Pelgrimage

Uithuizen-Oldenzijl

Pelgrimeren is ‘reizen naar een heilige plaats’. Vroeger was dit eigenlijk de meest gebruikte omschrijving, want pelgrimeren was vooral een religieus gebeuren. Pelgrims gingen op stap om te bidden, een heilige te vereren, boete te doen of om vergeving te vragen. Maar zoals alles verandert, kan iedereen tegenwoordig het begrip pelgrimeren op zijn of haar eigen manier invullen, dus ook in een niet-religieuze betekenis. Pelgrimeren is populair en zeker pelgrimeren naar Santiago de Compostela. De camino’s naar Compostela spreken velen aan vanwege hun geschiedenis, cultuur, natuur en religie. In onze individualistische maatschappij van nu is er steeds meer behoefte aan rust, bezinning, beleving van diepere waarden en/of aan contact met de medemens. Dat vind je zowel op de camino’s naar Compostela als op meer stille, minder belopen, camino’s (paden).

Voor ons dichtbij huis start het Jacobspad wat deel uitmaakt van de bovengenoemde grote pelgrimsroute. Vanuit Uithuizen starten jaarlijks vele pelgrims op weg naar ‘de heilige Jacobus in het Sterreveld’. Een naam die tot de verbeelding spreekt en wel om een beetje extra uitleg vraagt. Jacobus de Meerdere (Major, de oudste leerling) was één van de twaalf discipelen van Jezus. Hij was samen met zijn broer Johannes visser en boette netten. Boeten betekent herstellen van grote gaten in de netten en dit is symbool geworden van boete doen: door boete te doen, herstel je de fouten die je zelf gemaakt hebt. Jacobus is vooral bekend geworden vanwege het feit dat zijn graf in Santiago de Compostela zou zijn. Het verhaal gaat dat twee leerlingen het lichaam van Jacobus (Sant Iago) na zijn dood, in een bootje begeleid door een engel, hebben meegenomen naar Spanje, waar hij door hen werd begraven. Zijn graf werd in de 9e eeuw gevonden omdat er een ster verscheen boven het graf, vandaar de naam ‘campus stella’ (veld van de ster of sterrenveld), verkort tot Compostela. Samen Santiago de Compostela. Op deze plek is later de beroemde kathedraal gebouwd. Bijzonder om over de achtergrond van deze bekende namen te horen. 

Het welbekende teken van dit pelgrimspad

Vandaag maken wij een start met onze eigen pelgrimage of bedevaart in de vorm van een eerste stukje Jacobspad. We starten in Uithuizen bij, hoe kan het ook anders, de St. Jacobus de Meerdere kerk. Helaas is de kerk zelf gesloten, maar het is overduidelijk dat het pad hier begint, want voor de kerk staat het Jacobus monument dat twee Jacobsschelpen, de pelgrimsstaf en een ransel laat zien. De schelp is een herkenningsteken geworden voor elke pelgrim op weg naar Santiago de Compostela. De schelp is ook een verwijzing naar ‘onze’ Jacobus. Volgens een legende kwam een ridder met een paard in zee terecht. Hij bad vervolgens tot Jacobus voor hulp waarop hij, bedekt met schelpen, weer aan land kon komen. Anderen beweren dat de schelp verwijst naar de pareloester. De pelgrimstocht wordt in dit kader gezien als de zoektocht naar de kostbare parel, waarbij de parel staat voor de diepste zin van het menselijk bestaan. De schelp is de moederschoot en de parel het embryo of het begin van het nieuwe leven. Hoe dan ook, het monument staat vooral symbool voor de betekenissen die de pelgrim overdenkt op zijn of haar pad. De twee gesloten schelpen geven de suggestie dat het gaat om een noot (of vrucht) die onderweg geplukt en gegeten wordt. De onderste schelp kun je zien als een kom die regenwater opvangt om je dorst te lessen en jezelf te verfrissen. De andere schelp is dan het deksel dat je bescherming kan bieden. Het golfpatroon op de schelpen tenslotte staat voor water wat symbolisch is voor ‘leven’ in het algemeen. Naast op schelpen op een sokkel staat de pelgrimsstaf (de pelgrim zoekt rust) waaraan een ransel hangt.

Het Jacobus monument voor de Jacobus de Meerdere kerk (IK)
De tekst op de sokkel (RK)

We zien de eerste aanwijzing in de vorm van de schelp op een lantarenpaal en gaan enthousiast op pad, al is het dan zonder staf en ransel.

De eerste aanwijzing (RK)

We lopen dwars door het dorp. Uithuizen is ontstaan in de 10e eeuw. Mensen gingen wonen in de ‘Uthuzen’, wat ‘uiterste huizen’ betekent. Op deze plek werden de eerste huizen naast de wierde i.p.v. op de wierde Brunwerd gebouwd. Brunwerd kreeg hierdoor de naam Oldorp (het oude dorp). Bij Uithuizen hebben vele steenhuizen en borgen gestaan, maar de belangrijkste borg was toch wel, de nog altijd bestaande, Menkemaborg, een steenhuis uit de 14e eeuw.

