NUUSMER RONDJE (Ommetje Nuis)

Deze keer een korte wandeling, vooral om onze nieuwe schoenen in te lopen. Je wilt immers niet midden in de weilanden staan met voeten vol blaren en tenen die in brand staan? Niet dat het zo’n vaart zal lopen. Volgens iemand die het kan weten (Nederlands letterkundige) is het met nieuwe schoenen net als een nieuw idee; je hebt er in het begin meer last dan gemak van. Daarentegen beweert Marilyn Monroe dat als je een meisje de juiste schoenen geeft, ze de wereld kan veroveren. Wij gaan in dit geval maar uit van het principe dat nieuw een synoniem is voor juist. 😉

_DSF4599-bewerkt.JPGNieuwe schoenen (foto: IK)

De keus valt op Nuis (Gronings: Nuus), een dorp met een kleine 750 inwoners onder de rook van Marum. De naam komt verrassend genoeg van ‘nij huis’ (nieuw huis) wat verbasterd is tot Nuis. We starten vlakbij de Coendersborch. De huidige borg is gebouwd in 1813, zoals duidelijk te zien is op de voorgevel van het gebouw. De historie van de Coendersborg gaat echter terug tot de zeventiende eeuw. De borg lag en ligt in een landschap waar door de veenwinning een zogenaamde opstrekkende verkaveling is ontstaan. Dit vormt een landschap dat wordt gekenmerkt door strookvormige percelen die evenwijdig aan elkaar in dezelfde richting lopen. Al vanaf het begin van de Middeleeuwen vestigden zich hier de eerste bewoners op zandruggen temidden van een uitgestrekt veenmoeras. Naast de ruggen verbouwden de boeren voornamelijk rogge en boekweit op het hoog liggende land. Op deze hogere delen werden de landbouwpercelen traditioneel van elkaar gescheiden door houtsingels of houtwallen. Deze singels werden aangelegd om te voorkomen dat het vee naar naastgelegen percelen liep. Ze bestonden doorgaans uit een greppel met aan beide zijden een bomenrij, meestal elzen. Ook doornige struiken zoals meidoorn en sleedoorn waren geschikt als veekering. De houtsingels fungeerden tevens als bron van geriefhout voor het maken van meubels, huizen en gereedschappen. Het lager gelegen land, wat uitliep op het veenmoeras of op de heidegronden, werd gebruikt als gras- en hooiland. Op de heide graasden schapen, die weer mest leverden voor het bouwland. Het veen werd afgegraven, gedroogd en als brandstof gebruikt. 

_DSF4597-bewerkt.JPGCoendersborch (foto: IK) 

Deze streek kende, net als elders in Groningen, een aantal belangrijke boerenfamilies. Uit de heerden Fossema, Harckema en Heringhe ontstond de Coendersborch. Heerden zijn boerderijen in Groningen. Met de heerd wordt eigenlijk de haard, de stookplaats (heerdstede) bedoeld, maar in de loop van de geschiedenis werd met de term heerd de gehele boerderij en de bijbehorende landerijen aangeduid. Ludolf Coenders, raadsheer in Groningen, wilde de bijbehorende venen ontginnen, maar hij kwam daardoor in conflict met de heer van Nienoord, Georg Wilhelm von Inn- und Kniphausen. Coenders liet de turf namelijk via Friesland afvoeren, terwijl de heer van Leek vond dat dat via zijn kanalen moest gebeuren. Dit conflict leidde in 1668 zelfs tot een veldslag tussen manschappen van Coenders en die van Nienoord. Tot zijn schande verloren de mannen van Von Inn- und Kniphausen deze strijd. Waarschijnlijk heeft Ludolf Coenders de oude Fossemaheerd daarna verbouwd tot een bij een edelman passend buitenverblijf, want in 1699 was er al sprake van een borg. In de eeuwen daarna raakte de oude borg langzaamaan in verval en werd in 1813 tenslotte vervangen door de huidige Coendersborch. In 1956 werd het landgoed verkocht aan de Stichting het Groninger Landschap.

We passeren de borg, lopen langs een paar grote boerderijen en slaan af naar de Oudeweg, een onderdeel van de Middeleeuwse verbindingsweg tussen Marum en Tolbert. Zowel de Coendersborch als het Iwema Steenhuis in ‘bijna-tweelingdorp’ Niebert liggen aan dit historische pad. Nuis en Niebert liggen zo dicht bij elkaar dat ze sinds 2011 ook een gezamenlijke vlag en wapen hebben. De golvende lijn door het midden symboliseert het belang van het kanaaltje het Oud Diep voor beide plaatsen. Op de rechterhelft vind je het wapen van de familie Fossema (Fossemaheerd), t.w. drie schuin geplaatste vissen. De linkerkant beeldt het wapen van de familie Iwema (steenhuis) uit, bestaande uit een gekroond hart doorboord door twee gekruiste pijlen. 

_DSF4631-bewerkt.JPGVlag Nuis-Niebert (foto: IK)

We steken de hoofdweg over en vervolgen onze weg over ‘Mienscheer’. De naam van de weg verwijst naar het vroegere gebruik van het gemeenschappelijk weiden van vee. ‘In mienscheer’ betekent letterlijk ‘in gemeenschap’. We lopen recht op de A7 af en zien een bekend tankstation opdoemen. Grappig om zo aan de andere kant te lopen. Gelukkig draaien we met de snelweg mee naar rechts en even verderop zien we aan een even welbekend bordje dat het tijd is om het weiland in te gaan. Het gras is heerlijk kort gemaaid wat heel prettig loopt, al worden die uitbundig groeiende bermen tegenwoordig lyrisch beschreven als ‘restaurants voor dieren’. Volgens natuurorganisaties betekent maaien dat vlinders, eitjes, rupsen en andere insecten het loodje leggen. Als insecten verdwijnen, krijg je een stil landschap, aldus de deskundigen. Ze zijn wel voor het maaien van bermen, want als je dat niet doet, krijg je uiteindelijk veel minder bloemen, maar het maaien moet gefaseerd en niet allemaal tegelijkertijd.

