‘THE BIG VIEF’ (Drenthepad)

Drenthepad: kaarten 20, 21 & 22

De laatste dagen hebben we met diverse mensen over de zogenaamde ‘big five’ gesproken. Je kunt het tegenwoordig niet zo gek bedenken of er bestaat wel een ‘grote vijf’ van en mocht dat nog niet het geval zijn, dan bedenk je er toch eentje?! De bekendste reeks is natuurlijk de ‘Wildlife Big Five’ uit Afrika. Deze bestaat, zoals je waarschijnlijk wel weet, uit de leeuw als de koning der dieren, de olifant als het grootste landdier ter wereld, de buffel als het gevaarlijkste dier van deze vijf, de neushoorn als de meest bedreigde soort en het luipaard als het moeilijkst te spotten dier van het stel. De term big 5 komt uit de tijd van de ‘big game’ jagers. Dit waren destijds de vijf lastigste grote wilde dieren om op te jagen. Ook in Nederland kennen we een ‘grote vijf’ die bestaat uit de ree, het edelhert, het wilde zwijn, de bever en de zeehond. Zeker bijzonder, maar ik denk niet dat we deze dieren veel tegen zullen komen op ons Drenthepad. Gelukkig, voor ons, kennen ze in Drenthe hun persoonlijke ‘Big Vief’ met hun eigen unieke rassen. Zeldzame dieren die deel uitmaken van het Nederlands levend cultureel erfgoed. Het rijtje dat ik het meest tegenkom omvat het Drents Heideschaap, de Nederlandse Landgeit, de Bonte Bentheimer (een varken), de Drentse Hoen en de Groninger Blaarkop. Hee, de Groninger Blaarkop? De verklaring is dat Drenthe lang haar eigen soort runderen heeft gehad, vooral voor de mestproductie, maar dat ze de komst van kunstmest en de vraag naar hoog producerende melkrassen niet hebben overleefd. De koe van de buurprovincie heeft daarom een plek in de Drentse Big Vief gekregen met name omdat de blaarkop of de ‘polderpanda’, zoals deze koe ook wel genoemd wordt, bijna even zeldzaam blijkt te zijn als de Chinese panda. Een merkwaardig feit! Desondanks lijkt me dit wel een uitvoerbaar lijstje, dus we gaan ervoor!

We willen vandaag het ontstane gat (van de vorige keer) dichten. We lopen eerst van Roderesch naar Mensinge, dan door naar Roden en vervolgens verder naar Leek. Een totaal van zo’n 13 kilometer, meer dan ik tot nu toe heb gelopen. Je weet echter nooit wat je kunt, totdat je het probeert. Met dat sentiment gaan we welgemoed van start.

Roderesch ligt vlakbij het dorpje Eén, waar de kapper eens een begrip was en misschien (in de herinnering) nog steeds is. Deze kapper werd vlak na de oorlog beroemd door zijn behandeling van kaalhoofdigen met een speciaal haarwater. Het middel werkte echter niet goed, de zaken gingen steeds slechter en de kapper werd uiteindelijk steeds meer gezien als oplichter. Grappig hoe zulke verhalen blijven hangen. Vandaag lopen wij echter de andere kant op en wanen we ons al snel ver van de bewoonde wereld. Heerlijk hoe je zo midden in de natuur loopt en alleen soms ver weg de geluiden van ‘de beschaving’ hoort. De geluiden dichtbij zijn die van vogels en insecten. Deze zomerse dag is een heerlijke dag om te wandelen, minder fijn zijn sommige beestjes die bij dit warme weer horen. Wat mij betreft zouden de teek, de mug en de eikenprocessierups zeker in de ‘big 5 gevaren in de natuur’ mogen voorkomen. Over die andere twee moet ik nog wat langer nadenken……. wespen?, berenklauw? 

Jeukende rode vlekken of blaasjes van berenklauw

Een groot deel van deze etappe loopt door het Mensingebos en het Moltmakersstuk, het grootste stuk heide dat hier dwars doorheen loopt. Een moltmaker of moutmaker kiemt koren (vooral gerst) in water, droogt het en brouwt er vervolgens bier van. Heeft dat hier vroeger plaatsgevonden? Ik kan het nergens terugvinden. Wel moeten hier ergens Nederlandse Landgeiten lopen om de heide gezond en open te houden. Helaas………..

De omgeving van Roden bestond eeuwenlang uit heidelandschap totdat Jan Wilmsonn Kymmell (1761-1823), burgemeester van Roden, besloot hier bossen aan te leggen. Hout kon namelijk goed verkocht worden, hetgeen generaties lang op havezate (burcht) Mensinge gebeurd is. Ook het Sterrebos hoorde bij Mensinge. Vroeger heette dit bos, wat al is aangelegd rond 1700, toepasselijk het ‘oude bos’. De acht paden die op dit punt samenkomen vormen op de plattegrond een ster, een ontwerp vorm dat toentertijd vaker werd gebruikt om de allure van parken en landgoederen te versterken. De lange rechte paden waren speciaal aangelegd voor de jacht, maar tegelijkertijd gold toen ook de regel: hoe meer paden in een bos, hoe groter het aanzien van het landgoed, hetgeen uiteindelijk een willekeur aan paden in het bos heeft opgeleverd. Jan’s nazaat Coenraad Wolter Jan Kymnell (1863-1924) was in zijn tijd geen bekende kunstschilder, maar hij was wel de broer van Christina Sophia Kymnell die tot haar dood in 1949 op Mensinge heeft gewoond. Tijdens zijn vele verblijven op de havezate heeft hij het omringende landschap vaak geschilderd. Op een aantal plekken staat een lijst in het landschap met daarnaast het schilderij van toen. Het valt niet mee om het landschap van destijds te herkennen, er is veel veranderd in honderd jaar!

Hier heeft Coenraad destijds het landschap geschilderd

In een wedstrijd om de titel ‘Drenthe in een notendop’ zou dit hele gebied hoge ogen gooien, want op twee vierkante kilometer vind je hier bijna alle elementen van het klassieke Drentse landschap bij elkaar. We lopen langs prachtige overhangende bomen, smalle kronkelpaadjes, heide, houtwallen, verstilde vennen en het beekdal van het Peizer Diep om te eindigen bij een havezate. Inderdaad een magnifiek gebied. 