Met de Menkemaborg op de achtergrond

We lopen de brede oprijlaan van de borg op. Het is druk, we zijn niet de enigen die profiteren van een mooie dag! Het zonnetje schijnt uitbundig, dus we laten ons verleiden tot een kop koffie op het terras en proberen ondertussen wat meer te ontdekken over de familie Menkema (de oorspronkelijke bewoners). Van deze familie is helaas weinig bekend, maar we leren wel dat de geschiedenis van de Menkemaborg terug gaat tot de vroege 15e eeuw. Een gevelsteen in een muur van de borg vermeldt dat het ‘Menckemahues’ in 1400 verwoest wordt en daarna meerdere keren is verbouwd en vergroot. Verschillende families zoals de families Menckema en Clant bewoonden de borg en hebben er hun sporen achtergelaten. In 1682 werd de borg gekocht door Mello Alberda. Zijn zoon Unico Allard laat de borg rond 1705 ingrijpend verbouwen door de latere stadsbouwmeester van Groningen, Allert Meijer. De ingang wordt dan naar het noorden verlegd waardoor het huis een barokke symmetrische indeling krijgt. Voor het verfraaien van het interieur worden kunstenaars aangetrokken. De familie Alberda bewoonde de Menkemaborg als buitenhuis. In 1902 overlijdt de laatste bewoner van de Menkemaborg, Gerhard Alberda van Menkema en Dijksterhuis. In 1921 schenken zijn erfgenamen de borg aan wat nu het Groninger museum is. De borg en de tuinen worden gerestaureerd. De tuin wordt in 1923 opengesteld voor publiek, gevolgd door de borg zelf in 1927. De kamers, waaronder de grote zaal, herenkamer, studeerkamer, slaapkamer, keuken en kelders zijn volledig ingericht met mooie meubelen, zilver, porselein, koperwerk en portretten uit de 17de en 18de eeuw. De vertrekken zijn ‘levendig’ ingericht alsof ‘de bewoners zo terug kunnen komen’. Dit geeft een unieke inkijk van hoe het leven er vroeger uitzag.

Een luchtfoto van de borg (internet)

Hoe intrigerend ook, we hebben vandaag geen tijd voor de borg, ons einddoel ligt een stukje verder. We lopen om de grote gracht heen, langs de Menkemaheerd (heerd betekent boerderij) en volgen het Meedstermaarpad langs het Meedstermaar (maar betekent afvoerkanaal, gracht) en het Baalkjepad. ’t Baalkje is de naam van het ijzeren bruggetje waarmee je het (Uithuizer)meedstermaar kunt oversteken om langs boerderij ‘Iturea’ verder te lopen richting Oldenzijl.

Even genieten langs het Meedstermaar (IK)
Op het ‘Baalkje’ (RK)

Met deze boerderij is iets bijzonders aan de hand, want de eigenaren van deze boerderij betalen al sinds de Middeleeuwen een jaarlijks bedrag aan lampengeld aan de kerk. Daarmee werd oorspronkelijk de ‘godslampe’ brandend gehouden. Een godslamp verlichtte in de katholieke tijd het sacramentshuisje waarin de hostie werd bewaard. De olie die nodig was om de lamp brandend te houden, werd betaald uit de huuropbrengst van een stuk land behorend bij de boerderij die tegenwoordig ‘Iturea’ heet, Een vermelding van deze betaling is onder andere te vinden in het handschrift ‘Ommelands Eer’ (1664) van de jezuïetenpater Franciscus Mijleman: ‘Tot Oldenzijl was een eeuwelijcke brandende lampe geordonneert ende gefondeert. Noch allen jaere word sekere huusmansplaets aldaer (…) afgehaelt lampegeld.’ De lamp was in de zeventiende eeuw, na de overgang tot het protestantse geloof in 1594, al verdwenen, maar de betalingsverplichting bleef. Met andere woorden het gebruik overleefde de Reformatie en wist zich tot in de 21e eeuw staande te houden. Hoe dat kan? Dat is mogelijk omdat de betaling deel uitmaakt van de beklemming (vaste huur) en deze is door de eeuwen heen amper veranderd. In de achttiende eeuw bedroeg de termijn twee gulden en vijf stuivers. De tegenwoordige eigenaar van ‘Iturea’ betaalt ruim een euro per jaar aan de kerk. Een bescheiden bijdrage in de elektriciteitsrekening, want olie wordt al lang niet meer verbruikt voor de verlichting van de Oldenzijlster kerk. De betaling van lampengeld is redelijk uniek in Nederland gezien de lange tijd dat het zich weet te handhaven zonder ergens centraal te zijn geregistreerd. Dergelijke grondlasten worden wel ‘de levende dinosauriërs van het recht’ genoemd. Bijzonder toch?

We eindigen onze dag bij de kerk van Oldenzijl, het is tenslotte een pelgrimstocht ;). Een mooi gelegen, romaans kerkje uit de 13de eeuw waar we o.a. de wapenschilden van de families Alberda en Clant kunnen bewonderen. 

Het wapen rechts van de familie Alberda en links van de familie Clant (RK)
‘Rechts een omziende rood getongde gouden leeuw, links een omziende gesneuvelde gouden griffioen met opgeheven vleugel waarop drie zilveren vissen’

Grauw en grijs

Grijs betekent meestal de kleur zelf terwijl grauw vaak wordt gebruikt om een beetje donkere situatie te beschrijven. Beide termen zijn vandaag zeker van toepassing. Het is weliwaar droog, maar tegelijkertijd is er ook mist of (zeer) laaghangende bewolking. Zoals een weerman het zo mooi uitlegde: ‘warme lucht komt in aanraking met koude lucht en het resultaat is, net als in je badkamer, condensatie.’ Het regent ook niet echt. Het lijkt eigenlijk meer alsof de wolken soms ‘lekken’, waardoor een fijne, dunne miezer ons zo af en toe besproeit. Om het weerpraatje aan te vullen: de temperatuur blijft rond de 5 °C. en er is bijna geen wind.

Wanneer het zo grauw en grijs is, blijven we vaak binnen. Zonde, volgens een enthousiaste natuurfotograaf, want de kleuren zijn dan juist vaak veel dieper en verzadigder. Natuurlijk is het dan wel donker (met name in het bos), dus neem je statief mee of werk met hoge ISO. Laat de lucht wel zoveel mogelijk buiten je foto en focus je op details en kleuren.

Focus op details en kleuren …….

Ik lees verder dat de kleur grijs in veel spirituele tradities wordt geassocieerd met balans, neutraliteit en kalmte. Het wordt gezien als een kleur van de tussenfase, die zich tussen zwart en wit bevindt en daardoor een balancerend effect heeft.
 Hoewel grijs helemaal in zijn eentje wat euh… grauw is, vormt het een fijne combi met bijvoorbeeld zwart en groen. Dan krijg je een heel fijn sfeertje! Dat hopen we vandaag dus te zien en te ervaren!

