MIDDELSTUM

We starten onze wandeling op een historisch punt waar ooit de ‘schilderachtige borg van de machtige familie Van Ewsum’ stond. Ewsum of De Oort is een voormalige borg (versterkte burcht) bij Middelstum, waarvan tegenwoordig slechts de kenmerkende gevechtsskoepel uit 1472 en één van de schathuizen (van oorsprong veestallen) zijn overgebleven. De borg wordt gezien als het stamslot van de familie Van Ewsum, maar dit is niet helemaal zeker. Wat wel zeker is, is dat de borg voor het eerst wordt vermeld in een oorkonde uit 1371. Een oorkonde (of charter) is een schriftelijke weergave van afspraken, stammend uit de Middeleeuwen, en diende als bewijsstuk voor gemaakte afspraken. Veel oorkonden zijn zo goed bewaard gebleven, omdat zij voor latere eigenaren het bewijs van eigendom van een stuk grond of een recht vormden. 

_DSF4745-bewerkt.JPGGeschutskoepel (foto: IK)

Waarschijnlijk was Ewsum oorspronkelijk een steenhuis, een vroege vorm van een burcht wat eruit ziet als een bijna vierkant bakstenen gebouw met zijden van 9 tot 12 meter lang. Zo’n steenhuis had vaak minstens drie verdiepingen, waarbij de ingang zich altijd bevond op de eerste etage die kon worden bereikt via een trap die weer kon worden verwijderd. Veiligheid bovenal naar een ontstane behoefte ten tijde dat de landadel steeds meer macht en rijkdom vergaarde. Landadel is de adel die actief hun landgoederen beheren of dienstdoen in het leger of het bestuur. De hofadel daarentegen was een groep edellieden die rond het hof verkeerde. De naam Ewsum wordt gezien als een samentrekking van “Ewes heem/heim” (woonplaats), maar volgens de geschiedenis noemde Ewe’s familie zich ‘Ewesma’. Dit is logisch wanneer je je bedenkt dat in Noord-Nederland de uitgangen -ma of -sma vaak aangeven hoe de vader van de naamdrager heet. Zonder verder op de details in te gaan is de betekenis van de ‘patroniem’ (vadersnaam) -ma: iemand van het erf van….., dus zoon of dochter van…… Om de familienaam voor uitsterven te behoeden is er zelfs ooit als huwelijkse voorwaarde afgedwongen dat de bruidegom de naam van zijn bruid (en enig dochter van) zou aannemen. Waarschijnlijk geen probleem, want de familie Ewesma was één van de invloedrijkste Ommelander geslachten van de 14e tot de 16e eeuw. We laten de borg echter even voor wat het is, want er moet tenslotte eerst iets gepresteerd worden ;).

We lopen in een royale boog om Middelstum, waarbij we de kerktoren steeds zien en ook horen alsof we gewaarschuwd worden niet te ver af te dwalen. Middelstum (Gronings: Milnsum), een plaats in de gemeente Loppersum, ligt aan het Boterdiep. Het is niet bekend wanneer Middelstum zelf is ontstaan, maar in 1660 werd het Boterdiep, een belangrijk kanaal voor de trekvaart, doorgetrokken vanaf Bedum naar Kantens via Middelstum. Deze vaarverbinding werd later erg belangrijk voor het dorp, het maakte de ontwikkeling van een oliemolen, een zaagmolen, een zuivelfabriek en een steenfabriek ter plekke mogelijk.

_DSF4711Op het Delpad (foto: IK)

We lopen over een zogenaamd ‘delpad’ (del of delle betekent laagte) langs het Westerwijtwerdermaar. Deze maar (Groningse naam voor een waterloop) is waarschijnlijk een overblijfsel van een in de Middeleeuwen gegraven waterverbinding tussen de rivieren Hunze en Fivel.

201908 Ommetje MiddelstumRiepko Krijthe43-Edit.JPGWesterwijtedermaar (foto: RK)

Onderweg voert de weg ons over een ‘hoogholtje’, de Groningse naam voor een hoge vaste voetbrug, hoog genoeg om schepen te laten passeren. Deze brug ligt er pas sinds 2015. Onno van Ewsum bouwde heel veel eerder (rond1489) een molen, ‘Ol kaast’, aan de ‘dorpskant’ van het Boterdiep. Er moest dus een bruggetje gebouwd worden om de boeren, die met paard en wagen van het land kwamen, de mogelijkheid te geven om met de zakken graan op de schouders over het bruggetje naar de molen te lopen. Dat waren nog eens tijden! Pas in 1855 werd de molen afgebroken en aan de ‘goede’ kant van het water herbouwd, waardoor het bruggetje overbodig raakte en het niet meer werd onderhouden.

_DSF4724Hoogholtje (foto: IK)

Een steile opgang leidt ons over de brug naar de weg richting Toornwerd (Gronings: Doord), een nabij gelegen plaatsje op een deels afgegraven vijf meter hoge wierde. Deze plaats wordt al vermeld in de tiende eeuw als Thornvurd, wat vertaald kan worden als ‘ een met doornen begroeide wierde’. Volgens een begin-19e-eeuws verslag groeiden er toen nog steeds doornen op de wierde en ook nu zien we veel bramen, of vallen zulke struiken niet onder de bedoelde doornen?

_DSF4732-bewerktMet doornen begroeid (foto: IK)

Het eeuwenoude kerkpad, waarop we lopen, vormt de oorspronkelijke verbinding van Toornwerd met Middelstum. Langs dit pad en de ossengang verderop vinden we overal borden met gedichten die ‘het prachtige landschap bezingen’. Deze borden maken deel uit van de ‘Grunniger Toal’ route, een gedichtenroute met bordjes die al weer door mos bedekt raken en met verzen in het ‘Grunnings’ over boerengewoontes en ‘ainzoamhaid’ en meer. Bijzonder, al zijn ze wel overwegend treurig.

201908 Ommetje MiddelstumRiepko Krijthe59-bewerktGrunniger Toal Route (foto’s: RK)

Ik lees dat het geheim van Toornwerd is dat het er zo kalm is, het doorgaande verkeer is met name gericht op wandelaars. Het Oude Kerkpad brengt je vanuit Middelstum met een bruggetje over het Boterdiep naar de Ossengang in Toornwerd. Aan de andere kant slingert het landelijke Doorderpad verder naar Kantens. Het leven is hier, volgens het artikel, nog heel gewoon.