Veel varens in het Mensingebos
Vistrap in het Peizer Diep
Langs het Peizer Diep (RK)

Ons volgende stuk loopt naar Roden. We ronden de havezate en zien aan de achterkant een eerbetoon aan de dichteres M. Vasalis, pseudoniem van Margaretha (Kiekie) Drooglever Fortuyn-Leenmans (1909-1998). ‘Vasalis’ is een Latijnse vorm van haar achternaam ‘Leenmans’. Ze woonde van 1964 tot haar overlijden in 1998 in Roden (Huis De Zulthe). Ter gelegenheid van haar honderdste geboortedag ontwierp Eric de Lyon het monument ‘Tijd’. Hij verbeeldt met zijn kunstwerk een vijftal dichtregels in de vorm van betonnen balken op een plateau van gras. Geschuurde zwerfstenen waarop letters zijn uitgestraald vormen samen de dichtregel ‘ik droomde dat ik langzaam leefde… langzamer dan de oudste steen’. Ze zijn met lange pennen in de betonnen balken (regels) bevestigd. De andere regels zijn kaal; ‘ze nodigen uit om te gaan zitten, kijken en genieten te midden van de fruitbomen en stinzenplanten.’ Naast de vaste regels zijn losse stenen met letters gemaakt die in een soort dozen van draadstaal klaarliggen voor een creatieve geest. Misschien iets voor een andere keer?

Poezie monument Vasalis

Voor nu laten we het dorp links liggen en vervolgen we onze weg over een zogenaamd schouwpad. Een schouwpad is een pad langs een watergang waar een vertegenwoordiger van het waterschap de schouw (inspectie van de sloten) kan uitvoeren. Talrijke bruggetjes onderbreken het waterlint. We steken het water over en lopen via een bospaadje, een schelpenpaadje en graspaden letterlijk achterlangs het leven. Vaak paralel aan een grotere weg, maar dusdanig door bomen en/of wallen gescheiden dat we (bijna) niet in de gaten hebben dat we zo dicht langs de huizen lopen. Onze mooiste ervaringen zijn niet de luidruchtigste, maar onze stilste momenten (Friedrich Nietzsche). 

Langs het schouwpad

Met het oversteken van een drukke weg beginnen we aan onze laatste kilometers van vandaag. Ook nu voert het pad ons door de natuur, weg van het lawaai van de nabij gelegen verkeersweg. Bospaden, knuppelpaden (houten vlonderpaden) en schelpenpaden leiden ons naar ven ‘Het Vagevuur’, een naam die tot de verbeelding spreekt. Dit vennetje, in het gebied ‘Natuurschoon’, is één van de oudste nog herkenbare elementen in de omgeving. In een resolutie van Gedeputeerde Staten van Groningen van 8 augustus 1626, dus tijdens de 80-jarige oorlog, wordt al gesproken van een garnizoen op ‘het fort Vegevuir’. Later heeft het vennetje de naam ‘Vagevuur’ gekregen en wordt de nabijgelegen boerderij ‘Veghevuir’ genoemd.

Ven ‘Het Vagevuur’ (RK)

Maar de geschiedenis van het Vagevuur gaat nog veel verder terug. Dit ven is een mooi voorbeeld van een zogenaamde pingoruïne, één van de tientallen, zo niet honderden in Drenthe. Pingoruïnes zijn vennetjes die aan het eind van de Weichsel-ijstijd (maar liefst 116 tot ruim 11 duizend jaar geleden) werden gevormd doordat eerder gevormde ijsheuvels (pingo’s) smolten. Maar niet elk Drents waterplasje is een pingo-ruïne. Door boringen in de ondergrond kan het bodemprofiel van een ven, meertje of kuil in kaart gebracht worden. Uit de karakteristieke opbouw en vervormingen in de grondlagen kan dan worden bepaald of het inderdaad om een oude pingo gaat. In 2000 is het slib uit het Vagevuur gebaggerd. De stobben die in droge tijden boven het water uitstaken zijn toen ook grotendeels verwijderd. Een C14 onderzoek, om de ouderdom vast te stellen, bracht aan het licht dat deze stobben bijna 8000 jaar oud waren. Verbazingwekkend, zo dicht bij huis!

Een kogelronde vijver (RK)

Even later lopen we door het bos om een kogelronde vijver. Dit moet haast wel door mensenhanden zijn aangelegd, maar is daarom niet minder mooi. Met het eindpunt dichtbij hebben we ondertussen eigenlijk nauwelijks (op grote afstand telt niet) iets van de Drentse Big Vief gezien. We hebben echter nog een kleine 300 kilometer te gaan, dus ik heb er alle vertrouwen in dat dat uiteindelijk wel goed zal komen. Tenslotte ligt alles op loopafstand als je maar tijd genoeg hebt (Steven Wright).

DE WEG ONTVOUWT ZICH (Drenthepad)

Drenthepad: kaarten 19 & 23

‘Als je wandelt vanuit vertrouwen, ontvouwt de weg zich vanzelf’ en ‘laat je leiden door jouw voetstappen zonder vooropgezet plan en zonder na te denken over jouw route’ zijn zomaar een paar wandelcitaten die ik onlangs las op een wandel blog. Hoewel deze teksten mij zeer aanspreken en ik zeker gewoon op de bonnefooi zou willen genieten van al het moois om me heen, ben ik toch bang dat zo’n tocht me niet zal brengen wat het volgen van een pad met beschrijving mij tot nu toe wel schenkt. Rust in het hoofd, geloof in mezelf en een voldaan gevoel nadien. Hippocrates, de ‘vader’ van de moderne geneeskunde, zei in zijn tijd al dat wandelen het ultieme medicijn is. Sinds die tijd heeft wetenschappelijk onderzoek keer op keer bevestigd dat zijn uitspraak klopt. Volgens de Ierse neurowetenschapper Shane O’Mara bevrijdt lopen onze geest, sterkt het ons geheugen en scherpt het onze zintuigen. Neuropsycholoog Erik Scherder stelt daarnaast nog eens dat je meer productiviteit en creativiteit ervaart bij inspanning (lees hier: wandelen). Iets om te onthouden. 

We gaan met een goed gevoel op stap. Volgens het weerbericht hebben we te maken met ‘gemiddeld zomerweer’ met mogelijk wat regen. De regenjassen worden uit voorzorg om het middel geknoopt zodat we op alles voorbereid zijn. We lopen de etappe Langelo-Roderesch, willen dan lunchen in Herberg van Es om er vervolgens nog een etappe aan vast te knopen. De bedoeling is een dikke tien kilometer te lopen door de ‘Noord-Drentse esdorpen’. Wat is een esdorp eigenlijk precies? Het ‘geheugen van Drenthe’ omschrijft: ‘esdorpen werden gekenmerkt door een geconcentreerde bebouwing waarbij de gebouwen, al dan niet in groepen, op niet al te grote afstand van elkaar lagen. In of aan de randen van het dorp kwamen meestal één of meerdere grote open ruimtes voor, de brinken.’ Een es is dan een speciaal soort akker, die vanaf de middeleeuwen is ontstaan op zandgronden. Door het toebrengen van mest kregen de akkers een bollende vorm en een dikke laag ‘eerdgrond’ bovenop de zandgrond. De grenzen tussen de individuele percelen waren alleen maar aangegeven door een dieper geploegde voor en/of door stenen op de hoeken. We gaan erop letten onderweg!

bron: internet

Ongeveer halverwege Langelo en Lieveren kruisen we het Oostervoortsche Diep waar een faunapassages is gemaakt voor otters. Otters steken hier de weg over tussen het Friese Veen en het Paterswoldsemeer omdat de stuw in het water de doorgang voor de dieren blokkeert. Een gevaarlijke onderneming! De tunnel bleek een uitkomst. Veel dieren, inclusief de otter, maken er regelmatig gebruik van en kunnen zo op een veilige manier hun route vervolgen. Een monitor laat zien dat ook een haas en een eendenfamilie, dieren waarvan je het niet zou verwachten, zo’n tunnel wel een goed alternatief vinden. 