Grijs, groen en zwart geeft een fijn sfeertje

We starten in Boijl, een streekdorp uit waarschijnlijk de late middeleeuwen, dat aan de rand van het Nationaal Park Drents-Friese Wold ligt. Net buiten het dorp zien we inderdaad een grenspaaltje, waar we Friesland verlaten en verder lopen in het Drentse deel. 

Grenspaaltje tussen Friesland en Drenthe
Het kanaaltje is de grens

We lopen door het gebied van de ‘Maatschappij van Weldadigheid’, een idee wat zijn oorsprong vond rond 1815 en wat een ‘tijdperk van verandering’ in gang moest zetten.

Een eenvoudig bord, een wereld aan verhalen

De situatie was als volgt: Napoleon werd definitief verslagen en Willem I kwam aan de macht in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. De nieuwe koning had meteen grote problemen: torenhoge werkloosheid en armoede, een lege staatskas en een wankele maatschappelijke orde. Johannes van den Bosch, een generaal met veel militaire ervaring in Nederlands-Indië, kwam met een oplossing om de armoede in Nederland terug te dringen, n.l. de oprichting van de Maatschappij van Weldadigheid. Samen met andere hoge ambtenaren, edellieden en duizenden gewone burgers uit het hele land, zette hij een ambitieus plan in gang. Het idee achter dit plan was eigenlijk heel eenvoudig; de samenleving moest stukjes land en huizen aanbieden aan mensen die het minder breed hadden. In ruil daarvoor zouden zij, door te werken, voor hun eigen onderhoud kunnen zorgen en waren ze niet langer afhankelijk van de overheid voor (financiële) steun. Ook konden ze dan, op lange termijn, hun staatsschulden terugbetalen via (landbouw) overschotten.

(bron: internet)

De Maatschappij richtte zeven landbouwkoloniën op: vijf in Noord-Nederland en twee in het zuiden, het huidige België. In totaal werd zo’n 80 vierkante kilometer ongerepte, woeste heidegrond ter beschikking gesteld met als doel de grond te ontginnen en de landbouwproductie te stimuleren met behulp van nieuwe technieken. De allereerste kolonie, Frederiksoord, wordt vernoemd naar de beschermheer van de Maatschappij, prins Frederik.

Kaarsrechte lanen (RK)

Elke kolonie had zijn eigen kenmerken, maar ze leken toch opvallend veel op elkaar met kaarsrechte lanen, waterwegen en allerlei voorzieningen zoals scholen, kerken en spinnerijen. Al snel ontstond er wel een onderscheid tussen vrije en onvrije koloniën. In de vrije koloniën woonden gezinnen met (meestal) twee kinderen, die hun verblijf zelf konden beëindigen wanneer ze dat wilden. In de onvrije koloniën daarentegen werden mensen gedwongen opgenomen. Dat waren meestal gestrafte criminelen, bedelaars en zwervers. Dit laatste leidde tot veel vragen over de wettigheid en over de financiële risico’s.

Paddenstoelen op ons pad

Wij zien echter niets van dit alles. Wij lopen door het bos of langs meer open paden en volgen de, op boombast geschilderde, tekens die ons de weg moeten wijzen. De meesten zijn duidelijk zichtbaar, naar een enkele moeten we echt even zoeken!

Volg de aanwijzingen…….
Heel duidelijk 😉

In het bos is het beduidend warmer en we nemen de tijd om te genieten van de kleuren om ons heen. Ik weet niet of ze echt zoveel ‘dieper en verzadigder’ zijn, maar ze vallen ons wel op en dat zegt zeker iets.

Prachtig oranje

We zijn vandaag op stap met een nieuwe gadget, eentje die een weg wijst met behulp van GPX data (een type bestand dat informatie bevat over waypoints, routes en tracks dat vaak gebruikt wordt om locatiegegevens op te slaan en te delen). Het is nog even wennen, maar wanneer we ergens een weg-geregend teken missen, is het wel een uitkomst. Het apparaat laat zien dat we slechts ‘even’ dwars door het bos moeten lopen om ergens anders op een paralel pad uit te komen. Als een bonus zien we dan ook nog een groot ven en andere poelen. Zo word je haast overgehaald (en beloond) voor het lopen van enkele extra (kilo)meters ;).

‘Off the beaten track’
Bijzonder landschap

Opeens zijn we vlakbij onze fietsen en daarmee vlakbij het esdorp Vledder, waarvan de naam duidt op een natte plaats. Die is treffend gevonden!

Volop natte plekken

Vledder kent, net als vele andere Drentse brinkdorpen, een lange geschiedenis. In de omgeving zijn diverse grafheuvels en urnenvelden gevonden uit de nieuwe steentijd (ca. 11.000 v.Chr. tot ca 3.000 v. Chr.). Een andere keer moeten we het dorp maar eens echt bezoeken, want behalve Museum De Proefkolonie, over Johannes van den Bosch en de vrije koloniën van Weldadigheid, staat hier ook Museum Valse Kunst. Hier vind je ‘Kunst met een glimlach’ (is het echt of toch vals?), waarbij ervan wordt uitgegaan dat vervalsen ook een kunst is. Het werk van beroemde kunstenaars als Appel, Picasso, Dali, Matisse en Rodin wordt vaker vervalst dan je denkt ………….

Kunst in de natuur (RK)

Verder vind je hier een bekend oorlogsmonument. Begin 1942 werden grote groepen joodse mannen opgeroepen voor tewerkstelling ergens anders in Nederland. Zij werden samengebracht in kampen, waarvan een groot aantal in Drenthe lag. Kamp Vledder is in 1941 gebouwd. Het is niet duidelijk voor welke groep het kamp in dat jaar functioneerde, maar vanaf 10 januari 1942 tot 2 oktober 1942 verbleef er een groep van 180 joodse mannen in het kamp. Zij werden gedwongen tot allerlei werkzaamheden in de omgeving. Zo werkten ze aan een weg in Vledderveen, die tegenwoordig nog altijd ‘Jodenweg’ heet. Op 2 oktober 1942 werden alle in Drenthe verblijvende joden overgebracht naar Kamp Westerbork, waarna ze naar de concentratiekampen zijn gedeporteerd. Slechts een enkeling heeft de oorlog overleefd.

