Uniek landschap

Jacobspad: Zanddijk (Onlanden)-Roderwolde

Het is alweer een tijd geleden dat we voor het laatst gelopen hebben. Na augustus vorig jaar kreeg ik meer en meer last van mijn linker knie. Onderzoek wees uit dat er weliswaar vocht in de knie zit, maar alle banden en zichtbare delen op de echo zagen er wel goed uit. Het ‘probleem’ zit daarmee dieper in de knie en het advies is fysiotherapie om alle spieren rondom aan te sterken. Inmiddels ruim een half jaar verder gaat het beter en wil ik de draad weer oppakken met een kortere wandeling van ongeveer 6 kilometer. Eens kijken hoe het ‘soft’ wandelen in de praktijk gaat bevallen. 😉

Het traject van de Zanddijk in De Onlanden naar Roderwolde is daar, volgens mij, een ideaal stuk voor. Volgens de beschrijving ‘voert het wandelaars door een ruig, jong natuur- en waterbergingsgebied met weidse uitzichten, grasdijken, moerasgebieden en vaak de aanwezigheid van ooievaars of de zeearend.’ Vooral in het voorjaar moet het hier een eldorado voor vogels zijn. Het verhaal dat tientallen veldleeuweriken onderweg voor een muzikaal feest kunnen zorgen, spreekt tot mijn verbeelding. Genoeg te zien en te genieten en vast zeer geschikt om het tempo te vertragen. Twee vliegen in één klap?

De ‘schelp’ is soms lastig te vinden

We starten bij ‘de Onlanderij’. Dit vroegere boerenerf aan de Madijk in Eelderwolde is al enkele jaren een poort tot natuurgebied De Onlanden. Oorspronkelijk werd dit gebied gekenmerkt door heidevelden die werden doorkruist door kleine, vochtige graslanden. Het water uit de beken van Drenthe kwam hier samen om vervolgens naar de Waddenzee te stromen. In het verleden heeft de stad Groningen meerdere malen te maken gehad met wateroverlast omdat het water bij hevige regenval te snel richting Groningen werd afgevoerd. Met de herinrichting van het gebied kreeg dit natuurgebied ook de functie van waterreservoir om mogelijke overstromingen in de toekomst te voorkomen. De natuur heeft zich daarna snel aangepast en ontplooit zich langzaam weer naar een waterrijk gebied met een natuurlijk fluctuerend waterpeil. Natuurmonumenten heeft (onderhoud)hulp van een kudde Exmoor pony’s, stoere oerpaardjes die zonder problemen het hele jaar buiten kunnen blijven. Dit paardenras is zeldzaam geworden, waardoor deze nieuwe kudde ook kan bijdragen aan het behoud van deze bijzondere soort. Leuk weetje is dat van de opbrengst van de Groene 4 Mijl in 2016 en 2017 een aantal van deze paardjes zijn aangeschaft. Door de begrazing met de pony’s, samen met de (zomer)begrazing door 400 koeien, wordt het gebied veel afwisselender wat weer gunstig is voor de verscheidenheid aan planten en dieren. Ze hopen hier bijvoorbeeld veldleeuweriken, roerdompen, paapjes, porseleinhoentjes en misschien zelfs de grauwe klauwier te zien, aldus een boswachter.

Langs de Zanddijk

Ha, de veldleeuwerik……. We doen ons best, maar zo’n klein vogeltje (16-18 cm) is moeilijk met het blote oog te ontdekken. We verdiepen ons snel in de uiterlijke kenmerken en leren dat de veldleeuwerik een lichtbruin verenkleed heeft met een licht bruin gestreepte borst. Deze strepen contrasteren met een witte buik. Ze kunnen een korte, stompe kuif oprichten en ze hebben een relatief korte snavel. Zonder verrekijker een onmogelijkheid ;).

‘Zien is kennen‘

Hun geluid dan? Dat muzikale feest? De ‘uitbundig klinkende zang’ van de veldleeuwerik wordt als volgt beschreven: ‘dit kan op mooie dagen in het voorjaar van grote hoogte gehoord worden. De mannetjes maken spectaculaire zangvluchten. Eerst klimmen ze luid zingend tot een hoogte van soms meer dan honderd meter, waarna ze ook weer zingend omlaag vliegen om in de buurt bij het vrouwtje te landen. Een uitzonderlijk record ligt op 56 minuten.’ Klinkt bijzonder, maar ik denk dat het vogeltje vandaag overstemd wordt door de ganzen en de kraaien, die natuurlijk veel meer kabaal kunnen produceren!

Langzaam maar zeker wordt het steeds minder druk om ons heen. We kruisen het gekanaliseerde riviertje de Gouwe en genieten van de wereld om ons heen.

Uitkijken over de Gouwe

Vreemd om je te realiseren dat er rond 1300 al monniken door dit moerasgebied liepen. Ze waren op weg van het klooster in Aduard naar de kerk in Vries. Volgens de overlevering pauzeerden zij vaak bij een hoger gelegen zandkop die boven het moeras uitstak. Er zou op dit punt destijds een beeld hebben gestaan en daarom heeft de uitkijktoren die nu op deze plek staat de naam ‘Het Beeld’ gekregen. Langs het pad hier naar toe staan een paar figuren van monniken en een paar bankjes. Verwijzingen naar de geschiedenis van dit gebied. Wij lopen hier niet langs, maar zien even verderop in de fietstunnel wel een verwijzing in de vorm van een muurschildering.

De monniken liepen hier vroeger ook al ……

We zijn inmiddels vlakbij het tolhuis aan de andere kant van de Groningerweg. Tot ongeveer 150 jaar geleden waren er in Drenthe alleen maar zandwegen. Moeilijk om op te lopen of om met paard en wagen over te rijden, vooral na een flinke regenbui. Eén van de belangrijkste wegen in de gemeente Noordenveld is de Groningerweg die vanaf Smilde, via Norg, Roden en Peize naar Groningen loopt. Deze weg tussen Roden en Peize naar de stad is in 1884 aangelegd, evenals het (bijbehorende) tolhuis. De verharding en ook het onderhoud van de weg was duur. Daarom werd er langs deze weg tol geheven, want als je de weg wilde gebruiken, dan moest je daarvoor betalen. Een postwagen moest bijvoorbeeld 10 cent betalen en een kar met een geit ervoor 3 cent. Inmiddels is het tolhuis als woonhuis in gebruik waarmee de oorspronkelijke indeling met bergruimte, koe- en varkensstal verdwenen is. Het blijft leuk om je te verdiepen in kleine beetjes geschiedenis onderweg.

