Waddendiamant (Ameland)

Ameland wordt wel omschreven als een eiland voor cultuurliefhebbers en sportievelingen met zandduinen, strand, drassig natuurgebied maar vooral, als een echte diamant; veel schoonheid en zuiverheid. Bovendien kun je hier, als je geluk hebt, het bijzondere Amelander licht ontdekken. Ameland is namelijk beroemd om haar panorama’s en lichtval wat vele kunstschilders hebben geprobeerd te vangen. Elk jaar in november viert het eiland ‘kunstmaand Ameland’,  waarbij kunstenaars uit binnen- en buitenland exposeren op bijzondere locaties, verspreid over het eiland. Het thema van dit jaar is: ‘perspectief’.

Het thema 2025 is ‘perspectief’ (internet)

We varen op werkelijk een zonovergoten dag van Holwerd naar Nes en pakken vervolgens de bus naar de vuurtoren, het meest markante bouwwerk van het eiland. De kenmerkende rood-witte toren is 55 meter hoog en is met een lichtsterkte van 4,5 miljoen kaars (het licht van één kaars is gemiddeld 100 lumen of 15 watt) één van de sterkste ter wereld. Deze vuurtoren is, in tegenstelling tot b.v. de Brandaris op Terschelling, naamloos en wordt gewoonweg ‘vuurtoren’ genoemd.  Veel vuurtorens worden vernoemd naar de zandplaten waarvoor ze waarschuwen. Om die reden wordt de vuurtoren van Ameland soms ‘Bornrif’ genoemd naar de gelijknamige zandplaat tussen Ameland en Terschelling. De Amelanders zelf gebruiken deze naam echter nauwelijks. 

Vuurtoren zonder naam (RK)

Vlak voor de vuurtoren gaan we een bosrijk natuurgebied in, het Hollumer Bosch. Het pad staat duidelijk aangegeven  en zodoende kunnen wij op ons gemak genieten van de wereld om ons heen. Het bos is ooit aangeplant om het dorp te beschermen tegen wind en stuivend zand. Nu is het Hollumerbos ‘een plek waar natuur, eilandverhalen en speelplezier samenkomen’. Ergens langs het pad moet zelfs een kabouterdorpje liggen met kleurrijke huisjes en kaboutertjes. Het dorp zou opvallend genoeg moeten zijn om meteen te zien, maar wij hebben of niet opgelet of hebben net over een ander klein paadje gelopen. Hoe dan ook het is volop genieten van deze slingerende paadjes door de duinen!

Het pad wordt goed aangegeven…… (IK)

Aan de andere kant van het bos buigen we af naar het Noordzeestrand. Altijd leuk! Het is warm vandaag (rond de 30 graden) met een hoge luchtvochtigheid. Aan zee waait een klein briesje en hoewel het warme wind is uit het zuiden, verkoelt het toch een beetje. Boven op het duin hebben we een fantastisch zicht op de zee en het strand ervoor. Zoals altijd is er van alles te zien, waaronder twee bruidjes die later vandaag gaan trouwen (wij weten dat vrijdag 13 juni een prima keuze is!), vissers, zonnebaders en de nodige wandelaars.

Trouwfoto’s op het strand (RK)
Het is altijd genieten aan zee (RK)
Iedereen een eigen hobby 😉 (RK)

Via het Reddingbootpad verlaten we het strand weer om aan de andere kant van het duin langs het paardengraf te lopen. Ameland was het enige reddingsstation in West-Europa waar de reddingsboot (tot 1988) een motorsloep was die op het strand vanaf een botenwagen met behulp van paarden gelanceerd werd. In 1979 ging het mis. De zee bleek dieper dan gedacht en de acht paarden werden in een diepe geul gesleurd waar ze zijn verdronken. Ze zijn in de duinen begraven, naast de overgang waar de reddingsboot over het duin naar het strand getrokken werd. Deze gebeurtenis wordt de ramp van Ameland genoemd. Hoewel overwogen werd om de paarden door een waterbestendige tractor te vervangen, is toch besloten om nieuwe paarden op te leiden. Elk jaar zijn er nu verschillende spectaculaire demonstraties, waarbij ‘de kracht en samenwerking van mens en dier goed naar voren komen’. Terwijl de paarden de zware boot over het strand slepen en door de branding het water in trekken, kun je, als toeschouwer, de spanning die bij een historische reddingsactie hoorde, (een beetje) ervaren. 

Een trieste gebeurtenis (IK)

Niet veel later lopen we het meest westelijk gelegen plaatsje Hollum binnen waar veel monumentale commandeurswoningen te zien zijn. Ze zijn representatief voor de grote welvaart op Ameland in de 17e en 18e eeuw. Niet voor niets kent het dorp een beschermd dorpsgezicht. De getande randen in de gevels van de schipperswoningen geven de rang van de zeevaarder, die het huis bewoonde, aan. Hoe meer getande gevelranden hoe hoger de rang. De bekendste commandeur van Ameland was Hidde Dirks Kat (1747-1824). Dit komt (vooral) door het dagboek dat hij heeft geschreven over de overwintering in Groenland. Zijn ‘manshoge beeld met het bolle buikje’ staat in de buurt waar vroeger zijn huis gestaan moet hebben en daar wijst hij ook naar.

Hoe meer tanden, hoe hoger de rang (internet)
De commandeur wijst naar zijn huis (internet)

Een ander opvallend bouwwerk is de Nederlands Hervormde kerk, die in de Tachtigjarige Oorlog door watergeuzen werd vernield en pas in 1678 werd herbouwd. Uit onderzoeken is gebleken dat de oudste bouwsporen uit de 11e eeuw dateren. Op de begraafplaats liggen vele Amelander commandeurs begraven. We lopen er langs, maar nemen niet de tijd om even binnen te kijken. De dijk in de verte met een verwachte verkoelende bries lokken ons meer. 

Lunch op de (Wadden)dijk (IK)

Ons volgende stuk loopt langs de Waddenzee en, naar blijkt, een vogelgebied bij uitstek: de Feugelpôlle (= vogeleiland). Deze hoogwater vlucht- en broedplaats vormt een pleisterplaats voor vele duizenden weide- en kustvogels. Een bijzonder stukje natuur dat onder druk staat door de dynamiek van de Waddenzee. Kwelders kunnen normaal gesproken meegroeien met de stijgende zeespiegel en zijn daardoor in potentie natuurlijke klimaatbuffers. Stormen en stromen zijn er echter de oorzaak van dat de oppervlakte en de hoogte van de kwelder in een paar jaar tijd flink is afgenomen; van 25 ha in 2007 naar ongeveer 5 ha in 2012. Een experimenteel project, waarbij levende schelpdieren worden ingezet om sediment voor de afkalving te leveren, moet de kwelder redden.