201908 Ommetje MiddelstumRiepko Krijthe65-bewerktBegraafplaats Toornwerd (foto: RK)

Toornwerd is een soort radiaal wierdedorp, dus het is niet moeilijk bij het hoogste punt te komen. Omringd door bossen ligt hier een begraafplaats met in het midden een statige klokkentoren uit 1894. Een grappig detail is dat er in deze toren nog een klok uit 1622 hangt welke is gemaakt door de schoonvader van één van de Ewsum dames. De klok wordt elke zaterdag geluid. Op deze begraafplaats stond ooit ook een kapel, gesticht door iemand van de Ewsum familie (Toornwerd was toentertijd een zelfstandige parochie), maar deze was dermate in verval dat hij in al 1818 gesloopt werd. De kapel werd dan ook niet meer gebruikt omdat Toornwerd bij Middelstum werd gevoegd na de Reductie van Groningen (1594), toen alle andere religies dan het protestantisme werden uitgebannen. De inwoners van Toornwerd moesten nadien over het ons inmiddels bekende kerkpad naar hun nieuwe gebedshuis lopen

_DSF4740-bewerkt.JPGPrachtige bloementuin (foto: IK)

Inmiddels hebben we onze kleine zeven kilometer erop zitten en doemt de borg weer op aan de horizon. Het borgterrein is vrij toegankelijk en bij de theeschenkerij is het heerlijk bijkomen. Nadat we onze dorst gelest hebben, willen we het borgterrein zelf graag verkennen. Tenslotte wordt er gezegd dat je hier 300 jaar geschiedenis kunt aflezen aan het bijzondere tuinlandschap. Lyrisch worden de eeuwenlang gesnoeide majestueuze lindebomen beschreven die daardoor de vorm van immense kandelaars hebben aangenomen. Daarnaast vind je op het terrein een groentetuin, een kruidentuin (waarvan de kruiden gebruikt worden in de theeschenkerij), een boomgaard, een bloementuin en een op de zon gelegen fruitmuur. Alles ingericht volgens de principes van het tuinieren anno 1800. Kon minder 🙂

REITDIEPVEER

Sinds augustus 2014 kun je je per veerdienst over laten varen tussen de sluizen van Aduarderzijl en Schaphalsterzijl. Deze veerdienst over het Reitdiep is het resultaat van een idee om het Nationale Landschap Middag Humsterland te verbinden met het Hogeland. De veerdienst, vooral bedoeld voor fietsers en wandelaars, is vanaf het begin een succes. Het wordt tijd om het ook eens te proberen.

pont-Edit.jpgVertrekpunt Schaphalsterzijl (foto: RK)

Vanwege de vertrektijden komt het ons beter uit om vandaag in Schaphalsterzijl te beginnen. Schaphalsterzijl (Gronings: Schaphalsterziel) is een gehuchtje in de gemeente het Hogeland. Het is genoemd naar de aanwezige ‘zijl’ (sluis) dat ligt op de plek waar het Winsumerdiep uitmondt in het Reitdiep. De sluis zelf is weer vernoemd naar een nabije bocht in het Reitdiep dat als de Schapehals bekend staat. Dat moet wel een nauwe, smalle bocht zijn. Tegenwoordig heet dit meest westelijke stuk van het Winsumerdiep officieel geen Schapehals meer, maar er bestaan nog steeds diverse anderen wateren in Groningen die de toevoeging ‘hals’ in zich dragen. Denk maar eens aan de Katerhals bij Niekerk, het Hondhalstermeer bij Wagenborgen of het Katerhalstermaar bij Garrelsweer.

_DSF4658-bewerkt.JPGHerinneringen Tachtigjarige Oorlog (foto: IK)

De Schaphalstersluis bestaat al sinds 1459. De oorspronkelijke sluis, gebouwd van hout, werd ten noorden van de Schapehals gebouwd om het er vlakbij gelegen Winsumerzijl niet meer voldeed voor het steeds groter wordende achterland. In 1539 werd er beschoeiing aangelegd bij de sluis en in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) werd hier door de ‘staatsen’ een schans gebouwd. De Staatsgezinden waren een groep opstandelingen tegen het Spaanse gezag, geleid door de Staten Generaal van de Nederlanden (vandaar de naam). De stad Groningen stond in de jaren 1580-1594 aan de kant van de Spaanse koning Filips II en het Groninger land en Drenthe dienden als uitvalsbasis voor aanvallen van het koninklijke leger in Friesland waar de Staatsgezinden de baas waren, alhoewel de bevolking daar nog niet eensgezind voor de opstand gekozen hadden. Om de toen machtige stad Groningen in handen te krijgen, begon graaf Willem Lodewijk van Oranje met het aanleggen en veroveren van schansen of versterkingen rond de stad, waaronder die van Schaphalsterzijl. De bedoeling was om hiermee de stad voor de aanvoer van voedsel en munitie af te sluiten. Uiteraard verliep het plan niet zonder slag of stoot. Al in 1581 werd de hier betreffende schans veroverd door de Spanjaarden met als resultaat een grote brand in de sluis. De sluis werd vervolgens weer in oorspronkelijke staat herbouwd, wat achteraf misschien toch niet zo’n goed idee was i.v.m. toenemende lekkage. In 1734 werd op dezelfde plaats uiteindelijk een stenen variant gebouwd, waarna de sluis door de jaren heen meerdere malen is gerestaureerd. Boven op de sluis staat een windwijzer met het wapen van het vroegere waterschap Hunsingo. Bovendien heeft de sluis nog een tweetal gargouilles of waterspuwers.

_DSF4674-bewerkt.JPGSluis met waarhuis (foto: IK)

waterspuwer-Edit.jpgWaterspuwer Schaphalsterzijl (foto: RK)

In 2005 werd de sluis voorzien van een modern gemaal, dat grotendeels betaald werd door de NAM. Veel bewoners waren oorspronkelijk tegen de bouw van het gemaal, omdat het het landschap zou ontsieren en niet zou passen bij de bestaande eeuwenoude sluizen. Het gemaal heeft echter als taak de relatieve verhoging van de waterstand, als gevolg door de bodemdaling door de winning van aardgas te compenseren en werd daarom toch een feit. 