De ottertunnel bevindt zich letterlijk onder ons

Even later laten we de weg voor wat hij is, drinken we een snel kopje koffie ‘en route’ en vervolgen we ons pad door een weiland, langs een beek en langs een akker. Hier groeit een graan met een korte aar en lange haren. Hoe zit dat ook alweer? Gerst, haver, rogge en tarwe zijn de meest voorkomende granen die in Nederland verbouwd worden. Haver is de meest herkenbare graansoort met een aar waarin de graankorrels losjes aan twijgjes hangen. Ja, dat is mij inderdaad bekend, maar die andere drie? Iets met aren en haren die het verschil duidelijk moeten maken? Even zoeken leert dat gerst vooral te herkennen is aan de lange pluimen aan de aar en dat de aar al vroeg buigt. Rogge heeft ook pluimen aan de volle aar maar veel minder lang en rogge buigt pas als de aar begint te rijpen. Verder is de plant blauwgroen, wat mij toch een duidelijk herkenbaar aspect lijkt?! Tarwe tenslotte heeft vrijwel geen pluimen aan de aar en de aar blijft bovendien rechtovereind staan. Samenvattend moet hier haast wel rogge staan, hetgeen door onze meewandelende deskundige op dit pad (‘ik loop dit stuk al voor de derde keer……’) wordt beaamd. Rogge geldt tenslotte als hét graangewas van de zandgronden. En passant leren we nog een paar weetjes over rogge, n.l. dat de uitdrukking ‘het kaf van het koren scheiden’ niet op deze graansoort van toepassing is, omdat roggekorrels geen kaf hebben en volledig gebruikt worden bij de bereiding van meel. Daarnaast zwelt rogge op als het in contact komt met water, waardoor je bij het eten van roggebrood of ontbijtkoek sneller een verzadigd gevoel krijgt. Onze hersenen worden vandaag op verschillende manieren gestimuleerd 😉

Een feestje voor het oog

Ondertussen komt Roderesch in zicht. Het achtervoegsel ‘esch’ refereert aan het geografische begrip es, de naam betekent dus eigenlijk ‘Es van Roden’. Grappig om zo’n naam nu beter te kunnen plaatsen. De eerste zes huizen van Roderesch (uit 1850) werden bewoond door arme boeren die zich bezighielden met het ontginnen van heide. In die tijd was er in Drenthe heel veel heide. Heide is één van de eerste plantjes die op zandgronden voet aan de grond weet te krijgen. Met zijn wortels houdt heide het zand vast en voorkomt zo dat het gaat stuiven. Volgens de toen geldende opinie was heide echter nutteloze grond waar je beter landbouwgrond van kon maken. Toch vormde de heide eeuwenlang een essentieel onderdeel van het landbouwsysteem op de zandgronden. Daarbij was de functie van heide de productie van plaggen en schapenmest voor de akkerbouw. We lopen onze laatste meters, steken de Norgerweg over en nemen plaats op het terras van de herberg. Hoewel de zon nog steeds lekker aan de hemel staat, zien we in de verte dikke donderwolken diezelfde hemel zwartblauw kleuren. Is er dan toch lokaal onweer op komst? Misschien moeten we ons plan voor het tweede deel van onze tocht dan een beetje aanpassen?

Dreigende luchten boven Nienoord

We werpen deskundige blikken omhoog om de onweerswolken te beoordelen. Zijn dit inderdaad ‘cumulonimbus-’, onweers- of buienwolken? Wolken die een lage wolkenbasis hebben, maar tegelijkertijd zeer hoog en dicht kunnen zijn? Het resultaat van deze (donder)wolken is veelal het ontstaan van regenbuien waarbij ook onweer een vaak voorkomend verschijnsel is. Terwijl we onze weerkennis zo snel mogelijk opvijzelen, lezen we over een geïsoleerde vorm van een cumulonimbus; de in de zomer voorkomende popcornbuien. Dat klinkt fascinerend. Zo’n bui blijkt een zeer lokale, snel vormende bui in de zomer te zijn, waarbij er zeer plotseling erg veel energie vrijkomt en er zeer lokaal noodweer kan ontstaan, meestal kort en krachtig. Lokaal is hier het sleutelwoord. We besluiten daarom een stukje pad over te slaan om onze wandeling te vervolgen met het traject van Leek – Leekster Hoofddiep en zo (hopelijk) het popcorn fenomeen te missen. Alhoewel…….de lucht boven landgoed Nienoord er toch ook behoorlijk dreigend uitziet………

Nienoord is vooral bekend van de voormalige borg Nienoord (’t Huis de Nyenoort) op de plek waarvan zich nu een 19e-eeuws landhuis bevindt. De oorspronkelijke borg is gebouwd in 1525 door de familie Van Ewsum, een familie die een belangrijke rol heeft gespeeld in de geschiedenis van de provincie Groningen. Na diverse eigenaren werd Nienoord in 1884 eigendom van Jonkheer mr. Johan van Panhuys (1836-1907), die de borg in hetzelfde jaar liet herbouwen als villa. Het nieuwe landhuis was fors kleiner dan de oude borg, maar de toegangspoort uit 1708 herinnert nog aan de vroegere glorie. Op 6 november 1907 raakte de koets, waarin de familie Van Panhuys zat, te water. Johan van Panhuys, zijn echtgenote, hun zoon Hobbe en hun schoondochter Elske waren onderweg van Groningen naar Leek, zij verdronken allen in het Hoendiep bij Hoogkerk. Tot 1950 was de kleinzoon van Johan en de zoon van Hobbe nog Heer van Nienoord. Daarna werd de gemeente Leek eigenaar van het landgoed. We lopen langs het landhuis, door het bos en langs de zandweg richting het Leekster Hoofddiep.  Onderweg vinden we een ‘geluk steentje’, een beschilderd steentje wat ergens buiten is neergelegd om gevonden te worden en iemand een geluksmomentje te bezorgen. Als je een ‘Happy Stone’ vindt kun je hem weer verstoppen voor iemand anders om te vinden, maar er zijn ook mensen die ze mee naar huis nemen en ze verzamelen. Onze bedoeling was om de ‘onze’ verderop achter te laten, maar de steen bleek bij thuiskomst nog in mijn broekzak te zitten. Alvast voor de volgende keer. Het eindpunt van deze etappe, net over de brug bij het water, blijkt eigenlijk in ‘the middle of nowhere’ te liggen, waarop we, met een (inmiddels kenners)blik naar de lucht, besluiten dat we best door kunnen lopen naar het Leekstermeer. 