Uitzicht over het Wad (RK)

Hoewel deze kwelder de broedplaats is van de op één na grootste kolonie grote sterns in West-Europa, horen en zien wij vooral veel scholeksters. Scholeksters zijn stevige, zwart-witte steltlopers die vaak aan de kust (maar ook algemeen in het binnenland) worden aangetroffen. De snavel van de scholekster slijt hard maar groeit ook hard. Deze kan door het voedsel van vorm veranderen. Zo wordt de snavel puntiger als een scholekster in de zomer naar wormen prikt. In de winter eten veel scholeksters echter schelpdieren als kokkels. Dan wordt de snavel stomper, omdat ze hem gebruiken als beitel. Handig toch? Ze maken een geweldige herrie. Het schijnt dat deze vogels veel (lawaaierige) tijd besteden aan ‘paar-binding’ en het verdedigen van hun territorium tegen buurparen en/of vijanden. Heel af en toe zien we een klein rood snaveltje net boven het gras op de dijk steken. Het broedseizoen is kennelijk nog niet voorbij. Net als bij andere weidevogels is het aantal scholeksters de afgelopen decennia met de helft afgenomen.

De scholekster op Ameland (internet)

Ondertussen heb ik hoe langer hoe meer moeite met de warmte (of misschien heb ik toch iets onder de leden?), waardoor ik verlangend uitkijk naar de busstop halverwege de Pietje Miedeweg. Zeker jammer, want de wandeling vandaag is echt heel afwisselend. De rest van het team besluit, heel lief, samen met mij te stoppen.

Zo kan het ook …….. (RK)

Op de Pietje Miedeweg zien we onze laatste bijzonderheden, waaronder een tureluur op een paaltje in een weiland. De tureluur (of tjerk) is een strandloper en altijd te herkennen aan de lange, felrode poten en de brede witte achterrand van de vleugels. De tureluur is wijdverspreid en vrij talrijk in sommige regio’s en wordt daarom niet als een bedreigde soort beschouwd. Het is een typische steltloper die foerageert in ondiep water rond meren, moerassen, slikvlakten en kustmoerassen. Het Wad is daarmee een ideale plek! 

De tureluur dichtbij (RK)

Uiteindelijk laten we ons met de taxi (de bus komt pas over anderhalf uur) naar een heerlijk terras in Nes rijden, waar ik me met een diepe zucht van opluchting in mijn stoel laat glijden. Kennelijk zo’n diepe zucht dat een jonge vrouw, aan het  tafeltje naast ons, spontaan in een bulderende lach schiet.

De (mijn) klus zit erop voor vandaag! Tenslotte is het slijpen van een diamant een delicaat proces. Het vinden van de optimale slijpvorm die zowel de schoonheid als de waarde van de diamant maximaliseert, kent zo z’n eigen uitdagingen 😉 Het is wachten op een volgende keer!






De kracht van stilte (Jacobspad)

Jacobspad: Wittewierum – Woltersum – Ten Boer

Stilte heeft soms een negatieve bijklank, het kan ongemak of angst veroorzaken, maar stilte kan ook zeker als iets positiefs gezien worden. Goed voor zowel lichaam als geest. Ik vind de volgende omschrijving: ‘Stilte is niet slechts de afwezigheid van geluid, maar het is bovenal een ruimte waarin gedachten kunnen ademen, emoties zich kunnen ontvouwen en creativiteit kan bloeien. Het is in de stiltes dat inzichten ontstaan, beslissingen rijpen en innerlijke rust zich aandient. Stilte nodigt uit tot verbinding met het hier en nu.’

De natuur ontvouwt zich (IK)

Het gebied waar we vandaag gaan lopen, zorgt in ieder geval voor stilte om ons heen. Af en toe voeren we een kort onderling gesprekje of maken we een opmerking over iets wat we zien of over iets wat ons bezig houdt en (natuurlijk) is er een enkele auto die ons passeert, maar over het algemeen voert de stilte de boventoon hier op het Groninger platteland.

‘Jong en oud’ (IK)

We starten bij de kerk in Wittewierum, het thuis van abt Emo. Zijn beroemde verhaal over klooster Bloemhof vertelt uitgebreid over het kerkje en de gebeurtenissen in de regio. Het kerkje van Wittewierum doet niet vermoeden dat hier ooit één van de grootste kloosters van Groningen heeft gestaan. De stichting van dit klooster (Bloemhof) is vooral te danken aan de wilskracht van abt Emo. In het najaar van 1211 vertrok deze abt te voet naar Rome om een conflict met de bisschop van Münster persoonlijk voor te leggen aan paus Innocentius III. Dagen later (253 dagen om precies te zijn) kwam hij na een tocht van 5000 kilometer weer thuis met het gelijk van de paus aan zijn zijde. Hiermee was het bestaansrecht van het klooster Bloemhof een feit. In november 2011 was het precies achthonderd jaar geleden dat abt Emo zijn pelgrimsreis naar Rome begon. Dertig herinneringsstenen bij het kerkje laten de namen zien van de steden die abt Emo tijdens zijn pelgrimstocht naar Rome aandeed. We zien bekende namen als o.a. Coevorden, Troyes, Soissons, Lucca en uiteraard eindpunt Rome.