We lopen verder richting het Peizerdiep. Tussen de diverse dorpen stromen verschillende beekjes die samenkomen in het Peizerdiep, dat bij Peizermade overgaat in het Aduarderdiep en uiteindelijk richting de Waddenzee stroomt. In de tijd voor de aanleg van goede wegen (ruwweg voor 1900) was vervoer over water één van de belangrijkste transportmiddelen voor zowel goederen als personen. De dorpen Peize en Roderwolde hadden dan ook een kleine haven. De oude vaarverbinding sloot aan op het Hoendiep waardoor een verbinding met de stad Groningen een feit was. Het haventje van Peize bestaat niet meer en het haventje van Roderwolde is in de zeventiger jaren gedempt. In 2006 is het haventje van Roderwolde weer in ere hersteld na initiatieven vanuit de bevolking. Het Peizerdiep is nog steeds bevaarbaar, maar vanwege de lagere waterstand en de brug in de A7, slechts voor kleine boten zoals b.v. kano’s.

Het zand nodig voor de werkzaamheden in De Onlanden komt over het Peizerdiep
Haventje in Roderwolde

Dan doemt Roderwolde op. Van verre zien we zowel de molen als de witte kerk, tevens ons einddoel van vandaag. Windmolen Woldzigt is de grootste molen en volgens de Roderwolders (en velen met hen) ook de mooiste molen van Drenthe. In 1852 lieten twee zwagers hem als oliemolen bouwen. De namen van beide heren staan op een gevelsteen vermeld. Via de Schipsloot recht tegenover Woldzigt konden lijnzaad en koolzaad worden aangevoerd. Van het lijnzaad maalden ze lijnolie voor de verffabrieken en persten ze veekoeken. Koolzaadolie werd vroeger veel als lampolie gebruikt. Na een paar jaar werden op de zolder molenstenen geïnstalleerd voor het malen van graan. De molen, een achtkante bovenkruier met stelling, is niet alleen bijzonder vanwege de ouderdom en de gaafheid, maar ook vanwege het feit dat de molen twee functies kent, die bovendien springlevend zijn. Er wordt nog regelmatig olie geslagen, waarbij op een ambachtelijke wijze lijnolie wordt verkregen. In 2016 ging molen Woldzigt samen met molen De Hoop in Norg en de Paiser Meul in Peize over van de gemeente Noordenveld naar Stichting Het Drentse Landschap; ‘een stichting die zich inzet voor het behoud van de Drentse natuur en zich sterk maakt voor het in stand houden van ons culturele erfgoed.’

Hoog boven de bomen

Roderwolde is weer een dorp met een Jacobskerk, gewijd aan Sint Jacob, de apostel. Even ter herinnering: Sint Jacob maakte deel uit van de groep apostelen die tot de directe kring van Jezus behoorde en was één van de eerste martelaars van de Katholieke Kerk door zijn leven te geven voor Jezus. Na de dood van Christus begon Jacobus (Santiago in het Spaans) mensen in Hispania te bekeren.

De kerk was sinds de oprichting een ‘zelfstandige, bisschoppelijke eigenkerk’, dat wil zeggen dat de bisschop de kerk uit eigen middelen heeft gesticht. De keuze van de beschermheilige St. Jacob bevestigt de hoge ouderdom van de kerk: na de 12e eeuw werden weinig kerken meer gewijd aan St. Jacob of andere apostelen. Vermoedelijk dateert het eerste kerkje van Roderwolde uit de tweede helft van de elfde eeuw. Het was van hout gebouwd, zoals dat in deze streken vaker het geval was. Ongetwijfeld hebben de monniken uit Aduard later een belangrijke rol gespeeld bij de bouw van de eerste stenen kerk. Het is zeker dat de kerk was gebouwd met kloostermoppen gebakken van klei uit de directe omgeving. In de Kleibosch (Foxwolde) lag een dikke laag potklei dicht aan de oppervlakte. Ook aan turf en hout, de brandstoffen nodig voor het bakken van de stenen, was in deze streek geen gebrek.

Het huidige kerkje is gebouwd in 1831. De stenen van de strakke witte kerktoren zijn echter nog afkomstig van de voormalige 12e-eeuwse dorpskerk. Boven het informatiebord hangt een witte Jacobsschelp, om een ieder er aan te herinneren dat deze kerk aan het pelgrimspad naar Sint Jacob in Spanje, richting Santiago de Compostela, ligt.

We zijn op de juiste weg 😉

De huidige klok dateert uit 1634. Mogelijk zijn de oude middeleeuwse klokken in de onrustige jaren daarvoor geroofd en geconfisqueerd om er kanonnen van te gieten voor het leger van prins Maurits. Toen na de Reformatie de rust min of meer terugkeerde, besloten de kerkvoogden een nieuwe klok te laten gieten. De nieuwe klok werd in 1630 besteld dankzij geleend kapitaal van enkele gegoede ‘kerspellieden’. Tijdens de laatste oorlog dreigde de klok door de Duitsers in beslag genomen te worden. Op de envelop van een briefje, dat in januari 1943 werd verzonden, ter kennisgeving van de in beslag name, heeft een Rowolmer met woedende uithalen gekrast: ‘Klokken in beslag genomen door de Moffen.’ De klok is dus toch weggehaald door de Duitsers en werd, zoals later bleek, naar Hoogeveen overgebracht naar het depot van de Inspectie van de Kunstbescherming. In april 1945 schreef dezelfde secretaris aan de kerkelijke gemeente van Roderwolde dat de oude klok de oorlogsjaren had overleefd en teruggevoerd zou worden naar Roderwolde.

Grappig weetje is dat er in 2002, door een groepje enthousiaste Rowolmers, een oppervlakkig onderzoek is gedaan naar de fundamenten van de oude kerk. Deze liggen nog steeds ongeschonden omstreeks 50 cm onder het maaiveld, waardoor de exacte ligging van de kerk midden op het kerkhof gemakkelijk valt te traceren. Ondanks het feit dat de kerk helaas gesloten was, zijn we toch weer veel te weten gekomen over vooral de uiterlijke kenmerken ……..

Groene oasen (Jacobspad)

Jacobspad: Stadspark-Piccardthof-Onlanden

De omschrijving van een oase is in dit geval ‘een rustige plaats met veel groen’. Deze bijzonder plekken vormen vandaag de rode (groene) draad van ons wandeling. Voor de pelgrims onder ons geeft zo’n groene oase een heel andere manier van rust dan het bidden in een kerk, getuige een pelgrimsverslag. ‘De stad achter me gelaten, een verademing op zich! Het lijkt wel of de groene oase me roept. Eén met de natuur en één met mezelf. Langzaam maar zeker vertraag ik naar mijn natuurlijke ritme. Langzaam maar zeker dwaal ik af, weg van de hectiek en dagelijkse gewoontes’ (Jacco Evers). Mooi toch?