We fietsen terug naar Boijl door een nog steeds grijze en grauwe wereld. Voorlopig zal dat niet veranderen, want het uitgestrekte hogedrukgebied boven ons is niet erg beweeglijk, aldus de weerkenners. Veranderingen in de natuur werden vroeger vaak gekoppeld aan wijzigingen in het weer. Weersverwachtingen bestonden toen nog niet en als je boer of molenaar was en bovendien een scherp observator, kon je in de levende natuur bepaalde karakteristieken ontdekken die je wat houvast gaven in het ‘voorspellen’ van het weer. Een deel van de vaak ‘onzinnig klinkende’ weerspreuken is dus wel degelijk zinvol en heeft zelfs een beperkte waarde voor de verwachting van het weer, al is het dan vooral voor de korte termijn. Neem nu ‘mist vorst in de kist’. Dit slaat op een periode (vaak aan het einde van een vorstperiode), waarbij de grond nog (deels) bevroren is of in elk geval erg koud is. Als de wind dan ruimt (draaien met de wijzers van de klok mee) naar de milde zuidwesthoek met aanvoer van vochtige (warme) lucht vanaf zee, condenseert deze lucht op grote schaal boven het koude land en geeft dat op uitgebreide schaal mist. Het verhaal van condens in de badkamer (haha).


Uit veen geboren…….

We lopen in een grote boog om Drachten heen, n.l. van Houtigehage naar Ureterp, waarmee we aan de andere kant van de A7 uitkomen. Het noordelijk deel van dit pad is (bijna) afgerond. We hebben nog ergens een etappe overgeslagen vanwege een brug die niet toegankelijk was. Dat stuk is voor een andere keer.

Het is af en toe nat vandaag (RK)

Drachten is na Leeuwarden de grootste stad van Friesland en is eigenlijk ontstaan uit twee gehuchten, Noorder Dragten en Zuider Dragten, die met elkaar verbonden waren door een bochtig weggetje over een smalle zandrug. Deze oerweg bestaat nog steeds! Alles gaat veranderen als het oog van grote veencompagnieën op dit gebied valt. Zij willen het hoogveen dat zich tussen de zandruggen heeft gevormd, afgraven voor de turfwinning. Maar wat is veen eigenlijk en hoe wordt veen turf?  

Veen is een grondsoort die vooral bestaat uit (gedeeltelijk) vergane of verkoolde resten van bomen en planten (en kleine diertjes) met een vochtgehalte van meer dan 75%. Veen vormt zich min of meer op water door het sterven van de planten terwijl er geen zuurstof bij kan komen, waardoor de plantenresten niet verteren. Veen is dus opgebouwd uit organisch materiaal dat nog nauwelijks vergaan is. Dan is er nog een verschil tussen hoog- en laagveen. Beiden worden gevormd door plantenresten. Het verschil is dat laagveen wordt gevoed door grond- en oppervlakte water, terwijl hoogveen uitsluitend wordt gevoed door regenwater. Zo’n zwart/bruine laag hoogveen kan in duizenden jaren uitgroeien tot wel een pakket van zo’n 5 tot 6 meter dikte! Hoewel regenwater erg arm is, is veenmos één van de weinige plantensoorten die hierin goed kunnen gedijen. Kussens van veenmos zuigen zich vol met regenwater. Het veenmos sterft van onderen af maar groeit aan de bovenzijde door. Het hoogveen is dus zelfvoorzienend in zijn waterhuishouding en is alleen afhankelijk van regenwater. 

Informatie borden onderweg

Voor de turfwinning wordt in 1641 de Drachtster Compagnonsvaart (of Drachtstervaart) gegraven met even later de dwarsvaart, de Noorder Doorvaart. Met de komst van de vele turfspitters ontstaat er verderop in het veen een nieuwe nederzetting: Drachtster Compagnie. Even ter verduidelijking: turf is feitelijk niets anders dan gedroogd veen. In veengebieden is het gedroogde veen lang gewonnen als brandstof, want de gedroogde turfbroodjes branden beter en vooral ook langer dan houtblokken. 

Hard werk in barre omstandigheden (foto internet)

In de veenkolonie zijn de vele dwarswijken (waterwegen) uit de tijd van de ontginning nog steeds aanwezig. We zien ze onderweg dan ook met enige regelmaat. Op historische kaarten is te zien dat Drachtstercompagnie van oorsprong een hoogveenkolonie is. Dit is op te maken uit de hoofdvaart met de rechthoekige daarop gegraven wijken. De wijken (16) kregen namen naar hun ligging of naar de eigenaren van het aanliggende veen. Sinds 2010 hebben de wijken van Drachtstercompagnie een naambordje gekregen waarop eigenaar en datering staan vermeld.

Een beetje schuin genomen om het water ook te laten zien 😉
In deze ‘wyk’ is nog een randje ijs zichtbaar

De vervening duurde tot in de 19e eeuw, waarna de veenwinning uiteindelijk werd weggeconcurreerd door de opkomst van andere fossiele energie, zoals olie en gas. Na afloop van de verveningen trokken de veenarbeiders verder om ergens anders te helpen met de ontginning of ze verhuurden zichzelf als boerenarbeider, maar ook de boeren hadden het niet ruim. Natuurlijk bleven er ook arbeiders in de Drachtster venen wonen. Zij probeerden, met het in cultuur brengen van het land, een nieuw bestaan op te bouwen. Omdat veeteelt in die tijd betere resultaten dan de landbouw opleverde, werd veel bouwland in grasland omgezet en werd de veestapel uitgebreid. Mede door de komst van de zuivelfabrieken kwam er een zekere ommekeer.

