak langs dit Grootdiep, maar meer landinwaarts langs andere stroompjes die door het landschap meanderen. Het beeld verrast daardoor steeds op een andere wijze. Opeens zien we een paar huizen. We zijn in Ald Terp aangekomen, een klein buurtschap bestaand uit een drietal huizen. Grappig verhaal: Op het internet doet het verhaal de ronde dat de Amerikaanse oud-president Barack Obama zou afstammen van het Friese geslacht Obbema, dat vermoedelijk komt uit de buurtschap Ald Terp. Een zekere Jelle Obbema zou eind 19e eeuw naar Kenia zijn geëmigreerd en daar een fabriek in pepermuntolie zijn begonnen. Na terugkeer zou hij de grondlegger zijn geworden van de King pepermuntfabriek in Sneek. De achternaam van zijn nakomelingen in Kenia zou zijn verbasterd tot Obama, waar de vader van Barack Obama uit voortgekomen zou zijn. Dit blijkt uiteindelijk een ‘broodje aap’ te zijn, maar leuk is zo’n verhaal ter plekke zeker wel.

Ald Terp

De terp van Ald Terp is een archeologisch rijksmonument en wordt gedateerd omstreeks de 7e eeuw. Het is niet een bijzonder hoge, maar wel een uitgestrekte en vrijwel onbebouwde terp. De terp is maar beperkt afgegraven, waarschijnlijk door het ontbreken van een opvaart waarlangs de terpaarde gewoonlijk werd afgevoerd. Na de eerstvolgende driesprong bereiken we de terp van een volgend buurtschap. De terp, waarop buurtschap Tibma is ontstaan, dateert uit de 5e tot 7e eeuw en is eveneens een rijksmonument. Hier vinden we opeens een winkeltje annex cafeetje. De eigenaren hebben het pand zelf compleet verbouwd en hebben ze grootse plannen voor de toekomst met een theehuis, een buitenterras en een mogelijkheid om te overnachten. Wij schuiven aan de ‘stamtafel’ middenin de kleine winkel van sinkel met een keur aan handgemaakte producten. Een onverwachts rustmomentje. Het is nu nog maar een klein stukje naar ons eindpunt. 

Volgens de beschrijving is het dorp Ee eveneens ontstaan op een terp, eentje die enkele eeuwen voor de jaartelling, op een kwelderwal in een landschap van kreken en zeearmen, werd opgeworpen. De volgende keer moeten we ons maar wat meer verdiepen in alle wetenswaardigheden alhier. Zoals ze hier zeggen: ‘dit wurdt trochset’. 

KUIERJE TROCH FRYSKE WȂLDEN (FW Pad)

Friese Woudenpad: kaarten 1 & 2

Onze keuze voor een tweede lange afstandswandeling is gevallen op het Friese Woudenpad. Dit pad (LAW 1-1) loopt van Lauwersoog tot aan Steenwijk en ligt voor 95% in het oostelijke deel van Friesland. De wandeling koppelt de Nationale Parken Lauwersmeer, Friese Wouden, Drents-Friese Wold en de Weerribben aan elkaar en is daarmee, volgens de makers, één van de mooiste LAW’s in Nederland. 

We gaan het beleven! Het pad begint dus in Lauwersoog, net over de grens in Groningen. We starten in stijl met een kop koffie in het nieuw herbouwde restaurant op de dijk, waarna we gesterkt en vol goede moed langs de sluizen Friesland binnenlopen. Het complex R.J. Cleveringsluizen ligt langs de provinciale weg ten westen van Lauwersoog. Deze spuisluizen bestaan uit drie bouwwerken met ieder vier spuikanalen, waarvan er twee op Fries grondgebied staan en ééntje op Gronings grondgebied.