Langs het Leekster Hoofddiep

Hoewel de lucht dreigend blijft, is het nog steeds droog en heerlijk wandelweer. We lopen op ons gemak langs het water, het pad wijst zich vanzelf en we hebben alle tijd om goed om ons heen te kijken.

Moerasspirea voor de rode wijn?

Langs de oever groeit veel moerasspirea (Filipendula ulmaria). Handig zo’n planten app op je telefoon! Haar oude Latijnse naam Regina prati (Koningin der weide) is eigenlijk mooier de huidige. De algemene naam in Frankrijk ‘Reine du prés’ en de Engelse naam ‘Queen of the meadow’ verwijzen nog naar deze oude Latijnse naam. Moerasspirea werd vroeger veel gebruikt om de lucht te verfrissen. De geurige bloemen werden samen met andere bloemen (o.a. kamperfoelie), in huizen en kerken gelegd om onaangename geuren te verdrijven. Moerasspirea maakte ook dranken geuriger; bladeren werden b.v. toegevoegd aan rode wijn. De plant heeft daarnaast eveneens pijnstillende-, koortsverlagende- en ontstekingsremmende eigenschappen en werd gebruikt tegen malaria en buikloop. Tegenwoordig wordt een aftreksel van de bloemen (thee) nog wel eens gebruikt bij griep en verkoudheid.

Een alternatief voor asperges? (RK)

Even verderop zien we het (knikkend) wilgenroosje (Chamerion angustifolium). Hoewel deze plant, naar mijn idee, niets van een roosje heeft, blijkt de naam wilgenroosje te zijn afgeleid van de gelijkenis van de bladeren met die van ….… wilgen. In de Middeleeuwen werd de plant gebruikt tegen kinkhoest bij kinderen, als wondkruid en (de in de zon gedroogde bladeren) voor het trekken van thee. Jonge bladen en jonge scheuten kun je toevoegen in soepen of eten als groente. Maak in het laatste geval de scheuten klaar als asperges. Zo leer je nog eens wat! 

De laatste meters lopen we over een camping om te eindigen bij restaurant Cnossen waar we nog even stilstaan bij de positieve effecten van wandelen….. Jouw eigen doel bepaalt het tempo en de duur van je wandeling. Wil je herstellen van bijvoorbeeld burn-out klachten en stress, dan is het goed om stevig door te wandelen en ook wat langer te wandelen. Wil je tot rust komen, even stoppen met piekeren, dan is het goed om rustig door de natuur te wandelen en je omgeving in je op te nemen. Dit is mindful wandelen en hier kan dertig minuten wandelen je al veel positieve effecten geven, want ‘wandelen is een vorm van luchten van de ziel. Terwijl je voeten meer greep op het pad krijgen, vliegen je gedachten steeds verder weg’. De weg ontvouwt zich.

LANGELOËR DUINEN (Drenthepad)

Drenthepad: kaart 18

Ondanks dat het bewolkt en druilerig is vandaag, is het lekker wandelweer. We gaan vol goede moed verder met ons pad. In het kader van een langzame opbouw is ons traject ditmaal zo’n acht kilometer. Prima voor een middagje inclusief terug fietsen en een terrasje.  

We starten weer in Norg, ons eindpunt van de vorige keer. Mooie nauwe straatjes laten zien dat Norg inderdaad een rustiek dorp is. Al snel lopen we het dorp uit richting het bos. We belanden op het kabouterpad compleet met sneeuwwitje en de boze heks. Heel leuk gedaan met overal kaboutersporen; kleine voetafdrukken in het zand, wielsporen van een kruiwagentje, geplet gras van een middagdutje enzovoorts. Zelfs aan de komende voetbalgekte is gedacht…… 

  • Foto: RK – verrassingen langs het kabouterpad

We lopen door de Langeloër duinen, een gemengd bos met stuifduinen. De vroegere stuifduinen, ooit ontstaan door een intensieve beweiding met schapen en het afplaggen van de hei, zijn nu bebost. Dit gebied heeft een recreatiebestemming wat ook goed te merken is aan de vele paden en mogelijkheden die hier geboden worden. Niet alleen loopt hier het ‘Drenthepad’, het ‘Groot Frieslandpad’ en een gele paaltjes route volgen deels hetzelfde traject. Daarnaast kruisen we dus het kabouterpad en lopen we langs het ‘Struin & Duin belevingspad’. Dat laatste is een route voor kinderen van 1,5 km., wat voert langs twaalf uitdagende attracties die leuk zijn om te doen en de kinderen tegelijkertijd iets leren over de natuur. Zo leren wij en passant b.v. iets over het weven van een spinnenweb en over de Fibonacci reeks in de natuur. Oei, dat is wel meteen in het diepe! Even googelen leert dat de rij (of reeks) van Fibonacci begint met 0 en 1. Vervolgens is elk volgende element van de reeks steeds de som van de twee voorgaande elementen. De eerste elementen van de reeks zijn dan: 0, 1, 1, 2, 3, 5, 8, 13, 21, 34 en zo verder. De reeks loopt tot in het oneindige door. Wat heeft de natuur nu met Fibonacci te maken? De reeks en de getallen van Fibonacci verschijnen in de natuur, in spiralen of in het aantal blaadjes van bloemen. Het aantal blaadjes van bloemen: de lelie (drie), de boterbloem (vijf) en andere bloemen hebben altijd een aantal blaadjes uit de reeks van Fibonacci. Margrieten kunnen er zelfs 34, 55 en 89 tellen. Een ander voorbeeld is de spiralen in planten, waarbij hier het voorbeeld van de dennenappels getoond wordt. ‘Pak de dennenappel vast met de onderkant naar boven. Spiraalvormige voorwerpen zijn altijd opgebouwd uit linksom draaiende en rechtsom draaiende spiralen. Geef de verschillend draaiende spiralen elk een andere kleur en tel ze daarna. Zit er een getal uit de reeks van Fibonacci verstopt in de dennenappel? JA! Elke dennenappel telt 8 spiralen die rechtsom gaan en 13 spiralen die linksom gaan.’ Ik heb de bijbehorende plaatjes goed bestudeerd en het klopt! Verbazingwekkend!