We lopen gedeeltelijk door dit langgerekte dorp met zoveel (verborgen) geschiedenis en deels met een boog eromheen om uiteindelijk toch weer op De Feart uit te komen, een asfaltweg die ons naar het viaduct over de A7 voert. Het blijkt zowaar de ‘vlaggen viaduct’ te zijn.

Dreigende luchten ……..

Al sinds de Corona tijd zijn de vlaggen, spandoeken en zwaailichten van protesterende boeren op dit viaduct over de A7 een bekend beeld. Maar vanaf begin 2023 behoort dat ‘uiterlijk vertoon’ verleden tijd te zijn. De burgemeester heeft de demonstranten toen opgedragen hun vlaggen en spandoeken per direct thuis te laten. Het zou het verkeer teveel afleiden. De demonstranten kregen de keuze hun protest verder, zonder uiterlijk vertoon, voort te zetten of een andere plek te zoeken. Wij rijden hier regelmatig langs over de A7 en hoewel het protest echt aanzienlijk minder is geworden, is het verre van verdwenen. Zo ook vandaag!

Voorzichtig …….

Op grote afstand zien we de verschillende vlaggen wapperen op de leuningen aan weerskanten. Een man zet aan beide kanten van het viaduct van die waarschuwende, afremmende, gele poppen neer. Voor zijn eigen veiligheid of om aandacht te vragen voor zijn vlaggenparade? In elk geval wordt ons belangstellend gevraagd: ‘En ….. fynst dit leuk?’ om vervolgens snel verder te gaan met ‘Jo witte wis wêrom, krekt?’
Wij hebben echter niet zoveel zin in een discussie en bovendien is het koud vandaag. Met een temperatuur net boven het vriespunt en maar af en toe een lekker zonnetje, is het zaak om te blijven bewegen en niet stil te staan. Zeker niet boven op een koud, winderig viaduct!

Het ‘vlaggen viaduct’ (RK)
Toch een beetje rebels met een kleine tractor? (RK)

Aan de andere kant van de A7 lopen we een lang stuk over de onverharde Brouwersleane. Op zich een mooi pad, maar het het is wel erg nat, met veel bevroren stukken en vol glinsteringen van de zon, die inmiddels laag aan de hemel staat. Met andere woorden, we (ik) komen hier niet zo snel vooruit 😉

Veelal nat en drassig (RK)
Op schaduwplekken ondiep ‘bomijs’ (RK)

Dan opeens, sneller dan verwacht, komen we aan bij de weg die ons naar Ureterp leidt. Meteen aan het begin van het dorp zien we al een imposante klokkenstoel naast een, in verhouding, haast bescheiden kerk. Een eenvoudig kerkgebouw(tje) konden mensen vroeger nog opbrengen, maar een kerktoren was, zeker voor kleine, arme dorpen, teveel van het goede. De oplossing was dan een klokkenstoel, een houten stellage met een dak waarin meestal maar één klok hing. Om het geluid van de klokken ook op grote afstand goed te kunnen horen, moeten de klokken wel hoog hangen. Klokkenstoelen worden daarom ook wel ‘klokkentorens van de armen’ genoemd, omdat er geen geld was om een ‘echte’ toren te bouwen. Er staan nog diverse van deze klokkenstoelen in Friesland, vaak één of meerdere keren gerestaureerd en allemaal met de status van monument. 

De klokkenstoel van Ureterp met twee luidklokken

De kerk, ten westen van het dorp, werd omstreeks 1250 gebouwd. De toren heeft echter geen fundamenten, hij staat gewoon los op een bult zand. Dat hij altijd is blijven staan, is te danken aan de dikke muren. In de jaren ’50 heeft de toren een restauratie ondergaan waarmee deze weer, met oorspronkelijke kloostermoppen, in oude staat is teruggebracht. Vanaf omstreeks 1600 tot 1766 hingen er twee klokken in de toren, vandaar de galmgaten, maar omdat de toren rond 1766 in erg slechte staat was, werd besloten een aparte houten klokkenstoel voor de kerk, op het kerkhof, te bouwen.

De toren heeft twee galmgaten (RK)

In 1873 werd de stoel vernieuwd en tegelijkertijd verplaatst naar achter de kerk vanwege klachten. Paarden sloegen soms op hol bij het luiden van de klokken omdat de klokkenstoel zo dicht bij de openbare weg stond. In 1943 zijn de twee luidklokken (uit 1771 en 1932) door de Duitsers weggeroofd voor de wapenindustrie in WOII. Na de oorlog konden nieuwe klokken worden aangeschaft na een geldinzameling onder de bevolking. Eén van de klokken kreeg toen een mechanisme waardoor deze automatisch kan luiden op de bekende (belangrijke) tijden van 8.00, 12.00 en 18.00 uur. De andere klok wordt o.a. gebruikt voor bruiloften en begrafenissen. Grappig weetje is dat op beide klokken een randschrift is aangebracht. Op de ene staat geschreven: ‘Ik bounzje drôf, ik bounzje bliid – GOD jowt alles op SYN tiid’ (Ik bons droevig, ik bons blij – GOD geeft alles op zijn tijd). Op de andere: ‘Al moast ús folk yn d’oarloch hast ferbliede, foar frije Friezen meie wy wer liede’ (Al moest ons volk in de oorlog bijna doodbloeden, voor vrije Friezen mogen wij weer luiden). De geschiedenis in een notendop. De opvallende voormalige (rode) pastorie staat tegenover de kerk en werd in 1787 gebouwd en als zodanig tot 1970 gebruikt.

Voormalige pastorie

We naderen ons eindpunt als we onder de ‘Spits van Ids’ doorlopen, dat fungeert als toegangspoort tot het dorp. Het 25 m lange stalen kunstwerk is geïnspireerd op de draaibare planken, zogenaamde ‘barten’, die vroeger over de Ureterper vaart lagen.

