‘POMPEÏ’ van Drenthe (Drenthepad)

Drenthepad: kaart 34

Bij Pompeï denk ik meteen aan verwoestingen en opgravingen op grote schaal. Weet je nog? Een uitbarsting van de vulkaan de Vesuvius markeerde in 79 het abrupte einde van de Romeinse stad Pompeï. Bedolven onder een laag as en puin conserveerde de vulkaan het dagelijks leven van al haar inwoners. Sindsdien wordt er al honderden jaren gegraven in de dikke aslagen die de stad hebben bedolven. Tegenwoordig is een groot gedeelte van de stad reeds opgegraven, maar nog lang niet alles. Wat heeft die uiteenzetting nu met Drenthe te maken? Het blijkt dat wij in Nederland een eigen archeologisch terrein hebben….. in Drenthe. Sinds 2000 is De Strubben Kniphorstbosch, een gebied tussen Schipborg en Anloo, het eerste, en tot nu toe het enige, archeologisch reservaat van Nederland. We gaan dit gebied vandaag doorkruisen. Onnodig om te zeggen dat onze verwachtingen hoog gespannen zijn? 

Strubben (RK)

De dubbele naam van het gebied is te danken aan de hier veel voorkomende ‘strubben’ of ‘stobbige eiken’ en aan de familie Kniphorst die in de 19e eeuw eigenaar en ontginner was van de toenmalige heidevelden om er een bos aan te leggen voor de houtteelt. ‘Strubben’ (strubbe betekent kreupelhout) zijn typisch Drents, het zijn ‘eiken die stelselmatig afgevreten werden door schapen en daardoor opzij zijn gaan groeien’. Het hout werd hier vroeger om de 10 tot 15 jaar gekapt door zogenaamde ‘eekschillers’. Zij verkochten de eikenbast aan de leerindustrie voor het maken van looizuur en de bundeltjes hout als brandhout in de dorpen. Op de stronken liepen dan weer nieuwe eikenstammen uit, waar de schapen graag aan knabbelden. Toen de schapen verdwenen, zijn de eiken in grillige vormen verder gegroeid met fantastische bomen als resultaat. We blijven ons verbazen. 

De eik in volle glorie (RK)

Hebben eiken nog een bijzondere betekenis?  Even zoeken leert dat eiken waardigheid, wijsheid en de verbinding tussen hemel en aarde symboliseren. Het Griekse woord voor eik is ‘drus’ wat lijkt op het woord druïde (Keltische priesters die ook wel ‘eikmensen’ genoemd werden). Eens per jaar klommen de Druïden, gekleed in witte gewaden, in hun eiken om er met gouden sikkels maretakken uit te snijden. Een overblijfsel van dit oude gebruik is de mistletoe met Kerst. De eik was trouwens voor veel volkeren een magische boom. Voor prehistorische volkeren vormde de eik een kanaal waarmee de kracht van de goden op de mensheid kon worden overgebracht. Dit werd zichtbaar wanneer een eik na een blikseminslag in brand vloog. Bij de Germanen was de eik gewijd aan Donar, de God van donder en bliksem. Het is opvallend dat de bliksem vaker eiken treft dan andere bomen. Misschien omdat eiken vaak op kruispunten van ondergrondse wateraders staan? Bij onweer zou het veiliger zijn om onder een beuk te schuilen dan onder een eik……..getuige het gezegde: ‘eiken moet je wijken, maar beuken moet je zeuken’.

Restanten van het militair oefenterrein

Dit hele gebied werd duizenden jaren geleden al bewoond en haar bewoners hebben overal opvallende en zichtbare sporen achtergelaten, zoals hunebedden, grafheuvels en zelfs een galgenberg, maar ook minder in het oog springende overblijfselen als karrensporen en bomkraters uit WOII zijn hier terug te vinden. Wij lopen ondertussen langs een voormalig militair oefenterrein. We zien geen bomkraters noch de twee overgebleven bunkers uit die tijd. Hoewel de bunkers nu niet meer als zodanig worden gebruikt, spelen ze tegenwoordig een belangrijke rol als overwinteringsplek voor vleermuizen. In het najaar gaan vleermuizen namelijk op zoek naar een rustige, vochtige, donkere en vorstvrije plek met een constante temperatuur om te overwinteren. Een bunker is dus de perfecte plek. 

Even pauze (RK)

We lopen verder door een klaphek en wandelen zo het gebied van de grote grazers binnen. Het is hier inderdaad prachtig. We lopen langs grafheuvels, waarvan er zo’n zestig in het gebied liggen, en fantaseren wat we zouden ontdekken als we zo’n heuvel af zouden graven. Zo merkwaardig is dat niet, ’liefhebbers’ van oudheden doen dat immers al eeuwenlang in het archeologisch zo rijk bedeelde Drenthe. Albert Egges van Giffen (1884-1973), voor ons bekend vanwege de afgravingen bij Ezinge, is de archeoloog met de meeste opgravingen in Drenthe. Hij werd door de Drentse bevolking dan ook liefkozend ‘het Spittertien’ (de kleine graver) genoemd.

Op weg naar de markesteen (RK)

Eén van de grootste grafheuvels is de Galgenberg. Een naam die weinig aan de verbeelding overlaat. We zien bovenop de heuvel een markesteen (grenssteen) staan. Volgens de informatie gaat het hier om een steen waarmee een soort ‘drie gebieden punt’, oftewel de samenkomst van drie markegrenzen t.w. Anloo, Schipborg en Zuidlaren, wordt aangegeven. Heel lang geleden begroeven mensen hun doden o.a. in een grafheuvel. Waarschijnlijk werden er meerdere mensen in één grafheuvel begraven. Later zijn in de grafheuvels voorwerpen gevonden die samen met de doden werden begraven, omdat er gedacht werd dat de doden deze in een volgend leven weer zouden kunnen gebruiken. Voor mannen waren dat bijlen, speerpunten en potten van aardewerk, terwijl vrouwen vooral sieraden en potten meekregen. In de Middeleeuwen werden diezelfde grafheuvels gebruikt om boeven en dieven te straffen. Op deze opvallende plekken werden veroordeelden opgehangen, waarna ze er dagenlang bleven hangen om een ieder te laten zien dat het echt slecht afloopt met mensen die niet willen deugen. De galg die er ooit stond, is gelukkig verdwenen, maar de grenssteen staat er al sinds de zestiende eeuw! 