  • Foto: IK – de natuur in al haar glorie

Langzaamaan laten we al deze educatieve uitspattingen achter ons en lopen we over zandwegen richting het Schillenveen. Langs de wegkanten groeit een plantje met kleine witte bloemetjes. Onze ‘plant app’ laat weten dat het hier gaat om ‘grote muur’ (stellaria holostea), die bij uitstek op zandgronden te vinden is. De app weet verder te vertellen dat grote muur vroeger gebruikt werd als geneesmiddel voor de ogen, hoewel daar verder geen bewijs voor gevonden is. De bloem wordt wel gebruikt als natuurlijke barometer. Wanneer hij open gaat blijft het de komende uren droog, maar als de bloem halfgesloten blijft gaat het regenen. Gelukkig staan ze helemaal open, dat belooft een fijne wandeling te worden!

  • Foto: IK – het Schillenveen

Ondertussen zien we het Schillenveen rechts van ons. Een wat vreemde naam die toch een duidelijke oorsprong heeft. Vroeger legden de eikenschillers (ook wel eekschillers genoemd) het hakhout in dit ven, waar zij het hout schilden. De bast, vol looizuur, werd vervolgens gedroogd (eek), vermalen en tussen de te looien huiden gestrooid. Na enige tijd kon het leer dan worden bewerkt. De plas lijkt nu dichtbegroeid met allerlei planten en navraag leert dat het veen verdroogt door de lage grondwaterstand van de afgelopen jaren waardoor het water vol groeit met vooral berken en vogelkers. Gelukkig bevat het ven ook nog grote stukken hoogveen vol eenarig wollegras, wat echt bij een ‘voorjaarsstemming in het veen’ hoort. 

  • Foto: RK – wollegras

De grote pollen met de opvallende witte pluizen zijn kenmerkend voor het veenlandschap. Hier kan het massaal voorkomen, terwijl het buiten het veen een zeldzaamheid is. De naam wollegras spreekt voor zich, het slaat op de witte pluizige vruchten die wel aan katoen doen denken. Voor mij een nieuwe ervaring! We laten het meer achter ons en lopen verder langs een zandpad. Ons eindpunt van deze etappe is de Onlandsdijk bij Langelo, maar wij lopen nog even verder het dorp in waar we eerder onze fietsen bij het plaatselijke cafe geparkeerd hebben. De naam Langelo is, tussen twee haakjes, een samenstelling van ‘lang’ wat ‘langgerekt’ betekent en ‘lo’ wat staat voor ‘licht, open bos’. Op het terras mijmeren we nog even na over de wandeling op deze steeds mooier wordende lentedag.

‘Iets diep in mij borrelt naar buiten

Uit zich in een jubelgang

Doet mij vrolijk fluiten

Ben ontsnapt uit mijn wintergevang

Voel de warmte als exfase

Verspreid zich door mijn hele lijf

Zonnestralen raken mij in fasen

Even niet meer stram en stijf

Ik baad in dat lentebriesje

Dompel mij onder in zachte temperatuur

Voel prikkelend het voorjaar komen

Voortschrijdend van uur tot uur

Kleine knopjes die verschijnen

Aarde ontwaakt, dat is een feit

Al het grauwe zal spoedig verdwijnen

Hoera, het is lentetijd.’     

(Toon Hermans)

  • Foto: IK – ‘wandelen is de haast uit je hoofd halen en kijken wat er over blijft’

POËTISCH WANDELEN (Drenthepad)

Drenthepad: kaarten 16 & 17

Na de kou en de regen van de afgelopen dagen lijkt de lente nu eindelijk een aanvang te nemen. Hoewel het (nog maar) 16 graden is, schijnt de zon warm aan een strakblauwe hemel. Een ideale dag om een start te maken met een lange afstandswandeling. We hebben voor het Drenthepad gekozen omdat het zo makkelijk is vanuit huis. We willen ons avontuur starten met de etappe Veenhuizen-Broekdijk en daar aansluitend Broekdijk-Norg aan vastplakken. Samen een royale 10 km zoals later zal blijken. Ideaal met aan beide kanten zowel parkeergelegenheid als een ‘koffiekopje’. We laten onze fietsen achter in Norg en rijden verder naar Veenhuizen, waar we vlakbij het gevangenismuseum parkeren.

  • foto: IK – deze dubbele woning is in gebruik geweest als post van de Rijkspolitie.

Dit museum vertelt verhalen over verpaupering, misdaad en straf en dat is ook waarom Veenhuizen, ook tegenwoordig nog, bekend is. We lopen langs huizen met prachtige namen als ‘Toewijding’, ‘Bitter en Zoet’ en ‘Vertrouw op God’, wat respectievelijk een voormalig doktershuis, een voormalige apotheek en een voormalig ziekenhuis waren. Al  deze namen geven het unieke verleden van Veenhuizen weer. Er waren honderden dienstwoningen voor alle rangen en standen. Zo woonden de hoofdonderwijzer b.v. in ‘Orde en Tucht’ en de winkelier in ‘Zorg en Vlijt’. Hoe grappig dit misschien ook klinkt, Veenhuizen blijft vooral het imago houden van een gevangenisdorp, al wordt het vandaag de dag misschien meer bekeken vanuit een toeristisch oogpunt. Hoe is dit allemaal zo gekomen? Oorspronkelijk (in 1820) werd besloten een stuk grond rond het buurtschap Veenhuizen te kopen om een strafkolonie in te richten. De Maatschappij van Weldadigheid, die in 1818 was opgericht met het doel de armoede te bestrijden, bleek minder succesvol dan gehoopt. ‘Het tewerkstellen van onbenutte krachten op onbenutte grond’ resulteerde in de zogenaamde ‘vrije’ koloniën in o.a. zuidwest Drenthe, waar mensen op basis van vrijwilligheid naartoe gestuurd werden. Het idee erachter was om ‘de kolonisten in toom te houden door te zorgen dat ze het goed hebben, maar tevens dat zij strikt doen wat hun wordt voorgeschreven.’ Dit gaf echter onrust en verzet, waarop het plan voor de drie ‘gestichten’ in Veenhuizen ontstond, waar in eerste instantie vondelingen en wezen, maar later ook dronkaards en landlopers (gedwongen) werden ondergebracht in kazerneachtige gebouwen omgeven door een gracht en afgesloten met een ophaalbrug. Veenhuizen werd daarmee een wereld op zichzelf. In 1843 werden de gestichten voor de wezen gesloten en van 1845 tot 1886 werden in Veenhuizen gerepatrieerden uit Nederlands-Indië opgevangen die besmet waren met lepra. In 1859 werden de bedelaarsgestichten overgenomen door de rijksoverheid en omgevormd tot strafinrichtingen. Voor het gevangenispersoneel werd een klein dorp, om de inrichtingen heen, gebouwd. Pas sinds 1981 is er vrije toegang tot het dorp. Voor die tijd was het dorp verboden voor niet-gevangenispersoneel. We laten al deze informatie tot ons doordringen terwijl we langs de ‘Tuinen van Weldadigheid’, waar nu heel bijzondere (oude) groenten- en fruitrassen worden verbouwd, naar de begraafplaats (ook wel het vierde en laatste gesticht genoemd) lopen.