_DSF4655-bewerktOever Reitdiep (foto: IK)

Ondertussen ligt het veer klaar voor de tocht en klokslag half vertrekken we richting Aduarderzijl. Langzaam glijdt de boot achteruit over het Winsumerdiep. De ‘maat’ staat op het achterdek om de schipper te informeren over het scheepvaartverkeer net om de bocht op het Reitdiep. De kust is vrij, de boot draait met de neus naar de gewenste richting en ons avontuur kan beginnen. Het dieselmotortje bromt tevreden. De overtocht duurt ongeveer twintig minuten en het is inderdaad volop genieten. De omgeving is prachtig, alles werkt mee om ons een zo aangenaam mogelijke tocht te bezorgen. De lucht is overwegend stralend blauw, de aardappelen staan nog volop in blad waardoor die stukken land er frisgroen bijliggen en ook het aanwezige graan wuift goudgeel in een licht briesje. De oevers zijn dicht begroeid met berenklauw. Misschien een gevaarlijke plant, vooral het sap, maar desondanks prachtig om te zien.

xxx.JPGAduarderzijl met waarhuis (foto: IK)

Veel te snel zijn we aan de andere kant, bij het Aduarderzijl (Gronings: Auwerderziel). Meteen naast de sluis staat het oude waarhuis (waren betekent bewaren, bewaken), waar vroeger de sluiswachter woonde. Het oudste gedeelte dateert uit 1680 en het voorhuis uit 1706. Het waarhuis was vroeger eveneens één van de vier, één op elke vijf huizen!, tapperijen van het gehucht. Schippers moesten hier vaak lange tijd wachten voordat ze door de sluis konden, vandaar dat een tapperij een welkome afleiding bood. Het eigenlijke dorp ligt iets ten zuidwesten van de sluis en het jachthaventje inclusief camping weer iets ten zuiden daarvan.

_DSF4543511920190727.jpgAanleggen in Aduarderzijl (foto: RK)

De veerpont legt aan bij de jachthaven. Passagiers kunnen aan deze kant gebruik maken van de rustgelegenheid ter plekke voordat ze hun reis vervolgen. Er kunnen maximaal twaalf mensen mee aan boord en ons is van te voren verteld dat we mogelijk een ronde moeten wachten wanneer er teveel wachtenden op de pier staan. In geval van ‘extreme’ drukte is er zelfs gezorgd voor een ticket machine opdat er geen schermutselingen ontstaan over wie wel of niet mee mag varen. Er wordt niets aan het toeval overgelaten. Gelukkig kunnen we meteen mee terug. Om exact het hele uur draaien we in het Aduarderdiep om onze terugreis te aanvaarden.

_DSF4664-bewerkt.JPGOnderweg (foto: IK)

Aduarderzijl ontstond kort na 1285 toen de monniken van het klooster van Aduard het Aduarderdiep lieten graven om een verbinding te maken met het Reitdiep en daarbij een sluis aanlegden. Deze sluis diende onder andere voor de afwatering van gebieden vlakbij de stad Groningen op het Reitdiep, dat tot het eind van de 19e eeuw in open verbinding met de zee stond. Aduarderzijl was door haar positie vroeger van strategisch belang. Ook hier is in de Tachtigjarige Oorlog een schans gebouwd, die kort daarop door de Spanjaarden werd veroverd. In 1672, tijdens de Hollandse Oorlog, beter bekend als het Rampjaar, vormde de sluis een onderdeel van de waterlinie ten noordwesten van Groningen. Bij de aanval van Bommen Berend (bischop van Munster) werden alle 17 zeesluizen open gezet om het hele Reitdiepgebied onder water te zetten, zodat de stad niet vanuit het westen kon worden aangevallen. Een bekend Nederlands gezegde beweert dat ‘het volk redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos’ was toentertijd. De huidige stenen sluis werd in 1706 door het waterschap gebouwd en had oorspronkelijk drie deuren: ebdeuren voor het binnenhouden van het water voor de landbouw en scheepvaart bij laagwater, vloeddeuren voor het keren van zeewater bij vloed (werden door de druk dichtgedrukt) en stormdeuren die bij stormvloed werden gesloten ter extra veiligheid.

Eenmaal op het Reitdiep gaat ineens de motor uit. De gemeente had destijds als eis gesteld dat het project ook duurzaam moest zijn. Als de wind niet te hard waait, kan de boot elektrisch verder varen. Zo’n stilte voegt beslist iets toe, je bent je nog meer bewust van de omgeving waarin je vaart. Om het veer nog aantrekkelijker te maken zijn er wandelingen en fietsknopen die de veerpont onderdeel maken van. Het is de moeite van het ontdekken waard.

NUUSMER RONDJE

Deze keer een korte wandeling, vooral om onze nieuwe schoenen in te lopen. Je wilt immers niet midden in de weilanden staan met voeten vol blaren en tenen die in brand staan? Niet dat het zo’n vaart zal lopen. Volgens iemand die het kan weten (Nederlands letterkundige) is het met nieuwe schoenen net als een nieuw idee; je hebt er in het begin meer last dan gemak van. Daarentegen beweert Marilyn Monroe dat als je een meisje de juiste schoenen geeft, ze de wereld kan veroveren. Wij gaan in dit geval maar uit van het principe dat nieuw een synoniem is voor juist. 😉

_DSF4599-bewerkt.JPGNieuwe schoenen (foto: IK)

De keus valt op Nuis (Gronings: Nuus), een dorp met een kleine 750 inwoners onder de rook van Marum. De naam komt verrassend genoeg van ‘nij huis’ (nieuw huis) wat verbasterd is tot Nuis. We starten vlakbij de Coendersborch. De huidige borg is gebouwd in 1813, zoals duidelijk te zien is op de voorgevel van het gebouw. De historie van de Coendersborg gaat echter terug tot de zeventiende eeuw. De borg lag en ligt in een landschap waar door de veenwinning een zogenaamde opstrekkende verkaveling is ontstaan. Dit vormt een landschap dat wordt gekenmerkt door strookvormige percelen die evenwijdig aan elkaar in dezelfde richting lopen. Al vanaf het begin van de Middeleeuwen vestigden zich hier de eerste bewoners op zandruggen temidden van een uitgestrekt veenmoeras. Naast de ruggen verbouwden de boeren voornamelijk rogge en boekweit op het hoog liggende land. Op deze hogere delen werden de landbouwpercelen traditioneel van elkaar gescheiden door houtsingels of houtwallen. Deze singels werden aangelegd om te voorkomen dat het vee naar naastgelegen percelen liep. Ze bestonden doorgaans uit een greppel met aan beide zijden een bomenrij, meestal elzen. Ook doornige struiken zoals meidoorn en sleedoorn waren geschikt als veekering. De houtsingels fungeerden tevens als bron van geriefhout voor het maken van meubels, huizen en gereedschappen. Het lager gelegen land, wat uitliep op het veenmoeras of op de heidegronden, werd gebruikt als gras- en hooiland. Op de heide graasden schapen, die weer mest leverden voor het bouwland. Het veen werd afgegraven, gedroogd en als brandstof gebruikt. 