Als je goed kijkt, zie je ‘Lucca’ op de steen gebeiteld staan (IK)

De huidige kerk uit 1863 (kerk nr 4 op deze plek) werd gebouwd onder toezicht van Rijkswaterstaat, naar ontwerp van de architect en opzichter van Waterstaat P.B. Nienhuis, die onder andere ook de kerk van Den Horn ontwierp. Het is daarmee een echte waterstaatskerk te noemen. Op het kerkhof rond de kerk werd in de middeleeuwen al begraven.Het oudste graf stamt uit 1669. Tussen de graven staat het kunstwerk ‘Optima Philosophia Sapient est Meditatio Mortis’ van Jan Kuipers. De Latijnse tekst betekent: de hoogste vorm van wijsheid en filosofie is de contemplatie op de dood. Dit kunstwerk werd geplaatst in kader van het kunstproject ‘Op Hoogte Gedacht’, waarbij kunst op kerkhoven wordt geplaatst met als doel historische Groninger kerkhoven op een bijzondere manier onder de aandacht te brengen. Het kunstwerk is een gedenkteken voor het klooster Bloemhof dat hier in 1213 werd gesticht. Op het hoogtepunt leefden hier meer dan duizend monniken. De bronzen sculptuur bestaat uit een soort nest van menselijke ‘botten en schedels’. De opwaarts en neerwaarts gerichte beenderen symboliseren respectievelijk geboorte (groei) en dood (ontbinding). Ze verwijzen bovendien naar de traditie binnen de rooms-katholieke kerk om overblijfselen van heiligen te vereren. Aan hun stoffelijke resten worden genezende en beschermende krachten toegeschreven. Ondanks dat we hier de vorige keer geëindigd zijn, ontdekken we vandaag toch weer een aantal nieuwe (interessante) dingen!

Kunstwerk op het kerkhof in Wittewierum (IK)
Detail van ‘botten en schedels’ (IK)

We vervolgen onze weg naar Woltersum. Boven ons zware donkere wolken die het landschap om ons heen dramatisch kleuren. Gelukkig verwaaien de meeste buien en worden we slechts af en toe een beetje nat.

In zwart-wit om de dreigende lucht goed uit te laten komen (RK)

Woltersum vergelijkt zichzelf graag met het Gallische dorpje uit de stripboeken Asterix & Obelix. Waarom die vergelijking? Misschien omdat de inwoners hun dorp ook zien als ‘een betoverende plek waar geschiedenis en gastronomie samenkomen’? Meer realistisch is de verklaring dat het dorp deze bijnaam heeft omarmd omdat een Gallisch dorp in verband wordt gebracht met verzet. In de strips het verzet tegen de ‘Romeinen’, in Woltersum wil de dorpsgemeenschap hiermee hun eigen identiteit en het verzet tegen de buitenwereld benadrukken. Vandaar dat de titel van een film over het dorp ook is geworden: ‘Woltersum: mijn dorp en de wereld’. Er is geen doorgaande weg door Woltersum, waardoor de inwoners echt het gevoel hebben apart te liggen van de rest van de wereld. Daarbij komt het feit dat Woltersum altijd een vrijgevochten gemeente was (er kon vaak net wat meer), terwijl de dorpen eromheen behoorlijk gelovig waren. De vergelijking is duidelijk ;).

We lopen het dorp binnen (IK)
Het kan niet aldoor droog blijven (RK)

De kerk van Woltersum lijkt middeleeuws, maar is pas in 1837 gebouwd. Daarbij is wel gebruik gemaakt van stenen die waren overgebleven van de sloop van de veel grotere kerk uit de middeleeuwen. Bijzonder aan deze kerk is dat hij ten opzichte van de middeleeuwse kerk een halve slag gedraaid is. Op het kerkhof zien we twee verschillende kunst objecten als onderdeel van het eerder genoemde project ‘Op hoogte gedacht’.

Kerkje in Woltersum (IK)
Ook hier kun je een stempel halen (EJK)

Vlak naast de ingang zien we een grote bronzen grafsteen waaruit een zwaard steekt. Het geheel roept meteen een associatie op met het ‘zwaard in de steen’ en Arthur Pendragon. ‘The Last Will and Testament of Stoffer Jan Reinders’, gemaakt door Paul Perry, sluit aan bij een grafsteen op het kerkhof, waarvan het opschrift met geboorte- en sterftedata van twee broers duidelijk maakt dat de jongste broer kort na het overlijden van zijn oudere broer werd verwekt. Ze kregen van hun ouders dezelfde voornaam: Stoffer Jan. Geraakt door dit gegeven ontwierp Paul Perry een bronzen zerk met de tekst van het testament van een nog-niet bestaande Stoffer Jan. Hij liet deze bewust onaf, als teken van de nog ongeboren en nog niet gestorven Stoffer Jan. Boven in de zerk is een zwaard met de naam ‘Widdershins’ gestoken. Het betekent zoiets als ‘bewegend tegen de richting van de zon in’. Pas als de toekomstige Stoffer Jan Reinders sterft, zal een wilsverklaring de erfgenaam aanwijzen die het zwaard zal krijgen.

‘The last will and testament’ (IK)

Het andere kunstwerk, ‘Poort en bank’ van J.C.J Vanderheyden, staat achter de kerk op de rand van de wierde. Zittend op de bank verandert de poort tot ‘een omlijst schilderij van het Groninger land, waarbij de blik op subtiele wijze richting de einder wordt gestuurd.’ Zowel de verstilde plek als het beeld zelf roepen op tot overpeinzing en beschouwing. Ook hier ontdek je opnieuw dat stilte krachtig is, want stilte heeft het vermogen om ruimte te creëren, aandacht af te dwingen en diepe reflectie mogelijk te maken.

‘Poort en bank’ op de rand van de wierde (IK)
‘Omlijst schilderij van het Groninger landschap’ (internet)

Met deze wijsheden in mijn hoofd loop ik (we) verder richting Ten Boer. De naam Ten Boer is afgeleid van het oud-Friese Bûr, dat ‘woning’ betekent. ‘Ten Bûr’ betekent dan ook ‘bij huis’. Ten Boer is een oude plaats of beter een groep oude plaatsen. Vanaf het allereerste begin zijn hier bewoners geweest die wierden bouwden tegen het opdringende zeewater, die ze als vluchtplaatsen gebruikten voor zichzelf en hun vee. Op het grondgebied van de gemeente Ten Boer hebben ooit vier kloosters gestaan. In Thesinge ontstond rond 1183 één van de eerste kloosters van Groningen, het Benedictijner nonnenklooster Germania. Het klooster van Wittewierum uit 1213, Bloemhof, is het meest bekend door de abten Emo en Menko die beiden een kroniek (soort dagboek) bijgehouden hebben. In Ten Boer zelf is in 1295 een Benedictijner nonnenklooster gesticht bij een al bestaande nederzetting (enige tijd ook een dubbelklooster met zowel mannen als vrouwen). Sint Annen was het laatst gestichte klooster in 1345, dit klooster was van de Cisterciënzer orde. Ons eindpunt van vandaag is de Kloosterkerk in Ten Boer, een overblijfsel van een Benedictinessen-klooster. Helaas is de deur afgesloten en kunnen we er dus niet in. Jammer. Grappig feitje is dat er, naar het schijnt, klachten van de omwonenden zijn geuit over het (harde) klokgelui zowel overdag als ’s nachts. Vorig jaar zijn er daarom geluidsmetingen uitgevoerd, waaruit bleek dat deze klokken inderdaad te hard luiden en de geluidsnormen overschreden.