_DSF4616-bewerkt.JPGPetgat (foto: IK)

Via nieuwe klaphekjes lopen we rond een petgat. Ooit van gehoord? Een petgat of een trekgat is een water dat is ontstaan door het uitbaggeren van veen voor de winning van turf. De zogenaamde ‘baggerbeugel’ (een soort schepnet met een lange steel) werd vanaf de 16e eeuw gebruikt bij het winnen van turf onder de grondwaterspiegel. Tussen de petgaten lag een legakker, een smalle strook land waarop de turf te drogen werd gelegd. In perioden van droogte werd het water uit zo’n petgat gebruikt als drinkwater voor het vee. Er zijn veel grote plassen in veengebieden ontstaan uit deze petgaten doordat soms de legakkers ook werden weggebaggerd of doordat stormen de legakkers wegsloegen. De Weerribben en ook het Paterswoldsemeer zijn voorbeelden van watergebieden met deels nog aanwezige petgaten.

_DSF4618.JPGGedenksteen Kamp Nuis (foto: IK)

Terug in Nuis zien we een gedenkbeeld voor Kamp Nuis. Tijdens WOII (vanaf 1941) was het een kamp van de NAD, de Nederlandse Arbeidsdienst. Na de oorlog werden hier collaborateurs gevangen gezet en weer later deed het dienst als jeugdgevangenis. Van 1951 tot 1964 was het kamp in gebruik voor de opvang van Ambonese ex-KNIL militairen en hun gezinnen. Na 1964 werd het kamp werd gesloopt en tegenwoordig is op dezelfde plek het Noordelijk Archeologisch Depot (NAD) gevestigd.

_DSF4646-bewerkt.JPGHervormde Kerk Nuis (foto: IK)

Aan de overkant van de weg staat de hervormde kerk van Nuis. De kerk is een middeleeuwse zaalkerk uit de 13e eeuw. Een zaalkerk is een rechthoekig kerkgebouw dat eenbeukig of eenschepig is, waarbij de beuk (of het schip) de langgerekte ruimte is die meestal in west-oost richting loopt. Deze grotendeels in romanogotische stijl gebouwde kerk, een stijl die zeer weinig voorkomt in deze streek, ligt op een wierde en is beeldbepalend voor het dorp.

In de kerk hangen twaalf opvallende ruitvormige rouwborden. Deze rouwborden werden vroeger gemaakt na het overlijden van jonkers en edelvrouwen. Eigenlijk horen deze rouwborden niet in Nuis, maar in Beesterzwaag. Ze zijn een herinnering aan enkele leden van de Friese grietmanfamilies Fockens en Van Teyens. Een grietman (letterlijk: hij die daagt) is de voorloper van de tegenwoordige plattelands burgemeester. Eind 18e eeuw moesten op last van de Bataafse regering alle adellijke symbolen uit openbare gebouwen verwijderd worden. De rouwborden, die tot dan toe in de kerk van Beetsterzwaag hadden gehangen, werden opgeborgen in de Coendersborch en twee eeuwen later zijn de borden op deze manier het eigendom van de kerkvoogdij van Nuis geworden.

_DSF4623.JPGIwema Steenhuis Niebert (foto: IK)

Om het verhaal goed af te sluiten, maken we nog een uitstapje naar het Iwema steenhuis in Niebert. Het steenhuis dateert uit omstreeks 1400 en is het enige overgebleven steenhuis van de ongeveer 160 steenhuizen die ooit in de provincie Groningen stonden. Steenhuizen dienden vroeger als toevluchtsoord voor de Groningse adel. In de Middeleeuwen werd de adel steeds rijker. Ze wilden daarom een veilige plek om naar toe te kunnen gaan in onrustige tijden. De naam verwijst naar de familie Iwema die er oorspronkelijk woonde. Deze familie behoorde niet tot de Groninger adel, wat mogelijk verklaart waarom het steenhuis nooit is uitgegroeid tot een borg. 

Sinds 1988 is het steenhuis in bezit van Het Groninger Landschap. Het huis zelf wordt nog steeds bewoond en is niet toegankelijk voor publiek. Achter het huis is, in de schuur, het museum ’t Steenhuus gevestigd wat absoluut de moeite van een bezoekje waard is. Hier kun je een authentieke bakkerij compleet met winkel bezichtigen evenals een meidenkamer, een huiskamer, een complete schilderwerkplaats en zelfs een schooltje, een kapperszaak en een cafeetje. Een geweldig inkijkje in het leven aan het begin van de 20e eeuw, herkenbaar uit grootmoeders tijd.

_DSF4462501220190720-Edit-1.jpgDe dikste beuk (foto: RK)

In de tuin achter het huis staat een enorme rode beuk, de dikste rode beuk van het noorden. Misschien zijn het meerdere bomen die in elkaar gegroeid zijn, dat noem je dan een boom-boeket, maar het is onmogelijk om vast te stellen of het hier om één of meerdere bomen gaat zonder de boom zelf schade toe te brengen. Wat wel vast staat is dat deze monumentale boom rond de 275 oud is! Leuk om verder te weten is dat een beuk, vooral een rode beuk, status had. Uit 1 op de 10.000 zaadjes van een groene beuk ontstaat een rode beuk, die vanwege zijn zeldzaamheid speciaal en duur was. Een rode beuk in je tuin was dus een teken van rijkdom.

Ondanks dat dit maar een korte wandeling was, was het er wel eentje met veel wetenswaardigheden en ontdekkingen. De eerste ‘inloop kilometers’ zijn gemaakt.