_DSF4597-bewerkt.JPGCoendersborch (foto: IK) 

Deze streek kende, net als elders in Groningen, een aantal belangrijke boerenfamilies. Uit de heerden Fossema, Harckema en Heringhe ontstond de Coendersborch. Heerden zijn boerderijen in Groningen. Met de heerd wordt eigenlijk de haard, de stookplaats (heerdstede) bedoeld, maar in de loop van de geschiedenis werd met de term heerd de gehele boerderij en de bijbehorende landerijen aangeduid. Ludolf Coenders, raadsheer in Groningen, wilde de bijbehorende venen ontginnen, maar hij kwam daardoor in conflict met de heer van Nienoord, Georg Wilhelm von Inn- und Kniphausen. Coenders liet de turf namelijk via Friesland afvoeren, terwijl de heer van Leek vond dat dat via zijn kanalen moest gebeuren. Dit conflict leidde in 1668 zelfs tot een veldslag tussen manschappen van Coenders en die van Nienoord. Tot zijn schande verloren de mannen van Von Inn- und Kniphausen deze strijd. Waarschijnlijk heeft Ludolf Coenders de oude Fossemaheerd daarna verbouwd tot een bij een edelman passend buitenverblijf, want in 1699 was er al sprake van een borg. In de eeuwen daarna raakte de oude borg langzaamaan in verval en werd in 1813 tenslotte vervangen door de huidige Coendersborch. In 1956 werd het landgoed verkocht aan de Stichting het Groninger Landschap.

We passeren de borg, lopen langs een paar grote boerderijen en slaan af naar de Oudeweg, een onderdeel van de Middeleeuwse verbindingsweg tussen Marum en Tolbert. Zowel de Coendersborch als het Iwema Steenhuis in ‘bijna-tweelingdorp’ Niebert liggen aan dit historische pad. Nuis en Niebert liggen zo dicht bij elkaar dat ze sinds 2011 ook een gezamenlijke vlag en wapen hebben. De golvende lijn door het midden symboliseert het belang van het kanaaltje het Oud Diep voor beide plaatsen. Op de rechterhelft vind je het wapen van de familie Fossema (Fossemaheerd), t.w. drie schuin geplaatste vissen. De linkerkant beeldt het wapen van de familie Iwema (steenhuis) uit, bestaande uit een gekroond hart doorboord door twee gekruiste pijlen. 

_DSF4631-bewerkt.JPGVlag Nuis-Niebert (foto: IK)

We steken de hoofdweg over en vervolgen onze weg over ‘Mienscheer’. De naam van de weg verwijst naar het vroegere gebruik van het gemeenschappelijk weiden van vee. ‘In mienscheer’ betekent letterlijk ‘in gemeenschap’. We lopen recht op de A7 af en zien een bekend tankstation opdoemen. Grappig om zo aan de andere kant te lopen. Gelukkig draaien we met de snelweg mee naar rechts en even verderop zien we aan een even welbekend bordje dat het tijd is om het weiland in te gaan. Het gras is heerlijk kort gemaaid wat heel prettig loopt, al worden die uitbundig groeiende bermen tegenwoordig lyrisch beschreven als ‘restaurants voor dieren’. Volgens natuurorganisaties betekent maaien dat vlinders, eitjes, rupsen en andere insecten het loodje leggen. Als insecten verdwijnen, krijg je een stil landschap, aldus de deskundigen. Ze zijn wel voor het maaien van bermen, want als je dat niet doet, krijg je uiteindelijk veel minder bloemen, maar het maaien moet gefaseerd en niet allemaal tegelijkertijd.

_DSF4616-bewerkt.JPGPetgat (foto: IK)

Via nieuwe klaphekjes lopen we rond een petgat. Ooit van gehoord? Een petgat of een trekgat is een water dat is ontstaan door het uitbaggeren van veen voor de winning van turf. De zogenaamde ‘baggerbeugel’ (een soort schepnet met een lange steel) werd vanaf de 16e eeuw gebruikt bij het winnen van turf onder de grondwaterspiegel. Tussen de petgaten lag een legakker, een smalle strook land waarop de turf te drogen werd gelegd. In perioden van droogte werd het water uit zo’n petgat gebruikt als drinkwater voor het vee. Er zijn veel grote plassen in veengebieden ontstaan uit deze petgaten doordat soms de legakkers ook werden weggebaggerd of doordat stormen de legakkers wegsloegen. De Weerribben en ook het Paterswoldsemeer zijn voorbeelden van watergebieden met deels nog aanwezige petgaten.

_DSF4618.JPGGedenksteen Kamp Nuis (foto: IK)

Terug in Nuis zien we een gedenkbeeld voor Kamp Nuis. Tijdens WOII (vanaf 1941) was het een kamp van de NAD, de Nederlandse Arbeidsdienst. Na de oorlog werden hier collaborateurs gevangen gezet en weer later deed het dienst als jeugdgevangenis. Van 1951 tot 1964 was het kamp in gebruik voor de opvang van Ambonese ex-KNIL militairen en hun gezinnen. Na 1964 werd het kamp werd gesloopt en tegenwoordig is op dezelfde plek het Noordelijk Archeologisch Depot (NAD) gevestigd.