Misschien met zo’n beeld voor ogen? (RK)
Of dromeriger zoals hier? (RK)

De eerste ‘oase’ voor ons is meteen het grootste groengebied van de stad; het Stadspark. De eerste plannen voor een groot stuk groen stammen uit het begin van de 20ste eeuw op initiatief van industrieel Jan Evert Scholten. Het doel was een park te creëren dat zich zou kunnen meten met de grote, destijds bekende parken van Wenen, Berlijn, Amsterdam en Den Haag. Op dit gebied boden de al bestaande parken in de stad, het Sterrebos en het Noorderplantsoen, naar zijn idee onvoldoende mogelijkheden.

Een visie (RK)

Jan Evert Scholten (1849-1918) woonde in Groningen. Hij erfde een fortuin na zijn vader’s dood in 1892 en werd daarmee één van de meest vermogende mannen in Nederland. Hij zat zelf echter ook niet stil. Hij zette het vaderlijk bedrijf, het Scholten-concern, voort en breidde zijn industriële en zakelijke activiteiten verder uit. Hij liet in 1873 ‘buitenhuis’ Villa Gelria bouwen aan de Verlengde Hereweg. Hij bezat al, vanaf 1881, een woonhuis aan de Grote Markt; het Scholtenhuis. Dit statige pand aan de Grote Markt werd aan het einde van de 19e eeuw in opdracht van zijn vader Willem Albert Scholten gebouwd. In WOII werd het echter het hoofdkwartier van de regionale afdeling van de Sichterheitsdienst (SD). Het pand werd toen berucht om de vele martelingen die er plaatsvonden en werd daarom wel ‘het voorportaal van de hel’ genoemd. Scholten gaf ook een belangrijke aanzet voor de toeristische ontwikkeling van het Paterswoldsemeer. Zo bouwde hij in 1908 buitenhuis de Paalkoepel, richtte hij in 1912 van de Watersport Paterswolde op, liet hij in 1916 de Meerweg asfalteren en bouwde hij in 1917 de Buitensocieteit, het clubhuis van de zeilclub.

De erfenis van Scholten met de klok mee: de Paalkoepel, het grafmonument van de familie Scholten, het Stadspark (met een optreden van Sting) en Villa Gelria (DvhN 2023)

Tussendoor schonk hij de Stadjers, in 1913, een grote lap grond van 140 hectare met als doel: een openbaar park waar iedereen terecht kon voor sport, plezier en ontspanning. De ontwikkeling van het park heeft daarna toch nog heel wat voeten in de aarde gehad. Landschapsarchitect Leonard Springer (Springervijver in het park) werd ingevlogen om het geheel vorm te geven. Samen bedachten ze een plan om het braakliggende terrein om te toveren tot bijzonder natuurpark, geheel in Engelse landschapstijl. 

De toegang tot……. (IK)
De toegangstunnel is verrassend (RK)
Beide kanten van de toegangstunnel zijn bijzonder (IK)
Verderop veel graffiti (IK)
Oefening baart kunst, maar het wil nog niet zo lukken 🥴 (RK)

Aan de westkant kwam een gedeelte met een grote vijver en een paviljoen, wat ook dienst kon doen als tentoonstellingsruimte en/of een ruimte voor openbare bijeenkomsten. In het midden kwam een renbaan met een grasveld en aan de oostzijde een gedeelte met sportvelden en een ijsbaan. Uiteindelijk zijn alle ideeën gerealiseerd en kon de officiële opening in 1926 plaatsvinden.

Een moeder met kind in het gras bij het splinternieuwe Stadsparkpaviljoen, ca 1926 (Groninger Archieven)

Als eerbetoon is er in 1931 een monument voor Scholten geplaatst aan de Concourslaan, een prominente plek in het park. Boven op een kalkstenen muur staat een bronzen buste van Jan Evert Scholten die met een trotse het Stadspark inkijkt. Uit de muur waarop de sculptuur staat, zijn twee kinderfiguren in sportkleding gehouwen: een meisje met knotsen en een jongen met een discus. De bronzen plaquettes ernaast tonen een paard met een veulen en een paard met kar en wagen. Deze verwijzen naar de paardenfokkerij en de drafsport, twee liefhebberijen van Scholten. Op de hoeken van het monument zijn de wapens van Stad en Ommelanden aangegeven.

Het Scholten monument (RK)
Om de details wat beter te zien 😉 (IK)

Grappig genoeg lijkt de vlag van de Ommelanden veel op de Friese vlag. Dat blijkt ook wel te kloppen! Als gevolg van een gemeenschappelijk verleden lijken de vlaggen inderdaad op elkaar. Even nalezen leert dat de vlag van de Ommelanden gebaseerd is op het Ommelander wapen uit het laatste kwart van de 16e eeuw. De Ommelanders waren in die tijd in oorlog tegen de Spaanse koning Filips II (80-jarige oorlog). Mogelijk hebben ze daarom willen verwijzen naar de legendarische ‘Friese Vrijheid’, want de Friezen bestuurden zichzelf gedurende een groot deel van de Middeleeuwen en horigheid (dienstbaarheid aan een heer) kwam er niet voor. Het is wel goed om je daarbij te realiseren dat Friesland toen groter was dan de huidige provincie nu. Het hele Noord-Nederlandse en Noord-Duitse kustgebied werd aangeduid als Frisia, de Groninger Ommelanden dus ook. In wapenboeken verschenen vanaf de 15e eeuw afbeeldingen van wapenschilden van legendarische Friese koningen, zoals Redbad (Radboud) die waarschijnlijk leefde van 680 – 719. Hij stond in de vroege middeleeuwen bekend om zijn bijdrage aan het in leven houden van ‘de vurige Friese cultuur’.

De oudste afbeelding van het Ommelanden wapen ca 1590 (internet)

De Ommelander heren kozen voor een variant met drie blauwe schuine balken en elf rode harten, ook wel ‘waterroosplomben’ genoemd. De drie balken staan voor de drie Ommelanden Hunsingo, Fivelingo en Westerkwartier, de elf harten symboliseren de elf deelgebieden van de Ommelanden. De Friezen, dat wil zeggen de bewoners van de huidige provincie Friesland, hadden ondertussen voor een geheel ander wapen gekozen: twee gouden leeuwen op een blauw veld. Pas in 1830 werd het oude wapen van Redbad herontdekt en aan het eind van de 19e eeuw wapperde voor het eerst de hierop gebaseerde Friese vlag met de 7 rode ‘pompeblêden’ (een verwijzing naar de 7 historische gebieden waar de Friezen leefden). De Friese vlag is inmiddels veel bekender  geworden dan de Ommelander vlag, want tegen het veelvuldig gebruik in reclames kan een meer dan driehonderd jaar oudere geschiedenis niet op.

De provinciewapens van Friesland, Groningen en Drenthe op het voormalig onderkomen van het Nieuwsblad van het Noorden aan het Gedempte Zuiderdiep in Groningen (internet)

Leuk om zo lopend en genietend weer meer te leren over een stukje Groninger geschiedenis. Genieten is het zeker, want het is alweer lang geleden dat we zo in het Stadspark zijn geweest. 