  • foto: RK – ooit een deel van iets groters?

Deze begraafplaats bevindt zich ongeveer twee kilometer buiten Veenhuizen op een wat hoger gelegen terrein, omdat op de oorspronkelijke begraafplaatsen bij de protestantse en katholieke kerken het grondwater al op circa 50 tot 80 centimeter diepte bereikt werd. Maatregelen om deze terreintjes te irrigeren werden te kostbaar gevonden. Op de  begraafplaats zijn verschillende vakken met overledenen te vinden. De ‘verpleegden’ (de bewoners) werden apart begaven, gescheiden van de ambtenaren. Ook protestanten en rooms-katholieken werden apart van elkaar begraven. In het begin werden de doden in naamloze graven begraven, later kwam hier verandering in en werden er ook bordjes bij de graven geplaatst. We zien ook graven van Belgische vluchtelingen uit WOI. Voor hen was Veenhuizen een opvangcentrum. Links in het midden verlaten we de begraafplaats weer langs een wit geschilderd ijzeren sierhekje. Ooit onderdeel van een groter geheel?

  • foto: IK – het lijkt wel wadlopen…….

We lopen door een prachtig natuurgebied. Ondanks het feit dat de geelrode wegwijzers over het algemeen goed zijn aangegeven, raken we hier toch de weg kwijt. Volgens het kaartje moeten we, over ‘een opstapje, knuppelpad en bruggetje diagonaal het weiland over tot aan de greppel’. Vandaar zijn we bijna bij ons eindpunt van het eerste stuk, zandweg Broekdijk. Hoewel het eerste stuk nauwelijks begaanbaar is, heel dicht langs schrikdraad en erg moerassig, zien we in de verte inderdaad het welbekende teken. Dit lijkt toch de juiste weg. Het opstapje over en we arriveren bij het genoemde bruggetje waarvan de ene kant weggezonken in het water ligt. Klopt dit wel? We lopen met een oud boekje als gids en zijn de enige wandelaars in de verre omtrek. Toegegeven op het eerdere stuk zijn we ook niet veel mensen tegengekomen, maar we wanen ons nu wel echt ‘alleen op de wereld’. We lopen nu door het ruige Hulsebosch, voeger Hollands Siberië genoemd, vanwege haar ongereptheid? Wij kunnen amper een pad vinden. Ik lees later dat dit een typisch gebied is waar grote Galloway koeien de begroeiing in toom moeten houden. We zien ze niet, maar de grote gaten die ze in het veen hebben achtergelaten wijst er wel op dat dit kan kloppen. We moeten goed uitkijken waar we lopen, niet alleen vanwege de gaten, maar ook vanwege het vele water. De ijdele hoop om droge voeten te houden moeten we resoluut opgeven. We zwoegen tot halverwege onze kuiten door de blubber, een associatie met wadlopen is duidelijk aanwezig! Dit beekdal, De Slokkert, schijnt ook ideaal te zijn voor zogenaamde ‘stilte-wandelingen’, want echte stilte is immers steeds zeldzamer en mogelijk daarom zoveel waardevoller geworden. Hier is deze stilte zeker nog te vinden. Volgens de site is het is ‘een uitgestrekt, vrij leeg gebied bestaande uit weidse verwilderde graslanden, waar koeien en Galloways grazen en waar vogels en reeën ongestoord hun gang kunnen gaan. Vaak is het alleen de wind die je hier hoort of wordt de stilte doorbroken door vogels. Kortom een ideale plek voor een stiltewandeling en een stukje mindfulness’. Het is hier zeker stil, we zien vlakbij ons een ree die ons lijkt te observeren en we horen talrijke vogels………..’in het laten varen van onze perceptie ontstaat ruimte om op een andere manier waar te nemen’.

  • foto: RK – droge voeten kunnen we verder wel vergeten

Met de aankomst op Broekdijk zijn we weer op droge grond aangekomen. We soppen genoeglijk verder op zoek naar een rustpunt. Een dikke boomstam biedt uitkomst. Hier ontmoeten we andere wandelaars, die duidelijk een iets andere route lopen. We moeten dus toch maar een nieuwer boekje aanschaffen ;). Het is werkelijk heerlijk weer en alles om ons heen groeit, bloeit en bruist van het leven. We genieten van de vogelgeluiden en het uitbundig bloeiende fluitenkruid. Elk jaargetijde heeft haar eigen charme, maar het voorjaar is toch wel heel mooi met al die intense kleuren. De Chileense dichter Pablo Neruda (1904-1973) zei ooit: ‘ook al zouden we alle bloemen plukken, de lente zullen we niet kunnen tegenhouden’. Dat gevoel dus. We zijn op weg naar Westervelde, een klein esdorp waar de huizen typerend in een cirkel rond de brink (open ruimte) staan. De naam wordt verklaard als een aanduiding van de windstreek -‘wester’ – en open vlakte of heide – ‘veld’. We lopen langs een soort theehuisje, wat een tuinkoepel blijkt te zijn behorend bij Huis te Westervelde, het meest historische pand van het dorp. Het huis is plaatselijk meer bekend als de Tonckensborg of het Tonckenshuis, naar de familie die er al vanaf de 18e eeuw woonachtig is en nog steeds woont. Bijzonder! Ernaast ligt het historische pand De Jufferen Lunsingh. In het  oorspronkelijke huis, het gedeelte waar nu de ‘Cognackamer’ en de keuken zijn, woonden van 1724 tot 1780 vijf vrijgezelle zusters: de jufferen Lunsingh. Toen de laatste zus in 1780 overleed, ging het bezit over op de kinderen van hun enige getrouwde zus. In het begin van de negentiende eeuw kwam de boerderij in het bezit van de welgestelde notaris en burgemeester Johannes Tonckens door diens huwelijk met een erfgenaam Lunsingh. Tegenwoordig is het een zogenaamd ‘landhuishotel restaurant’ waarin veel details bewaard zijn gebleven. Net  buiten Westervelde ligt het hunebed D2. Het is een portaalgraf, wat wil zeggen dat het is gemaakt met zowel draag- als sluitstenen aan de uiteinden en is afgedekt door dekstenen. D2 is gebouwd tussen 3400 en 3100 v.Chr. en mist de helft van zijn dak, waarschijnlijk omdat de ontbrekende dekstenen ooit zijn gebruikt  als bouwmateriaal of iets dergelijks.