_DSF4646-bewerkt.JPGHervormde Kerk Nuis (foto: IK)

Aan de overkant van de weg staat de hervormde kerk van Nuis. De kerk is een middeleeuwse zaalkerk uit de 13e eeuw. Een zaalkerk is een rechthoekig kerkgebouw dat eenbeukig of eenschepig is, waarbij de beuk (of het schip) de langgerekte ruimte is die meestal in west-oost richting loopt. Deze grotendeels in romanogotische stijl gebouwde kerk, een stijl die zeer weinig voorkomt in deze streek, ligt op een wierde en is beeldbepalend voor het dorp.

In de kerk hangen twaalf opvallende ruitvormige rouwborden. Deze rouwborden werden vroeger gemaakt na het overlijden van jonkers en edelvrouwen. Eigenlijk horen deze rouwborden niet in Nuis, maar in Beesterzwaag. Ze zijn een herinnering aan enkele leden van de Friese grietmanfamilies Fockens en Van Teyens. Een grietman (letterlijk: hij die daagt) is de voorloper van de tegenwoordige plattelands burgemeester. Eind 18e eeuw moesten op last van de Bataafse regering alle adellijke symbolen uit openbare gebouwen verwijderd worden. De rouwborden, die tot dan toe in de kerk van Beetsterzwaag hadden gehangen, werden opgeborgen in de Coendersborch en twee eeuwen later zijn de borden op deze manier het eigendom van de kerkvoogdij van Nuis geworden.

_DSF4623.JPGIwema Steenhuis Niebert (foto: IK)

Om het verhaal goed af te sluiten, maken we nog een uitstapje naar het Iwema steenhuis in Niebert. Het steenhuis dateert uit omstreeks 1400 en is het enige overgebleven steenhuis van de ongeveer 160 steenhuizen die ooit in de provincie Groningen stonden. Steenhuizen dienden vroeger als toevluchtsoord voor de Groningse adel. In de Middeleeuwen werd de adel steeds rijker. Ze wilden daarom een veilige plek om naar toe te kunnen gaan in onrustige tijden. De naam verwijst naar de familie Iwema die er oorspronkelijk woonde. Deze familie behoorde niet tot de Groninger adel, wat mogelijk verklaart waarom het steenhuis nooit is uitgegroeid tot een borg. 

Sinds 1988 is het steenhuis in bezit van Het Groninger Landschap. Het huis zelf wordt nog steeds bewoond en is niet toegankelijk voor publiek. Achter het huis is, in de schuur, het museum ’t Steenhuus gevestigd wat absoluut de moeite van een bezoekje waard is. Hier kun je een authentieke bakkerij compleet met winkel bezichtigen evenals een meidenkamer, een huiskamer, een complete schilderwerkplaats en zelfs een schooltje, een kapperszaak en een cafeetje. Een geweldig inkijkje in het leven aan het begin van de 20e eeuw, herkenbaar uit grootmoeders tijd.

_DSF4462501220190720-Edit-1.jpgDe dikste beuk (foto: RK)

In de tuin achter het huis staat een enorme rode beuk, de dikste rode beuk van het noorden. Misschien zijn het meerdere bomen die in elkaar gegroeid zijn, dat noem je dan een boom-boeket, maar het is onmogelijk om vast te stellen of het hier om één of meerdere bomen gaat zonder de boom zelf schade toe te brengen. Wat wel vast staat is dat deze monumentale boom rond de 275 oud is! Leuk om verder te weten is dat een beuk, vooral een rode beuk, status had. Uit 1 op de 10.000 zaadjes van een groene beuk ontstaat een rode beuk, die vanwege zijn zeldzaamheid speciaal en duur was. Een rode beuk in je tuin was dus een teken van rijkdom.

Ondanks dat dit maar een korte wandeling was, was het er wel eentje met veel wetenswaardigheden en ontdekkingen. De eerste ‘inloop kilometers’ zijn gemaakt.

GARSTHUIZEN

Met het lopen van de zogenaamde ‘ommetjes’ leren we heel wat over onze provincie. Deze keer gaan we lopen rondom Garsthuizen (Gronings: Gaasthoezen of Garsthoezen), weer zo’n klein plaatsje waarvan we (althans ik) nog nooit eerder hebben gehoord. Gartshuizen blijkt een klein dorp in de gemeente Loppersum te zijn met zo’n 250 inwoners. Het dorp is omstreeks de elfde eeuw ontstaan in een bocht van de (voormalige) rivier de Fivel. De Fivel is al in de Middeleeuwen compleet dicht geslibd, maar delen van de rivierloop zijn nog steeds te herkennen in tegenwoordige waterlopen. Deze rivier gaf haar naam aan het landschap Fivelingo of Fivelgo. Fivelgo betekent streek (go of gouw) van de Fivel. De streek omvatte o.a. de gemeenten Appingedam, Loppersum, Slochteren en Ten Boer evenals een deel van het Hogeland en een groot deel van Delfzijl.

De naam van het dorp Garsthuizen is waarschijnlijk afgeleid van ‘gers’, het oud Friese woord voor gras. Een ‘gars’ is tegelijkertijd ook een ander woord voor een landmaat; 3 1/2 gars staat gelijk aan een bunder (iets meer dan een hectare). Vroeger lag het dorp temidden tussen de graslanden, dus deze verklaring zou inderdaad heel goed mogelijk zijn. Een andere verklaring is dat ‘garst’ komt van gars- of geestgronden. Alhoewel…… geestgrond is een synoniem voor grondsoort en om precies te zijn staat het voor cultuurgrond bestaande uit duinzand (!) gemengd met klei en/of veen. Heeft er ooit een duinrand bestaan in het noordoosten van Groningen?

We starten onze wandeling midden in het dorp bij de oude begraafplaats. Merkwaardig genoeg zien we vele oude scheve grafstenen, maar geen bijbehorende kerk. Nalezen leert dat de kerk al jaren bouwvallig was en dat de kerk vanaf 1993 al niet meer ‘in functie’ is. Hier is (uiteraard) een heel verhaal aan verbonden. In de tweede helft van de 19e eeuw werden nieuwe grindwegen aangelegd in deze omgeving, waarbij Garsthuizen, tot grote verontwaardiging van de burgers, niet werd aangesloten op dit wegennet. Ze besloten zelf een weg aan te leggen, waarvoor de kerk en de toren werden opgeofferd. De vele oude stenen werden verkocht aan de aannemer in ruil voor het aanleggen van een weg naar Westeremden. Zo kreeg Garsthuizen dus een nieuwe grindweg evenals een nieuwe (kleinere) kerk. De weg bleek een grote aanwinst voor het dorp, van de kerk kon dit niet gezegd worden. De kerk was n.l. slecht gebouwd en vroeg steeds meer onderhoud. De kerkelijke gemeente daarentegen werd steeds kleiner en er werd daarom weinig tot geen geld meer in onderhoud van de kerk gestoken, waardoor kerk en toren steeds verder in verval raakten. In 2009 werd het gebouw nog verder beschadigd als gevolg van een aardbeving. Uiteindelijk bleek restauratie niet meer haalbaar. Wat overbleef en blijft zijn de fundamenten en het kerkhof.