Bijna vanaf het terras van het paviljoen (RK)
Wat is het aanzicht van het paviljoen veranderd…… (IK)

Aan de andere kant van de A7 ligt het Piccardthof, een volgende groene oase. Omstreeks 1938 werd in Groningen de Bond van Volkstuinders opgericht, die het gemeentebestuur vroegen een volkstuincomplex mogelijk te maken. In 1942 resulteerde dit in de oprichting van het complex door enkele stad-Groninger notabelen, waaronder Jan Hendrik Herman Piccardt, naar wie het volkstuincomplex is vernoemd. Piccardt vond het belangrijk dat mensen uit de stad een plek hadden waar ze hun eigen groente konden verbouwen en tussen het groen konden verblijven. De vereniging is ooit begonnen als moestuinen complex en later zijn daar de siertuinen bijgekomen. De nadruk ligt op tuinieren met respect voor de natuur. Zo bevinden zich op het terrein o.a. ook een vlindertuin, een bloementuin, een bloemenweide, een paddenpoel en een bijenstal. In 2009 ontving de Piccardthof de hoogste onderscheiding voor natuurlijk tuinieren. Het ruim 18 hectare grote gebied met meer dan 300 tuinen wordt beheerd door een Amateur Tuinders Vereniging.

Hier wonen veel ‘liefhebbers’ (IK)

Wij lopen er even binnen om een indruk te krijgen. Het is hier heerlijk rustig met overal bloeiende bloemen en veel groen. Haast jammer dat ons pad niet dwars door dit gebied gaat, maar er net langs. Alhoewel ook ‘onze’ weg is zeker de moeite waard met  hoge bomen aan beide kanten en een zandpad in het midden. We lopen eigenlijk, midden in de natuur en tegelijkertijd vlak langs Eelderwolde.

Het wordt al een beetje herfstig (IK)
Terwijl wij het zandpad oplopen, slaan zij af (RK)

Over de brug buigen we af naar de Madijk, de begrenzing van de Onlanden. De term onland wordt gebruikt voor woeste grond die vrijwel onbruikbaar is of was voor agrarisch gebruik. Het gebied wat we nu betreden, was oorspronkelijk een laaggelegen binnendelta tussen het Drentse zand en de Groningse zeeklei, waar vanaf het Drentse zandplateau de Drentse Aa en het Eelder- en Peizerdiep het gebied in stroomden. Nadat er in 1998 veel wateroverlast was en een aantal stadswijken van de stad Groningen dreigden te overstromen, is er besloten om het gebied om te vormen tot een waterberging. Hierdoor ontstond een natuurgebied van zo’n 2500 hectare. Het project kreeg de mooie en veelzeggende naam: ‘natte natuur voor droge voeten’. We komen hier al jaren en zien het ook elk jaar mooier, wilder, ruiger (welke term je ook wilt gebruiken) worden met een grote en toenemende diversiteit.

Een blik vanaf de Madijk (RK)

We sluiten onze wandeling van vandaag af bij de Onlanderij; de poort tot de Onlanden. De volgende keer lopen we verder door deze oase. Misschien ook met een gedachte zoals die van Jacco Evers: ‘de tocht geeft me alles wat ik nodig heb, vooral de stilte laat me dieper en dieper ademen.’

Woldgebied (WK+ Pad)

Beschrijving + knooppunt 56

Dit gebied, waartoe plaatsen als Roderwolde, Foxwolde, Leutingewolde, Peizerwolde, Eelderwolde en Paterswolde behoren, overlapt de provincies Groningen en Drenthe. In het midden van dit zogenaamde woldgebied ligt het Leekstermeer. Hoewel vernoemd naar het Groningse Leek ligt het Leekstermeer toch volledig op Drents grondgebied. Als achtervoegsel betekent ‘wold’ in Groningse plaatsnamen ‘woeste grond’ (d.w.z. grond die niet geschikt is voor landbouw) of ‘woud’ (misschien in overdrachtelijke zin, bv. een ‘woud’ van riet). Wold(e), woud, wald is allemaal verwant in de oorspronkelijke betekenis van zoiets als ‘zompige onontgonnen wildernis met veel bomen: oerwoud’. Daar hebben we de vorige wandeling al iets van meegekregen door langs het kunstwerk Oerwold te lopen.

Ook deze wandeling leidt ons nog grotendeels langs paden in de ‘Drentse plus’. We starten in Roderwolde vlakbij de kenmerkende olie- en korenmolen Woldzigt. Tegenover de molen ligt een kleine haven, die in 2007 is gereconstrueerd. De molen en het haventje zijn in het verleden erg belangrijk voor elkaar geweest. Aanvoer van lijnzaad uit Groningen en levering van lijnolie voor de verf- en zeepindustrie in Groningen gebeurde in die tijd via het water. De molen (uit 1852) zelf is, volgens velen, de mooiste molen van Drenthe en misschien wel van heel Nederland. De molen, een achtkante bovenkruier met stelling, is niet alleen bijzonder vanwege de ouderdom en de gaafheid, maar ook vanwege het feit dat de molen twee functies kent die bovendien nog springlevend zijn. Naast het feit dat de molen ‘maalvaardig’ is, wordt er regelmatig olie geslagen, waarbij op een ambachtelijke wijze lijnolie wordt verkregen. We zijn een paar jaar geleden eens in en op de molen geweest. Beslist de moeite van een bezoekje waard!

De Woldzigt (RK)
Bovenop de stelling (RK)

We lopen verder door Foxwolde, een oud buurtschap wat oorspronkelijk lag ‘onder de clockeslagh’ van Roden, d.w.z. dat het deel uitmaakte van het kerspel (kerkgemeente) Roden. De geschiedenis van het zuidelijke gedeelte van Foxwolde, de Kleibosch, het Tichelwerk en het omliggende gebied is van oudsher bepaald door de aanwezigheid van potklei in de ondergrond. Waar potklei aan de oppervlakte ligt valt de grond moeilijk te bewerken. Potklei is een zeer zware, compacte kleisoort. Vanaf de Middeleeuwen werd de klei gebruikt om aardewerk van te maken, vandaar de naam ‘potklei’. Een kluit aan de schep moet je er met de voet afschuiven en eenmaal onder de schoenen laat het zich maar met moeite verwijderen. Potklei is net een kleverige, kauwgum-achtige polijstpasta, zo fijn smeerbaar is het. Echter, eenmaal droog is het steenhard. Vandaar ook dat de potkleigebieden in de Middeleeuwen weinig of niet werd bewoond. De belangrijkste potkleigebieden liggen rond Roden, Foxwolde, Roderwolde en Nietap/Leek. Het gebied daar ligt vrijwel geheel in gras. Bij Foxwolde en Roderwolde is maar op een paar plekken is een dunne laag (dek)zand boven de klei aanwezig waarop men vroeger gewassen op kon telen, de rest van het gebied was te nat en eigenlijk alleen maar geschikt voor veeteelt.

