‘THE BIG VIEF’

De laatste dagen hebben we met diverse mensen over de zogenaamde ‘big five’ gesproken. Je kunt het tegenwoordig niet zo gek bedenken of er bestaat wel een ‘grote vijf’ van en mocht dat nog niet het geval zijn, dan bedenk je er toch eentje?! De bekendste reeks is natuurlijk de ‘Wildlife Big Five’ uit Afrika. Deze bestaat, zoals je waarschijnlijk wel weet, uit de leeuw als de koning der dieren, de olifant als het grootste landdier ter wereld, de buffel als het gevaarlijkste dier van deze vijf, de neushoorn als de meest bedreigde soort en het luipaard als het moeilijkst te spotten dier van het stel. De term big 5 komt uit de tijd van de ‘big game’ jagers. Dit waren destijds de vijf lastigste grote wilde dieren om op te jagen. Ook in Nederland kennen we een ‘grote vijf’ die bestaat uit de ree, het edelhert, het wilde zwijn, de bever en de zeehond. Zeker bijzonder, maar ik denk niet dat we deze dieren veel tegen zullen komen op ons Drenthepad. Gelukkig, voor ons, kennen ze in Drenthe hun persoonlijke ‘Big Vief’ met hun eigen unieke rassen. Zeldzame dieren die deel uitmaken van het Nederlands levend cultureel erfgoed. Het rijtje dat ik het meest tegenkom omvat het Drents Heideschaap, de Nederlandse Landgeit, de Bonte Bentheimer (een varken), de Drentse Hoen en de Groninger Blaarkop. Hee, de Groninger Blaarkop? De verklaring is dat Drenthe lang haar eigen soort runderen heeft gehad, vooral voor de mestproductie, maar dat ze de komst van kunstmest en de vraag naar hoog producerende melkrassen niet hebben overleefd. De koe van de buurprovincie heeft daarom een plek in de Drentse Big Vief gekregen met name omdat de blaarkop of de ‘polderpanda’, zoals deze koe ook wel genoemd wordt, bijna even zeldzaam blijkt te zijn als de Chinese panda. Een merkwaardig feit! Desondanks lijkt me dit wel een uitvoerbaar lijstje, dus we gaan ervoor!

We willen vandaag het ontstane gat (van de vorige keer) dichten. We lopen eerst van Roderesch naar Mensinge, dan door naar Roden en vervolgens verder naar Leek. Een totaal van zo’n 13 kilometer, meer dan ik tot nu toe heb gelopen. Je weet echter nooit wat je kunt, totdat je het probeert. Met dat sentiment gaan we welgemoed van start.

Roderesch ligt vlakbij het dorpje Eén, waar de kapper eens een begrip was en misschien (in de herinnering) nog steeds is. Deze kapper werd vlak na de oorlog beroemd door zijn behandeling van kaalhoofdigen met een speciaal haarwater. Het middel werkte echter niet goed, de zaken gingen steeds slechter en de kapper werd uiteindelijk steeds meer gezien als oplichter. Grappig hoe zulke verhalen blijven hangen. Vandaag lopen wij echter de andere kant op en wanen we ons al snel ver van de bewoonde wereld. Heerlijk hoe je zo midden in de natuur loopt en alleen soms ver weg de geluiden van ‘de beschaving’ hoort. De geluiden dichtbij zijn die van vogels en insecten. Deze zomerse dag is een heerlijke dag om te wandelen, minder fijn zijn sommige beestjes die bij dit warme weer horen. Wat mij betreft zouden de teek, de mug en de eikenprocessierups zeker in de ‘big 5 gevaren in de natuur’ mogen voorkomen. Over die andere twee moet ik nog wat langer nadenken……. wespen?, berenklauw? 

Jeukende rode vlekken of blaasjes van berenklauw

Een groot deel van deze etappe loopt door het Mensingebos en het Moltmakersstuk, het grootste stuk heide dat hier dwars doorheen loopt. Een moltmaker of moutmaker kiemt koren (vooral gerst) in water, droogt het en brouwt er vervolgens bier van. Heeft dat hier vroeger plaatsgevonden? Ik kan het nergens terugvinden. Wel moeten hier ergens Nederlandse Landgeiten lopen om de heide gezond en open te houden. Helaas………..

De omgeving van Roden bestond eeuwenlang uit heidelandschap totdat Jan Wilmsonn Kymmell (1761-1823), burgemeester van Roden, besloot hier bossen aan te leggen. Hout kon namelijk goed verkocht worden, hetgeen generaties lang op havezate (burcht) Mensinge gebeurd is. Ook het Sterrebos hoorde bij Mensinge. Vroeger heette dit bos, wat al is aangelegd rond 1700, toepasselijk het ‘oude bos’. De acht paden die op dit punt samenkomen vormen op de plattegrond een ster, een ontwerp vorm dat toentertijd vaker werd gebruikt om de allure van parken en landgoederen te versterken. De lange rechte paden waren speciaal aangelegd voor de jacht, maar tegelijkertijd gold toen ook de regel: hoe meer paden in een bos, hoe groter het aanzien van het landgoed, hetgeen uiteindelijk een willekeur aan paden in het bos heeft opgeleverd. Jan’s nazaat Coenraad Wolter Jan Kymnell (1863-1924) was in zijn tijd geen bekende kunstschilder, maar hij was wel de broer van Christina Sophia Kymnell die tot haar dood in 1949 op Mensinge heeft gewoond. Tijdens zijn vele verblijven op de havezate heeft hij het omringende landschap vaak geschilderd. Op een aantal plekken staat een lijst in het landschap met daarnaast het schilderij van toen. Het valt niet mee om het landschap van destijds te herkennen, er is veel veranderd in honderd jaar!