Een gedeelte van de ‘Spits van Ids’

Wat je allemaal niet kunt leren van en over een veengebied zo dicht bij huis!




Route gewijzigd

Vanmorgen ‘zullen er ongetwijfeld nog wel enkele buitjes ontstaan. Geleidelijk wordt het overal droger met een afwisseling van zon en wolken. Er stroomt minder zachte lucht naar ons land, de dagtemperaturen stijgen tot 8 graden.’ De weersverwachting voor vandaag klinkt veelbelovend, in ieder geval droog en hopelijk een beetje zonnig. We willen verder met onze wandeling rond de Tjonger en pakken de draad weer op bij Sluis II, zoals deze sluis kennelijk officieel heet. De sluis ligt geografisch in Jubbega, terwijl de stuw naast de sluis in Nijeberkoop ligt. De Tjonger is daarmee Nederlands enige taalgrens binnen de landsgrenzen. Ter verduidelijking: een taalgrens is de lijn die twee talen scheidt, waarbij de twee talen genoeg van elkaar moeten verschillen dat sprekers elkaar niet kunnen verstaan. Op het sluiseiland staat zelfs een taalmonument dat deze grens markeert, want ten zuiden van het riviertje wordt Stellingwerfs i.p.v. Fries gesproken. Alhoewel, tegenwoordig wordt het Stellingwerfs, een Nedersaksisch dialect, eigenlijk nauwelijks meer gesproken.

De taalgrens

Bijna meteen wordt de route al gewijzigd en wijst het bordje richting Egypte. Een straat en een buurtschap met een naam die waarschijnlijk is afgeleid van een gelijknamige boerderij. Egypte ligt samen met de gehuchtjes Moskou, Canada en Frankrijk allemaal in zuidoost Friesland. Hoe grappig is dat?

Meteen al een route wijziging (internet)

Via Egypte lopen we It Fryske Gea (het Friese Landschap) in, een provinciale vereniging die zich ‘vanuit een groen hart – of liever een pompeblêdsje – inzetten voor de bescherming van natuur, landschap en cultuurhistorie.’ Er vallen behoorlijk veel gebieden onder deze vereniging. Wij zien en ervaren als eerste de Diakonievene, een ven ontstaan omdat de diaconie van Nijeberkoop hier vroeger turf (veen) uitgroef voor de armen zodat zij het als brandstof konden gebruiken. De kerkelijke armenzorg vond dat de plaatselijke bevolking ’s winters geen kou mocht lijden. Dit natuurgebied (44 ha) bestaat tegenwoordig uit een aantal plassen, overblijfselen van de vervening, die met elkaar in verbinding staan. Het is hier inderdaad prachtig! Het is van origine een pingoruïne, die in de ijstijd is ontstaan. Er werd een rondvormige wal van leem omhoog geduwd, waardoor het natte gebied is ontstaan. Tijdens de wandeling loop je continu over deze wal en heb je steeds uitzicht op het water.

De Diakonievene (RK)
Soms loop je over een vlonder
Enkele erg natte stukken (RK)

Aan de overzijde van de Alberdalaan ligt de waterrijke Delleboersterheide, een 195 hectare groot natuurgebied, dat bestaat uit heideterreinen en waterpartijen. De rivier de Tjonger ligt vlakbij en stroomde, voordat deze gekanaliseerd werd, door deze moerasgebieden. De Diakonievene en Delleboersterheide zijn eigenlijk twee naast elkaar gelegen natuurgebieden die goed op elkaar aansluiten. We slingeren dus haast ongemerkt en moeiteloos van het ene naar het andere gebied. De heide ligt er, niet verrassend, wat uitgeblust bij en verdwijnt bijna onder hoge grassen. Volgens onze informatie wordt dit gebied begraasd door heideschapen en Exmoor pony’s of misschien ook wel door Schotse Hooglanders? Afgezien van een paar sporen zien we deze dieren echter niet. Het is ook een groot terrein zullen we maar zeggen. 

Geen waarschuwing voor de heideschapen…….

De Delleboersterheide is van oorsprong een turfwinningsgebied. Het riviertje de Tjonger werd zelfs gekanaliseerd om de afvoer van turf te vergemakkelijken. Toen het veen afgegraven was en de landbouw in opkomst kwam, werd het gebied gedeeltelijk gebruikt als cultuurgrasland. De Delleboersterheide is door It Fryske Gea zo goed mogelijk in de oude staat teruggebracht en is nu weer een beekdallandschap; een golvend land met dekzand en kommen met veen en vennen die door de hogere waterstand permanent nat blijven.

We lopen langs het mooiste ven in dit gebied, de Catspoele. Dit ven blijkt een eldorado voor libelle liefhebbers te zijn. Maar liefste 40 van de 71 in Nederland voorkomende libellen planten zich voort in deze poel. Daartoe is zelfs een speciale libellenvlonder aangelegd zodat je de beestjes goed en van dichtbij kunt bewonderen.

Waar zijn de libellen?

We volgen het graspad en ontdekken een prachtig weids zicht over het heideveld. Solitaire eiken en grove dennen versterken het beeld. Het is hier echt stil en alle dieren (dat zijn er veel!) profiteren van die rust. Misschien is dat juist de charme van dit gebied, dat het net ver genoeg van de woonkernen ligt om absoluut niet ‘overlopen’ te worden.

Prachtige natuur om ons heen (RK)

Tegelijkertijd geldt hier wel de waarschuwing om op de paden te blijven. In de velden zitten n.l. de nodige adders, ringslangen en levendbarende hagedissen die gevoelig zijn voor verstoring. Een hagedis ontmoeten is nog tot daaraantoe, maar slangen kom ik liever niet tegen, zo (relatief) ver van de bewoonde wereld…….. We blijven dus keurig op het pad!