Nieuwsgierigheid of belangstelling?
Alleen geschikt voor veeteelt …….. (RK)

Het volgende buurtschap waar we doorheen wandelen is Leutingewolde. De geschiedenis gaat terug tot in de middeleeuwen. Al in 1335 werd in een oorkonde melding gemaakt van het bestaan van Lockincwolda. De plaatsnaam betekent dat hier vroeger een woud was in eigendom van de persoon Lockinc. De eerste bewoners kwamen naar hier toen vanuit Roden werd begonnen met de ontginning van het veengebied. Deze plek werd aangemerkt als een ‘kluft’, een onderdeel van een kerkgemeente zonder eigen kerk of rechtspraak. Door de eeuwen heen is Leutingewolde gegroeid, waardoor de bebouwing van dit dorp en die van Roden tegenwoordig bijna in elkaar overloopt. Het dorp bestaat uit boerderijen en woonhuizen die voornamelijk langs de cirkelvormige weg De Ring liggen. Verrassend om zo het dorp rond te lopen.

De herfst laat zich ook al zien

Vlakbij het buurschap ligt de grote Esch van Leutingewolde die bijna twee meter hoger ligt dan de omringende weilanden van de Leutingewolderpolder. De polder strekt zich uit tot het Leekstermeer en is in 1856 ingedijkt als winterpolder om de wateroverlast ter plekke te bestrijden. In 1885 werd daarvoor aan het Leekstermeer één van de grootste poldermolens van Drenthe geplaatst. De molen, vlakbij het huidige paviljoen, bemaalde de polder die in 1866 was vergroot naar 720 hectare. Tegenwoordig is de functie van de poldermolens overgenomen door moderne gemalen, die, met een grotere capaciteit en onder alle weersomstandigheden, het water over een grotere hoogte kunnen verplaatsen.

Lopen langs de Turfweg

Wanneer we De Ring gerond hebben, slaan we de Turfweg in en lopen verder tot de grote doorgaande weg van Roden naar Leek. Het is altijd druk hier! Aan de andere kant lopen we een klein stukje richting Roden, naar de ingang van ‘Allemansgoed Terheijl’ 

Detail van de toegang tot Terheijl

Deze mooie bosrijke streek Terheijl was in de middeleeuwen een buitenpost van het klooster in Aduard. De monniken haalden in Terheijl turf en klei voor onder meer het vervaardigen van keramiek. Smeuïg detail is dat kloosterlingen, die een straf moesten ondergaan, door de abt van Aduard naar ‘ter Helle’ (in de hel) werden gezonden om daar te helpen bij de aanplant van bossen en het in cultuur brengen van landen voor akkerbouw en veeteelt. De terreinnamen Vagevuur en Lange Hel zijn waarschijnlijk nog afkomstig uit de periode dat Terheyl als strafoord werd gebruikt. Aan het eind van de 15e eeuw liet de abt Wolter, een Drent van oorsprong, een kapel bouwen in de uithof. De kloosterkroniek vermeldt dat de plek toen ‘Paradijs’ genoemd werd. Het ligt allemaal vlakbij elkaar 😉

Na de monniken kwamen de adel en de gegoede burgerij die hun inkomsten haalden uit vervening, landbouw en, weliswaar kort, de productie van baksteen en dakpannen. De gemeentes Noordenveld en Westerkwartier hebben op een gegeven moment samen besloten het landschap van dit voormalige landgoed open te houden voor alleman. In september ’21 heeft de gemeente Noordenveld daartoe een wedstrijd uitgeschreven om met hedendaagse beeldende kunst het landgoed meer levend, beleefbaar en herkenbaar te maken en daarmee tevens een nieuwe culturele laag toe te voegen. Een aantal kunstenaars is als tijdelijk collectief met de opdracht en het opdiepen van het verhaal aan de slag gegaan. Het wordt als volgt beschreven: ‘het opdiepen van het verhaal is bijna letterlijk. Was Terheijl in de late middeleeuwen een mooie uithof van het klooster in Aduard en later een prachtige Havezate, tegenwoordig is het in de lokale herinnering misschien nog een landgoed, maar voor de argeloze bezoeker is dat onherkenbaar; hier geen poorten, geen hekken,… slechts een enkele laan die eigenlijk nergens toe leidt. De rijke geschiedenis van Terheijl is nauwelijks nog herkenbaar in het landschap.

De weg die nergens heengaat

De kunstenaars hebben de entrees van Terheijl nu met bakstenen zuilen gemarkeerd en in het veld zijn zowel zwerfpalen, die de veldnamen van de betreffende plek weergeven, als vaste veldpalen geplaatst. Voor de gemaakte objecten is materiaal uit het gebied gebruikt; niet alleen klei en zand maar ook de lokale verhalen, kennis en menskracht van de bewoners. De werken zijn in alle opzichten een uitnodiging om als bezoeker je het gebied eigen te maken, onder het motto: het uitzicht is van iedereen, inzicht verwerven doe je zelf.’ Mooi! 

Gemaakt van materiaal uit de omgeving
Kunstwerken onderweg

Vlakbij Nietap menen wij ons te herinneren dat het Drenthepad met een vlonderpad langs het ‘Vagevuur’ loopt.  Dat willen we ook deze keer niet missen. Dit meertje is een mooi voorbeeld van een pingo-ruïne waar er in Drenthe tientallen, zo niet honderden van zijn. In 2000 is het slib uit het Vagevuur gebaggerd. De stobben die in droge tijden boven het water uitstaken zijn ook grotendeels verwijderd. Een C14-onderzoek bracht aan het licht, dat de stobben van grove dennen 8000 jaar oud waren.

Het vagevuur
Ligt hier zo’n 8000 jaar oude stobbe?

We lopen rustig verder en zien niet veel later ons einddoel; ‘Het Joodse Schooltje’ in Leek. In dit schoolgebouwtje kregen, in de 19e eeuw, de Joodse kinderen uit Leek les in de Joodse Religie en de Hebreeuwse taal. Op de stenen plaquettes aan de buitenmuur van het museum staan de namen gegraveerd van alle Joodse inwoners van Leek die in de Tweede Wereldoorlog werden weggevoerd en vermoord.

Het Joodse Schooltje

Met zicht op het schooltje genieten wij op een bankje van een welverdiend softijsje in het avondzonnetje. We zijn weer in het Westerkwartier en gaan de volgende keer weer verder met het ontdekken van onze gemeente. 

LAATSTE KILOMETERS (Drenthepad)

Drenthepad: kaarten 13, 14 & 15

Met een prachtige zonnige lentedag in het vooruitzicht besluiten we vandaag de laatste kilometers van ‘ons’ Drenthepad te lopen. We willen de 16 kilometer van Appelscha naar Veenhuizen overbruggen, waar we bij het gevangenismuseum aldaar onze grote lus compleet zullen maken. Toch een mijlpaaltje!