De Kloosterkerk in Ten Boer (IK)
Ook de achterkant valt op (IK)

Juist in een tijd waarin snelheid en lawaai de norm zijn, wordt de kracht om de stilte te omarmen een vorm van mentale kracht. Het leert je om aanwezig te zijn, aandachtig te luisteren en bewuster te leven. Dat willen we toch allemaal?


Genieten en bezinnen (Jacobspad)

Jacobspad: Wirdum – Wittewierum

‘Pelgrim zijn draait om een avontuurlijke geest en de bereidheid om Gods stem in je leven te ontdekken.’ Tenminste dat was het gevoel bij de allereerste pelgrims toen zij van huis en haard vertrokken en verder liepen dan wat ‘normaal’ was. Pelgrimeren was en is sowieso een fysieke reis, er is inspanning voor nodig. Van etappe naar etappe, van kilometer naar kilometer en soms van blaar naar blaar. Maar pelgrimeren is bovenal ook een spirituele reis, vol lessen. Dat is voor de tegenwoordige ‘pelgrim’ waarschijnlijk meestal anders, maar wat maakt het pelgrimeren nu dan nog steeds zo bijzonder? Ik lees en ontdek dat een pelgrimstocht je bovenal leert dat er geen grenzen zijn. Dat je altijd een beetje meer kunt dan je denkt. Het leert je hoe sterk je kunt zijn, zowel fysiek als mentaal. Als je denkt dat je geen stap meer kunt zetten, als je geen energie meer hebt, haast omkomt van de dorst, als je doorweekt of koud bent en nog een paar kilometer te gaan hebt… een pelgrimstocht leert je dat je het kunt! Het doel is ook niet de eindbestemming, maar het onderweg zijn. Een pelgrimsroute is bovenal een route waarop je wandelend kunt genieten en bezinnen. Mooi toch?

We beginnen in Wirdum bij de kerk en lopen via het ‘dronkemanspad’, wat aangegeven wordt met een lang verticaal bord. Het waarom van deze naam en/of de vorm van het bord wordt mij niet helemaal duidelijk. Er wordt gesuggereerd dat het misschien een grap over dronkenschap is (‘de bordenmaker was dronken…’) of mogelijk verticaal omdat het zo’n leuk bord is voor een kroeg of iets dergelijks en dat het idee is dat een verticaal bord minder aantrekkelijk is om te stelen? Wie het weet, mag het zeggen.

Bijzondere naam voor een paadje (IK)

Even verderop lopen we langs een bord waarop staat vermeld dat er aan de overkant in het grasland een tijdelijke erebegraafplaats is geweest voor Canadese soldaten. Het verhaal gaat dat op de middag van 25 april 1945 de gesneuvelde Canadese korporaal Alfred Edwards werd begraven op een tijdelijke begraafplaats in het dorpje Wirdum. Hij was de eerste van in totaal 44 Canadezen die hier een rustplaats vonden. Allen kwamen om bij de strijd om Appingedam en Delfzijl. De graven werden gedolven door gevangen genomen NSB’ers. In het voorjaar van 1946 werden alle lichamen overgebracht naar de erebegraafplaats in Holten. ‘Iedereen wist dat dit zou gebeuren, maar de Wirdumers hadden best nog wel wat langer voor de graven willen zorgen. Toch hebben ze, door op deze wijze de doden te eren, hun grote dank aan de bevrijders kenbaar kunnen maken.’  

Dit bord is alles wat er is overgebleven (IK)

Bij heel veel huizen zien we ook een speciale (regionale) bevrijdingsvlag wapperen als symbolisch eerbetoon aan de vele slachtoffers die hier in april en mei van 1945 nog zijn gevallen tijdens hevige gevechten tussen de Canadezen en de Duitsers. Op de vlag staan verschillende symbolen: het gemeentewapen, de fakkel van het 4 en 5 mei-comité, de Canadese Maple Leaf en het logo van 80 jaar vrijheid.

Bijzonder vrijheidsvlag (internet)

We lopen Wirdum uit langs mooie huizen met grachten en steken de Wirdumerdraai over om aan de andere kant verder te wandelen langs het Damsterdiep. De naam komt van de vroegere draaibrug, die in de jaren tachtig van de vorige eeuw werd vervangen door een ophaalbrug. Het is hier prachtig met volop groen, rust en stilte. We zien zowaar een bankje langs het water waar we niet zomaar aan voorbij kunnen gaan. Je moet je momentjes pakken, nietwaar?

Het Damsterdiep (IK)
Een ‘geniet’ momentje (IK)
Of een ogenblikje van bezinning? (RK)

Het volgende dorpje op onze weg is Garrelsweer, waar volgens de geruchten de Tachtigjarige Oorlog eigenlijk is begonnen. De Slag bij Heiligerlee in 1568 wordt gezien als het begin van de Tachtigjarige Oorlog met Spanje. Slechts weinigen weten, dat er voorafgaand aan die slag ook al een gewelddadig treffen tussen de beide partijen was. Twee dagen voor ‘Heiligerlee’ vochten de Spaansen en de Staatsen tegen elkaar bij Garrelsweer. Zo schrijft Johan Rengers, die in het begin van de 17e eeuw de machtigste en rijkste jonker van Fivelingo was, hierover: ‘Reeds den volgenden dag (21 mei) rukte hij (Graaf Aremberg van Spaanse zijde) met al zijn troepen en met 6 stukken geschut, die hij in Groningen had gevonden, naar Wittewierum uit, in de richting van Appingedam, waar hij de hoofdmacht van Graaf Lodewijk (broer van Willem van Oranje) gelegerd vond.’ Dit is toch het echte begin van de Tachtigjarige Oorlog? In Garrelsweer weten ze dat zeker :).