  • foto: RK – een stukje oerbos

We vervolgens onze weg door het Norgerholt, een stukje oerbos. Het is een eeuwenoud malebos van hulst en zomereik. Hulst werd in het verleden gebruikt voor het vegen van schoorstenen, eik voor de bouw. De naam ‘malebos’ is afkomstig van de maalmannen. Vroeger werden gronden (waaronder ook bossen) gemeenschappelijk gebruikt en waren ze geen particulier eigendom. Men had ‘aandelen’ in een stuk bos. Deze ‘aandeelhouders’ werden maalmannen genoemd. Hoewel de bosbodem oeroud is, zijn de bomen die er nu nu staan dat niet. De oudste eiken zijn rond 1850 geplant, de jongsten zo’n vijftig jaar geleden. Hoe het ook zij, het is hier prachtig. We lopen rond een grote plas die mooi verstild in haar omgeving past. Dit is genieten! Nog een klein stukje langs de weilanden en ons eindpunt doemt al aan de horizon op. Het zit erop, dit smaakt naar meer……..

Een beetje vakantie

Deze titel hoort bij een ontdekkingswandeling rondom en in onze nieuwe plaats. Een plaats waar je, zoals zo vaak, gewoon langsrijdt zonder dat je er verder veel van weet. Een eerste indruk is niet altijd bepalend. Het loont de moeite om verder te kijken, dieper te graven en het verhaal erachter te ontdekken. Aan de hand van de volgende foto’s moet dat lukken.    

foto; RK
foto: RK

We zien hier o.a. een overgebleven bunker, die ooit een onderdeel is geweest van de Atlantikwall in WOII. Deze meer dan 5000 kilometer lange verdedigingslinie strekte zich uit van Noorwegen tot aan de Spaans-Franse grens en moest een invasie van de Geallieerden verhinderen. In Nederland waren langs de hele Noordzeekust bunkers en luchtafweergeschut geplaatst en waren mijnenvelden en tankversperringen aangelegd. Noordzeekust? Groningen ligt toch aan de Waddenkust? De verdediging in deze plaats was dan ook niet bedoeld om een aanval van zee te voorkomen, de Wadden zijn te ondiep voor een invasievloot, hier was het belangrijkste doel het bestrijden van vijandelijke jagers en bommenwerpers. De muren van de bunker in kwestie zijn ruim drie meter dik en je kunt de schade van de inslagen nog goed zien.

Een van de andere foto’s laat zien dat onze plaats inderdaad direct aan de Waddenzee ligt. Je hebt van hieruit een prachtig zicht op een uniek stukje Werelderfgoed (sinds 2009). Volgens hun eigen website is ‘de Waddenzee, een gebied dat zich uitstrekt langs de kusten van Denemarken, Duitsland en Nederland, het grootste getijden-systeem ter wereld, waar natuurlijke processen ongestoord kunnen plaatsvinden. In het kader van de Trilaterale Waddenzee Samenwerking dragen de drie aangrenzende landen samen de verantwoordelijkheid voor het behoud van dit onvervangbare ecosysteem, ten behoeve van de huidige en toekomstige generaties.’

foto: RK
foto: RK

Wat is een plaats zonder standbeelden? We hebben tijdens al onze omzwervingen nog geen dorp of stad ontdekt zonder bronzen, stenen of stalen vertegenwoordigers ter nagedachtenis van iets of iemand. Twee beelden die hier niet vertegenwoordigd worden, maar die zeker de moeite van het vermelden waard zijn, zijn van Abel Tasman en Maigret.

Waarom staan beide mannen hier? Abel Janszoon Tasman (1603-1659) was een Nederlandse ontdekkingsreiziger in dienst van de VOC. Tasman had als opdracht het land te onderzoeken dat toen bekendstond als Nieuw Holland (het tegenwoordige Australië), waarvan de westkust al door Nederlanders ontdekt was, om vast te stellen of het land deel uitmaakte van het vermeende Terra Australis, een zuidelijk continent, dat zou moeten bestaan om de aarde in evenwicht te houden. De VOC hoopte dat door deze reis dit onbekende continent voor de handel geopend en vervolgens geëxploiteerd zou kunnen worden. Het ligt misschien voor de hand dat er in onze plaats ook gedroomd werd van verre reizen en grote ontdekkingen? Maigret is een heel ander verhaal. In 1928 koopt schrijver Georges Simenon (1903-1989) een boot. Hiermee trekt hij door Frankrijk en later ook door Duitsland, België en Nederland. Onderweg beschrijft hij alles wat hij ziet en giet dat vervolgens in een roman of in een detectiveverhaal. In 1929 ontdekt Simenon een gat in zijn kotter ‘Ostrogoth’ en spoed hij zich naar de dichtstbijzijnde plaats. De werkzaamheden aan het schip veroorzaken te veel lawaai om rustig te kunnen schrijven. Daarom laat Simenon een oude, volgelopen schuit leegpompen en maakt daar zijn kantoor. Twee kisten: één om op te zitten en één voor zijn typemachine. Daar schrijft hij in 5 dagen een nieuwe roman: Maigret en de onbekende wreker; de ‘geboorte’ van zijn beroemde personage Maigret. In totaal zal Simenon 75 detectiveromans en 28 korte verhalen over commissaris Maigret schrijven. Een van deze verhalen is ‘Maigret in Holland’, dat zich afspeelt in onze plaats. In dit verhaal beschrijft Simenon de plaats als een klein stadje waarvan de huizen hem aan speelgoed doen denken. De uitgever van het werk van Simenon (Bruna) bood onze plaats ter gelegenheid van het verschijnen van het duizendste ‘Zwarte Beertje’ (1966), een bronzen beeld van Maigret aan.

Het eerste kunstwerk dat ik je graag had willen laten zien, maar dat helaas nog niet is teruggeplaatst, is van een tien meter hoge conische zuil die omwikkeld is met een roestvrijstalen band. Dit beeld van Chris Verbeek (2000) is een hommage aan de één van de bekendste zangers uit Groningen die weliswaar op veel plaatsen in de provincie heeft gewoond, maar hier is gestorven. Op de band staat een deel van zijn misschien wel bekendste lied: ‘Ik wait, der is n tied van komen, En ook een tied van goan, En alles wat doar tussen ligt, Ja,dat is mien bestoan.’