Sombere lucht boven de Cleveringsluizen

Wat weten we eigenlijk van het waarom en waarvoor van deze sluizen? De Lauwerszee was ooit een zeetong die in een zware storm rond het jaar 1280 is ontstaan. Het was een zee vergelijkbaar met de huidige Waddenzee en liep tijdens eb grotendeels leeg. Deskundigen dachten dan ook dat de zee uiteindelijk ‘vanzelf’ dicht zou slippen. Zoutkamp, rond 1400 aan de kust van de Lauwerszee neergezet als vesting, heeft in de eeuwen daarna geleefd met en gevochten tegen de zee. Totdat de Grote sluis bij Zoutkamp de Lauwerszee van het Reitdiep afsloot in 1877, hadden plaatsen langs het Reitdiep tot en met de stad Groningen te maken met eb en vloed. De watersnoodramp in 1953 en de Kerstvloed in 1954 hebben grote invloed gehad op de afsluiting van de Lauwerszee. Argumenten als ‘het vergroten van de veiligheid’ en ‘het verkorten van de kustlijn’ gingen opeens een grote rol spelen. Na het afsluiten van de Lauwerszee in 1969 ontstond het Lauwersmeer. De uitwateringssluizen zorgen ervoor dat het water van de Friese boezem en de Electraboezem op de Waddenzee wordt geloosd. De spuisluizen worden opengezet als het eb is op de Waddenzee is. Op dat moment is de stand van het buitenwater (Waddenzee) lager dan dat van het Lauwersmeer en kan het onder vrij verval naar buiten stromen, waarmee de boezem wordt ontlast en daarmee het overtollige water kwijt is. 

Even nalezen leert ook dat er tot de zomer van 2012 vaak is nagedacht over het vervangen van de spuisluizen door een nieuw elektrisch gemaal. De capaciteit zou 15.000 m3 per minuut bedragen. Ter vergelijking: de Cruquius, bij de droogmaking van de Haarlemmermeer (1852) had een capaciteit van 2.500 m3 per minuut, het ir. D.F. Woudagemaal Lemmer (1920) van 4.500 m3 per minuut en het J.L. Hooglandgemaal Stavoren (1967) van 9.000 m3 per minuut. De geschatte kosten van het nieuwe gemaal zouden echter minimaal 180 miljoen euro bedragen. Zet je deze hoge kosten af tegen de verwachting dat het gemaal maar tien dagen per jaar zou gaan draaien, dan is het niet verwonderlijk dat de vervanging van de spuisluizen uiteindelijk definitief is afgeblazen.

We leren verder dat spuien onder natuurlijk verval één belangrijk nadeel kent: de waterstand van het buitenwater is niet te beïnvloeden. Als er een stevige noordwester storm staat (windkracht 8 of meer) wordt het water vanuit de Noordzee de Waddenzee ingeblazen. Daardoor staat er bij Lauwersoog in zulke gevallen een hogere waterstand dan onder normale weersomstandigheden. Omdat het buitenwater dan hoger staat dan het binnenwater, kunnen de spuisluizen niet geopend worden en blijft het overtollige water uit de Friese en Groningse boezem in het Lauwersmeer staan. Dit kan een aantal dagen duren zonder dat er sprake is van een groot veiligheidsrisico. Anders wordt het als er ook sprake is van gelijktijdige overvloedige neerslag. In dat geval raken de beide boezems vol of zelfs overvol. Het water kan dan letterlijk geen kant meer op. Gelukkig hebben we daar op deze frisse, maar zonnige dag niet mee te maken. 

Blik op het Wad (RK)

Meteen na de sluizen slaan we rechtsaf en lopen we de Waddenzeedijk op welke we voorlopig gaan volgen. Ondanks dat we dit gebied goed kennen, blijft het iedere keer weer een cadeautje om het Wad in alle rust te ervaren. De weidsheid, de rust, de zilte lucht en het altijd weer anders ogende landschap blijven de moeite waard. Een heerlijke plek om je te ontspannen, je hoofd leeg te maken, je mentaal weer op te laden en vooral om te genieten. Volgens een gelukspsycholoog zit er in je hoofd een interne batterij, net zoals in je telefoon. Als je de hele tijd bezig bent, raakt de batterij op een gegeven moment gewoon leeg. Wat wij als mensen vergeten is om ons af en toe op te laden. Doe je dit niet, dan beland je, volgens deze deskundige, in de energiebesparingsstand, waarin je wel van alles kan, maar je tegelijkertijd stiekem moe en prikkelbaar bent. Herkenbaar toch? De Waddenzee met haar uitgestrektheid is, voor ons, zeker een ideale plek om op te laden

Opladen tijdens het wandelen (RK)

Naar links kijken we uit over de polders. Het blijft een bijzonder idee dat dit land nog maar zo kort geleden deel uitmaakte van het zeelandschap. De boeren hier hadden al vroeg ontdekt dat gewonnen land op de zee erg vruchtbaar was. Ze groeven smalle diepe greppels in het kweldergebied die het zeewater bij eb afvoerden. De ‘hogere’ grond kon op die manier goed indrogen. Het vers aangevoerde slib zette zich af op de ‘hogere’ grond. Vooral in Groningen was dit lucratief voor de boeren, want de kustboeren kregen hier, volgens het Ommelanden Landrecht (1601) de eigendomsrechten van de landaanwinning.