De uitgestrekte heide
Grote solitaire bomen
Alleen op de wereld’ (RK)

Ondertussen zijn we eigenlijk best ver van de oorspronkelijke route in het boekje afgedwaald, waardoor we ook absoluut geen idee meer hebben over de nog te lopen afstand. Voor mij geen fijn vooruitzicht. De afstand van vandaag was, voor mij althans, al aan de royale kant en het idee dat daarbovenop nog meer extra kilometers komen, benauwd me wel een beetje. Volgens de aanwijzingen moeten we, om weer terug op de eigenlijke route te komen, een heel eind langs de weg teruglopen. Oei! Daarbij komt dat we vanochtend wat aan de late kant van start zijn gegaan. Bovendien blijkt, bij nadere inspectie, de zonsondergang vandaag al om 16.20 uur te zijn, in plaats van een uurtje later. Uiteindelijk besluiten we daarom, ook gezien de tijd, een hoek naar de andere kant te maken, zodat we op een ander punt verderop wel weer op de ‘echte’ route kunnen aansluiten. We zijn op de helft en hebben nog een kleine 8 kilometer voor de boeg!

Via gehucht Zandhuizen en de Bekhofweg komen we inderdaad terug op de route. Hier moet ergens in de buurt ooit een schans hebben gelegen, een onderdeel van de Friese waterlinie. Deze Bekhofschans werd in de Tachtigjarige Oorlog gebouwd als onderdeel van de waterlinie, nadat dorpen in die buurt waren geplunderd door Spaanse troepen. De schans lag langs de weg tussen Oldeberkoop en Boijl (Bekhofweg) en controleerde zo de brug over het riviertje de Linde. De schans zelf is inmiddels verdwenen en een kanon dat dienstdeed op deze schans is nu te bezichtigen in het dichtbij gelegen Oldeberkoop. De waterlinie was belangrijk en werd bijvoorbeeld gebruikt om het gebied in Zuidoost Friesland onder water te zetten tijdens de Tachtigjarige Oorlog tegen de Spanjaarden en in het Rampjaar 1672 toen  ‘Bommen Berend’, de bisschop van Munster, Noord Nederland binnenviel. De schansen waren ook de enige doorgangen richting Leeuwarden en lagen op strategische plaatsen. Op die manier kon de Friese hoofdstad worden beschermd. 

Opeens zijn we aangekomen op het laatste stuk, de kerkweg naar Boijl. We zien diverse kunstuitingen onderweg, waaronder een bankje met de tekst ‘Zit, Rust, Kijk … Verwonder’ en diverse beelden langs de kant van het pad.

De lange kerkweg naar Boijl (RK)
Zomaar een Schotse Hooglander in de heg 😉
Helaas kunnen we geen titel vinden bij dit kunstwerk (RK)

Dan lopen we toch echt ons eindpunt binnen, het dorpje Boijl. Ook weer zo’n dorp waar we nog nooit van hebben gehoord. De oorsprong van de naam is moeilijk te achterhalen. Op oude kaarten wordt het geschreven als Beul, Buil, Beuil en zelfs Boylo. Mogelijk noemde men het ‘Beul’ vanwege het harde werken oftewel het ‘beulen’, want de grond was moeilijk te bewerken. Het kan ook afkomstig zijn van het oud-Friese ‘beile/bule’ of Nederlandse ‘buil’ dat ronding of zwelling betekent, want het lag hoger dan de omgeving. Dat het in bosrijk gebied lag, duidt het lo (= bos) uit het genoemde ‘Boylo’ aan. Eigenlijk interesseert me dit alles op dit moment helemaal niet zo. Mijn blik is gericht op de klokkenstoel, waar onze fietsen staan.

Vlak voor we Boijl echt inlopen (RK)

Ik maak nog een snelle foto van deze typische klokkenstoel die wordt geluid als iemand is overleden of tijdens het Sint Thomasluiden. Sint Thomasluiden, ook wel pluisluiden of duiveljagen genoemd, is een traditie waarbij er, tussen 21 december (de feestdag van apostel Thomas) en 31 december, klokken worden geluid. Door het luiden van de klokken zouden de kwade geesten, die de dagen doen korten, verdreven worden. Deze traditie wordt met name in ere gehouden in Zuidoost-Friesland waar veel vrijstaande klokkenstoelen zijn die gemakkelijk geluid kunnen worden. Ondanks verboden door de overheid (op kerkhoven waar klokkenstoelen stonden, werden soms vernielingen aangericht) heeft de traditie steeds stand gehouden. Zover is het echter nog niet, maar mochten we tegen die tijd weer in deze buurt lopen, dan zullen we goed luisteren! 

De klokkenstoel in Boijl






Van sluis tot sluis

Om meteen maar met de eerste sluis te beginnen …… het Hemrikerverlaat (verlaat = schutsluis) in de Opsterlandse Compagnonsvaart wordt nog helemaal met de hand bediend. Het verval is een kleine 90 cm, wat goed te zien is als wij over de brug naar de andere kant van de vaart lopen. Het water links staat hoog, het water rechts staat veel lager en borrelt en bruist bovendien volop. De sluis wordt weliswaar vandaag niet gebruikt, maar het water kan via een smalle doorgang toch afgevoerd worden naar de lager gelegen andere kant.

Het water borrelt en bruist……..

Even een stukje geschiedenis, want zoals we weten ‘helpt geschiedenis ons te begrijpen hoe gebeurtenissen in het verleden de dingen hebben gemaakt zoals ze vandaag de dag zijn’. Het vlakbij gelegen streekdorp Hemrik is in de late Middeleeuwen ontstaan op een zandrug tussen de heide in het noorden en het hoogveen in het zuiden. In het midden van de 18de eeuw werd de Opsterlandse Compagnonsvaart gegraven om het hoogveen te kunnen gaan exploiteren, waardoor het tot dan toe vooral agrarische dorp door turfwinning een impuls kreeg. De vaart werd vrij dicht ten zuiden van het dorp gegraven en in 1755 werd het volledig van hout gemaakte Hemrikerverlaat in de Compagnonsvaart geslagen. Het buurtschap eromheen, ontstaan tijdens het graven, kreeg dezelfde naam. De sluis is precies een eeuw later in steen vervangen en in 1902 zelfs helemaal vernieuwd.