Tussen Garrelsweer en Wittewierum ligt natuurgebied Hoeksmeer, een reservaat voor weide-, water- en moerasvogels, bestaande uit graslanden, moeras, een oude kreekloop en een ondiepe plas waar o.a. de kievit, grutto en tureluur voorkomen. De buitenste schil van het gebied is weiland. Hoewel het gras kort gehouden moet worden voor de weidevogels, wordt er pas gemaaid nadat de jonge vogels volwassen zijn. Doordat de graslanden ook bemest worden, zijn er veel wormen en insecten. Ook heeft Natuurmonumenten het waterpeil verhoogd zodat de wormen minder diep in de grond zitten. Er wordt alles aan gedaan om het een waar vogelparadijs te laten zijn. Het doet ons een beetje denken aan de Onlanden. We horen onderweg de kievit, kijken naar de capriolen van een paar grutto’s en zien vooral ongelooflijk veel ganzen. Het blijkt dat hier jaarlijks tienduizenden ganzen overwinteren. Eerder trokken vrijwel alle ganzen in het voorjaar weer weg richting het hoge noorden. De laatste jaren zijn er echter steeds meer ganzen die het hele jaar blijven, zogenaamde ‘overzomeraars’.

Watermolen Meervogel voor natuurgebied Hoeksmeer (RK)
Heel veel ganzen in dit natte gebied (RK)

Inmiddels zien we het kerkje van Wittewierum al in de verte.

Het kerkje van Wittewierum (RK)

Wittewierum is onlosmakelijk verbonden met de naam van abt Emo. Deze Emo is vermoedelijk omstreeks 1175 geboren bij Westeremden. Hij studeert artes liberales in Orléans, theologie in Parijs en kerkelijk en burgerlijk recht in Oxford. Zijn opvolger abt Menko noemt Emo de meest geleerde man van heel Frisia (de Latijnse benaming voor het land waar in de Romeinse tijd de Frisii of Fresones woonden, dat is het kustgebied van Noord-Nederland). Emo voelt zich aangetrokken tot het kloosterleven en belooft het aftakelende klooster van zijn kinderloze en lastige neef Emo van Romerswerf weer tot bloei te brengen. In 1211 schenken de inwoners van Wierum hun dorpskerk aan kloostergemeenschap Romerswerf. De nog bestaande beroemde kroniek van klooster Bloemhof (door Emo en later Menko) vertelt uitgebreid over het kerkje van Wittewierum en de gebeurtenissen in de regio. Het was vast geen gemakkelijke tijd, want er wordt vooral veel geschreven over oorlogen, ruzies, stormen, natuurrampen, ziektes en misoogsten. Ernestus, een lokale potentaat, was het trouwens niet eens met de schenking van de kerk en wordt door de bisschop van Munster in het gelijk gesteld. Abt Emo reist vervolgens midden in de winter naar Rome (zo’n 2000 km), waarbij hij besneeuwde bergpassen trotseert evenals aanvallen van wilde dieren. Dat is nog eens een pelgrimstocht! Op 19 januari 1212 bereikt hij uitgeput Rome. Paus en curie spreken tenslotte recht, verwerpen de aanspraken van de bisschop en herstellen Emo in zijn waardigheid. Hij mag zich aansluiten bij de orde van de premonstratenzers (norbertijnen) van de Abdij van Prémontré. Emo verhuist het klooster naar Wierum, waar het zo’n 350 jaar zou bestaan, totdat het in 1561 wordt opgeheven. Het klooster is de plaats en dus gaat de plaats Wittewierum heten naar de (witte) pij van de kloosterlingen. Emo noemt het mannenklooster in Wittewierum voortaan Bloemhof (Hortus floridus). De huidige kerk is gebouwd op het fundament en de pijlers van de middeleeuwse kerk.

Voor de kerk een oude begraafplaats (IK)
De stenen symboliseren Emo’s reis naar Rome (IK)

In de kerk hangen aan weerszijden van het pad twee rouwborden van de familie Rengers. Deze borden zijn voor Lambert Schotte Rengers en zijn vrouw Ambrosia Elisabeth Bentinck van Schoonheten van Diepenheim, die beiden in 1779 overleden. Beide rouwborden bevatten hun eigen wapen met eromheen de 32 kwartierwapens van hun voorgeslachten. In het bovenste vak zijn een aantal doodssymbolen en een opengeslagen boek met het jaartal van overlijden te zien. In het onderste vak staat een opschrift met de functies die beiden tijdens hun leven vervulden. Zoals gezegd speelde de familie Rengers een zeer belangrijke rol in dit gebied.

Aan weerszijden rouwborden van de familie Rengers (RK)
Detail van het rouwbord (RK)

De begraafplaats buiten is verwaarloosd, maar laat indrukwekkende teksten zien op de achterkant van sommige grafstenen. Elke steen een eigen (geïnterpreteerd) verhaal. Op deze plek in Wittewierum komen genieten en bezinnen (of reflecteren, overpeinzen, filosoferen) absoluut heel dicht bij elkaar.

Een tragisch verhaal (IK)
Graf van een zeeman of visser? (IK)


Van kerk naar kerk (Jacobspad)

Jacobspad: Oldenzijl – Zeerijp – Eenum – Wirdum

De dag begint mistig, maar de zon wint al snel aan kracht en tegen de tijd dat wij voor de kerk in Oldenzijl staan, is de lucht strakblauw en kan het eerste laagje kleding alweer uit. De vroeg 13e eeuwse kerk staat vlak langs de weg op een hoge wierde en is gewijd aan Sint Nicolaas, de beschermheilige van o.a. zeevarenden, schippers en bootwerkers. Ooit lag Oldenzijl aan de Fivelboezem, de verwijde monding van de voormalige rivier Fivel.

De Fivelboezem in vroegere tijden (internet)

De rivier begon, evenals de Hunze, als een veenrivier. Het water van de Fivel kwam van de hoogveenmoerassen rond Slochteren, Hoogezand en Kolham en stroomde vervolgens naar de kust. De naam Fivel betekent trouwens ‘de reusachtige’ of ‘de verschrikkelijke’, het moet dus wel een behoorlijke rivier geweest zijn ;).

De kerk van Oldenzijl (RK)

Na Oldenzijl begint, volgens het boekje, de ‘Groninger Meseta’. Even nalezen leert dat een ‘meseta’ een Spaanse hoogvlakte is, die bestaat uit grote vlakke vlaktes in het midden van Spanje. De vergelijking van het Groninger Hogeland met de Spaanse hoogvlakte brengt het uiteindelijke eindpunt van deze pelgrimsroute, Santiago de Compostela, misschien in gedachten al een klein beetje dichterbij? Een ander kenmerk is dat het op de Spaanse hoogvlakte vaak en hard kan waaien, een vergelijking die (over het algemeen) zeker ook op kan gaan voor dit vlakke Groninger land.