Enorme zwerfkeien vormen samen hunebed D8 (RK)

Vlakbij de Galgenberg ligt hunebed D8 langs de weg die ons dwars door het Kniphorstbos voert. Rond elk hunebed hangt nog iets van de mystiek van vijftig eeuwen geleden, ‘toen de kolossale stenen gevaarten indringers duidelijk maakten dat de mensen die hier woonden, hun voorouders hoog achtten.’ Wat weten we eigenlijk van de hunebedbouwers, van hun leven, hun gewoontes en hun geloof? Het wordt tijd om in ieder geval mijn kennis te vergroten. Hunebedbouwers worden ook wel de mensen van de Trechterbekercultuur genoemd. Vele eeuwen geleden leefden op en rond de Hondsrug jagers die achter het wild aantrokken en leefden van alles wat ze in de natuur vonden. Rond 5000 v.Chr. kwam er langzaam maar zeker een einde aan het zwervende bestaan van de bewoners en werden ze boeren die bij hun akkers en weidegrond bleven wonen. Ze maakten aardewerk versierd met allerlei motieven. Vanwege de wijd uitlopende hals hebben archeologen dit de naam trechterbekercultuur gegeven. Archeologen gaan ervan uit dat de mensen van de trechterbekercultuur de eerste boeren waren die zich permanent in Drenthe hebben gevestigd.

Een blik onder de deksteen (RK)

Het is niet bekend wat de hunebedbouwers precies geloofden, maar we weten wel dat de hunebedbouwers prachtige graven voor hun doden bouwden. In deze hunebedden of stenen grafkamers werden eveneens meerdere mensen begraven en ook hier kregen de overledenen geschenken mee, zoals eten en drinken in potten, maar eveneens gereedschap, sieraden en wapens. Deze grafgiften bewijzen dat ook de hunebedbouwers geloofden in een tweede leven of leven na de dood. Eerder dachten mensen dat alleen reuzen (hune = reus) zulke grote stenen konden tillen en stapelen, maar tegenwoordig weten we dat elk hunebed is gebouwd door het vele werk van heel veel mensen. Hunebedden waren eveneens een plek waar mensen bij elkaar kwamen om na te denken, om vragen te stellen en om belangrijke gebeurtenissen bij te wonen. Een hunebed was dus zowel een graf als een plek met een speciale betekenis. De zware zwerfkeien, waarvan de zwaarste meer dan 4 ton wegen, spreken nog steeds enorm tot de verbeelding! Het is jammer dat hun namen niet bijdragen aan de mystiek van weleer. 

Veel oude karrensporen (RK)

Karrensporen ontstaan in de tijd dat dit gebied nog één groot heideveld was, gebruikten de kerktorens van Zuidlaren, Anloo en Gieten als oriëntatiepunten. De sporen werden verlegd als ze onbegaanbaar werden, maar de kerktorens bleven de bakens onderweg. Het was dus wel belangrijk dat deze torens genoeg van elkaar verschilden om ze individueel te herkennen. In de eerste reis- en zakatlasjes uit de achttiende eeuw stonden de silhouetten van de verschillende kerktorens eveneens als verre bakens aangegeven. Die van Anloo met haar vierkante toren en het ‘parmantige dakruitertje’ is ook nu nog duidelijk herkenbaar, lijkt me.

Langs de bosrand (GK)

We verlaten het bos langs een een rij beukenbomen en lopen vervolgens langs een bosrand en verschillende akkers richting de kerk van Anloo. De romaanse Sint-Magnuskerk van Anloo, gebouwd rond 1100, is genoemd naar Magnus, bisschop van Trani, die na zijn marteldood heilig werd verklaard. Oorspronkelijk was de kerk een ‘eigenkerk’ van de aartsbisschop van Utrecht, die hier recht sprak. Later werden er in deze kerk zittingen gehouden van de Etstoel, tot 1791 het hoogste rechtscollege in de provincie Drenthe. De Etstoel sprak niet alleen recht, het stelde ook regels vast. Sinds de jaren ’80 keert het dorp Anloo op de derde dinsdag van augustus terug in de 17e eeuw. Helaas zal dit festijn ook dit jaar geen doorgang vinden als gevolg van de corona pandemie.

Maria in het kraambed

De deuren van de kerk staan uitnodigend open en die kans willen we niet voorbij laten gaan. Binnen worden we enthousiast ontvangen. Voortvarend licht onze vertelster ons in over alle verhalen die bij deze kerk horen. We zien de witgekalkte muren uit de tijd van de reformatie en de daaronder deels blootgelegde muurschilderingen. Op de muur naast het ‘melaatsen poortje’ zien we een voorstelling van Maria in het kraambed met op haar buik haar ‘kindeke’. Heel bijzonder volgens onze dame, want het kraambed wordt meestal overgeslagen in de verhalen en de uitbeeldingen daarvan. We leren hier meer over de pragmatische kanten van het geloof. De herenbank is bijvoorbeeld voor de vroegere toegangsdeur voor de vrouwen gezet vanwege een verbouwing. De redenering was dat die deur wel afgesloten kon worden omdat de hoge herenbank niet meer op zijn oude plaats paste en vrouwen minder belangrijk waren in het grotere geheel. Of zou het toch zo kunnen zijn dat het inzicht in die tijd veranderde en mannen en vrouwen daarom de kerk door dezelfde deur mochten betreden? Voortschrijdend inzicht……………… En passant horen we nog dat de uitdrukking ‘rijke stinkerds’ voortkomt uit de gewoonte rijke mensen te begraven in de kerk, hetgeen uiteraard gaat stinken na verloop van tijd.

‘Rijke stinkerds’ (RK)

Al met al een wandeling met vele indrukken en wetenswaardigheden. Als PompeÏ staat voor ontdekkingen en verrassingen, dan is dit gebied de naam Pompeï van Drenthe zeker waardig. 

BEREND BOTJE (Drenthepad)

Drenthepad: kaarten 30 & 31

Soms hoor je een naam en dan weet je onmiddellijk waarover of zoals in dit geval over welke plaats het gaat. ‘It’s all in the name.’ Vandaag speelt Zuidlaren dus de hoofdrol in ons wandelavontuur. We starten in Midlaren en lopen, met een kanaal links van ons, eigenlijk bijna meteen door een weiland richting het Zuidlaardermeer, het grootste meer in Drenthe met een oppervlakte van maar liefst 671 ha. Het is stil om ons heen op het zoemen van een paar insecten en een het getjilp van een enkele vogel na. 