Hier heeft Coenraad destijds het landschap geschilderd

In een wedstrijd om de titel ‘Drenthe in een notendop’ zou dit hele gebied hoge ogen gooien, want op twee vierkante kilometer vind je hier bijna alle elementen van het klassieke Drentse landschap bij elkaar. We lopen langs prachtige overhangende bomen, smalle kronkelpaadjes, heide, houtwallen, verstilde vennen en het beekdal van het Peizer Diep om te eindigen bij een havezate. Inderdaad een magnifiek gebied. 

Veel varens in het Mensingebos
Vistrap in het Peizer Diep
Langs het Peizer Diep (RK)

Ons volgende stuk loopt naar Roden. We ronden de havezate en zien aan de achterkant een eerbetoon aan de dichteres M. Vasalis, pseudoniem van Margaretha (Kiekie) Drooglever Fortuyn-Leenmans (1909-1998). ‘Vasalis’ is een Latijnse vorm van haar achternaam ‘Leenmans’. Ze woonde van 1964 tot haar overlijden in 1998 in Roden (Huis De Zulthe). Ter gelegenheid van haar honderdste geboortedag ontwierp Eric de Lyon het monument ‘Tijd’. Hij verbeeldt met zijn kunstwerk een vijftal dichtregels in de vorm van betonnen balken op een plateau van gras. Geschuurde zwerfstenen waarop letters zijn uitgestraald vormen samen de dichtregel ‘ik droomde dat ik langzaam leefde… langzamer dan de oudste steen’. Ze zijn met lange pennen in de betonnen balken (regels) bevestigd. De andere regels zijn kaal; ‘ze nodigen uit om te gaan zitten, kijken en genieten te midden van de fruitbomen en stinzenplanten.’ Naast de vaste regels zijn losse stenen met letters gemaakt die in een soort dozen van draadstaal klaarliggen voor een creatieve geest. Misschien iets voor een andere keer?

Poezie monument Vasalis

Voor nu laten we het dorp links liggen en vervolgen we onze weg over een zogenaamd schouwpad. Een schouwpad is een pad langs een watergang waar een vertegenwoordiger van het waterschap de schouw (inspectie van de sloten) kan uitvoeren. Talrijke bruggetjes onderbreken het waterlint. We steken het water over en lopen via een bospaadje, een schelpenpaadje en graspaden letterlijk achterlangs het leven. Vaak paralel aan een grotere weg, maar dusdanig door bomen en/of wallen gescheiden dat we (bijna) niet in de gaten hebben dat we zo dicht langs de huizen lopen. Onze mooiste ervaringen zijn niet de luidruchtigste, maar onze stilste momenten (Friedrich Nietzsche). 

Langs het schouwpad

Met het oversteken van een drukke weg beginnen we aan onze laatste kilometers van vandaag. Ook nu voert het pad ons door de natuur, weg van het lawaai van de nabij gelegen verkeersweg. Bospaden, knuppelpaden (houten vlonderpaden) en schelpenpaden leiden ons naar ven ‘Het Vagevuur’, een naam die tot de verbeelding spreekt. Dit vennetje, in het gebied ‘Natuurschoon’, is één van de oudste nog herkenbare elementen in de omgeving. In een resolutie van Gedeputeerde Staten van Groningen van 8 augustus 1626, dus tijdens de 80-jarige oorlog, wordt al gesproken van een garnizoen op ‘het fort Vegevuir’. Later heeft het vennetje de naam ‘Vagevuur’ gekregen en wordt de nabijgelegen boerderij ‘Veghevuir’ genoemd.

Ven ‘Het Vagevuur’ (RK)

Maar de geschiedenis van het Vagevuur gaat nog veel verder terug. Dit ven is een mooi voorbeeld van een zogenaamde pingoruïne, één van de tientallen, zo niet honderden in Drenthe. Pingoruïnes zijn vennetjes die aan het eind van de Weichsel-ijstijd (maar liefst 116 tot ruim 11 duizend jaar geleden) werden gevormd doordat eerder gevormde ijsheuvels (pingo’s) smolten. Maar niet elk Drents waterplasje is een pingo-ruïne. Door boringen in de ondergrond kan het bodemprofiel van een ven, meertje of kuil in kaart gebracht worden. Uit de karakteristieke opbouw en vervormingen in de grondlagen kan dan worden bepaald of het inderdaad om een oude pingo gaat. In 2000 is het slib uit het Vagevuur gebaggerd. De stobben die in droge tijden boven het water uitstaken zijn toen ook grotendeels verwijderd. Een C14 onderzoek, om de ouderdom vast te stellen, bracht aan het licht dat deze stobben bijna 8000 jaar oud waren. Verbazingwekkend, zo dicht bij huis!

Een kogelronde vijver (RK)

Even later lopen we door het bos om een kogelronde vijver. Dit moet haast wel door mensenhanden zijn aangelegd, maar is daarom niet minder mooi. Met het eindpunt dichtbij hebben we ondertussen eigenlijk nauwelijks (op grote afstand telt niet) iets van de Drentse Big Vief gezien. We hebben echter nog een kleine 300 kilometer te gaan, dus ik heb er alle vertrouwen in dat dat uiteindelijk wel goed zal komen. Tenslotte ligt alles op loopafstand als je maar tijd genoeg hebt (Steven Wright).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s