201907 "Ommetje Garsthuizen"Riepko Krijthe8-Edit.jpgMolen ‘De Hoop’ (foto: RK)

We lopen richting molen om daar te ontdekken dat we precies de verkeerde kant opgaan. Eigenlijk maakt het niets uit, we kunnen immers ook het kaartje van de folder volgen en het ‘voetjeslogo’ laten voor wat het is. De molen, uit 1839, werd als pelmolen gebouwd.  Een pelmolen is een type molen waarin vroeger gerst tot gort (en later rijst) gepeld werd door het kaf van de graankorrel te scheiden. Een pelmolen kan pas werken bij ten minste een windkracht vijf. De meeste pelmolens hebben daarom naast pelstenen ook maalstenen, omdat er bij onvoldoende wind voor het pellen nog wel graan gemalen kan worden. Zo ook hier. De molen werd in 1970 uitgeschakeld als gortpellerij door de komst van moderne machines. Door de jaren heen raakte molen ‘De Hoop’ steeds verder in verval evenals de bijbehorende boerderij, maar sinds 1996 is alles weer hersteld zoals het ooit was en wordt de molen/boerderij combinatie nu gezien als het mooist bewaarde complex in de provincie.

201907 "Ommetje Garsthuizen"Riepko Krijthe61.jpgGoudgele graanvelden (foto: RK)

Vlak voor de molen slaan we linksaf een betonpad op. Vroeger liepen hier vele onverharde voetpaden richting naburige dorpen. Mensen liepen van hun huis naar hun werk op de boerderijen rondom. Pas bij de ruilverkaveling in de jaren 1983 tot 1990 zijn veel van deze paden voorzien van een laagje beton. We lopen echt door een akkerbouw gebied met een groot veld zomertarwe rechts en vrolijk bloeiende aardappelplanten links van ons.

_DSF4540-bewerkt.JPGAardappelland (foto: IK)

We lopen onder de Eemshavenweg door en komen langs een picknick tafel inclusief bankjes. Hier schijnt eerder een heel klein boerderijtje gestaan te hebben compleet met boomgaard. Er moeten nu nog twee appelbomen staan van een oud ras met heerlijke appels, maar wij kunnen ze niet ontdekken. Evenmin zien we de drie oude wilgen waar in de vorige eeuw een huisje heeft gestaan. De slinger in de weg (zien we gelukkig wel!) geeft de plaats van het huisje aan, de weg liep om het huisje heen.

201907 "Ommetje Garsthuizen"Riepko Krijthe131-Edit.jpgLangs de suikerbieten (foto: RK)

Even later geeft ons kaartje aan dat we het land in mogen. We lopen langs de suikerbieten deze keer. In het begin nog over een redelijk vlak stuk, maar al gauw lopen we temidden van een welig tierende, wilde bloemenweelde. We zien distels, zuring, kamille, klaver, klaprozen en meer.

_DSF4553Distels (foto: IK)

Hoe oogstrelend ook, we hebben haast moeite om ons staande te houden in deze bonte, kleurrijke, maar ook erg dichte begroeiing. Dit is het gebied van het Startenhuistermaar, één van de vele maren van de rivier de Hunze. De eerder genoemde Eemshavenweg  vormt in feite de scheidslijn tussen de stroomgebieden van de Fivel (ten oosten van de weg) en de Hunze (ten westen). De afwatering van beide rivieren werd regelmatig onderbroken door zand-, klei- of veenafzettingen, waarop het water telkens weer een nieuwe richting koos. Een ‘maar’ is trouwens een Groningse naam voor een waterloop, meestal smalle, ondiepe slootjes, die al eeuwenlang door het landschap stromen. Het gebied rondom deze Startenhuistermaar werd ‘Bonke Bieters Hörn’ genoemd hetgeen letterlijk vertaald ‘botten bijters hoek’ betekent. De bewoners waren hier zo arm dat ze kennelijk op botten moesten kluiven.

201907 "Ommetje Garsthuizen"Riepko Krijthe113.jpgStartenhuistermaar (foto: RK)

_DSF4568-bewerkt.JPGEven ‘spelen’ (foto: IK)

Ondertussen komen we weer uit op de verharde weg en zien we Garsthuizen in de verte alweer opdoemen. Onderweg nog een molen, al is het deze keer een moderne windmolen. Deze nieuwe molen (sinds 2011) kan maar liefst vijfhonderd gezinnen van stroom voorzien. De oude molen had veel minder capaciteit en zet nu in Ierland haar werk voort. Over het hoe en waarom wordt verder helaas niets verteld.

Het verkennen van een nieuw stukje Groningen was wederom genieten, we gaan binnenkort vast weer op stap!

GODLINZE

Opeens is het heerlijk weer, de wind is gaan liggen en de regen sputtert nog een beetje na terwijl de wolken openbreken. Ideale omstandigheden voor een ommetje. Onze keus valt deze keer op Godlinze (Gronings: Glins of Glinz) vlakbij Delfzijl.

201906 "Godlinze"Riepko Krijthe9-Edit.jpgGodlinze (foto: IK)

Godlinze ligt op een gave, hoge wierde met een ‘goed ontwikkelde radiale structuur’, d.w.z. dat het geheel eruit ziet als een wagenwiel.  De wierde is rond de 2e eeuw voor Christus ontstaan op een oeverwal van de inmiddels dichtgeslibde Fivelboezem, de verwijde monding van de rivier Fivel in het noordoosten van de provincie Groningen. Doordat de wierde door de bewoners continu werd opgehoogd, ontstond er een hoogte van iets meer dan zes meter (6,22 meter), waarmee Godlinze één van de hoogste wierden van Groningen is.