Ook aan de insecten wordt gedacht

Het meer is, in tegenstelling tot het Paterswoldsemeer en het Leekstermeer, niet ontstaan door menselijke activiteit (het graven van turf), maar heeft een natuurlijke oorsprong. In de Middeleeuwen was hier, door een directe verbinding met de zee, bij stormvloed veel wateroverlast en kon hier geen veen gevormd worden. Het meer lag wel op de route van de turfvaart van de Oostermoerse venen (ten oosten van de Hondsrug) naar de stad Groningen en moest door de zogenaamde ‘schuitenschuivers’ regelmatig worden uitgediept, met name waar de Hunze in het meer uitmondt. 

Uitgestrektheid
De fotograaf in actie

Wij weten op het moment van lopen nog niets van deze wetenswaardigheden en genieten vooral van de uitgestrektheid van het water om ons heen. In de verte is een zeilschool druk met het geven van een praktijkles en iets dichterbij vaart een zeilbootje met mooie bruine zeilen rustig heen en weer. Het is dat we nog maar net op stap zijn, dit zou een fantastische koffiestop kunnen zijn!

We laten het meer achter ons liggen en stappen rustig verder naar De Groeve, de naam van de vaarverbinding van het meer met het dorp Zuidlaren evenals het woongebied eromheen. Kennelijk is dit stukje een geliefd ommetje voor de lokale bevolking, we zien in korte tijd zoveel wandelaars voorbij komen dat het opvalt. Langs Molen de Wachter lopen we het haventje van het dorp binnen. Hier vele kleine sloepjes en motorbootjes met inspirerende namen als ‘dolfijn’ en ‘dobbertie’. De molen werd hier in 1851 gebouwd. Niet helemaal gebruikelijk voor die tijd werd deze ingezet als oliemolen. Dit had alles te maken met de belasting, die was voor olie veel lager dan voor koren. Na verloop van tijd werd toch de mogelijkheid om koren te malen toegevoegd en voor een Groningse firma werd later nog een specerijenmalerij gecreëerd. Deze molen is nu de enige molen in Nederland die deze drie verschillende malerijen heeft. Alleen dat al maakt de molen zo bijzonder. Naast een molenmuseum is De Wachter ook vooral een ambachtenmuseum. Bijna 200 vrijwilligers houden verschillende ambachten in leven. Je kunt hier b.v. kijken naar het werk van een smid, een bakker en een kruidenier. Veel van deze vrijwilligers, waaronder ook zij die de stoommachines draaiende houden, hebben in het verleden daadwerkelijk dat ambacht uitgevoerd, waardoor de traditie in leven wordt gehouden. De geur van olie en diesel walmt uit de geopende deuren naar buiten en er klinkt gelach boven het lawaai van de draaiende machines uit. We bedwingen onze nieuwsgierigheid echter en bedenken dat we dit museum misschien beter op een ander moment kunnen bezoeken…….zeker nu we misschien een extra stukje van ons pad in onze gedachten hebben voor vandaag. 

Straaltje zonlicht door de bomen (RK)

We lopen door een stukje prachtig bos van havezate (burcht) Laarwoud. Het tegenwoordige gebouw, we zien er slechts een glimp van, dateert uit het begin van de zeventiende eeuw, maar de oorspronkelijke havezate is waarschijnlijk ouder. De bewoners van huizen als deze hadden een hogere status dan andere dorpsbewoners. Ze hadden bijvoorbeeld een eigen bank in de dorpskerk en mensen namen altijd hun hoed of pet af wanneer ze de bewoners tegenkwamen. Sinds 2004 wordt het huis weer particulier bewoond, voordien was het de lokatie van het gemeentehuis van Zuidlaren. Desondanks blijft Laarwoud wel haar functie behouden als trouwlocatie (één vleugel en tuin). Ook het achter de havezate liggende bos werd aan de nieuwe eigenaar verkocht. Drenthepad-ters mogen hier, net als andere wandelaars, gelukkig nog steeds gewoon doorheen lopen om hun weg (proberen) te vervolgen. Proberen, want de herkenningstekens zijn hier sterk verouderd en afgesleten, waardoor we het bos goed bewonderd hebben op zoek naar het juiste pad.

Zoveel keuzes (RK)

Eenmaal weer op de goede weg komen we uit op één van de zeven brinken van Zuidlaren. Vroeger kwamen hier koeien en schapen samen, nu zijn het open grasvelden met eiken en populieren eromheen. De grootste brink is een begrip, want al meer dan 800 jaar wordt hier de jaarlijkse paardenmarkt gehouden. Niet alleen voor de koukleumen een belangrijke dag (volgens een oud Drents gebruik mocht de kachel pas aan op de dag van de Zuidlaardermarkt, d.w.z. op de derde dinsdag in oktober), maar zeker ook voor de paardenhandelaars en de feestvierders. Ter gelegenheid van de 800e markt werd in 2000 door (toen nog) prins Willem Alexander een beeldengroep onthuld, waarmee op realistische wijze de paardenhandel wordt uitgebeeld. Het paard dat model heeft gestaan voor dit beeld heette Tinus. Leuk om te weten, een naam geeft het beeld iets eigens. De naam Tinus betekent trouwens ‘oorlog’, laten we hopen dat die betekenis niet symbool staat voor de jaarlijkse handel alhier. 

Tinus wordt verkocht

Zeg je Zuidlaren, dan zeg je (ook) Dennenoord. Het kan dus niet missen, onze wandeling wordt vervolgd over het terrein van de psychiatrische inrichting. Vroeger moesten ‘krankzinnigen’ (zoals psychiatrische patiënten toen genoemd werden) vanuit het noorden helemaal naar Zutphen of Deventer, maar vanaf 1884 konden ze in Zuidlaren, in Dennenoord, terecht. Dennenoord moest een echt dorp worden waar patiënten zich thuis voelden. In de gebouwen woonden de patiënten samen als een soort gezin, met een huisvader en een huismoeder die ervoor zorgden dat alles goed ging. Patiënten konden in de tuin of in de werkplaatsen aan het werk, hetgeen gezond was volgens de dokters, en niemand hoefde en mocht dan ook niet van het terrein af om eten te kopen of de was te doen. Dennenoord was daardoor inderdaad een echt dorp geworden, maar wel een dorp met een toegangspoort en een hoog hek erom. Tegenwoordig worden hier nog steeds psychiatrische patiënten verzorgd, het meteen in het oog springende verschil is dat de hekken nu wagenwijd openstaan.