Mooi in eenvoud (RK)

Net op het moment dat we wel toe zijn aan een verandering van omgeving, hoe mooi dan ook, dalen we langs de dijk af en vervolgen we onze weg even verderop over een lage grasdijk, die in vroeger dagen een zeedijk is geweest. Het land links van ons is de Bantpolder, een vogeloase van 113 hectare wat onderdeel uitmaakt van het Nationaal Park Lauwersmeer. Jaarrond is de Bantpolder een vogelgebied met in het voorjaar veel broedende weidevogels, zoals de grutto, de tureluur en de graspieper en in de herfst en winter grote groepen ganzen. Ook tijdens de voor- en najaarstrek en tijdens hoogwater maken veel vogels gebruik van het gebied. Helaas voor ons zien we slechts een enkele vogel al zou ik echt niet weten welke. Verder zien we vooral veel schapen op de dijk, schapen in een lange rechte lijn voor ons uit. Ze lijken alleen voor ons aan de kant te willen gaan wanneer we echt te dichtbij komen. Bij het Banthȗske (een boerderij) aangekomen, lijkt de weg veranderd te zijn. De boer wil misschien niet dat alle wandelaars over zijn land lopen? We moeten onze weg naar Oostmahorn over de weg te vervolgen. 

Niet de mooiste kant 😉
Even wachten levert een beter resultaat op (RK)

Oostmahorn is net als Ezumazijl (ons einddoel) een buurschap dat onder het dorp Anjum valt. In het collectieve geheugen van de Friezen wordt Oostmahorn echter wel als dorp ervaren (inmiddels is het dat ook), vooral omdat het lange tijd, vanaf ongeveer 1830, de vertrekplaats was van de veerdienst naar Schiermonnikoog en de ligplaats van de reddingboot. Al vanaf 1962 staat hier op de voormalige zeedijk het Paviljoen Toxopeus (nu Lauwersmeer paviljoen). Een paviljoen genoemd naar Klaas Toxopeus, de schipper van reddingsboot Insulinde. Hij redde met zijn schip meer dan driehonderd mensen. 

Het haventje van Oostmahorn met de Insulinde (foto internet)

Net voorbij Oostmahorn lopen we langs Esonstad. Het is een Landal vakantiepark, maar het is ook écht een stad(je)! Dit nieuwe Esonstad is vernoemd naar het oude Ezonstad. Volgens de verhalen zou die stad omstreeks 341 gebouwd zijn door Odilbald, de zesde hertog van de Friezen. In 808 werd Ezonstad door de Noormannen bijna geheel geplunderd en afgebrand, maar met hulp van het rijke Stavoren werd de stad snel herbouwd. In 958 werd Ezonstad nog een machtige stad genoemd. Waardoor de stad in verval is geraakt is niet bekend. Anderen beweren dat Ezonstad helemaal niet heeft bestaan, maar ontsproten is aan de fantasie van 16e-eeuwse Friese geschiedschrijvers. Hoe het ook zij, we zien nu stadspoorten en kleine straatjes met mooie gevelhuizen. Het ziet er heel sfeervol uit. Alles nieuw dus en kennelijk vol met van alles van nodig blijkt te zijn voor een fijne vakantie. Ook weer iets bijzonders, al is het dan van een andere orde.

De toegangspoort tot Esonstad (foto internet)

Een paar kilometer verderop lopen we Ezumazijl binnen alwaar onze fietsen staan. Met zo’n 12 kilometer in de benen is de kop er weer af. Binnenkort een vervolg?

LAATSTE KILOMETERS (Drenthepad)

Drenthepad: kaarten 13, 14 & 15

Met een prachtige zonnige lentedag in het vooruitzicht besluiten we vandaag de laatste kilometers van ‘ons’ Drenthepad te lopen. We willen de 16 kilometer van Appelscha naar Veenhuizen overbruggen, waar we bij het gevangenismuseum aldaar onze grote lus compleet zullen maken. Toch een mijlpaaltje!