Nu weten we langzamerhand al veel over wierden en het omringende landschap, maar van het dorp Godlinze had ik eigenlijk nog nooit gehoord. Waar zou de zo wonderlijke naam vandaan komen? Hierover bestaan verschillende verhalen. De naam van het dorp komt voor als ‘Godlevingi’ op een goederenlijst van klooster Werden in het Ruhrgebied. Dit klooster heeft een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van het ‘Heilige Roomse Rijk’ in de vroege middeleeuwen en haar archieven zijn grotendeels bewaard gebleven. Godlinze zou afgeleid zijn van een persoonsnaam want ‘Godlevingi’ betekent, volgens deze aanhangers, letterlijk ‘de lieden van Godlev’, waarbij Godlev vermoedelijk een leidende figuur uit de adelstand was. Anderen geloven dat ‘Godlevingi’ beter vertaald kan worden als ‘de plek waar Godlev woont’. Godlev is in dit geval dan een Keltische godheid. Nu kenden de Kelten wilswaar een groot aantal goden en daarnaast hadden veel clans en/of plaatsen ook nog vaak hun eigen beschermgod, maar de naam Godlev heb ik in dit verband niet kunnen vinden. Misschien staat het gewoon toch voor ‘de leeuw (= lev) van God’ en verwijst het daarmee inderdaad naar een heldhaftig man? Het meest aansprekende verhaal is, voor mij, het verhaal dat de inwoners van het dorp ooit enorme honger hebben geleden tijdens een watersnood. Wonderlijk genoeg spoelden er toen erwten (linzen) aan, hetgeen de bewoners zagen als een geschenk van God. De naam is een herinnering aan deze gebeurtenis. Duidelijk toch? 🙂

We beginnen onze wandeling bij het ‘Gloepke’. Dit kerkpad is de locatie van een oud ‘Glinzer’ volksverhaal over ’t peerd zonder kop’. Het paard van de lokale melkrijder graasde hier tussen de heggen, waardoor de kinderen alleen zijn rug konden zien en niet zijn ‘kop’. Terwijl we nu over dit, naar later blijkt één van de vele, kerkpad(en) lopen verwacht ik haast het achterstuk van een paard te zien …….. helaas ………. er is niets te bekennen.

_DSF44395691020190614.jpgBloeiende kamille (foto: IK)

We vervolgen onze weg door de Peperstraat, de binnenste weg rond de kerk en de oudste buurt van Godlinze. Hier woonden vroeger voornamelijk ambachtslieden zoals ververs, schoenmakers, wevers en leerlooiers. Via deze binnenste ring lopen we door naar de buitenste ring, de vroegere ossenweg, en lopen we verder een weiland in. Dit weiland was ooit gemeenschappelijk (wierde)bezit waarop het vee kon grazen bij hoog water. Was het gebied om de wierde droog, dan liep het vee vanaf dit weiland de wierde af, de meeden (buitendijkse graslanden) op. Deze locatie werd ook lang ‘het oude hof’ genoemd omdat het deel uitmaakte van het borgterrein. Over de borg van Godlinze zelf is weinig informatie. De borg wordt voor het eerst genoemd in de 16e eeuw en wordt dan omschreven als: ‘de borg met schuur en het heem daarachter met singel, grachten, hoven, geboorten en plantages….en verder 23 grazen land om de borg.’ Ter verduidelijking: één gras is de hoeveelheid gras die nodig was voor een koe en bedroeg iets minder dan een halve hectare. Dit komt dus neer op twee koeien per hectare, terwijl tegenwoordig drie of meer koeien per hectare worden gehouden. Uiteindelijk wordt de borg ergens tussen 1730 en 1753 gesloopt. Het borgterrein is tegenwoordig vrijwel niet meer als zodanig te herkennen. Een verstopt stukje sloot achter de huizen aan de Hoofdweg verraadt de aanwezigheid van een vroegere gracht rondom de borgstee, althans zo wordt ons later verteld door een dame die ons uitgebreid zal rondleiden in de kerk van het dorp, de Pancratiuskerk.

201906 "Godlinze"Riepko Krijthe26.jpgToegang tot de kerk (foto: RK)

Vermoedelijk heeft er op de plek van de huidige kerk een houten voorganger gestaan, maar omstreeks 1100 komt er een kerk van tufsteen. Tufsteen, tuf of tuffiet is een sedimentair gesteente van vulkanisch materiaal; vulkanoklastisch gesteente. Tufsteen begint als as, uitgespuwd door een vulkaan en verhardt dan tot gesteente. In Nederland zijn en waren geen vulkanen, maar net over de grens in Duitsland waren er wel vulkanen actief, die tuf hebben uitgestoten. De restanten daarvan vinden we in ons land terug en dus ook in deze kerk. De uitbreiding in baksteen volgt in de 13e eeuw. Hier is heel mooi de ontwikkeling van tufsteen naar kloostermoppen en tenslotte naar baksteen te zien. Kloostermoppen, ook wel kloosterstenen of monniksstenen genoemd, zijn middeleeuwse bakstenen. Ze waren veel groter dan de huidige bakstenen en werden vooral gebruikt, de naam zeg het al, in kloosters, maar ook in kerken en kastelen. Ofschoon het niet helemaal met zekerheid vastgesteld kan worden, wordt er aangenomen dat de monniken aan de bakermat van de baksteenfabricage stonden. Als vuistregel geldt: hoe dikker de mop, hoe ouder, waarbij de oudste stenen hetzelfde formaat als tufstenen hebben. Voor het bakken van de stenen werden kuilen gegraven waarin takkenbossen werden aangestoken. Daarop kwamen de mallen met klei waarop het geheel vervolgens werd afgedekt met zand. Op deze manier werd de klei gebakken. Hoe dichter bij het vuur hoe donkerder de kleur. Ook dit is goed te zien op diverse plaatsen aan de buitenkant van de kerk.