Tekst op het hoofdgebouw uit 1895

We wandelen rustig door de mooi aangelegde tuinen met slingerpaden, langs het hoofdgebouw en lunchen op een bankje bij het hertenkamp. Het blijft een bijzondere omgeving waarin veel mensen zich anders gedragen dan we gewend zijn. Heel vriendelijk, maar vaak zonder de gene en remmingen die wij in ons dagelijks leven wel ervaren.

Onder de weg door naar Schipborg

Ondertussen heb ik wat last van mijn knie, ik heb me waarschijnlijk ergens verstapt. Het is niet erg, wel vervelend. Het stuk naar Schipborg wil ik toch afmaken vandaag, maar het plan om er nog een stukje aan te plakken laten we varen. We lopen onder de weg door naar Schipborg om meteen na het viaduct naar rechts af te slaan. Schipborg, een klein dorpje vlakbij Zuidlaren, was voor 1600 bekend onder de naam Borck, hetgeen verwarring met het latere Westerbork opleverde. Vanaf 1600 heette de plaats een tijdlang Genneborck (genne = gindse), maar vanaf de 17e eeuw is de naam Schipbork of Schipborg in omloop. Borg of bork betekent boom, misschien een berk? De reden van het toevoegen van het voorvoegsel ‘schip’ is waarschijnlijk omdat het dorp, in tegenstelling tot Westerbork, bereikbaar was per schip. Er zijn ook mensen die schip zien als een meervoud van het Friese skêp ‘schaap’, maar dat lijkt onwaarschijnlijk aangezien het dorp niet in Friesland ligt. Toch nog onverwachts doemt het terras van herberg de Drentsche Aa op aan de horizon en even later laat ik me voldaan zakken in een heerlijke stoel met zicht op de rivier (beek) die dit landschap bepaalt.

Lodewijk Sigismund Gustaaf, Graaf van Heiden tot Laarwoud?

Ondertussen laat Berend Botje me nog niet los. Zullen we nog even door het centrum van Zuidlaren fietsen om meer te weten te komen over dit 19e eeuwse kinderliedje, want wie is nu toch Berend Botje? Er doen veel verhalen over hem de ronde. Sommige mensen beweren dat Berend Botje een boer uit Borger was. Hij voer over de Hunze naar de Zuidlaardermarkt, alwaar hij een vrouw (?) wilde kopen. Dat viel tegen, geen enkele vrouw wilde met hem mee. Hij ging daarop naar de kroeg om flink bier te drinken en werd zo dronken dat hij op weg naar huis in de Hunze viel en verdronk. Misschien is hij toen toch niet verdronken, maar stiekem naar Amerika vertrokken? Anderen geloven dat Berend Botje een visser was die op het wad bot (vis) wilde vangen en daarbij verdronk, waarop ‘zijn botten bij de botjes’ kwamen te liggen. Een enkeling bedacht dat Berend Botje mogelijk een bijnaam zou kunnen zijn voor Bommen Berend, de bisschop die in 1672 de stad Groningen met bommen bestookte. De meeste mensen geloven echter dat dit liedje gaat over Lodewijk Sigismund Gustaaf, Graaf van Heiden tot Laarwoud (1773-1850). Lodewijk werd geboren in Zuidlaren, reisde naar Amerika en later naar Rusland, waar hij in 1827 een belangrijke zeeslag won als baas van de Russische vloot. In 1832 keerde hij als held terug naar Zuidlaren, maar hij had het er niet meer naar zijn zin. Hij vertrok daarom naar Estland waar hij uiteindelijk ook is gestorven. ‘Nooit keert Berend Botje weerom.’ Klinkt logisch toch? 

Wat is de juiste weg????

DE LAATSTE BEEK (Drenthepad)

Drenthepad: kaarten 28 & 29

De vorige keer zijn we wat verder doorgelopen, wat het volgens ons gemakkelijker moest maken voor het traject van vandaag. Helaas zorgt het juist meer voor verwarring, want van welke kant je ook komt, overal zie je de bekende geel/rode strepen en alles in de omgeving lijkt (al) bekend. Even logisch nadenken leidt tenslotte wel tot de goede afslag en de juiste route door een laatste staartje van het landgoed Vosbergen. We lopen dit keer zo’n twaalf km., de afstand van Vosbergen naar Midlaren, alwaar we deze keer naast onze fietsen proberen uit te komen.

Mooie spiegelingen

Ondertussen hebben we de Drents-Groninger Wolden achter ons gelaten en zijn we beland in ‘het unieke beeklandschap van de Drentsche Aa’, waar de stroompjes en diepjes van de Drentsche Aa door een landschap slingeren dat er nog altijd uitziet zoals een eeuw geleden. Er wordt zelfs gezegd dat de Drentsche Aa de laatste beek in Nederland is die al eeuwen vrij door het landschap meandert, maar……. de Drentsche Aa bestaat eigenlijk helemaal niet. Nou ja, een klein stukje in de provincie Groningen heet daadwerkelijk Drentsche Aa, maar in Drenthe heeft de beek de naam van het dichtstbijzijnde dorp of veld waar hij langskomt. Bovendien noemen ze in Drenthe een beek geen beek, maar een loop, diep, stroom of Aa, wat, mijns inziens, toch voor een beetje verwarring zorgt. Zeker als je je bedenkt dat het stroomdal van de Drentsche Aa gezien wordt als Drenthe op haar best!

Kaart Drentsche Aa (bron: internet)

Het hele stroomdal van de Drentsche Aa is grotendeels gevormd door smeltijs aan het eind van de voorlaatste ijstijd, zo’n 200.000 tot 130.000 jaar geleden. Grote gletsjers schoven vanuit Scandinavië over het noorden van Nederland en veranderden het landschap. Wat achter bleef was een groot plateau van keileem doorsneden door metersdiepe geulen vol smeltwater, waaronder de tegenwoordige Drentsche Aa. De Drentsche Aa heeft dus talloze zijtakken en vele namen. Grappig om te weten is dat het Hoornse Diep, dat langs het Paterswoldsemeer loopt, een restant van de beek is en dat in de stad Groningen straatnamen als Hoge der A, Lage der Aa, de A-Straat en de A-Weg, evenals de namen van de A-brug en de Der Aa-Kerk nog aan de beek herinneren.