GARSTHUIZEN (Ommetje Garsthuizen)

Met het lopen van de zogenaamde ‘ommetjes’ leren we heel wat over onze provincie. Deze keer gaan we lopen rondom Garsthuizen (Gronings: Gaasthoezen of Garsthoezen), weer zo’n klein plaatsje waarvan we (althans ik) nog nooit eerder hebben gehoord. Gartshuizen blijkt een klein dorp in de gemeente Loppersum te zijn met zo’n 250 inwoners. Het dorp is omstreeks de elfde eeuw ontstaan in een bocht van de (voormalige) rivier de Fivel. De Fivel is al in de Middeleeuwen compleet dicht geslibd, maar delen van de rivierloop zijn nog steeds te herkennen in tegenwoordige waterlopen. Deze rivier gaf haar naam aan het landschap Fivelingo of Fivelgo. Fivelgo betekent streek (go of gouw) van de Fivel. De streek omvatte o.a. de gemeenten Appingedam, Loppersum, Slochteren en Ten Boer evenals een deel van het Hogeland en een groot deel van Delfzijl.

De naam van het dorp Garsthuizen is waarschijnlijk afgeleid van ‘gers’, het oud Friese woord voor gras. Een ‘gars’ is tegelijkertijd ook een ander woord voor een landmaat; 3 1/2 gars staat gelijk aan een bunder (iets meer dan een hectare). Vroeger lag het dorp temidden tussen de graslanden, dus deze verklaring zou inderdaad heel goed mogelijk zijn. Een andere verklaring is dat ‘garst’ komt van gars- of geestgronden. Alhoewel…… geestgrond is een synoniem voor grondsoort en om precies te zijn staat het voor cultuurgrond bestaande uit duinzand (!) gemengd met klei en/of veen. Heeft er ooit een duinrand bestaan in het noordoosten van Groningen?

We starten onze wandeling midden in het dorp bij de oude begraafplaats. Merkwaardig genoeg zien we vele oude scheve grafstenen, maar geen bijbehorende kerk. Nalezen leert dat de kerk al jaren bouwvallig was en dat de kerk vanaf 1993 al niet meer ‘in functie’ is. Hier is (uiteraard) een heel verhaal aan verbonden. In de tweede helft van de 19e eeuw werden nieuwe grindwegen aangelegd in deze omgeving, waarbij Garsthuizen, tot grote verontwaardiging van de burgers, niet werd aangesloten op dit wegennet. Ze besloten zelf een weg aan te leggen, waarvoor de kerk en de toren werden opgeofferd. De vele oude stenen werden verkocht aan de aannemer in ruil voor het aanleggen van een weg naar Westeremden. Zo kreeg Garsthuizen dus een nieuwe grindweg evenals een nieuwe (kleinere) kerk. De weg bleek een grote aanwinst voor het dorp, van de kerk kon dit niet gezegd worden. De kerk was n.l. slecht gebouwd en vroeg steeds meer onderhoud. De kerkelijke gemeente daarentegen werd steeds kleiner en er werd daarom weinig tot geen geld meer in onderhoud van de kerk gestoken, waardoor kerk en toren steeds verder in verval raakten. In 2009 werd het gebouw nog verder beschadigd als gevolg van een aardbeving. Uiteindelijk bleek restauratie niet meer haalbaar. Wat overbleef en blijft zijn de fundamenten en het kerkhof.

201907 "Ommetje Garsthuizen"Riepko Krijthe8-Edit.jpgMolen ‘De Hoop’ (foto: RK)

We lopen richting molen om daar te ontdekken dat we precies de verkeerde kant opgaan. Eigenlijk maakt het niets uit, we kunnen immers ook het kaartje van de folder volgen en het ‘voetjeslogo’ laten voor wat het is. De molen, uit 1839, werd als pelmolen gebouwd.  Een pelmolen is een type molen waarin vroeger gerst tot gort (en later rijst) gepeld werd door het kaf van de graankorrel te scheiden. Een pelmolen kan pas werken bij ten minste een windkracht vijf. De meeste pelmolens hebben daarom naast pelstenen ook maalstenen, omdat er bij onvoldoende wind voor het pellen nog wel graan gemalen kan worden. Zo ook hier. De molen werd in 1970 uitgeschakeld als gortpellerij door de komst van moderne machines. Door de jaren heen raakte molen ‘De Hoop’ steeds verder in verval evenals de bijbehorende boerderij, maar sinds 1996 is alles weer hersteld zoals het ooit was en wordt de molen/boerderij combinatie nu gezien als het mooist bewaarde complex in de provincie.

201907 "Ommetje Garsthuizen"Riepko Krijthe61.jpgGoudgele graanvelden (foto: RK)

Vlak voor de molen slaan we linksaf een betonpad op. Vroeger liepen hier vele onverharde voetpaden richting naburige dorpen. Mensen liepen van hun huis naar hun werk op de boerderijen rondom. Pas bij de ruilverkaveling in de jaren 1983 tot 1990 zijn veel van deze paden voorzien van een laagje beton. We lopen echt door een akkerbouw gebied met een groot veld zomertarwe rechts en vrolijk bloeiende aardappelplanten links van ons.

_DSF4540-bewerkt.JPGAardappelland (foto: IK)

We lopen onder de Eemshavenweg door en komen langs een picknick tafel inclusief bankjes. Hier schijnt eerder een heel klein boerderijtje gestaan te hebben compleet met boomgaard. Er moeten nu nog twee appelbomen staan van een oud ras met heerlijke appels, maar wij kunnen ze niet ontdekken. Evenmin zien we de drie oude wilgen waar in de vorige eeuw een huisje heeft gestaan. De slinger in de weg (zien we gelukkig wel!) geeft de plaats van het huisje aan, de weg liep om het huisje heen.

201907 "Ommetje Garsthuizen"Riepko Krijthe131-Edit.jpgLangs de suikerbieten (foto: RK)

Even later geeft ons kaartje aan dat we het land in mogen. We lopen langs de suikerbieten deze keer. In het begin nog over een redelijk vlak stuk, maar al gauw lopen we temidden van een welig tierende, wilde bloemenweelde. We zien distels, zuring, kamille, klaver, klaprozen en meer.