Kleurrijke tulpenvelden onderweg (RK)
Wijdse blik (RK)

Vandaag hebben we echter geen last van de wind en lopen we heerlijk te genieten van alle vergezichten terwijl we ons ondertussen proberen voor te stellen hoe het hier vroeger voor de pelgrims moet zijn geweest. Op het vlakke land zien zelfs wij al overal om ons heen kerktorens net boven de bomen uitpieken. De dorpjes liggen hier niet ver uit elkaar. Waarschijnlijk herkenden de pelgrims de verschillende torenspitsen en wisten ze naar welk dorp ze liepen. Voor de pelgrim in de Middeleeuwen was de kerk immers overal aanwezig, niet alleen als een statische aanwezigheid van kerken, kloosters, abdijen, kapellen, scholen en torens, maar als een levende aanwezigheid doordrongen in alle facetten van het leven.

Ode aan het platteland (IK)

Pelgrimage is overigens geen typisch christelijke aangelegenheid. Ook voor de komst van het christendom werden in Europa bedevaarten gemaakt. Mensen reisden toen al naar bepaalde plaatsen, waarschijnlijk in de hoop op genezing van een kwaal of een verwonding. Rondom Stonehenge zijn b.v. lichamen van zieken gevonden die, zo konden archeologen aantonen, van ver waren gekomen. In het boeddhisme zijn vier belangrijkste bedevaartsplaatsen, gelegen in India en Nepal, verbonden met de vier belangrijkste gebeurtenissen in het leven van Gautama Boeddha. Boeddha zei zelf dat het bezoeken van deze vier plaatsen een sterke emotie voort zal brengen in gelovigen. Onder de belangrijke boeddhistische bedevaartsplaatsen in andere landen behoren o.a. de Schwedagon pagode in Yangon (Myanmar) en de Smaragdgroene Boeddha in Wat Phra Kaew in Bangkok (Thailand). We hebben beiden gezien en er zeker vol bewondering naar gekeken. Is dat de sterke emotie of is dat toch alleen weggelegd voor de ‘echte’ boeddhisten? Het hindoeïsme kent eveneens een traditie van vier belangrijke bedevaartsoorden (de Char Dham) en het geloof dat reizen naar deze plaatsen leidt tot ‘moksha’. Dat is bevrijding uit het samsara, de eeuwige cirkel van dood en reïncarnatie die wordt bepaald door karma. We weten allemaal dat moslims een bedevaart, de hadj, kennen naar Mekka in Saoedi-Arabië. Dit is één van de vijf zuilen van de islam en een verplichting voor iedere moslim om (als de omstandigheden het toelaten) eenmaal in het leven de hadj te volbrengen. Zo zijn er vast nog wel meer voorbeelden te bedenken. De vraag die nu naar boven komt is: met welke (geestelijke) overwegingen loopt de pelgrim annex wandelaar van vandaag de dag? Duidelijk is zeker dat overal de eigen ervaring centraal staat, onafhankelijk van het wel of niet praktiseren van welke religie dan ook.  Het gaat voor iedereen om het eigen persoonlijke doel of dat nu een religieuze insteek heeft of niet.

Een verrassend beeld onderweg (RK)
Een stukje door het Riepster bos (IK)

Met al deze overpeinzingen staan we, voordat we het weten, voor de grote Jacobuskerk in Zeerijp. De bouw van deze kerk werd aan het eind van de13e eeuw uitgevoerd door kloosterlingen van Feldwerd, bij Delfzijl. Met de hoge gewelven en spitsboogvensters is een echt voorbeeld van de rijke romanogotiek en het is bovendien de laatste kerk die in deze stijl in Groningen is gebouwd. Ze hebben er wel de tijd voor genomen, want de bouw duurde ongeveer een eeuw. Sindsdien is er weinig aan veranderd.

We zien opvallende versieringen rondom de twee deuren aan de voorkant met witte, zwarte en rode blokken en afbeeldingen van planten. Sommigen denken dat deze versiering is aangebracht als verwijzing naar de Spaanse bedevaartplaats Santiago (Sint Jacobus) de Compostela. Spanje was immers tot 1492 gedeeltelijk in handen van de Arabieren en hun cultuur beïnvloedde die van de Spanjaarden. De vergelijking met versieringen in een moskee is daarom niet zo vreemd.

Moorse invloeden (IK)
Detail van de deurversieringen (RK)

Als je verder naar binnen loopt vallen de muren meteen op. De muren zijn, zoals tussen 1250 en 1350 bij kerken binnen het bisdom Münster gebruikelijk was, warm rood geverfd met witte schijnvoegen.

Het interieur valt op (RK)
De schelp als punt (IK)
De pelgrim staat centraal (IK)

Verder zien we een aantal grote rouwborden en verschillende grafzerken waaronder eentje van de familie Ripperda. Adelijke families trouwen regelmatig onderling en hun namen zien we dan ook overal weer terugkomen. Volgens overlevering is het belang van de familie Ripperda voor de Jacobuskerk als volgt: Maurits Ripperda (getrouwd met Margareta Clant van Menkema) schenkt grote bedragen aan de Jacobuskerk voor een nieuw orgel en een nieuwe preekstoel. Na zijn dood in 1665 wordt hij hiervoor herdacht met een rouwbord, het eerste dat in deze kerk wordt opgehangen. 

Grote rouwborden aan de muren (RK)

We vervolgen onze weg naar Eenum en vinden een mooi idyllisch plekje aan het water voor onze lunch.

Prachtig (rust)plekje (IK)

De wierde van Eenum werd al in 500 voor Christus bewoond, maar omdat deze wierde is afgegraven, is alleen nog een huiswierde overgebleven. De IJzerbaan is een schilderachtig weggetje dat de wierde oploopt naar de kerk, één van de oudste bakstenen kerken in de Ommelanden. Dit romaanse kerkje is gebouwd in de late twaalfde eeuw en is gewijd aan Sint Andreas. Naast zijn rol als beschermheilige van Schotland en verschillende andere landen, is Sint-Andreas ook de heilige van visverkopers, jicht, zangers, keelpijn, oude vrijsters, maagden, oude vrijsters en vrouwen die moeder willen worden. Een druk bezet man, lijkt me.