Dit hele gebied is zo’n 30.000 ha groot, heeft binnen haar grenzen 21 dorpen en gehuchten en bestaat voor meer dan de helft uit landbouwgrond. Hierdoor was een nationaal park in traditionele zin, voornamelijk natuurgebied, geen optie. Zo ontstond een bijzonder nationaal park dat haar eigen sfeer en identiteit heeft kunnen behouden.

Wie kent dit nog?

We steken het Noord Willemskanaal over en vlak daarna de A28, de snelweg van Groningen richting Zwolle, in de buurt van Glimmermade. Even verderop passeren we de oprijlaan van het ‘Huis te Glimmen’. In de middeleeuwen is er al sprake van een kasteel in Glimmen dat in 1226 werd verwoest. Later werd hier een buitenhuis gebouwd. Delen van het huidige pand zouden uit de 16e eeuw stammen en op nog oudere fundamenten zijn gebouwd. In de loop der eeuwen is het huis door verschillende families bewoond geweest, meestal welgestelde burgers uit de stad Groningen die in de zomer graag hun tijd wilden doorbrengen in de mooie omgeving van Glimmen. Aan het eind van de 19e eeuw was het landgoed in bezit van de familie Quintus naar wie het Quintusbos, een parkbos met boomsingels en een lange oprijlaan, is genoemd. Huis te Glimmen is het enige landgoed, binnen het Nationaal Landschap, aan de oostzijde van de Drentsche Aa.

Verrassend kunstwerk onderweg

Onderweg zien we veel bloeiende bermen. Vooral veel fluitekruid, een enkele berenklauw en heel veel bramen. Hoewel we die laatste plant in onze eigen tuin een ware ramp vinden, zien we hier mogelijkheden voor eind augustus, wanneer de eerste bramen vol en zwart zijn. Eind augustus zijn we toch nog wel bezig met ons pad? Verder zien we ook veel springbalsemien. Die plant roept bij mij herinneringen op aan biologielessen op de middelbare school. Ik moest me verdiepen in de balsemien, de plant ontleden en elke stap in een gedetailleerde tekening vastleggen. Helaas zijn die kunstwerken niet bewaard gebleven…… De reuzenbalsemien of springbalsemien is een eenjarige plant die tot 2.5 meter hoog kan worden. Doordat de balsemien zo hoog wordt en andere planten verdrukt, wordt het beschouwd als een invasieve plant. De verspreiding van de zaden gebeurt op een bijzondere wijze. Als je de rijpe vrucht aanraakt ‘schieten‘ er zaden uit de zaaddoos. In het najaar is elke aanraking voldoende om de zaden alle kanten op te laten ‘vliegen’. Daar waar natuurbeheerders dus niet zo blij zijn met deze plant, zijn imkers er juist heel tevreden mee, want bij de balsemien is de nectar afgifte altijd raak.  

De springbalsemien trekt aandacht (RK)

Een andere plant die veelvuldig voorkomt langs ons wandelpad, kan schadelijk zijn voor de gezondheid……. het RIVM adviseert consumenten zelfs om kruidenpreparaten met sint-janskruid (daar gaat het in dit geval om) niet te combineren met bepaalde geneesmiddelen. Maar ook zonder geneesmiddelen is dit kruid niet ‘ongevaarlijk’. Zo kan de huid verbranden van mensen die na het gebruik van sint-janskruid in de zon gaan zitten of kunnen na inname klachten als duizeligheid, diarree en angst optreden. Waarom zou je zulke preparaten dan toch gebruiken? Om beter te slapen of om je minder somber te voelen bij depressieve klachten. Misschien toch iets anders verzinnen? 

Sint-Janskruid
Deels samen met het Pieterpad

We lopen inmiddels op de Pollselaan en zijn onderweg naar het Noordlaarderbos. Het Noordlaarderbos (Groningen) en de Vijftig Bunder (Drenthe) is een eeuwenoud gebied met een rijke historie. Ik lees dat ‘het Noordlaarderbos voelt als een sprookjesbos, waar de Middeleeuwse karrensporen herinneren aan de handelsroute tussen Coevorden en Groningen die hier ooit liep. De sporen lopen langs grafheuvels en het Galgenbergje, de plek waar vroeger mensen aan de galg bungelden. Je zou willen dat dit bos kon praten en zo haar verhalen kon vertellen.’ Wij zien weinig van dit sprookje. Onze tekentjes leiden ons vooral over grote zandpaden met slechts een enkele uitstapje naar ‘het magische binnen’. Desondanks genieten we volop van de stilte, de natuur en elkaar. We zijn nog niet klaar met deze ‘laatste beek’ en verheugen ons nu alweer op de verrassingen van morgen.

‘VEUR DE RIEK’N’ (Drenthepad)

Drenthepad: kaarten 26 & 27

Het zuiden van Nederland is inmiddels tot rampgebied uitgeroepen vanwege de enorme regenval en de gevolgen daarvan. Een lokale (Limburgse krant) zal later vandaag melden: ‘Zware regenval zorgde donderdag voor gigantische problemen in Zuid-Limburg. Donderdagavond hielden de buien na drie dagen eindelijk op, maar de overlast is nog steeds niet voorbij. Nu het Maaswater snel stijgt zetten steden en dorpen langs de rivier zich schrap.’ Het beschrijft een ongekende situatie die door de heftige beelden krachtig wordt onderschreven. Hoe anders is het in het noorden. Vandaag is het hier weliswaar iets minder droog en zonnig dan gisteren, maar voor ons is het toch uitstekend weer voor een vervolg stukje Drenthepad. We willen vandaag lopen van Eelderwolde naar landgoed De Braak en vervolgens door naar landgoed Vosbergen. Eelde-Paterswolde is ‘veur de riek’n’ zeiden ze vroeger al in Groningen. Geld dat in Groningen verdiend was, werd uitgegeven in Eelde en Paterswolde, waar in de 18e en 19e eeuw prachtige landgoederen en buitenverblijven werden gebouwd. We zijn benieuwd!