_DSF4553Distels (foto: IK)

Hoe oogstrelend ook, we hebben haast moeite om ons staande te houden in deze bonte, kleurrijke, maar ook erg dichte begroeiing. Dit is het gebied van het Startenhuistermaar, één van de vele maren van de rivier de Hunze. De eerder genoemde Eemshavenweg  vormt in feite de scheidslijn tussen de stroomgebieden van de Fivel (ten oosten van de weg) en de Hunze (ten westen). De afwatering van beide rivieren werd regelmatig onderbroken door zand-, klei- of veenafzettingen, waarop het water telkens weer een nieuwe richting koos. Een ‘maar’ is trouwens een Groningse naam voor een waterloop, meestal smalle, ondiepe slootjes, die al eeuwenlang door het landschap stromen. Het gebied rondom deze Startenhuistermaar werd ‘Bonke Bieters Hörn’ genoemd hetgeen letterlijk vertaald ‘botten bijters hoek’ betekent. De bewoners waren hier zo arm dat ze kennelijk op botten moesten kluiven.

201907 "Ommetje Garsthuizen"Riepko Krijthe113.jpgStartenhuistermaar (foto: RK)

_DSF4568-bewerkt.JPGEven ‘spelen’ (foto: IK)

Ondertussen komen we weer uit op de verharde weg en zien we Garsthuizen in de verte alweer opdoemen. Onderweg nog een molen, al is het deze keer een moderne windmolen. Deze nieuwe molen (sinds 2011) kan maar liefst vijfhonderd gezinnen van stroom voorzien. De oude molen had veel minder capaciteit en zet nu in Ierland haar werk voort. Over het hoe en waarom wordt verder helaas niets verteld.

Het verkennen van een nieuw stukje Groningen was wederom genieten, we gaan binnenkort vast weer op stap!

FOTO’S IN ARLES (Frankrijk)

Ooit is Arles, een klein stadje in Zuid Frankrijk, begonnen als een nederzetting van de Grieken vanuit Marseille. Vervolgens werd de hele streek ingenomen door de Romeinen die de stad fors hebben uitgebreid. De stad lag in die tijd dichterbij de zee dan tegenwoordig en was daardoor een belangrijke handelshaven. Ook vandaag de dag zijn er nog vele sporen uit de historie zichtbaar.

IMG_5127Place de la Republique (foto: IK)

Zo is daar ons dagelijks ontmoetingspunt bij de fontein in het centrum van de stad. Hier op het ‘Place de la Republique’ staat een granieten obelisk van zo’n 20 meter hoog. Deze obelisk werd opgericht in het midden van de zogenaamde ‘spina’ van het Romeinse circus tijdens het bewind van de Romeinse keizer Constantijn II. De spina (letterlijk: ruggengraat) was de verhoogde afscheiding in het midden van de renbaan in het stadion, waar de wagenmenners met hun twee-, vier- en zesspannen omheen moesten rijden. Met het uiteenvallen van het Romeinse Rijk in de vijfde eeuw, is de obelisk ook ingestort en in twee delen gebroken. Gelukkig is hij later herontdekt en weer opnieuw opgebouwd, waarbij er aan de basis een fontein en bronzen sculpturen zijn toegevoegd.

IMG_5213.jpgTropisch warm (foto: IK)

Een heerlijk koele oase in een zonovergoten, haast oververhitte stad. Volgens onze appartement verhuurder is het weer beslist extreem te noemen dit jaar. Het is weliswaar altijd warm tot erg warm rond deze tijd, maar normaal koelt het ’s avonds wel af en daalt de temperatuur vooral ’s nachts dan meestal tot een aangename 19 graden. Helaas voor ons halen we dat bij lange na niet deze week.

201907 ArlesRiepko Krijthe618.jpgDoorkijkjes (foto: RK) 

De stad Arles met zijn Romeinse overblijfselen kennen de meesten vooral als woonplaats van Vincent van Gogh, maar de stad is meer dan de plek waar Van Gogh z’n oor afsneed. Elke zomer vindt binnen de stadsmuren een prestigieus fotofestival plaats: ‘Les Rencontres de la Photographie’. Wij zijn hier met een groep (foto)vrienden uit Bangkok neergestreken om dit jaarlijkse festival tijdens de openingsweek bij te wonen, want het Arles Fotofestival (les Rencontres d’Arles) ‘draagt bij aan de verspreiding van het internationale fotografisch erfgoed en streeft na de ontwikkelingen op fotogebied te bevorderen.’ Door de aanwezigheid van veel buitenlandse foto-professionals tijdens de openingsweek speelt Arles eveneens een serieuze rol op het gebied van talent scouting. Zoals trots wordt gemeld heeft de ‘Rencontres d’Arles al veel fotografen ‘ontdekt’, waarmee het zijn betekenis ‘als springplank voor fotografie en hedendaagse creativiteit bevestigt’.

2 naakten in de woestijn 1997Twee naakten in de woestijn – Lucien Clerque 1997 (bron: inernet)

Het festival is in 1969 opgericht door fotograaf Lucien Clerque samen met vrienden  Michel Tournier (schrijver) en historicus Jean-Maurice Rouquette. Naar blijkt een sterke combinatie. Lucien Clerque (1934-2014) is vanaf het begin de grote man geweest van het festival in zijn geboortestad. Tijdens zijn loopbaan van bijna 60 jaar werd hij één van de  meest gerespecteerde fotografen van Frankrijk. Geïnspireerd door de ervaringen van zijn jeugd (WOII) in combinatie met de tradities en sfeer van Arles heeft hij maar liefst 75 boeken gepubliceerd en hangen zijn foto’s in musea over de hele wereld. Ik moet eerlijk bekennen dat ik nog nooit van deze fotograaf gehoord had, alhoewel zijn foto’s me, bij nader inzien, wel enigszins bekend voorkomen. Het is ook niet de eerste keer dat ik tijdens deze week met namen geconfronteerd word, die voor mij totaal nieuw klinken. Een leerproces in grote sprongen ;).

IMG_5159.jpgVast recept (foto: IK)

We ontwikkelen al snel een dagelijkse routine. We ontmoeten elkaar bij de fontein, bezoeken een aantal exposities, genieten van een eenvoudige lunch, waarna ieder zijn eigen weegs gaat om elkaar aan het eind van de middag weer te treffen voor het avondprogramma waarin of nog meer exposities worden opgenomen of een uitje naar het amfitheater. Op verschillende avonden wordt werk van een fotograaf op een groot scherm geprojecteerd en van commentaar voorzien in het openluchttheater van de stad.