De lente is begonnen

Om een kort resumé van deze prestatie te geven……. Het Drenthepad is een streekpad van 329 kilometer lang en heeft, volgens de bedenkers, precies wat elke wandelaar zoekt: rust en ruimte. Het pad wordt verder als volgt beschreven: ‘Het Drenthepad voert je door maar liefst 3 Nationale Parken: het heiderijke Dwingelderveld, het bosrijke Drents-Friese Wold en de betoverende Drentsche Aa. En passant kom je ook nog over de Hondsrug, waar geologisch veel te genieten valt. Het Drentse landschap is bijzonder schilderachtig. Je wandelt langs meanderende beekjes, over heidevelden en zandverstuivingen en door veengebieden. Authentieke boerderijen en robuuste hunebedden vind je op je pad. En nu en dan doe je zo’n heerlijk pittoresk brink- of esdorpje aan.’ We hebben dit inderdaad allemaal gezien en beleefd. Natuurlijk was de ene etappe leuker, boeiender, interessanter dan de andere, maar over het geheel genomen hebben we genoten van de rust en de ruimte en hebben we deze provincie van een heel andere kant leren kennen. 

Appelscha

We lopen vandaag dus van Appelscha naar Veenhuizen. Op de kaarten zien de wegen er aardig recht toe, recht aan uit. Het eerste stuk van Appelscha naar Ravenswoud is inderdaad een lange rechte weg. Er is geprobeerd om de route aantrekkelijker te maken door het plaatsen van informatie borden. De historische route neemt je mee door de geschiedenis van de dorpen. Er is onderweg aandacht voor vervening, WOII en typische dorpsberoepen. Zo lopen we langs paal nr 13: de veenbaaswoning. De ‘Gezamenlijke Compagnons van de Opsterlandsche en Ooststellingwerfsche Veenen en Vaerten’ traden niet zelf op als verveners. In het algemeen verkochten zij het aanwezige veen aan particuliere ondernemers, de verveners. Zij behielden zelf de ondergrond in eigendom, die dan later werd verpacht of verkocht. Eén van de belangrijkste verveners in Appelscha was Alle Wytzes van der Sluis (1813–1900), die zich hier omstreeks 1835 vestigde. Van de ruim 200 percelen veen die tot midden 19e eeuw door de Compagnons werden verkocht was het aandeel van de familie Van der Sluis bijna 50%! Aan de rechterzijde van de woning was een winkeltje aangebouwd. De veenarbeiders werden verplicht om hier hun boodschappen, levensmiddelen, kleding e.d. te kopen. Dit wordt gedwongen winkelnering genoemd. Soms werd het loon in goederen uitbetaald. De arbeider moest dan genoegen nemen met wat de veenbaas op dat moment kwijt wilde. Het huis staat er nog steeds, maar wordt waarschijnlijk opgeknapt, want de voorkant wordt ontsierd door grote borden.

informatiepaneel historische route

Even verderop, richting Ravenswoud, lopen we langs het monument van de Melkstaking in WOII. De aanleiding voor de spontane landelijke staking was de bekendmaking op 29 april 1943 dat Nederlandse oud-militairen die gevochten hadden in 1940 zich moesten melden om te gaan werken in Duitsland voor de Arbeitseinsatz. Door de vele Duitse doden tijdens de slag om Stalingrad was extra mankracht nodig om de Duitse oorlogsindustrie draaiende te houden. Net als elders in het land ging in Appelscha de staking gepaard met sabotage van de aanlevering van melk. Een grote groep mensen hield zich op bij het Compagnonshotel. Voor de melkauto werd geen ruimte gegeven, waarop de begeleidende veldwachter schoot toen het bevel van verspreiden werd genegeerd. Een Duitse patrouille werd te hulp geroepen en op deze plek openden de Duitsers het fatale vuur op de vluchters Anne de Boer, Melle Bruinsma en Jitse Kiewiet. Verslagen en verbijsterd werd onder druk van gezaghebbende Appelschasters de staking beëindigd: “gesmoord in bloed”.

Monument Melkstaking

Een volgend belangrijk aandachtspunt is de ophaalbrug waar we langs lopen. Ravenswoud heeft één rijksmonument, nl. de ijzeren ophaalbrug over de Eerste Wijk. De brug dateert waarschijnlijk uit 1894.

Een rijksmonument

Vanaf de ophaalbrug in Ravenswoud lopen we verder over een zandpad en een fietspad, waarna we (eindelijk) het bos in mogen. De bossen hier zijn aangeplant als productiebossen na de veenwinning, zo rond 1900. Het gebied staat bekend als de Compagnonsbossen.

Lange rechte wegen langs lange rechte kanalen

We besluiten een kleine omweg door het bos te maken om uitkijktoren De Zeven te kunnen bekijken. Een toepasselijke naam, want de toren is gebouwd in de vorm van een 7. De belangrijkste eis vooraf was om een toren te ontwerpen die ook gebruikt zou kunnen worden door mensen met enige hoogtevrees. De gekozen oplossing is een knik in de steile trap. Je kunt hierdoor de totale hoogte niet overzien. De 18 m hoge toren is als een gedraaide zeven en wordt ook wel de periscoop genoemd.