Zorg voor de huiszwaluwen

We hebben onze eerste stappen nog niet op het graspad langs het water gezet of de regen gaat over van een enkele drup naar een gestage miezer. We zien een een emmer aan een touw op de oever liggen met daarbij de vraag of de voorbijganger bij droogte de emmer wil vullen met water uit de sloot om de keileemplaatsen (kuilen in de grond) nat te houden. De huiszwaluwen in deze buurt hebben namelijk goede keileem nodig om hun nesten te bouwen. Gezien de plassen op ons pad is dit duidelijk niet nodig vandaag. Het geeft echter wel aan hoe er in dit gebied, we lopen nog steeds in De Onlanden, aandacht aan de natuur wordt geschonken. Ondertussen doet de regen er nog een schepje bovenop en voelt het inmiddels meer alsof we onder een grote douche staan.

De regen outfit

Oei, hier moet, willen we de inhoud van de rugzak een beetje drooghouden, die oranje regenbescherming echt aan te pas komen. Ik lees dat lopen in de regen zo zijn voordelen heeft. Als eerste loop je bij regenweer in veel gezondere lucht. Vervuilende stoffen als koolstofdioxide lossen makkelijker op in water dan in (droge) lucht. Bovendien stijgt na een regenbui de (partiële) luchtdruk, wat weer zorgt voor extra zuurstof voor je spieren. Goed om te weten ;). Het schijnt dat echter vooral het psychologische effect lopen in de regen zo gezond maakt. Lopen in de regen wordt als rustgevend ervaren door de stilte (er zijn weinig mensen buiten) en het bijna hypnotiserende geluid van vallende druppels op de regenkleding. Hmmm, misschien moeten we langer in de regen wandelen om dit hypnose effect te waarderen? Op dit moment vind ik het vooral lastig dat mijn capuchon me belemmerd in mijn vrije uitzicht op mijn omgeving en neem ik mijn natte haren en beslagen bril maar voor lief om te kunnen genieten van de kleuren om me heen. Want dat is waar, de natuur ziet er inderdaad anders uit in de regen, alles glinstert meer en alle kleuren zijn intenser.

Landgoed De Braak (RK)

Na een kleine omweg, vanwege werkzaamheden aan de weg, bereiken we landgoed De Braak. Dit landgoed is in 1825 aangelegd door de bekende tuinarchitect Lucas Pieter Roodbaard. Hij heeft als één van de eersten in het begin van de 19e eeuw in het noorden tal van parken en buitenplaatsen in Engelse landschapsstijl aangelegd. Volgens kenners zijn ‘Roodbaardtuinen te herkennen aan een romantische stijl met ronde vormen en slingerpaadjes wat destijds vernieuwend was, want hoekige vormen waren meer gewoon voor tuinontwerpen’. Landgoed De Braak is een historische buitenplaats, hetgeen betekent dat het hier gaat om een monumentaal huis dat een onlosmakelijk geheel vormt met het omliggende park. Het geheel bestond al rond 1700 en was toen eigendom van luitenant ter Voet van Schelfhorst en zijn vrouw Fraulein von Braake. Het kan zijn dat de naam van het landgoed hierdoor verklaard kan worden, maar het kan ook zijn dat De Braak is afgeleid van ‘broek’, wat laag drassig land betekent.

Nostalgie

Eind negentiende eeuw kwam het landgoed in bezit van de Groninger industrieel Jan Evert Scholten. Hij liet het landhuis afbreken en stelde het park open voor het publiek. Er moest destijds een toegangskaartje van 10 cent gekocht worden voor het landgoed. Daarvan ging 5 cent naar de armen in Paterswolde en 5 cent naar het ziekenhuis in Groningen.

Wandelen in de berceau (RK)

Het is werkelijk genieten in dit park met allerlei bijzondere verrassingen. We lopen langs een meanderende rivier, langs vijvers die een belangrijke kraamkamers zijn voor padden, langs kronkelende paadjes, langs een doolhof en door een zogenaamd berceau, een pad met een koepel van haagbeuken. Dit stamt nog uit de tijd dat het mode was om vooral geen kleurtje door de zon te krijgen: de dames konden in de berceau mooi in de schaduw wandelen.

Ondertussen is de regen gestopt en schijnt er een waterig zonnetje. Via een groot hek verlaten we dit landgoed om aan de andere kant van de weg een nieuw landgoed te betreden, landgoed Vennebroek. Vennebroek is een landgoed van 17 hectare ten noorden van Paterswolde, grenzend aan het landgoed Friesche Veen. Volgens de site kun je hier ‘eindeloos wandelen door een prachtig parkbos, langs weilanden en majestueuze beuken- en eikenlanen’. In 1912 werd het landgoed gekocht door de Groninger koopman Pieter Arnold Camphuis, die een paar jaar eerder het landgoed Friesche Veen met het zich daar bevindende meertje had verworven en sindsdien vormen Vennebroek en Friesche Veen een eenheid. Weet je trouwens dat de naam Friescheveen waarschijnlijk te maken heeft met het feit dat de arbeiders voor de veenontginningen destijds uit Friesland kwamen? Zij werden aangetrokken omdat de plaatselijke bevolking niet ‘becwaem’ genoeg gevonden werd.

Huize Weltevreden

Tussen 1909 en 1910 werd aan de westzijde van het gebied een huis gebouwd, dat Huize Weltevreden werd genoemd, maar later ook wel bekend stond als ‘het Zusterhuis’ omdat er verpleegsters gehuisvest werden. Vanaf het huis loopt een betonnen steiger het meer in, zodat zwemmers niet over de modderige oever hoeven te lopen.

Alert en afwachtend (RK)

Vlak voor het huis zien we opeens een hert, wat zich tegoed doet aan de verse, jonge bladeren vlak langs de oever van het meer. Muisstil staan we te kijken en te genieten van dit onverwachte spektakel. Als het hert ons eindelijk opmerkt (aan haar gehoor mankeert niets!) en uit ons zicht verdwijnt, lopen wij verder over een smal pad totdat we een bankje ontdekken met fantastisch uitzicht over het meer.

Uitzicht over het Friesche Veen

Ideaal voor een reflectie momentje en om even door te praten over ‘Het Blik’, dat we zojuist gepasseerd zijn. Ook weer zo’n verhaal waarbij je verwonderd vraagt naar het hoe en waarom. Om Thomas van Aquino, een Italiaanse filosoof en theoloog, te citeren: ‘verwondering is het verlangen naar kennis.’