201907 ArlesRiepko Krijthe285-Edit.jpgAmfitheater (foto: RK)

Ik lees dat dit festival wel ‘de moeder van alle fotofestivals’ wordt genoemd. Wat Les Rencontres anders maakt dan de andere fotofestivals is de enorme omvang van het aanbod. Dit jaar staan er zo’n 50 exposities (voor 50 jaar festival) op het programma. Daarnaast zijn er lezingen, workshops, portfolio besprekingen, fotoboek prijzen etc. etc. en dat betreft slechts het officiële gedeelte. Meer dan honderd kleinere exposities van minder bekende fotografen bieden daarnaast een breed scala aan indrukken in de ‘Voies Off’. Het leuke en bijzondere is dat veel van de tentoonstellingen te zien zijn op verschillende historische locaties. Sommige van deze locaties, zoals kapellen uit de 12e eeuw of 19e-eeuwse industriële gebouwen, zijn zelfs alleen gedurende het festival voor het publiek toegankelijk. Ondanks het feit dat we letterlijk zeven dagen elke dag diverse exposities bezoeken, moeten we constateren dat we weliswaar de bulk hebben gezien, zeker van de grotere series, maar dat er nog steeds nieuwe galerietjes opduiken op onze zwerftochten door de stad.

webfotos ArlesRiepko Krijthe020-Edit.jpgKlooster (foto: RK) 

Wat ik vooral geleerd heb deze week is dat er een enorme variëteit in opzet, uitwerking en presentatie van de series bestaat. De directeur, vorig jaar door een groep vooraanstaande fotografen bekritiseerd wegens het gebrek aan vrouwelijke talenten in het hoofdprogramma, lijkt de kritiek ter harte te hebben genomen. Namen die me bij zijn gebleven, niet omdat ze vrouwen zijn, maar omdat hun werk me aansprak, zijn Helen Levitt, Evangelina Kranioti, Abigail Heyman, Valérie Belin en Susan Meiselas.

IMG_5168.JPGSmalle straatjes (foto: IK)

De jubelende woorden over Libuse Jarcovjakova (een Tjechische fotgrafe) waren aan mij minder besteed. Haar expositie ‘Evokativ’ bevat foto’s die tussen 1970 en 1989 zijn gemaakt in het communistische Tsjechoslowakije ‘tijdens een donkere periode van politieke onderdrukking en gebrek aan persoonlijke vrijheid’. Dit werk vertelt over haar eigen moeilijke jaren vol nachtleven, alcohol, depressie, seks en alles wat daar verder bij hoort en wordt rauw, zonder verfraaiing weergegeven. Het schept ontegenzeggelijk een beeld, het vertelt een (treurig) verhaal, maar het is mij te hard, te destructief. Het mag dan een ‘authentieke en openhartige getuigenis van het leven van een kunstenaar’ uitbeelden, toch kijk ik dan liever naar de ‘painted ladies’ van Valérie Belin, een Franse fotografe. Hier zijn de gezichten van de modellen neutraal met een ietwat afwezige blik ‘alsof ze getraind zijn op het eigen innerlijk leven’. Het laat wat te raden over, je kunt je fantasie gebruiken en de beelden hebben een eigen verhaal.

IMG_5207Fragment ‘Growing Up Female’ (foto: IK)

Abigail Heyman (Amerikaanse) is naast fotograaf ook feministe. Haar werk ‘Growing Up Female’ werd een belangrijke tekst voor de feministische beweging. Ook nu zijn sommige foto’s behoorlijk grafisch, zoals de foto waarop Abigail Heyman haar eigen abortus vastlegt. Daarentegen beschrijft ze de diverse omstandigheden in het leven van vrouwen met een humoristische kijk en een verfrissende blik die je even laat glimlachen en wat langer laat nadenken. Naar mijn idee beslist meer aansprekend.

201907 ArlesRiepko Krijthe324Susan Meiselas presentatie (foto: RK)

Hoe belangrijk het is om naast goede foto’s met een aansprekende boodschap eveneens een sterk verhaal te hebben blijkt tijdens een avondpresentatie van Susan Meiselas (Amerikaanse) in het amfitheater. Haar foto’s spreken aan. Ze zegt zelf in een interview (2008) dat ze zich goed beseft dat het maken van een beeld op zich niet voldoende is. Maar, vervolgt ze, wat is genoeg? Wat hebben we in dit proces van maken, publiceren, reproduceren, exposeren en opnieuw contextualiseren van werk in boek- of tentoonstellingsvorm geleerd? Ze besluit met de uitspraak dat ze slechts kan hopen dat haar foto’s een aantal vragen oproepen. Dat doen ze zeker. Hoewel haar foto’s dus een sterk verhaal vertellen, komt ze zelf minder goed uit de verf in de schijnwerpers, waardoor je aandacht sneller afdwaalt dan je zou willen. Je moet ook in alles goed zijn….

_DSF4521Op de ouderwetse toer (foto: IK)

Terug kijkend op onze week in Arles kan ik alleen maar concluderen dat je jezelf niet moet wegcijferen. Er zijn veel stijlen, veel mogelijkheden en veel uitdagingen waarin je je eigen plek moet proberen te vinden. Bovenal moet je blijven ‘schieten’, want oefening baart kunst. Tenslotte blijkt een juiste nabewerking echt onontbeerlijk voor een goed eindresultaat. Beoordelen is en blijft (uiteraard) een subjectieve bezigheid, dus laat dat je er niet van weerhouden je eigen verhaal te vertellen.

 

STOOM & WATER

Het is ondertussen alweer ruim een week geleden dat wij, in een klein gezelschap, een speciaal bezoek mochten brengen aan het Ir. D.F. Woudagemaal. Speciaal vanwege het feit dat er op dat moment geen andere bezoekers aanwezig zijn opdat wij in alle rust foto’s kunnen maken van en in dit grootste nog werkende stoomgemaal ter wereld.