De lente is begonnen

Om een kort resumé van deze prestatie te geven……. Het Drenthepad is een streekpad van 329 kilometer lang en heeft, volgens de bedenkers, precies wat elke wandelaar zoekt: rust en ruimte. Het pad wordt verder als volgt beschreven: ‘Het Drenthepad voert je door maar liefst 3 Nationale Parken: het heiderijke Dwingelderveld, het bosrijke Drents-Friese Wold en de betoverende Drentsche Aa. En passant kom je ook nog over de Hondsrug, waar geologisch veel te genieten valt. Het Drentse landschap is bijzonder schilderachtig. Je wandelt langs meanderende beekjes, over heidevelden en zandverstuivingen en door veengebieden. Authentieke boerderijen en robuuste hunebedden vind je op je pad. En nu en dan doe je zo’n heerlijk pittoresk brink- of esdorpje aan.’ We hebben dit inderdaad allemaal gezien en beleefd. Natuurlijk was de ene etappe leuker, boeiender, interessanter dan de andere, maar over het geheel genomen hebben we genoten van de rust en de ruimte en hebben we deze provincie van een heel andere kant leren kennen. 

Appelscha

We lopen vandaag dus van Appelscha naar Veenhuizen. Op de kaarten zien de wegen er aardig recht toe, recht aan uit. Het eerste stuk van Appelscha naar Ravenswoud is inderdaad een lange rechte weg. Er is geprobeerd om de route aantrekkelijker te maken door het plaatsen van informatie borden. De historische route neemt je mee door de geschiedenis van de dorpen. Er is onderweg aandacht voor vervening, WOII en typische dorpsberoepen. Zo lopen we langs paal nr 13: de veenbaaswoning. De ‘Gezamenlijke Compagnons van de Opsterlandsche en Ooststellingwerfsche Veenen en Vaerten’ traden niet zelf op als verveners. In het algemeen verkochten zij het aanwezige veen aan particuliere ondernemers, de verveners. Zij behielden zelf de ondergrond in eigendom, die dan later werd verpacht of verkocht. Eén van de belangrijkste verveners in Appelscha was Alle Wytzes van der Sluis (1813–1900), die zich hier omstreeks 1835 vestigde. Van de ruim 200 percelen veen die tot midden 19e eeuw door de Compagnons werden verkocht was het aandeel van de familie Van der Sluis bijna 50%! Aan de rechterzijde van de woning was een winkeltje aangebouwd. De veenarbeiders werden verplicht om hier hun boodschappen, levensmiddelen, kleding e.d. te kopen. Dit wordt gedwongen winkelnering genoemd. Soms werd het loon in goederen uitbetaald. De arbeider moest dan genoegen nemen met wat de veenbaas op dat moment kwijt wilde. Het huis staat er nog steeds, maar wordt waarschijnlijk opgeknapt, want de voorkant wordt ontsierd door grote borden.

informatiepaneel historische route

Even verderop, richting Ravenswoud, lopen we langs het monument van de Melkstaking in WOII. De aanleiding voor de spontane landelijke staking was de bekendmaking op 29 april 1943 dat Nederlandse oud-militairen die gevochten hadden in 1940 zich moesten melden om te gaan werken in Duitsland voor de Arbeitseinsatz. Door de vele Duitse doden tijdens de slag om Stalingrad was extra mankracht nodig om de Duitse oorlogsindustrie draaiende te houden. Net als elders in het land ging in Appelscha de staking gepaard met sabotage van de aanlevering van melk. Een grote groep mensen hield zich op bij het Compagnonshotel. Voor de melkauto werd geen ruimte gegeven, waarop de begeleidende veldwachter schoot toen het bevel van verspreiden werd genegeerd. Een Duitse patrouille werd te hulp geroepen en op deze plek openden de Duitsers het fatale vuur op de vluchters Anne de Boer, Melle Bruinsma en Jitse Kiewiet. Verslagen en verbijsterd werd onder druk van gezaghebbende Appelschasters de staking beëindigd: “gesmoord in bloed”.

Monument Melkstaking

Een volgend belangrijk aandachtspunt is de ophaalbrug waar we langs lopen. Ravenswoud heeft één rijksmonument, nl. de ijzeren ophaalbrug over de Eerste Wijk. De brug dateert waarschijnlijk uit 1894.

Een rijksmonument

Vanaf de ophaalbrug in Ravenswoud lopen we verder over een zandpad en een fietspad, waarna we (eindelijk) het bos in mogen. De bossen hier zijn aangeplant als productiebossen na de veenwinning, zo rond 1900. Het gebied staat bekend als de Compagnonsbossen.

Lange rechte wegen langs lange rechte kanalen

We besluiten een kleine omweg door het bos te maken om uitkijktoren De Zeven te kunnen bekijken. Een toepasselijke naam, want de toren is gebouwd in de vorm van een 7. De belangrijkste eis vooraf was om een toren te ontwerpen die ook gebruikt zou kunnen worden door mensen met enige hoogtevrees. De gekozen oplossing is een knik in de steile trap. Je kunt hierdoor de totale hoogte niet overzien. De 18 m hoge toren is als een gedraaide zeven en wordt ook wel de periscoop genoemd.

Uitkijktoren De Zeven (foto: internet)

De toren lijkt echter steeds van vorm te veranderen bij elke stap die je dichterbij komt. Eerst zie je overduidelijk een 7, maar langzaamaan verschijnt er opeens een knik in de toren. Loop je dan nog wat verder door, dan wordt de knik groter zodat de 7 bijna een Z wordt. Om het beeld van het uitgestrekte open veengebied niet te verstoren staat de toren in de bosrand. De toren heeft een stalen constructie die geheel bekleed is met onbehandeld larikshout, dat vergrijst in de tijd. Hierdoor wordt de toren één met de achterliggende bosrand. Met het ontwerp zijn diverse prijzen gewonnen waaronder de Houtarchitectuur Publieksprijs in 2001, de Vredeman de Vries Publieksprijs voor architectuur in 2002 en de Gouden Piramide, de rijksprijs voor inspirerend opdrachtgeverschap in 2003. Het is zeker iets bijzonders dus!

Eerst een 7 dan een z (foto: internet)

Terwijl de één de steile klim naar boven onderneemt om te kunnen genieten van een spectaculair uitzicht, blijft de ander genietend aan de rand van het hoogveen staan. Wat een weidsheid. Iemand van natuurmonumenten vertelt dat dit natuurgebied op de grens tussen Friesland en Drenthe ligt. Er leven veel bijzondere dieren, vooral vogels zoals de eerdergenoemde kraanvogels. Je kunt hier ook alle drie de slangensoorten, die we in Nederland hebben, tegenkomen: de adder, de ringslang en de gladde slang. Hmmm, ik vind het prima om die niet te ontmoeten.