Een blik op Het Blik

Het blijkt dat de oostoever van het meer tussen 1900 en 1907 werd gebruikt als vuilstort van de stad Groningen omdat de dijk verstevigd moest worden. De legakkers (smalle stroken land waarop de turf te drogen werd gezet) waren door de jaren heen begroeid met bomen, die langzamerhand veel te zwaar werden en daardoor omvielen, waardoor de wind vrij spel kreeg en de dijk werd bedreigd. Het stadsvuil uit de stad moest de dijk verstevigen. Met dit afval kwamen echter ook plantenresten mee uit de Groninger stadstuinen, waaruit de wat bijzondere begroeiing voor een natuurgebied is voortgekomen. Op de dijk in noordelijke richting groeien namelijk appelbomen, druiven, frambozen en aalbessen. Tussen de planten zijn zelfs nu nog potten, pannen en deksels te zien, vandaar dat de dijk ‘de blikwal’  of kortweg ‘Het Blik’ genoemd wordt.

In de verte zien we de Witte Molen (RK)

Ondertussen zijn we aangekomen op de dijk, verlaten we dit landgoed en slaan we rechtsaf over een smal bruggetje om onze weg over een halfverharde zandweg tussen twee weilanden te vervolgen. In de verte zien we de, ons bekende, Witte Molen. Het huidige rijksmonument ‘De Witte Molen’ werd in 1892 gebouwd. Bij deze molen stroomt de Drentsche Aa onder het Noord Willemskanaal door. Hiermee is de oude beekloop hersteld en komt het water via de oude Aa in het Friesche Veen. We steken de oude Aa over en zien vrijwilligers druk bezig met het verwijderen van exoten (in dit geval: uitheemse planten die zich hier hebben gevestigd maar hier oorspronkelijk niet vandaan komen). Zwaar werk.

Een tapijt van varens

We zijn langzamerhand aangekomen bij ons eindpunt van vandaag: landgoed Vosbergen, opnieuw een onderdeel van de ‘landgoederengordel Eelde’. Hier begon het allemaal met het echtpaar Kraus-Groeneveld, dat in 1890 een boerderij en wat bos kocht. De boerderij werd in de loop van de tijd uitgebouwd tot de huidige villa en het landgoed tot zijn huidige omvang van 110 ha.  Dat het hier vochtig is, is goed te zien aan de vele uitbundig groeiende varens.

Je voelt je nietig temidden van al die hoge bomen (RK)

In dit gebied moeten zich onder andere een grafheuvel, een pinetum of naaldbomentuin met het graf van het echtpaar Kraus-Groeneveld en het Museum Vosbergen met oude muziekinstrumenten bevinden. In ons enthousiasme lopen we iets te ver door, de omgeving is hier werkelijk prachtig, waardoor we het museum al hebben ontdekt. De rest hopelijk tijdens onze volgende ontdekkingsreis door dit gebied ‘veur de riek’n? 

BEKEND TERREIN (Drenthepad)

Drenthepad: kaarten 24 & 25

Qua weer kent Nederland deze dagen een tweedeling, waarbij het noorden dit keer eens het langste lootje heeft getrokken. De afgelopen- en de komende dagen werd en wordt er, vooral in Limburg, zeer veel regen verwacht, waarbij weercomputers berekenen dat er ruim 100 millimeter kan vallen in drie dagen tijd. Meer dan normaal in een hele maand! Voor Drenthe zijn er echter geen waarschuwingen afgegeven, niet voor regen noch voor wind, terwijl de temperatuur rond de 20 graden zal blijven. Met andere woorden……ideaal wandelweer!

We lopen vandaag door bekend terrein; van het Leekstermeer naar Roderwolde en door naar Eelderwolde. Wold(e) of woud(e) is afgeleid van het Oudnederlandse woord ‘walt’ en het Middelnederlands ‘wout’, wat ‘uitgestrekt of zompig bos’ betekent. Een woud was vroeger niet alleen bos, maar meer een grote onontgonnen vlakte of ruimte. Zand, veen en klei zijn de elementen die dit gebied gevormd hebben.

Uitzicht over het Leekstermeer

We wandelen over fietspaden langs Leutingewolde, een buurtschap wat eveneens deel uitmaakt van het zgn. woldgebied, aan de ene kant en een veld vol ‘doedhaomers’…… aan de andere kant. Leutingewolde is van oorsprong een kluft. Een kluft, klauw of clauw had geen eigen kerk, maar soms wel een kapel. Een kluft kan dan als een synoniem van een wijk of buurtschap worden gezien. Leutingewolde is altijd een onderdeel geweest van  Roden, hoewel je kunt zeggen dat het eigenlijk dichter bij Leek ligt.

Wandelen over fietspaden (RK)

Dan de ‘doedhaomers’. Heerlijk zo’n merkwaardig woord in een dialect, waarvan je geen idee hebt wat de betekenis zou kunnen zijn. In dit geval is het Gronings en om helemaal precies te zijn komt het uit het oosten van die provincie. Rara, wie daar vandaan komt? Namen met het element doed– of duud– worden verklaard door de wolligheid van de bloemkolf, die vergelijkbaar is met een ‘dot’ garen. Een duudhoamer of doedhoamer is dan een ‘pluizige, zachte hamer’.

‘Doedhaomers’

De naam van de grote lisdodde (typha latifolia), want daar gaat het hier over, kan zijn afgeleid van ‘tiphos’ wat moeras of plas betekent, wat zou verwijzen naar de plek waar deze plant groeit. Het kan echter ook komen van ‘typhe’ wat wordt vertaald als kattenstaart en zou refereren naar de vorm van de bloei. Om het nog lastiger te maken zou de naam ook afgeleid kunnen zijn van ‘typhein’ wat branden betekent of van ‘typhè’ wat staat voor rook maken, smeulen of verbranden. Vroeger zou de ‘sigaar’ zeer waarschijnlijk gebruikt zijn als tondel bij het maken van vuur. Doordat de pluizen in de aar zo dicht opeen gepakt zijn, blijft de binnenste pluis altijd droog, ook bij regen. De vijfde mogelijkheid ter verklaring van de naam is een afleiding van ‘typhos’ wat zich iets verbeelden betekent. Misschien omdat deze plant met gemak 2 meter hoog kan worden?