Uitkijktoren De Zeven (foto: internet)

De toren lijkt echter steeds van vorm te veranderen bij elke stap die je dichterbij komt. Eerst zie je overduidelijk een 7, maar langzaamaan verschijnt er opeens een knik in de toren. Loop je dan nog wat verder door, dan wordt de knik groter zodat de 7 bijna een Z wordt. Om het beeld van het uitgestrekte open veengebied niet te verstoren staat de toren in de bosrand. De toren heeft een stalen constructie die geheel bekleed is met onbehandeld larikshout, dat vergrijst in de tijd. Hierdoor wordt de toren één met de achterliggende bosrand. Met het ontwerp zijn diverse prijzen gewonnen waaronder de Houtarchitectuur Publieksprijs in 2001, de Vredeman de Vries Publieksprijs voor architectuur in 2002 en de Gouden Piramide, de rijksprijs voor inspirerend opdrachtgeverschap in 2003. Het is zeker iets bijzonders dus!

Eerst een 7 dan een z (foto: internet)

Terwijl de één de steile klim naar boven onderneemt om te kunnen genieten van een spectaculair uitzicht, blijft de ander genietend aan de rand van het hoogveen staan. Wat een weidsheid. Iemand van natuurmonumenten vertelt dat dit natuurgebied op de grens tussen Friesland en Drenthe ligt. Er leven veel bijzondere dieren, vooral vogels zoals de eerdergenoemde kraanvogels. Je kunt hier ook alle drie de slangensoorten, die we in Nederland hebben, tegenkomen: de adder, de ringslang en de gladde slang. Hmmm, ik vind het prima om die niet te ontmoeten.

Uitzicht van bovenaf (RK)

Gelukkig lopen we ook over het Fochterloërveen, één van de laatste gebieden met hoogveen in west Europa. Hoogveen is eigenlijk een pakket van op elkaar gepakte, onverteerde, dode plantenresten wat onder water, maar boven de grondwaterspiegel, wordt gevormd. Het bestaat vrijwel uitsluitend uit de resten van veenmos, dat dikke kussens vormt en regenwater vasthoudt. Zo blijft de groeiplaats kletsnat, ook als de mosjes langzaam hoger groeien. Veenmoskussens kunnen zo als natte dekens steeds hoger en breder uitgroeien. De onderste delen sterven af maar deze verteren niet in het zure milieu. Laagveen daarentegen ontstaat anders. In ondiepe plassen groeien verschillende soorten water- en moerasplanten. In het najaar sterven de meeste planten af, maar de resten van deze planten verteren onder water nauwelijks. Ze hopen zich op totdat de hele plas opgevuld is. Kort gezegd is hoogveen de veensoort die ontstaat onder invloed van regenwater terwijl laagveen ontstaat onder invloed van grondwater. Om het allemaal nog iets ingewikkelder te maken wordt wel beweerd dat de onderste laag van alle hoogveen bestaat uit laagveen. Snap je het nog?

Kussentjes op het water

Dit stuk veen is ontsnapt aan de ‘ontginningswoede’ ten behoeve van landbouwgrond. Dit leek een onstuitbare ontwikkeling, volgens ons boekje, maar werd middels de troonrede van 1961 een halt toegeroepen. Het resterende deel van het Fochterloërveen kreeg toen een definitieve bestemming als natuurgebied. Tegenwoordig is het veen weer lekker nat, soms zelfs kleddernat en dat is precies zoals het moet zijn. Herstel gaat echter langzaam, hoogveen groeit in onze omstandigheden slechts 1 millimeter per jaar. Met een beetje geluk tref je hier weer kraanvogels, die hier na 250 jaar weer broeden. We houden onze vingers gekruist. Dat zou wat zijn!

Panorama foto van het Fochterloërveen (RK)

Op het veen loopt de route deels over een smal paadje, waar het water regelmatig flink hoog staat, een ‘natte voetenpad’ als het ware. Aangezien het de afgelopen dagen niet heeft geregend, is de grond erg droog en wagen we het erop. Altijd leuker dan over het fietspad lopen, toch?