_DSF44415691220190614-Edit.jpgTufsteen, kloostermop, de deur (foto: IK)

Onze gids vertelt vol trots over deze wetenswaardigheden en vertelt en passant dat de lage dichtgemetselde poort aan de noordkant, volgens haar, geen Noormannen deur is, maar een vrouwendeur. De mannendeur zit aan de andere kant van de kerk. Pas in 1703 mochten man en vrouw samen door de nieuw gemetselde voordeur. De overlevering vertelt daarentegen toch echt dat deze deuren wel door de Noormannen, tijdens hun bezetting van de streek, zijn aangebracht. Door de lage hoogte (anderhalve meter) waren de bewoners genoodzaakt een buiging naar het noorden  (dus naar de Noormannen) te maken bij het verlaten van de kerk. De slimme kerkgangers verlieten de kerk echter achterstevoren en toonden zo hun billen aan hun bezetters, waarmee het eerbetoon een belediging werd. Ik lees ook dat de kleine deur waarschijnlijk een psychologisch trucje vertegenwoordigd. Je ging door een koude (in de schaduw gelegen) kleine deur naar binnen en verliet na ‘de loutering van de preek’ het gebouw door een grote, zonbeschenen deur. Zoveel verhalen, zoveel eigen waarheden ……

Kerken kregen bij hun stichting altijd een patroonheilige mee die de naam gaf aan de kerk en bescherming bood tegen onheil. Op de klok van deze kerk staat dat ze gegoten is in 1435 ‘in honore pancratii’. Pancratius staat in een oude kroniek inderdaad vermeld als  de patroonheilige van Godlinze. Hij zou een martelaar zijn geweest, die tijdens de Christenvervolgingen in Rome werd gedood. Door zijn standvastigheid werd Pancratius vooral de heilige van ‘wat gezworen is’.  Wanneer iemand een valse getuigenis aflegt in de buurt van de relieken van Pancratius wordt diegene gek of zal hij dood neervallen. Geen geringe straf! In het verlengde hiervan werd Pancratius ook de patroon van ridders en de eed van trouw die ze hadden afgelegd.

_DSF44445691520190614-Edit.jpgUitzicht op de pastorie (foto: IK)

Onze gids vertelt verder over de gracht die rondom de kerk ligt. Hierover liggen twee bruggetjes; eentje naar de ‘heerd’ (de boerderij van de herenboer) en eentje naar het dorp. In het verleden is er waarschijnlijk nog een derde bruggetje geweest, n.l. naar de pastorie. De hiërarchie in het dorp was duidelijk. De herenboer had het meeste geld, dus ook de meeste invloed. Hij koos zowel de schoolmeester als de dominee/pastoor. De schoolmeester moest trouwens wel het orgel kunnen bespelen anders ging de baan aan zijn neus voorbij. In de kerk lag het hoogste gezag uiteraard bij de vertegenwoordiger van de kerk en ook dat moest voor een ieder duidelijk zijn. Daarom had het huis van de schoolmeester twee treetjes naar de voordeur, de heerd vier en de pastorie maar liefst zes! Dat waren nog eens tijden.

201906 "Godlinze"Riepko Krijthe43-Edit.jpgDe Pancratiuskerk van binnen (foto: RK)

Binnen in de kerk vinden we mooie schilderingen in combinatie met stippen en strepen in natuurlijke kleuren. Het geheel doet haast wat Afrikaans aan. Volgens onze dame zijn dit Moorse en Berberse invloeden opgedaan door reislustigen. De zogenaamde ‘meloengewelven’ vertonen naast een aantal heiligen, waaronder (natuurlijk) Pancratius met zijn zwaard, ook afbeeldingen van vier dieren. Ook nu blijkt weer een lacune in onze (kerkelijke) kennis.

_DSF44475691820190615-Edit.jpgDetail meloengewelf (foto: IK)

Sinds de derde eeuw worden de evangelisten namelijk al aangeduid met vier symbolische wezens. De herkomst van die vier wezens komt uit oude oosterse mythen waarin zij fungeren als bewakers van de vier zuilen waarop de wereld is gegrondvest. Via deze weg komen ze ook in de Bijbel terecht, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament. Volgens onze gids zijn de dieren  gemakkelijk te onthouden, denk maar aan ELSA, d.w.z. engel, leeuw, stier, adelaar. De engel of gevleugelde mens staat voor Matteus, de (gevleugelde) leeuw is Markus, de (gevleugelde) stier symboliseert Lukas en met de adelaar wordt Johannes bedoeld. Met al deze, voor ons nieuwe, informatie kijk ik toch met andere ogen naar de schilderingen en grafstenen die zijn aangebracht in de kerk.

_DSF44485691920190615.jpgGrafveld Godlinze (foto: IK)

Ondertussen zijn we aan het eind van onze wandeling, maar we moeten nog een gemist stukje inhalen. We slaan dus af richting het grafveld, want grafvelden blijken een zeldzaamheid in een wierdengebied te zijn Het grafveld van Godlinze, dat even buiten het dorp ligt, stamt uit de overgangsperiode van het heidendom naar het Christendom en bevat de meeste menselijke resten met wapens van heel Noord-Nederland. Tijdens een archeologische opgraving in 1919 (wederom door Albert Van Giffen) werden 74 skeletten en 35 urnen aangetroffen. In Groningen zijn de begraafplaatsen vaak royaal voorzien van grafpoëzie. Hoewel je grafverzen overal kunt tegenkomen, vind je nergens anders zo’n overvloed als in ‘onze’ provincie. Ze werden vooral gemaakt in de periode van de 17de eeuw tot de eerste helft van de 20de eeuw. Volgens een theologe die veel grafteksten digitaliseerde voor de Stichting Oude Groninger Kerken zijn het vaak bijzondere teksten of gedichten die openlijk over de dood spreken en vaak eindigen met troost in het geloof vanwege een bepaalde verwachting die mensen hebben over het hiernamaals.

201906 "Godlinze"Riepko Krijthe63.jpgInformatie ‘wiel’ bij Voorwerk Lippenhuizen (foto:RK)

Net achter het grafveld ligt tenslotte het Voorwerk Lippenhuizen. Een voorwerk is een historische naam voor een boerderij, met name in Groningen, die in de middeleeuwen bij een klooster hoorde, in dit geval bij klooster Feldwerd bij Holwierde. Het land van het klooster werd bewerkt door conversen of lekenbroeders, kloosterlingen die wel de gelofte, maar nog niet de eed hebben afgelegd. Een kleiweg door het land verbond het klooster met het voorwerk, maar ook deze weg is lang geleden opgehouden te bestaan.

Elke wandeling leert ons meer over Groningen, zowel over het heden als het verleden, want ook haar geschiedenis blijkt absoluut de moeite van het ontdekken waard.