De kerk van Eenum op de wierde (RK)
De kerk is open (RK)

Het grootste deel van het interieur komt uit de 17e en 18e eeuw, waaronder een bijzonder Arp Schnitger orgel uit 1703. Voor orgelliefhebbers betekent de naam Arp Schnitger hetzelfde als Stradivarius voor violisten of Rembrandt voor schilders. Schnitger (1648-1719) was een orgelbouwer uit de zeventiende eeuw met een grote reputatie: zijn instrumenten hadden een herkenbare stijl en grote kwaliteit. Van Schnitger zijn dertig orgels in min of meer originele staat bewaard gebleven, waarvan er maar liefst elf in Noord-Nederland te vinden zijn. Verder zien we een gedenksteen van Reindt Alberda, één van de bewoners van Huis te Eenum (een voormalige borg die in 1800 gesloopt is) die dit orgel aan de kerk geschonken heeft.

De gedenksteen (internet)
Detail op de muur; uit vroeger dagen? (RK)

Even verderop ligt ‘Kösters Toen’, de vroegere 19e eeuwse kosterij met een voor publiek gedeeltelijk toegankelijke siertuin. We lopen er met plezier doorheen en komen dan uit voor het vroegere armenhuis van de diaconie uit 1875. Hier woonden vroeger 4 gezinnen in met tot 10 kinderen elk. De tijden zijn wel veranderd!

De ingang naar de tuin van de koster (IK)

We zijn alweer toe aan onze laatste kerk van vandaag, de kerk van Wirdum. Deze kerk is gebouwd aan het begin van de 13e eeuw en ligt eveneens op een wierde. In de noordmuur is een ‘knielnis’  of hagioscoop te zien, wat vrij bijzonder is. Hagio betekent heilig, en scoop komt van skopein, zien. Dus heilig kijken, iets heiligs zien? Hier konden mensen, die niet in de kerk konden of mochten komen, knielen in het gras, om zo door een laag venster te kunnen kijken en zodoende van buiten de mis volgen die binnen in de kerk werd gehouden.

Een knielnis in Wirdum (RK)

Op het kerkhof ligt de oude gerichtssteen, een door andere keien ondersteunde platte grote steen, uit 1601. Het is de plaats waar de redger (rechter) in deze regio zitting houdt. Deze steen lag hier eeuwenlang, maar werd rond 1900 verplaatst naar Ekenstein. Ergens rond 2000 is de steen weer teruggeplaatst. Gelukkig maar. 

Hier werd vroeger recht gesproken (RK)





Pelgrimage (Jacobspad)

Uithuizen-Oldenzijl

Pelgrimeren is ‘reizen naar een heilige plaats’. Vroeger was dit eigenlijk de meest gebruikte omschrijving, want pelgrimeren was vooral een religieus gebeuren. Pelgrims gingen op stap om te bidden, een heilige te vereren, boete te doen of om vergeving te vragen. Maar zoals alles verandert, kan iedereen tegenwoordig het begrip pelgrimeren op zijn of haar eigen manier invullen, dus ook in een niet-religieuze betekenis. Pelgrimeren is populair en zeker pelgrimeren naar Santiago de Compostela. De camino’s naar Compostela spreken velen aan vanwege hun geschiedenis, cultuur, natuur en religie. In onze individualistische maatschappij van nu is er steeds meer behoefte aan rust, bezinning, beleving van diepere waarden en/of aan contact met de medemens. Dat vind je zowel op de camino’s naar Compostela als op meer stille, minder belopen, camino’s (paden).

Voor ons dichtbij huis start het Jacobspad wat deel uitmaakt van de bovengenoemde grote pelgrimsroute. Vanuit Uithuizen starten jaarlijks vele pelgrims op weg naar ‘de heilige Jacobus in het Sterreveld’. Een naam die tot de verbeelding spreekt en wel om een beetje extra uitleg vraagt. Jacobus de Meerdere (Major, de oudste leerling) was één van de twaalf discipelen van Jezus. Hij was samen met zijn broer Johannes visser en boette netten. Boeten betekent herstellen van grote gaten in de netten en dit is symbool geworden van boete doen: door boete te doen, herstel je de fouten die je zelf gemaakt hebt. Jacobus is vooral bekend geworden vanwege het feit dat zijn graf in Santiago de Compostela zou zijn. Het verhaal gaat dat twee leerlingen het lichaam van Jacobus (Sant Iago) na zijn dood, in een bootje begeleid door een engel, hebben meegenomen naar Spanje, waar hij door hen werd begraven. Zijn graf werd in de 9e eeuw gevonden omdat er een ster verscheen boven het graf, vandaar de naam ‘campus stella’ (veld van de ster of sterrenveld), verkort tot Compostela. Samen Santiago de Compostela. Op deze plek is later de beroemde kathedraal gebouwd. Bijzonder om over de achtergrond van deze bekende namen te horen. 

Het welbekende teken van dit pelgrimspad

Vandaag maken wij een start met onze eigen pelgrimage of bedevaart in de vorm van een eerste stukje Jacobspad. We starten in Uithuizen bij, hoe kan het ook anders, de St. Jacobus de Meerdere kerk. Helaas is de kerk zelf gesloten, maar het is overduidelijk dat het pad hier begint, want voor de kerk staat het Jacobus monument dat twee Jacobsschelpen, de pelgrimsstaf en een ransel laat zien. De schelp is een herkenningsteken geworden voor elke pelgrim op weg naar Santiago de Compostela. De schelp is ook een verwijzing naar ‘onze’ Jacobus. Volgens een legende kwam een ridder met een paard in zee terecht. Hij bad vervolgens tot Jacobus voor hulp waarop hij, bedekt met schelpen, weer aan land kon komen. Anderen beweren dat de schelp verwijst naar de pareloester. De pelgrimstocht wordt in dit kader gezien als de zoektocht naar de kostbare parel, waarbij de parel staat voor de diepste zin van het menselijk bestaan. De schelp is de moederschoot en de parel het embryo of het begin van het nieuwe leven. Hoe dan ook, het monument staat vooral symbool voor de betekenissen die de pelgrim overdenkt op zijn of haar pad. De twee gesloten schelpen geven de suggestie dat het gaat om een noot (of vrucht) die onderweg geplukt en gegeten wordt. De onderste schelp kun je zien als een kom die regenwater opvangt om je dorst te lessen en jezelf te verfrissen. De andere schelp is dan het deksel dat je bescherming kan bieden. Het golfpatroon op de schelpen tenslotte staat voor water wat symbolisch is voor ‘leven’ in het algemeen. Naast op schelpen op een sokkel staat de pelgrimsstaf (de pelgrim zoekt rust) waaraan een ransel hangt.