We komen hier twee enthousiaste vogelspotters tegen die ons meteen begroeten met de vraag: ‘hebben jullie nog wat gezien?’ Inmiddels wijs geworden antwoord ik dat we we geen vogels hebben gezien, wat de reactie uitlokt: ‘Oh, maar welke dieren dan wel?’ Ook hierop moeten wij een bevredigend antwoord schuldig blijven. We komen niet verder dan citroenvlinders. Prachtig opvallend geel, maar razendsnel. Het stel noemt vervolgens hun eigen observaties op. Naast diverse slangen en vlinders hebben zijn ook een klapekster (zeldzaam), roodborsttapuiten, een blauwborst en vooral veel heikikkers gezien. Of wij wel weten dat de mannetjes blauw zijn? Een mannetjes heikikker kleurt namelijk prachtig blauw tijdens de paartijd in februari/maart. Wij moeten een beetje beschaamd constateren dat we toch niet zo goed opletten als we denken. We hebben wel veel gebubbel in het water gehoord en nog meer bellen gezien. Ook hebben we veel kikkers op een afstandje zien springen en bewegen, maar we hebben niet direct gezien dat er ook blauwe kikkers tussen zitten. Een gemiste kans. 

Een heikikker mannetje in de paartijd (foto: internet)
Geen kraanvogel te zien………

Zo mooi kan het niet blijven en dat doet het dan ook niet. Na het Fochteloërveen brengen (te) lange, (te) rechte fietspaden ons naar Veenhuizen.

Lang en recht (RK)

Veenhuizen is één van de zeven voormalige Koloniën van Weldadigheid en de grootste onvrije kolonie. Deze koloniën zijn opgericht in 1822 door generaal-majoor Johannes van de Bosch. Hij wilde daarmee twee vliegen in één klap slaan: de schrijnende armoede in de grote steden aanpakken én braakliggende grond benutten. Daartoe werden de paupers uit de steden, met goedkeuring van koning Willem I, in de veengebieden aan het werk gezet. Eerst nog op basis van vrijwilligheid. Toen die paupers toch wel erge lastpakken bleken, kwam er in Veenhuizen een echte strafkolonie. Grote gestichten verrezen hier, waarin 4000 vondelingen, wezen, landlopers en dronkaards werden ondergebracht. Die kazerne-achtige gebouwen zie je nog steeds in Veenhuizen. Een succes is het nooit geworden en in de loop van de jaren is Veenhuizen meer en meer een gewone strafinrichting geworden.

Veel tekenen van de ‘Weldadigheids-gedachte’ van heropvoeding van de paupers zie je nog steeds terug in het dorp. Op tal van huizen in de voormalige dwangkolonie zie je spreuken. Zo is de woning ‘Bitter en Zoet’ gebouwd als apotheek van het ziekenhuiscomplex. Later werd dit gebouw veranderd in een woning voor ambtenaren. De woning ‘Toewijding’ was vroeger het huis van de geneesheer-directeur en de woning ‘Plichtgevoel’ was eerst de woning van de apotheker en later dat van het hoofd van de verpleging. Het is vermakelijk om onderweg te bedenken voor wie de naam op het huis ooit bedacht is. ‘Humaniteit’ voor de predikant? Maar namen als ‘Flink en Vlug’, ‘Helpt Elkander’ en ‘Zorg en Vlijt? Bedenk het maar……. Mijn fantasie draait overuren. 

Namen op huizen in Veenhuizen (foto: internet)

De Koloniën van Weldadigheid hebben een zeer typisch landschap opgeleverd dat tweehonderd jaar na hun ontstaan nog altijd herkenbaar is, het resultaat van een doelgerichte ontginning door de mens. Nog altijd vervullen de voormalige Koloniën sociale, justitiële en welzijnsfuncties en doen mensen er aan land- en bosbouw. Veenhuizen bleef in eerste instantie wel altijd een buitenbeentje binnen het Nederlandse gevangeniswezen: de veroordeelden waren geen gewone misdadigers en de gestichten hadden geen tralies voor de ramen. In de loop van de tijd zijn er ook allerlei groepen ondergebracht die men ergens anders niet kwijt kon, zoals joodse vluchtelingen, dienstweigeraars en Nederlandse en Duitse oorlogsdelinquenten. Tegenwoordig is Veenhuizen een gewone gevangenis. 

Ons eindpunt: het gevangenismuseum

Sinds enkele decennia zien wij als samenleving meer en meer de waarde van de Koloniën als erfgoed in. In juli 2021 werd deze waarde internationaal erkend en werden de Koloniën van Weldadigheid ingeschreven op de UNESCO Werelderfgoedlijst. 