Uitzicht van bovenaf (RK)

Gelukkig lopen we ook over het Fochterloërveen, één van de laatste gebieden met hoogveen in west Europa. Hoogveen is eigenlijk een pakket van op elkaar gepakte, onverteerde, dode plantenresten wat onder water, maar boven de grondwaterspiegel, wordt gevormd. Het bestaat vrijwel uitsluitend uit de resten van veenmos, dat dikke kussens vormt en regenwater vasthoudt. Zo blijft de groeiplaats kletsnat, ook als de mosjes langzaam hoger groeien. Veenmoskussens kunnen zo als natte dekens steeds hoger en breder uitgroeien. De onderste delen sterven af maar deze verteren niet in het zure milieu. Laagveen daarentegen ontstaat anders. In ondiepe plassen groeien verschillende soorten water- en moerasplanten. In het najaar sterven de meeste planten af, maar de resten van deze planten verteren onder water nauwelijks. Ze hopen zich op totdat de hele plas opgevuld is. Kort gezegd is hoogveen de veensoort die ontstaat onder invloed van regenwater terwijl laagveen ontstaat onder invloed van grondwater. Om het allemaal nog iets ingewikkelder te maken wordt wel beweerd dat de onderste laag van alle hoogveen bestaat uit laagveen. Snap je het nog?

Kussentjes op het water

Dit stuk veen is ontsnapt aan de ‘ontginningswoede’ ten behoeve van landbouwgrond. Dit leek een onstuitbare ontwikkeling, volgens ons boekje, maar werd middels de troonrede van 1961 een halt toegeroepen. Het resterende deel van het Fochterloërveen kreeg toen een definitieve bestemming als natuurgebied. Tegenwoordig is het veen weer lekker nat, soms zelfs kleddernat en dat is precies zoals het moet zijn. Herstel gaat echter langzaam, hoogveen groeit in onze omstandigheden slechts 1 millimeter per jaar. Met een beetje geluk tref je hier weer kraanvogels, die hier na 250 jaar weer broeden. We houden onze vingers gekruist. Dat zou wat zijn!

Panorama foto van het Fochterloërveen (RK)

Op het veen loopt de route deels over een smal paadje, waar het water regelmatig flink hoog staat, een ‘natte voetenpad’ als het ware. Aangezien het de afgelopen dagen niet heeft geregend, is de grond erg droog en wagen we het erop. Altijd leuker dan over het fietspad lopen, toch?

We komen hier twee enthousiaste vogelspotters tegen die ons meteen begroeten met de vraag: ‘hebben jullie nog wat gezien?’ Inmiddels wijs geworden antwoord ik dat we we geen vogels hebben gezien, wat de reactie uitlokt: ‘Oh, maar welke dieren dan wel?’ Ook hierop moeten wij een bevredigend antwoord schuldig blijven. We komen niet verder dan citroenvlinders. Prachtig opvallend geel, maar razendsnel. Het stel noemt vervolgens hun eigen observaties op. Naast diverse slangen en vlinders hebben zijn ook een klapekster (zeldzaam), roodborsttapuiten, een blauwborst en vooral veel heikikkers gezien. Of wij wel weten dat de mannetjes blauw zijn? Een mannetjes heikikker kleurt namelijk prachtig blauw tijdens de paartijd in februari/maart. Wij moeten een beetje beschaamd constateren dat we toch niet zo goed opletten als we denken. We hebben wel veel gebubbel in het water gehoord en nog meer bellen gezien. Ook hebben we veel kikkers op een afstandje zien springen en bewegen, maar we hebben niet direct gezien dat er ook blauwe kikkers tussen zitten. Een gemiste kans. 

Een heikikker mannetje in de paartijd (foto: internet)
Geen kraanvogel te zien………

Zo mooi kan het niet blijven en dat doet het dan ook niet. Na het Fochteloërveen brengen (te) lange, (te) rechte fietspaden ons naar Veenhuizen.

Lang en recht (RK)

Veenhuizen is één van de zeven voormalige Koloniën van Weldadigheid en de grootste onvrije kolonie. Deze koloniën zijn opgericht in 1822 door generaal-majoor Johannes van de Bosch. Hij wilde daarmee twee vliegen in één klap slaan: de schrijnende armoede in de grote steden aanpakken én braakliggende grond benutten. Daartoe werden de paupers uit de steden, met goedkeuring van koning Willem I, in de veengebieden aan het werk gezet. Eerst nog op basis van vrijwilligheid. Toen die paupers toch wel erge lastpakken bleken, kwam er in Veenhuizen een echte strafkolonie. Grote gestichten verrezen hier, waarin 4000 vondelingen, wezen, landlopers en dronkaards werden ondergebracht. Die kazerne-achtige gebouwen zie je nog steeds in Veenhuizen. Een succes is het nooit geworden en in de loop van de jaren is Veenhuizen meer en meer een gewone strafinrichting geworden.

Veel tekenen van de ‘Weldadigheids-gedachte’ van heropvoeding van de paupers zie je nog steeds terug in het dorp. Op tal van huizen in de voormalige dwangkolonie zie je spreuken. Zo is de woning ‘Bitter en Zoet’ gebouwd als apotheek van het ziekenhuiscomplex. Later werd dit gebouw veranderd in een woning voor ambtenaren. De woning ‘Toewijding’ was vroeger het huis van de geneesheer-directeur en de woning ‘Plichtgevoel’ was eerst de woning van de apotheker en later dat van het hoofd van de verpleging. Het is vermakelijk om onderweg te bedenken voor wie de naam op het huis ooit bedacht is. ‘Humaniteit’ voor de predikant? Maar namen als ‘Flink en Vlug’, ‘Helpt Elkander’ en ‘Zorg en Vlijt? Bedenk het maar……. Mijn fantasie draait overuren. 

Namen op huizen in Veenhuizen (foto: internet)

De Koloniën van Weldadigheid hebben een zeer typisch landschap opgeleverd dat tweehonderd jaar na hun ontstaan nog altijd herkenbaar is, het resultaat van een doelgerichte ontginning door de mens. Nog altijd vervullen de voormalige Koloniën sociale, justitiële en welzijnsfuncties en doen mensen er aan land- en bosbouw. Veenhuizen bleef in eerste instantie wel altijd een buitenbeentje binnen het Nederlandse gevangeniswezen: de veroordeelden waren geen gewone misdadigers en de gestichten hadden geen tralies voor de ramen. In de loop van de tijd zijn er ook allerlei groepen ondergebracht die men ergens anders niet kwijt kon, zoals joodse vluchtelingen, dienstweigeraars en Nederlandse en Duitse oorlogsdelinquenten. Tegenwoordig is Veenhuizen een gewone gevangenis. 