Het Jacobus monument voor de Jacobus de Meerdere kerk (IK)
De tekst op de sokkel (RK)

We zien de eerste aanwijzing in de vorm van de schelp op een lantarenpaal en gaan enthousiast op pad, al is het dan zonder staf en ransel.

De eerste aanwijzing (RK)

We lopen dwars door het dorp. Uithuizen is ontstaan in de 10e eeuw. Mensen gingen wonen in de ‘Uthuzen’, wat ‘uiterste huizen’ betekent. Op deze plek werden de eerste huizen naast de wierde i.p.v. op de wierde Brunwerd gebouwd. Brunwerd kreeg hierdoor de naam Oldorp (het oude dorp). Bij Uithuizen hebben vele steenhuizen en borgen gestaan, maar de belangrijkste borg was toch wel, de nog altijd bestaande, Menkemaborg, een steenhuis uit de 14e eeuw.

Met de Menkemaborg op de achtergrond

We lopen de brede oprijlaan van de borg op. Het is druk, we zijn niet de enigen die profiteren van een mooie dag! Het zonnetje schijnt uitbundig, dus we laten ons verleiden tot een kop koffie op het terras en proberen ondertussen wat meer te ontdekken over de familie Menkema (de oorspronkelijke bewoners). Van deze familie is helaas weinig bekend, maar we leren wel dat de geschiedenis van de Menkemaborg terug gaat tot de vroege 15e eeuw. Een gevelsteen in een muur van de borg vermeldt dat het ‘Menckemahues’ in 1400 verwoest wordt en daarna meerdere keren is verbouwd en vergroot. Verschillende families zoals de families Menckema en Clant bewoonden de borg en hebben er hun sporen achtergelaten. In 1682 werd de borg gekocht door Mello Alberda. Zijn zoon Unico Allard laat de borg rond 1705 ingrijpend verbouwen door de latere stadsbouwmeester van Groningen, Allert Meijer. De ingang wordt dan naar het noorden verlegd waardoor het huis een barokke symmetrische indeling krijgt. Voor het verfraaien van het interieur worden kunstenaars aangetrokken. De familie Alberda bewoonde de Menkemaborg als buitenhuis. In 1902 overlijdt de laatste bewoner van de Menkemaborg, Gerhard Alberda van Menkema en Dijksterhuis. In 1921 schenken zijn erfgenamen de borg aan wat nu het Groninger museum is. De borg en de tuinen worden gerestaureerd. De tuin wordt in 1923 opengesteld voor publiek, gevolgd door de borg zelf in 1927. De kamers, waaronder de grote zaal, herenkamer, studeerkamer, slaapkamer, keuken en kelders zijn volledig ingericht met mooie meubelen, zilver, porselein, koperwerk en portretten uit de 17de en 18de eeuw. De vertrekken zijn ‘levendig’ ingericht alsof ‘de bewoners zo terug kunnen komen’. Dit geeft een unieke inkijk van hoe het leven er vroeger uitzag.

Een luchtfoto van de borg (internet)

Hoe intrigerend ook, we hebben vandaag geen tijd voor de borg, ons einddoel ligt een stukje verder. We lopen om de grote gracht heen, langs de Menkemaheerd (heerd betekent boerderij) en volgen het Meedstermaarpad langs het Meedstermaar (maar betekent afvoerkanaal, gracht) en het Baalkjepad. ’t Baalkje is de naam van het ijzeren bruggetje waarmee je het (Uithuizer)meedstermaar kunt oversteken om langs boerderij ‘Iturea’ verder te lopen richting Oldenzijl.

Even genieten langs het Meedstermaar (IK)
Op het ‘Baalkje’ (RK)

Met deze boerderij is iets bijzonders aan de hand, want de eigenaren van deze boerderij betalen al sinds de Middeleeuwen een jaarlijks bedrag aan lampengeld aan de kerk. Daarmee werd oorspronkelijk de ‘godslampe’ brandend gehouden. Een godslamp verlichtte in de katholieke tijd het sacramentshuisje waarin de hostie werd bewaard. De olie die nodig was om de lamp brandend te houden, werd betaald uit de huuropbrengst van een stuk land behorend bij de boerderij die tegenwoordig ‘Iturea’ heet, Een vermelding van deze betaling is onder andere te vinden in het handschrift ‘Ommelands Eer’ (1664) van de jezuïetenpater Franciscus Mijleman: ‘Tot Oldenzijl was een eeuwelijcke brandende lampe geordonneert ende gefondeert. Noch allen jaere word sekere huusmansplaets aldaer (…) afgehaelt lampegeld.’ De lamp was in de zeventiende eeuw, na de overgang tot het protestantse geloof in 1594, al verdwenen, maar de betalingsverplichting bleef. Met andere woorden het gebruik overleefde de Reformatie en wist zich tot in de 21e eeuw staande te houden. Hoe dat kan? Dat is mogelijk omdat de betaling deel uitmaakt van de beklemming (vaste huur) en deze is door de eeuwen heen amper veranderd. In de achttiende eeuw bedroeg de termijn twee gulden en vijf stuivers. De tegenwoordige eigenaar van ‘Iturea’ betaalt ruim een euro per jaar aan de kerk. Een bescheiden bijdrage in de elektriciteitsrekening, want olie wordt al lang niet meer verbruikt voor de verlichting van de Oldenzijlster kerk. De betaling van lampengeld is redelijk uniek in Nederland gezien de lange tijd dat het zich weet te handhaven zonder ergens centraal te zijn geregistreerd. Dergelijke grondlasten worden wel ‘de levende dinosauriërs van het recht’ genoemd. Bijzonder toch?

We eindigen onze dag bij de kerk van Oldenzijl, het is tenslotte een pelgrimstocht ;). Een mooi gelegen, romaans kerkje uit de 13de eeuw waar we o.a. de wapenschilden van de families Alberda en Clant kunnen bewonderen. 

Het wapen rechts van de familie Alberda en links van de familie Clant (RK)
‘Rechts een omziende rood getongde gouden leeuw, links een omziende gesneuvelde gouden griffioen met opgeheven vleugel waarop drie zilveren vissen’