Heerlijk op een terras genieten we van een welverdiende kop koffie met een wafel vol aardbeien om het eind van dit streekpad te memoreren. De laatste kilometers en daarmee onze eerste lange afstandswandeling is gelopen. Een volgend boekje ligt al op ons te wachten. Op deze manier wandelen blijft verrassen. 

DE KALE DUINEN (Drenthepad)

Drenthepad: kaarten 11 & 12

De zon schijnt uitnodigend, er is geen wolkje aan de lucht en hoewel koud voelt het daardoor toch een beetje als een lenteachtige dag. Al met een ideale dag om de voorlaatste etappe van ons pad te ontdekken. We starten vandaag in Oude Willem (naar de oude herder die hier met z’n schapen liep) en lopen naar Aekingerbroek en verder over het Aekingerzand naar Appelscha. Appelscha ligt eigenlijk nèt in Friesland. Er wordt wel gezegd dat dit dorp in ‘het andere Friesland’ ligt, waarmee zuidoost Friesland wordt bedoeld. Hier geen landschap van klei, grote meren of vlakke weilanden, maar een zeer bosrijke omgeving met hoge zandgronden en een nationaal park. Het Drents-Friese Wold is één van de grootste aaneengesloten bosgebieden van ons land. Het wordt lyrisch omschreven als een gebied waarin je dwaalt van zandverstuiving naar vennetje en van heide naar moeras. We gaan het beleven!

Een nat gebied

We lopen in eerste instantie door een bos wat voornamelijk uit naaldbomen bestaat. We zien lange rechte stammen met hoge kruinen en horen het typerende ruisen van de wind door de naalden van die bomen. De Japanners hebben een naam voor dit geluid: matsukaze. ‘Matsu’ betekent pijnboom of naaldboom en ‘kaze’ staat voor wind, bries of luchtstroom. Letterlijk betekent matsukaze dan ook: de wind door de pijnbomen. Dit karakteristieke, zacht fluitende geluid heeft in Japan een sterk symbolische lading. In Japan zijn bomen (in het bijzonder pijnbomen) heilige plaatsen die de kami (goden) gebruiken om contact te zoeken met de wereld van de mensen. Het woord matsukaze roept dan een gevoel van bezinning en lichte melancholie op. Grappig is dat ditzelfde woord ook gebruikt wordt in de Japanse theeceremonie (chanoyu) waar het duidt op het karakteristieke geluid van kokend water in de theeketel, waarmee de gastheer of -vrouw thee zal maken. Dit geluid horen de gasten vanaf het moment dat zij de theekamer binnenkomen tot het moment dat zij vertrekken en staat daarom symbool voor de harmonie, eerbied, zuiverheid en afzondering. Alles wat in chanoyu als belangrijk wordt gezien. Er is een korte handeling waarbij dit geluid even afzwakt en dat is wanneer de gastheer of -vrouw vers water in de theeketel giet om aan te vullen wat genomen is en de aanwezigen zo te doordringen van het ritme van eeuwige, natuurlijke en dus noodzakelijke vernieuwing. Waar het luisteren naar het ruisen van de bomen al niet toe kan leiden…….

Een naaldboom impressie met ICM

Aekingerbroek is een bijzonder natuurgebied. Eigenlijk is het een kletsnat moerasgebied dat gevoed wordt door de Vledder Aa. De Vledder Aa is op haar beurt ook bijzonder omdat het de enige beek in Nederland is, waarvan de bovenloop (vanaf de bron het eerste deel van een rivier/beek) in een natuurlijke omgeving ligt. In de 20e eeuw werden beken rechtgetrokken, zodat het land droger werd en boeren hun land zo optimaal mogelijk konden gebruiken. De Vledder Aa, evenals de nabij gelegen beek Tilgrup, ontkwamen ook niet aan menselijk ingrijpen, wat tot gevolg had dat de natuurgebieden ernstig verdroogden. De inzichten zijn inmiddels veranderd met als gevolg dat de beken opnieuw hun eigen loop mogen zoeken. De natuur past zich aan en ontwikkelt zich weer als weleer.

Over smalle paadjes (RK)

Een uitspraak die op dit gebied van toepassing is: ‘in armoede begonnen, door arbeid gewonnen, in welvaart verzonnen’. Een van oorsprong ‘woest en ledig’ gebied wordt door hard werken geschikt gemaakt voor landbouwkundig gebruik. Inmiddels gaat het in ons land economisch dermate goed dat we ons kunnen permitteren om landbouwgrond weer om te vormen naar natuur: ‘in welvaart verzonnen’.