201906 ir Wouda gemaalRiepko Krijthe326-EditHet Woudagemaal vanaf het water (foto: RK)

Stoomgemalen zijn vanaf het eind van de 18e eeuw in Nederland in gebruik. Om precies te zijn werd de eerste stoompomp in 1787 ingezet in Rotterdam en wel in de Blijdorpse polder in het noorden van de stad, waarnaar de wijk Blijdorp en de Diergaarde Blijdorp zijn genoemd.  Een Rotterdamse horlogemaker, Steven Hoogendijk, kreeg toestemming van het polderbestuur om een stoomgemaal te bouwen. Het debiet, de hoeveelheid water dat per tijdseenheid getransporteerd wordt, bedroeg een kleine 50.000 liter per minuut. Het nieuwe stoomgemaal kon meteen aan het werk. Verschillende wijken hadden in datzelfde jaar te kampen met grote wateroverlast. Door verbindingen te maken met het nieuwe stoomgemaal kon het overtollige water binnen anderhalve maand worden weggepompt. De boeren vonden de kosten voor het gemaal echter te hoog, waardoor het in 1791 alweer werd ontmanteld. Het succes bleek wel groot genoeg om deze manier van pompen in andere delen van Nederland te proberen, want dit maakte de aanpak van grotere projecten mogelijk. Zo maalden de stoomgemalen Leeghwater, Cruquius en Lynden tussen 1849 en 1852 de Haarlemmermeer leeg en waren de stoomgemalen Spaarndam en Halfweg noodzakelijk om datzelfde meer daarna in te polderen.

201906 ir Wouda gemaalRiepko Krijthe16-Edit.jpgHet stoomhuis (foto: RK)

Wat is er gebeurd met al deze gemalen? Het gemaal bij Halfweg (1852) is nog steeds het oudste, werkende stoomgemaal. Cruquius (1849) was ooit het grootste stoomgemaal ter wereld, maar bezit nu geen stoomketels meer en Lynden (1849) is omgebouwd tot een dieselgemaal, evenals Leeghwater (1845) en Spaarndam (1844). De bloeitijd van de stoomgemalen lag in de 19e eeuw, maar in 1920 werd het Woudagemaal nog gebouwd met een debiet van maar liefst vier miljoen liter water per minuut! Om het een en ander in perspectief te zetten: het Woudagemaal kan in 48 uur het hele Sneekermeer leegpompen en een Olympisch zwembad in 35 seconden…………

_DSF44855695620190616-Edit.jpgAan de muur (foto: IK)

Dit gemaal werd geopend door koningin Wilhelmina en had als taak overtollig water vanuit Friesland in de Zuiderzee, later het IJsselmeer, te pompen. Gedurende de winters daarvoor stonden grote delen van Friesland onder water, waarop besloten werd een stoomgemaal bij Lemmer te bouwen om de overlast tegen te gaan. Het gemaal is vernoemd naar Ir. Dirk Frederik Wouda, die destijds, als hoofdingenieur van de Provinciale Waterstaat, verantwoordelijk was voor de stijl en de uitvoering van het gebouw. Vroeger heette het gemaal het Stoomgemaal Tacozijl, het ligt vlakbij het buurtschap Tacozijl, maar sinds 1947 draagt het de naam van de ontwerper als dank voor zijn werk. In 1966 nam het elektrische Hooglandgemaal in Stavoren de werkzaamheden grotendeels over, maar als de spuisluizen bij Harlingen en Dokkummer Nieuwe Zijlen en het elektrisch Hooglandgemaal in Stavoren het water niet meer kunnen afvoeren, wordt het Woudagemaal nog steeds ingezet om het teveel aan water weg te pompen. Tijdens de laatste storm van ruim een week geleden heeft het gemaal nog zes dagen gedraaid omdat de wind verkeerd stond voor Stavorense gemaal.

_DSF44625693320190616-Edit.jpgSmering (foto: IK)

Wij worden opgehaald van de parkeerplaats en lopen achter onze gids het gebouw binnen. Het is een imposant gebouw, ontworpen door Wouda zelf, in de stijl van het zogenaamde Rationalisme, een voorloper van de Amsterdamse School. Het rationalisme is een reactie op de stijlen van eind 19e eeuw en wil de functie en constructie van een gebouw duidelijk zichtbaar maken. In Nederland wordt deze stroming voornamelijk verbonden aan Berlage (Beurs van Berlage in Amsterdam). Gebruik van bakstenen, zichtbaar dragend metselwerk, ijzeren constructies, betonnen balken en bogen zijn belangrijke kenmerken. Ornamenten worden zoveel mogelijk vereenvoudigd of helemaal achterwege gelaten. Regelmaat en eenheid voeren de boventoon. De website brengt het lyrisch: ‘Stalen spanten, het gebruik van natuursteen, eikenhout, uitgekiende kleuren en veel sierranden zorgen er samen voor dat de machinehal van het Woudagemaal het gevoel geeft alsof u een kathedraal binnenloopt.’ Dat gevoel heb ik er niet helemaal bij, maar het is ontegenzeggelijk indrukwekkend.

201906 ir Wouda gemaalRiepko Krijthe156-Edit.jpgAlles heeft een eigen kleur (foto: RK)

Onze gids moet duidelijk wennen aan zijn ‘nieuwe’ functie. Deze keer geen aandachtige toehoorders, maar mensen die voornamelijk oog hebben voor de vormen, kleuren, diepte en lijnen die de ruimte laat zien. Zodra iemand van ons even opkijkt, staat hij onmiddellijk klaar om zijn verhalen te vertellen. Hij weet er dan ook erg veel van. Het is boeiend hem te horen vertellen dat de bouw pas is begonnen in 1916, terwijl het ontwerp al twee jaar eerder klaar was. Er waren echter geen bouwmaterialen voorhanden als gevolg van WOI en ook het weer zat vaak niet mee. In 1918 was de schoorsteen klaar, maar negen dagen later was het mis toen de bliksem insloeg. De schoorsteen bleek dermate beschadigd dat hij helemaal afgebroken moest worden. Grappig is te weten dat de schoorsteen op 7 augustus dit jaar haar 100ste verjaardag viert. Amateur kunstenaars mogen die dag een schilderij maken met de schoorsteen als middelpunt. Aan het eind van de dag zal de zoon van de schoorsteenbouwer een lezing geven over de schoorsteen zelf. Het gemaal zelf viert haar honderd jarig jubileum pas volgend jaar.