foto: RK
foto: RK

Het beeld van Albert Zweep (1995) is een eerbetoon aan het zware bestaan van de havenarbeiders van vroeger. Met hun handen verstouwden ze toentertijd dagelijks gemiddeld 80 ton per persoon! Het beeld van een havenarbeider roept meteen de gedachte op aan ‘De Dokwerker’ van Mari Andriessen in Amsterdam. Maar er zijn grote verschillen, met name in intentie. Het Amsterdamse beeld is een monument ter nagedachtenis aan het oorlogsverzet onder de dokwerkers, terwijl Zweep met zijn beeld een commentaar wil leveren op het zware bestaan van het havenpersoneel. In plaats van een strijdbare, onverzettelijke houding te kiezen, plaatste hij de man in een zittende houding, uitblazend van het harde gezwoeg (‘eem poestn’). ‘Door de figuur iets meer dan levensgroot weer te geven, in een stoere houding, wijdbeens met de kolenschoppen van handen op de knieën steunend, wilde hij het beeld een heroïsche kracht en waardigheid meegeven.’ Dit laatste beeld staat vlak achter de Grote Waterpoort uit 1833, gebouwd ter vervanging van de voorgaande waterpoort uit 1715. De poort werd in de jaren 70 gerestaureerd en is nog steeds in gebruik als coupure. Bij een hoge vloed wordt de poort afgesloten door middel van een metalen deur. Aan de havenzijde vind je een steen met inscriptie die de springvloed van 1962 markeert. De allerhoogste waterstand werd echter in november 2006 gemeten. Door een noordwesterstorm stond het water er tijdens hoogtij toen 4,83 meter boven NAP. Naast de Grote Waterpoort kent deze plaats (natuurlijk) ook een Kleine Waterpoort. Dat brengt ons bij de andere foto.

foto: RK

De Kleine waterpoort is, net als de Grote Waterpoort, gebouwd om de bewoners te beschermen tegen hoog water. Op het moment dat het water dreigt te stijgen, kan de draaideur handmatig worden gesloten. Deze kleine poort wordt ook wel de De Ruyterpoort genoemd omdat de vloot van de West-Indische Compagnie hier in 1665 dankzij Michiel de Ruyter aan land kwam. Plaatselijke schilderverenigingen schilderden het tafereel op de wanden van de poort. De creatieve geesten van deze plaats hebben zich sowieso flink uitgeleefd (in positieve zin). Op diverse plaatsen langs onze wandeling vinden we oude foto’s die een complete gevel van een huis bedekken. Een letterlijke samenvloeiing van oud en nieuw en daarmee een leuke achtergrond voor eigen creativiteit ………

Nog een laatste weetje voordat de oplossing bekend gemaakt wordt. De inwoners van onze plaats werden vroeger ‘Kraabers’ (krabben) genoemd. De verklaring: ‘waarom precies wait ik nait, moar t zal wel met het daaiertje te moaken hebben dei hier in t woater zwemt.’ Duidelijk toch? 

Onze plaats wordt op haar eigen website omschreven als: ‘Waar je op de achtergrond de meeuwen hoort, de ziltige geur van het slik ruikt en waar je vanaf de dijk Duitsland ziet liggen. De stad is al honderden jaren onlosmakelijk verbonden is met schepen en water. Een stad vol met avontuurlijke verhalen over bezettingen en overstromingen. De nieuwe zeedijk beschermt bewoners tegen de stormvloeden.’ Dit is een inkoppertje…….de stad van dit verhaal is Delfzijl (Delfziel) inclusief de belangrijkste haven van noord Nederland.

Delfzijl wordt daarom wel ‘de Groninger poort naar de Waddenzee’ genoemd.   

foto: RK
foto: RK

De naam Delfzijl betekent ‘sluis (zijl) in de Delf’, waarbij Delf de oude naam is voor het Damsterdiep. Al heel vroeg moet hier bewoning zijn geweest, een gevonden hunebed onder een wierde ten oosten van Delfzijl evenals opgravingen rond latere wierden zijn hier getuigen van. Als plaats ontstond Delfzijl rond de dertiende eeuw toen de eerste sluis werd gebouwd. Tijdens onze wandeling komen we langs gedenktekens voor drie zijlen (sluizen), ‘de drie Delfzijlen’, t.w. de Slochter-, de Scharmer- en de Dorpsterzijl. Bij deze sluizen ontstond al snel bewoning toen er een sluiswachter aangesteld werd. Dit was het begin van het ontstaan van het huidige Delfzijl.

Ik lees dat Delfzijl een aantal schijnbare tegenstellingen verenigt: land en water, zout en zoet, stad en platteland, oorlog en vrede. Volgens het bericht zijn dit juist de fundamenten onder het bestaan en de bloei van de havenstad. Recente onderzoeken tonen echter aan dat het smelten van ijskappen op Antarctica ertoe kan leiden dat de zeespiegel veel sneller stijgt dan tot nu werd aangenomen. Onderzoekers van de Universiteit Utrecht sluiten een stijging van 1.8 meter aan het einde van de eeuw niet uit. Zijn onze dijken en de dijken rond Delfzijl in het bijzonder daar wel tegen bestand? Volgens NOS-weerman en poolonderzoeker Peter Kuipers Munneke is dit onderzoek van cruciaal belang voor het beleid van de Nederlandse kustverdediging. ‘Je kunt eigenlijk wel zeggen dat de zeespiegelstijging in Nederland en de bescherming van onze kust afhangt van het ijs op Antarctica’, zegt hij. Daarbij komt dat de zeespiegelstijging bij Delfzijl jarenlang groter was dan uit officiële meetgegevens bleek doordat er geen rekening werd gehouden met de bodemdaling. Recentelijk zijn ze begonnen met de uitwerking van de plannen van de overheid en het deltaprogramma Wadden, waarbij dubbele dijken een hoofdrol spelen. Als een alternatief van ‘normale’ dijkversterking (verhoging, aardbevingsbestendig maken en evt. verleggen) wordt nu gebruikt gemaakt van ‘een systeem met dubbele keringen met een tussengebied’. D.m.v. het aanleggen van getijden duikers in de eerste kering kan slib het achterliggende gebied instromen. Door aanslibbing zal dit gebied zich langzaam verhogen. Gekeken wordt of hier dan mogelijkheden zijn voor b.v. landbouw in brakke grond, garnalen kwekerijen of verbouw van zilte ‘gewassen’ als zeekraal etc. 

foto: RK

Wanneer we kijken naar de laatste foto, dan blijkt dit een foto te zijn uit het aan Delfzijl vastliggende dorp Farmsum, wat nu wordt gezien als een wijk van Delfzijl. Rond het jaar 1000 werd voor het eerst gesproken over Farmsum (Faarmsom) onder de toenmalige naam Fretmarashem, wat zoveel betekent als ‘woonplaats van Fretmar. Kennelijk een belangrijk man. Aan het einde van de 14e eeuw was ondermeer de rechtspraak in handen van de familie Ripperda, bewoners van de borg in Farmsum. Vlakbij de kerk herinnert een oude geselpaal nog aan deze tijd. Aan een geselpaal, schandpaal of kaakweed iemand als strafmaatregel vastgebonden en te kijk gesteld. Het werd gezien als een onterende straf, je stond letterlijk ‘voor paal’. Het publiek mocht je bekogelen met rot fruit en andere dingen en mocht je ‘verrot schelden’, waar graag en met veel enthousiasme gehoor aan werd gegeven. Het spreekwoord ‘iets aan de kaak stellen’ komt voort uit deze straf.