Wat maakt de Vledder Aa de Vledder Aa? De zoektocht naar de ziel en de betovering van het beekje de Vledder Aa wordt door dichter Marga Kool verwoordt in haar gedicht met dezelfde naam (2 fragmenten): 

‘Daar begint het uit regen

sijpelt door stuifzand

gefilterd, geslepen in donkere aarde

tot het lager gelegen

roestbruin omhoog kwelt, gaat stromen, een beek

——-

De mensen gaan wondere wegen, 

zegt de beek. Wat is de zin?

Ik heb de tijd, ik ken mijn plaats

mijn stroomgebied; ik kom, ik ga.

Een stukje eeuwigheid: de Vledder Aa’ 

De naweeën van de ‘drielingstorm’ (RK)

Ondertussen is het zowel naast als soms op het pad een natte bedoening. We hebben duidelijk te maken met de naweeën van de drielingstorm Dudley, Eunice en Franklin die half februari over ons land raasde. Je mag officieel spreken van een storm als een uur lang windkracht 9 wordt gemeten bij een KNMI-weerstation. Een drielingstorm is sowieso bijzonder, de laatste was in 1928, bijna honderd jaar geleden. Heb je zes dagen achter elkaar storm dan is schade natuurlijk onvermijdelijk. We zien veel afgeknapte bomen, heel veel verspreid losliggende takken en grote bulten samengebundelde takken klaar voor vervoer naar elders. Het is soms even zoeken, maar gelukkig vinden we iedere keer wel weer een smal ‘geitenpaadje’ om langs het water te kunnen lopen i.p.v. erdoor. We houden droge voeten!

De grenspoel op de grens van twee provincies

Precies op de grens van Drenthe en Friesland ligt de Grenspoel, een van oorsprong schoon en voedselarm ven dat ligt aan de rand van het stuifzandgebied Aekingerzand. Overal moet je schapen, schapen en nog eens schapen kunnen zien om de Kale Duinen kaal te houden. Wij kijken goed om ons heen en zien inderdaad in de verte een grote kudde schapen. Helaas niet op onze weg. Een tweetal dames ziet ons speuren en vragen belangstellend of we al iets gezien hebben. Meteen kijk ik naar hun uitrusting, zijn dit mogelijke vogelaars? Ik zie echter geen camera of verrekijker en antwoord een beetje algemeen dat we nog geen dieren hebben gezien, behalve dan de schapen verderop. ‘Nou’, reageert één van de dames enthousiast, ‘daarginds zit wel een blauwe (of was het toch een grauwe?) kiekendief.’ Toch vogelspotters! Even nalezen leert dat er in ons land verschillende soorten kiekendieven voorkomen, waaronder de grauwe, de blauwe en de bruine kiekendief. De bruine is het talrijkst met 1200 à 1400 broedparen. De andere soorten zijn veel zeldzamer: de grauwe telt maar 45 broedparen en de blauwe slechts 11. Blauwe kiekendieven leven echter wel in open, vochtige gebieden zoals duinen, moerassen, akkers en graslanden. Wat dat betreft is de omgeving hier dus zeer geschikt. 

Een blik van bovenaf (RK)

We staan vlakbij de uitkijktoren, die in 1995 is gebouwd door leerlingen van het Bijzonder Jeugdwerk Aekinga uit Appelscha. Misschien geeft een hoger uitzicht ons een betere kijk op de weidse wereld die ons omringd?

Hoe verder je kijkt, hoe groter het lijkt’ (Jules Deelder)

Vanaf de toren kun je het landschap zien veranderen (mits je de toren vaker beklimt). Hoewel dit gebied is omringd met bos en heide, komt er in het gebied zelf vrijwel geen begroeiing voor. Daardoor hebben zand en wind hier vrij spel. De wind gaat alle kanten op en laat het zand steeds opstuiven. De Kale Duinen zijn, volgens onze informatie, perfect als het gaat om landschapsfotografie. Je kunt hier ‘een dynamisch contrast zien tussen droog en nat maar ook tussen het gelige zand en de blauwe lucht’. We hebben hard gewerkt (haha) om dit vast te leggen. Omdat gebieden met zandverstuivingen niet veel voorkomen, zulke gebieden zijn eigenlijk woestijnen, worden ze in heel Europa beschermd. Houthakkers, schapen en runderen houden ook hier het gebied open en daarmee het stuifzand ‘levend’. De Kale Duinen is een naam die hier past!

Drie berken spreken tot de verbeelding…….
Imposant (RK)
De wind wint langzaamaan de strijd
Eenzaam temidden van geel en blauw (RK)