201906 ir Wouda gemaalRiepko Krijthe33-Edit.jpg‘Stilleven’ (foto: RK)

Hij vertelt verder dat het gemaal gemiddeld zo’n 12 tot 14 keer per jaar werkt. Gelukkig dient het niet alleen als hulpgemaal. De 60 meter hoge schoorsteen is bijvoorbeeld een herkenbaar baken voor schippers op het IJsselmeer en daarnaast zijn het gebouw en de stoommachines trekpleisters voor architectuur- en stoomliefhebbers. Het gemaal is sinds 1977 een beschermd monument en staat vanaf 1998 op de werelderfgoedlijst van UNESCO. Werelderfgoed is ‘cultureel en natuurlijk erfgoed dat wordt beschouwd als onvervangbaar, uniek en eigendom van de hele wereld, en waarvan het van groot belang wordt geacht om te behouden.’ Nederland heeft tien erkende werelderfgoederen. Ze vertellen ‘op bijzondere wijze het verhaal van Nederland en de Nederlanders op het gebied van waterbeheer, burgersamenleving en (land)ontwerp.’ Hieronder vallen, voor mij, slechts een paar bekenden, zoals de Waddenzee (2009), de grachtengordel van Amsterdam (2010) en nu dus ook het Woudagemaal. Nog maar zeven te gaan :).

201906 ir Wouda gemaalRiepko Krijthe308-Edit-2.jpgHet werk zit erop (foto: RK)

De tijd vliegt voorbij en de volgende groep komt binnen druppelen. Het is gedaan met onze rust en ruimte, het gewone leven dringt weer binnen in onze ingetogen, haast serene wereld. Met vele gemaakt foto’s als tastbaar bewijs bedenk ik dat het vast de moeite waard is om nog eens terug te komen als het gemaal daadwerkelijk onder stoom staat. Dat moet een surrealistisch beeld geven. Alhoewel …… onze gids eindigt zijn verhaal met het weetje dat echte stoom of waterdamp onzichtbaar is. Volgens hem is het een veel voorkomend misverstand dat de (zichtbare) stoomwolken ‘stoom’ genoemd worden, terwijl het in werkelijkheid wolken van zeer fijne waterdruppeltjes zijn.

Hoe het ook zij, stoom en water blijven intrigeren in welke hoedanigheid dan ook.

 

DIEPERE BETEKENIS

Zomaar opeens komen we met iemand in contact die een opleiding volgt aan de fotoacademie. Hoewel ze op dit moment in haar eerste jaar bezig is, laat ze ons een scala aan onderwerpen en vaktechnische vaardigheden zien waaronder een reproductie van een bekend stilleven. Onder een stilleven wordt een groep voorwerpen verstaan die allemaal stil staan (hahaha). Officieel wordt het stilleven omschreven als ‘een artistieke compositie (schilderij, tekening, foto) van roerloze of levenloze objecten, die met zorg zijn belicht.’ Compositie, toonwaarde en kleur zijn belangrijke voorwaarden.

Het stilleven is van alle tijden, het kan heel realistisch zijn, maar tegelijkertijd kan het ook bol staan van de symboliek. Een goed voorbeeld is een ‘memento mori’ waarbij een combinatie van een bijbel en een menselijke schedel wordt weergegeven. Memento mori is Latijn voor ‘denk eraan dat je op een dag gaat sterven’. Dit thema ligt dichtbij ‘carpe diem’ (pluk de dag). Het verschil van interpretatie hangt af van de tijdsperiode waarin je je bevindt. In de Middeleeuwen werd meer gedacht aan het feit dat je, als je gaat sterven, voor het aangezicht van God moet verschijnen, terwijl men vandaag de dag meer het principe van ‘maak plezier’ aanhangt. Het moge hiermee duidelijk zijn dat stillevens zich lenen voor meervoudige interpretaties. Er is in 1614 zelfs een naslagwerk gemaakt (de Sinnepoppen) door Roemer Visscher dat nu nog vaak wordt geraadpleegd bij de interpretaties van stillevens. Geen sinecure dus! Mijn interesse is gewekt, helemaal omdat we met onze cursus Kijken ook aandacht aan het stilleven hebben besteed.

In de 17e eeuw is de vergankelijkheid van het leven het thema van het zogenaamde ‘vanitas’ stilleven. Het woord Latijnse woord betekent ijdelheid en leegheid. Ik lees dat met schedels, gedoofde kaarsen, verwelkte bloemen, zeepbellen, vergane boeken, muziekinstrumenten, klokken of omgevallen glazen de ijdelheid, tijdelijkheid en zinloosheid van het aardse wordt gevisualiseerd. Het voorbeeld van een memento mori past hier duidelijk helemaal in. Daarnaast zijn er nog tal van andere soorten stillevens, wat te denken van een ‘ontbijtje’ (stilleven met brood, messen, vis en dingen die tijdens een maaltijd aan het eind van de ochtend gegeten werden), een ‘toebackje’ (met pijp en tabak) of een ‘banketje’ (met rijkgevulde pastei)? Daarnaast zijn er natuurlijk nog ‘het fruitstuk’, ‘het bloemstuk’, ‘het jachtstuk’ en meer van dit soort duidelijke varianten. Tot slot kan met een stilleven de rijkdom van de opdrachtgever van het schilderstuk gesymboliseerd worden in het zogenaamde pronkstilleven. Keuze te over, lijkt me.