We steken de Rodervaart over en lopen verder over de Sandebuursedijk. Links van ons zien we ‘een rij boerderijen naast elkaar gelegen in een ogenschijnlijk eenzame wereld’, Sandebuur. Sommige historici denken dat er tussen de meest oostelijke boerderij van Sandebuur en de begraafplaats van Roderwolde ooit meer huizen hebben gestaan. Hoe het ook zij, voor ons is Sandebuur inmiddels een bekende plek vanwege de kaas van Eytemaheert. Op deze natuurboerderij maken ze van ‘de melk van onze raszuivere Polderpanda’s de heerlijkste kaas. Niet alleen zijn onze Blaarkop koeien puur Blaarkop, ook hun voeding is dat (100% gras) en de manier waarop onze Polderpanda’s leven is zo natuurlijk mogelijk. Wanneer je deze kaas koopt, draag je bij aan de instandhouding van dit zeldzame runderras.’ Wij dragen graag ons steentje bij :). 

Ondertussen komt de molen van Roderwolde in zicht.  Het is langzamerhand tijd voor een lunch, waarvoor we de grote ‘flint’, het Drentse woord voor veldkei, bij het haventje in gedachten hebben. Met zicht op zowel het water als de molen is het daar volop genieten van onze meegebrachte etenswaren. 

Lunchen rond de flint (RK)

De olie- en korenmolen Woldzigt (opeens begrijp je de betekenis van zo’n naam ook beter) is volgens velen de mooiste molen van Drenthe, en misschien wel van heel Nederland. De molen, ‘een achtkante bovenkruier met stelling’, is niet alleen bijzonder vanwege de ouderdom en de gaafheid, maar ook vanwege het feit dat de molen twee functies kent. Naast het feit dat de molen ‘maalvaardig’ is, wordt er ook regelmatig olie geslagen, waarbij op een ambachtelijke wijze lijnolie wordt verkregen. De verwerking van lijnzaad tot lijnolie gebeurt nog precies op dezelfde manier als vroeger.

Woldzigt

We lopen eigenlijk de hele dag al door De Onlanden, een laagveengebied ingeklemd tussen de zandgronden van Drenthe en de Groningse klei. Vroeger was dit gebied één groot veenmoeras, ongeschikt voor landbouw en ook verder onbegaanbaar voor de mens; een echt ‘Onland’, hetgeen zoveel betekent als ‘onbruikbaar woest land, met name moerasland’. Hoewel De Onlanden tegenwoordig wordt beschouwd als een nieuw natuurgebied waarvan de inrichting in 2005 is afgerond, klopt dat niet helemaal. In feite is De Onlanden een wetland (een watergebied van internationale betekenis) dat al vanaf het einde van de laatste ijstijd, dus al meer dan 10.000 jaar, bestaat. Pas gedurende de laatste eeuw werd dit wetland stapsgewijs ingepolderd en drooggelegd tot een natuurgebied van circa 3.500 aaneengesloten voetbalvelden groot met volop ruimte voor overtollig water. Bij langdurige, hevige regenval zorgt dit gebied ervoor dat de stadjers (Groningers) droge voeten houden. Volgens velen is dit gebied de ‘kroon op de kop van Drenthe’. ‘De kop hoort erop’ is een sentiment wat ook nu nog veel bijval krijgt. Wist je dat dit stukje Drenthe bijna bij de provincie Groningen had gehoord? In 1975 waren er acties tegen het voornemen van de regering om Nederland in 26 provincies te verdelen. De nieuwe indeling had tot doel de provincie Groningen uit te breiden met de Noord-Drentse gemeenten Eelde, Peize, Roden en Zuidlaren. De Drentenaren voelden hier echter weinig voor en met de campagne “de Kop hoort erop!” ging het plan niet door. Leuk om te weten is dat De Onlanden ook eeuwenlang de natuurlijke noordgrens van Drenthe vormde. Het reizen over land eindigde bij Peize, Roden en Roderwolde. Deze dorpen waren toen in feite havenplaatsen. Om verder naar ‘Stad’ te gaan moest je met de beurtschipper door het uitgestrekte wetland varen. In de tijd voor de aanleg van goede wegen, dus ruwweg voor 1900, was vervoer over water één van de belangrijkste transportmiddelen voor zowel goederen als personen. De dorpen Peize en Roderwolde hadden dan ook elk een gegraven verbinding met het Peizerdiep, respectievelijk de Peizer- en Roderwolder Schipsloot, en een kleine haven. Deze vaarverbinding sloot aan op het Hoendiep waardoor een verbinding met de stad Groningen een feit was. De ticheloven (steenoven waarin je tegels bakt) aan het Peizerdiep heeft waarschijnlijk omstreeks 1670 voor het laatst gebrand. Daarna diende het haventje aan het einde van de Schipsloot als aanvoerhaven voor stenen die in Groningen en Friesland waren gebakken. Het haventje van Peize bestaat inmiddels allang niet meer als zodanig, maar het haventje van Roderwolde is in 2006 weer in ere hersteld na initiatieven vanuit de bevolking.

Gedicht onderweg

Onderweg komen we een gedicht tegen over de Peizermade. Een made (maat, mede, meet of (Fries) miede) is een stuk grasland dat meestal als hooiland gebruikt wordt. Het natuurgebied De Peizer- en Eeldermaden, onderdeel van het grotere natuurgebied De Onlanden, wordt doorsneden door het Eelderdiep, waarbij de Peizermade ten westen hiervan ligt en de Eeldermade ten oosten. Enkele wegen in De Onlanden liggen er trouwens ook al honderden jaren, zoals b.v. de Roderwolderdijk, waar we eerder vandaag overheen gelopen zijn. Deze dijk is ooit aangelegd als een verbinding tussen het klooster van Aduard en De Kleibosch, een natuurgebied net ten oosten van het dorpje Foxwolde, om potklei te kunnen delven. We zijn hier niet echt doorheen gelopen, maar hebben het wel rechts van ons zien liggen. Daar herinneren tal van uitgegraven kleiputten en restanten van oude kanaaltjes nog aan de industriële bedrijvigheid van toen. Toch bijzonder zo’n stukje geschiedenis op bekend terrein. De Franse schrijver Gustave Flaubert (1821-1880) zei in zijn tijd al: ‘Reizen maakt je bescheiden. Je ziet wat een verschrikkelijk klein plekje je inneemt op de wereld.’ We eindigen onze tocht vandaag in de Onlanderij waar je midden in de natuur terecht kunt voor koffie met huisgemaakt gebak ‘bereid met ambacht, liefde voor het vak en een natuurlijke lach!’ Als dat geen goede afsluiting is…….