Vanaf de sluis gezien lopen we aan de linkerkant van de vaart

We lopen aan de stille kant van de vaart totdat we bij een smal schelpenpaadje komen waar we ‘het binnenland’ in mogen. Je bent dan meteen in een andere wereld. Het geluid van verkeer is praktisch verdwenen (was ook al niet heel veel verkeer), we horen vooral het geruis van de wind in de laatste bladeren en het onrustige gefladder van de eenden in het watertje naast ons. Het is nog koud, net boven het vriespunt, en dat is goed te zien aan de dunne streepjes ijs op het water. 

Een heel dun laagje ijs op het water
Het landschap achter de sloot 😉

We moeten een beetje stevig doorstappen om warm te blijven, ondanks de laagjes, want als de zon verdwijnt heeft de (water)koude wind vrij spel. We zien een aantal kleine huisjes in de verte. Je woont hier behoorlijk ver weg van alles, lijkt me. Dat gevoel klopt aardig, want ik lees later dat zich hier in de buurt één van die plekken bevindt ‘die afgesloten lijken van de wereld’, we lopen zelfs langs de afslag ernaartoe. Afgesloten zijn gold vroeger zeker voor Welgelegen, vlakbij Jubbega, genoemd naar een herberg die daar ooit stond. Een smal, vaak modderig, pad was jarenlang de belangrijkste verbinding met de ‘bewoonde wereld’. Pas in 1967 komt er verbetering en krijgen de bewoners eindelijk een verharde weg!

Onderweg langs smalle paadjes (RK)
Een ‘niemandsland gevoel’ (RK)

We blijven lopen over bospaden, zandweggetjes of halfverharde paden met slechts een enkel stukje asfalt om van het ene pad naar het andere te komen. Het is hier werkelijk heel mooi en heel stil, alsof we mijlenver van de bewoonde wereld verwijderd zijn. Toch is dat niet werkelijk zo gezien het bord met ‘verse koffie’ langs de kant van de weg en de ‘Bȇd & Bosk’ mogelijkheid in de d’Alde Pastorije.

Verrassend, terwijl we verder niks zien (RK)

Deze pastorie is in 1832 gebouwd voor de nieuwe pastoor van de dorpen Jubbega, Schurega en Hoornsterzwaag. Een kleine honderd jaar later (1920) werd het gebouw veranderd in een boerderij, omdat er een nieuwe pastorie werd gebouwd in Hoornsterzwaag. Tegenwoordig is d’Alde Pastorije in gebruik als woonboerderij en B&B (Bed & Bos) midden in de prachtige natuur. Bijzondere plek! We lopen verder over, hoe toepasselijk, het Tsjerkepad om vervolgens de weg over te steken en het weiland in te gaan. Over dit stuk had ik zo mijn bedenkingen. Het is de afgelopen dagen zo nat geweest dat het grondwaterpeil, zeker in Friesland, erg hoog staat. Dusdanig dat alle gemalen, inclusief het Woudagemaal, volop aan het draaien zijn om het water onder controle te houden. Gelukkig valt het ons alles mee. De weilanden staan open, we hoeven dus niet via een overstapje over de prikkeldraadafrastering heen te klauteren. Ook hier lopen we weer langs een smal water, Friesland staat niet voor niets bekend als waterland, al zien we hier geen steigertjes, kleine bootjes of andere aanwijzingen dat dit water gebruikt wordt voor watersport. Ondanks dat het doodlopend is, kan dat hier wel. Het is helder water en zeker voor kinderen lijkt me dit ideaal in de zomer.

Ideaal ‘speelwater’ toch?

Naast het pad waarop we lopen is het op sommige plekken wel heel nat. Waarschijnlijk liggen deze stukken land net wat lager.

Erg natte stukken land
Stil en geconcentreerd (RK)
De hertjes zijn meer op hun hoede (RK)

Uiteindelijk komen we uit bij het riviertje de Tjonger. De Tjonger (ook wel De Kuinder in het Stellingwerfs – Fries officieel is De Tsjonger of De Kuunder) is een oud riviertje dat door Zuidoost Friesland loopt van grofweg Kuinre naar Oosterwolde. De Tjonger maakt samen met de Opsterlandse Compagnonsvaart deel uit van de Friese Turfroute. De naam Tjonger heeft te maken met het Oudfriese ‘tiona’ en het oud-Saksisch tiunan, teona. Woorden die allen verwijzen naar ‘schade doen’, schade toebrengen. De Tjonger werd als een ‘kwaadaardige’ rivier beschouwd, het was een ‘razend water’. Als de naam Kuinder de oudste is, zou deze onder Keltische invloed kunnen zijn ontstaan en is dan vergelijkbaar met het Welsh ‘Gwenddwr’ (uit te spreken als: Keundeur), dat de betekenis heeft van ‘schoon water’. Anderen beweren dat Kuinder of Tjonger van Keunirà zou zijn af te leiden. Keunira hangt samen met (a)keun en betekent ‘schitterend’. Wat een naam al niet teweeg brengt 😉

Hoe je de rivier ook noemt …… (RK)
De Tjonger met het eindpunt al in zicht (RK)

Opeens is daar ook onze tweede sluis van vandaag. Op ons kaartje staat de naam Sluiszicht vermeld, maar waarschijnlijk is dat de naam van een restaurantje dat hier vroeger gestaan heeft? Ik kan hier niet echt iets over vinden. Wel lees ik nog een grappig weetje dat de Tjonger niet alleen een grensrivier, maar ook een taalgrensrivier blijkt te zijn. ‘Een rivier met een dubbele tong’ wat ook al bleek uit de verschillende benamingen. Om verder te citeren: ‘een helaas gekanaliseerd spraakwater tussen de van oorsprong West Germaanse Friese taal op de noordoever en het Stellingwerfs, een Nedersaksische taal, op de zuidwal’. Een volgende keer horen we hier vast meer over!