Robert_Campin_-_L'_Annonciation_-_1425.jpg‘Annunciatie’ – Robert Campin (bron: internet)

In het kader van de symboliek wordt tijdens onze cursus o.a het ‘Merode altaarstuk’ of ‘Annunciatie’ besproken. Deze triptiek (drieluik) van Robert Campin werd ongeveer tussen 1427 en 1432 geschilderd. De naam Mérode verwijst naar een Belgische adellijke familie; de laatste particuliere eigenaar voordat het werk in 1956 in het bezit kwam van het Metropolitan Museum in New York. Voor een altaarstuk is het vrij klein, wat aangeeft dat het niet voor een kerk is gemaakt, maar voor privégebruik. De opdrachtgever was waarschijnlijk de man op het linker paneel, de koopman Peter Ingelbrechts of Engelbrechts, want het wapenschild van zijn familie is te zien in het raam op het middenpaneel. Beide figuren kijken fictief door de openstaande deur naar het gebeuren in het midden. Achter het koppel staan de rozen in bloei, ten teken dat het voorjaar is. Mogelijk is dit symbolisch voor 25 maart, de datum die toen gold als het feest van de annunciatie? De man in het rechterpaneel is natuurlijk Jozef. Waarschijnlijk is het geen toeval dat Jozef muizenvallen maakt (op tafel en buiten voor het raam). De theorie is dat het vangen van muizen symbool staat voor het vangen van de duivel. De muizenval zou dan verwijzen naar de Heilige Augustinus die stelde dat het kruis van de Heer de muizenval voor de duivel was. Een doordenkertje! Het gros van de symboliek bevindt zich echter in het middenpaneel. Heb je al enig idee? Kijk naar de kaars op tafel, die is net gedoofd. De vlam is een symbool van God, maar er is al een andere vorm van God onderweg (zie je hem?), dus het gewone licht was niet meer nodig. De lelie staat uiteraard symbool voor Maria’s maagdelijkheid, de plooien van haar gewaad vormen een ster wat symboliseert dat Maria wordt gezien als de ster der sterren. De boeken staan waarschijnlijk voor het oude en nieuwe testament. Het mooist vind ik echter de lichtstralen die door het ronde raam vallen waarop je een kleine Jezus (compleet met kruis!)  rechtstreeks naar Maria ziet vliegen. Schitterend toch? Je moet wel goed kijken en interpreteren, maar dan heb je ook wat!

RIJK01_M-SK-A-4830-00_X.jpg‘Stilleven met vergulde bokaal’ – Willem Heda (bron: internet)

Maar goed, hoe mooi ook, dit is met name een voorbeeld van christelijke symboliek en natuurlijk geen stilleven. Het stilleven was en is een uitstekende manier voor de kunstenaar om te laten zien hoe goed hij is in stofuitdrukking, d.w.z. het neerzetten van ‘het glanzende glas, het sappige fruit en het kwaliteitslinnen’ dat je zo lijkt te kunnen oppakken. Toch heeft een stilleven vaak ook een zekere symbolische betekenis. Neem nu ‘stilleven met vergulde bokaal’ (1635) van Willem Claesz. Heda. Het is sowieso al ongelooflijk knap hoeveel schakeringen grijs deze man kon schilderen. Willem Heda was dan ook gespecialiseerd in bijna eenkleurige stillevens, de zogeheten ‘monochrome banketjes’. Vaak wordt gedacht dat zo’n rijke, plotseling afgebroken maaltijd geschilderd is met de bedoeling aan te sporen tot matigheid. Om dan toch je rijkdom te kunnen laten zien (ondanks je sobere leven), konden rijke burgers zo’n pronkstilleven ophangen. Vruchten op zichzelf hebben natuurlijk ook weer een betekenis. In dit geval een citroen die vanwege zijn bittere zure smaak een symbool is voor ‘zure liefde en valse vriendschap’. Vind je dat niet schitterend? Maak je er een sinaasappel van dan verandert de betekenis in het hebben van kennis over goed en kwaad en kan deze vrucht zelfs symbool staan voor vruchtbaarheid. Een appel daarentegen staat symbool voor de liefde, vaak met een ondertoon van erotiek (de borsten worden vaak vergeleken met appels). Bij een onderwerp met een religieuze lading, staat de appel voor spirituele kennis, want de appel van Adam en Eva gaf immers kennis van goed en kwaad. Je moet je koppie erbij houden als je naar een stilleven kijkt!

329d7f9ee1e0fa5df25b751ac428603205401500eca96418f8754e3793f447c8‘Bellenblazende man en vrouw’ – Louis de Moni (bron: internet)

Symboliek werd tevens gebruikt ‘ter lering ende vermaak’. Kijk eens naar ‘Bellenblazende man en vrouw (1771) van Louis de Moni. De 18e eeuwse kijker ziet iets heel anders dan de kijker van vandaag de dag. De lege vogelkooi die rechts aan de muur hangt is een erotisch motief voor gevangen liefde. Daarnaast was een ‘vogelaar’ een koppelaar of hoerenbaas. Het feit dat de vogelkooi leeg is, kan in verband worden gebracht met het verliezen van de maagdelijkheid van de vrouw. Onder de vogelkooi staat een rozenstruik, waarvan één roos in bloei staat en de andere al aan het verwelken is, wat inhoudt dat alles in het leven vluchtig is. Een ander symbool verbonden met de eindigheid van het leven is de bellenblazende man. Deze beeldtaal staat in de kunstgeschiedenis bekend als ‘homo bulla’ (letterlijk: de mens is als een luchtbel). De man op het schilderij is dus niet vrolijk bellen aan het blazen, maar hij draagt een belangrijke boodschap uit, t.w. dat het leven van de mens net zo kwetsbaar is als dat van een zeepbel.

Met al deze voorbeelden heb ik slechts een tipje van de sluier opgelicht. Haast jammer dat de schilders tegenwoordig minder symboliek toepassen of is dat toch te ongenuanceerd? Als je wilt en goed kijkt, zie je overal symbolen. Symboliek en daarmee de diepere betekenis zit misschien in de gewoonste dingen, ik moet ze alleen leren herkennen.