Ons eindpunt: het gevangenismuseum

Sinds enkele decennia zien wij als samenleving meer en meer de waarde van de Koloniën als erfgoed in. In juli 2021 werd deze waarde internationaal erkend en werden de Koloniën van Weldadigheid ingeschreven op de UNESCO Werelderfgoedlijst. 

Heerlijk op een terras genieten we van een welverdiende kop koffie met een wafel vol aardbeien om het eind van dit streekpad te memoreren. De laatste kilometers en daarmee onze eerste lange afstandswandeling is gelopen. Een volgend boekje ligt al op ons te wachten. Op deze manier wandelen blijft verrassen. 

DE KALE DUINEN (Drenthepad)

Drenthepad: kaarten 11 & 12

De zon schijnt uitnodigend, er is geen wolkje aan de lucht en hoewel koud voelt het daardoor toch een beetje als een lenteachtige dag. Al met een ideale dag om de voorlaatste etappe van ons pad te ontdekken. We starten vandaag in Oude Willem (naar de oude herder die hier met z’n schapen liep) en lopen naar Aekingerbroek en verder over het Aekingerzand naar Appelscha. Appelscha ligt eigenlijk nèt in Friesland. Er wordt wel gezegd dat dit dorp in ‘het andere Friesland’ ligt, waarmee zuidoost Friesland wordt bedoeld. Hier geen landschap van klei, grote meren of vlakke weilanden, maar een zeer bosrijke omgeving met hoge zandgronden en een nationaal park. Het Drents-Friese Wold is één van de grootste aaneengesloten bosgebieden van ons land. Het wordt lyrisch omschreven als een gebied waarin je dwaalt van zandverstuiving naar vennetje en van heide naar moeras. We gaan het beleven!

Een nat gebied

We lopen in eerste instantie door een bos wat voornamelijk uit naaldbomen bestaat. We zien lange rechte stammen met hoge kruinen en horen het typerende ruisen van de wind door de naalden van die bomen. De Japanners hebben een naam voor dit geluid: matsukaze. ‘Matsu’ betekent pijnboom of naaldboom en ‘kaze’ staat voor wind, bries of luchtstroom. Letterlijk betekent matsukaze dan ook: de wind door de pijnbomen. Dit karakteristieke, zacht fluitende geluid heeft in Japan een sterk symbolische lading. In Japan zijn bomen (in het bijzonder pijnbomen) heilige plaatsen die de kami (goden) gebruiken om contact te zoeken met de wereld van de mensen. Het woord matsukaze roept dan een gevoel van bezinning en lichte melancholie op. Grappig is dat ditzelfde woord ook gebruikt wordt in de Japanse theeceremonie (chanoyu) waar het duidt op het karakteristieke geluid van kokend water in de theeketel, waarmee de gastheer of -vrouw thee zal maken. Dit geluid horen de gasten vanaf het moment dat zij de theekamer binnenkomen tot het moment dat zij vertrekken en staat daarom symbool voor de harmonie, eerbied, zuiverheid en afzondering. Alles wat in chanoyu als belangrijk wordt gezien. Er is een korte handeling waarbij dit geluid even afzwakt en dat is wanneer de gastheer of -vrouw vers water in de theeketel giet om aan te vullen wat genomen is en de aanwezigen zo te doordringen van het ritme van eeuwige, natuurlijke en dus noodzakelijke vernieuwing. Waar het luisteren naar het ruisen van de bomen al niet toe kan leiden…….

Een naaldboom impressie met ICM

Aekingerbroek is een bijzonder natuurgebied. Eigenlijk is het een kletsnat moerasgebied dat gevoed wordt door de Vledder Aa. De Vledder Aa is op haar beurt ook bijzonder omdat het de enige beek in Nederland is, waarvan de bovenloop (vanaf de bron het eerste deel van een rivier/beek) in een natuurlijke omgeving ligt. In de 20e eeuw werden beken rechtgetrokken, zodat het land droger werd en boeren hun land zo optimaal mogelijk konden gebruiken. De Vledder Aa, evenals de nabij gelegen beek Tilgrup, ontkwamen ook niet aan menselijk ingrijpen, wat tot gevolg had dat de natuurgebieden ernstig verdroogden. De inzichten zijn inmiddels veranderd met als gevolg dat de beken opnieuw hun eigen loop mogen zoeken. De natuur past zich aan en ontwikkelt zich weer als weleer.

Over smalle paadjes (RK)

Een uitspraak die op dit gebied van toepassing is: ‘in armoede begonnen, door arbeid gewonnen, in welvaart verzonnen’. Een van oorsprong ‘woest en ledig’ gebied wordt door hard werken geschikt gemaakt voor landbouwkundig gebruik. Inmiddels gaat het in ons land economisch dermate goed dat we ons kunnen permitteren om landbouwgrond weer om te vormen naar natuur: ‘in welvaart verzonnen’.

Wat maakt de Vledder Aa de Vledder Aa? De zoektocht naar de ziel en de betovering van het beekje de Vledder Aa wordt door dichter Marga Kool verwoordt in haar gedicht met dezelfde naam (2 fragmenten): 

‘Daar begint het uit regen

sijpelt door stuifzand

gefilterd, geslepen in donkere aarde

tot het lager gelegen

roestbruin omhoog kwelt, gaat stromen, een beek

——-

De mensen gaan wondere wegen, 

zegt de beek. Wat is de zin?

Ik heb de tijd, ik ken mijn plaats

mijn stroomgebied; ik kom, ik ga.

Een stukje eeuwigheid: de Vledder Aa’ 

De naweeën van de ‘drielingstorm’ (RK)

Ondertussen is het zowel naast als soms op het pad een natte bedoening. We hebben duidelijk te maken met de naweeën van de drielingstorm Dudley, Eunice en Franklin die half februari over ons land raasde. Je mag officieel spreken van een storm als een uur lang windkracht 9 wordt gemeten bij een KNMI-weerstation. Een drielingstorm is sowieso bijzonder, de laatste was in 1928, bijna honderd jaar geleden. Heb je zes dagen achter elkaar storm dan is schade natuurlijk onvermijdelijk. We zien veel afgeknapte bomen, heel veel verspreid losliggende takken en grote bulten samengebundelde takken klaar voor vervoer naar elders. Het is soms even zoeken, maar gelukkig vinden we iedere keer wel weer een smal ‘geitenpaadje’ om langs het water te kunnen lopen i.p.v. erdoor. We houden droge voeten!

De grenspoel op de grens van twee provincies

Precies op de grens van Drenthe en Friesland ligt de Grenspoel, een van oorsprong schoon en voedselarm ven dat ligt aan de rand van het stuifzandgebied Aekingerzand. Overal moet je schapen, schapen en nog eens schapen kunnen zien om de Kale Duinen kaal te houden. Wij kijken goed om ons heen en zien inderdaad in de verte een grote kudde schapen. Helaas niet op onze weg. Een tweetal dames ziet ons speuren en vragen belangstellend of we al iets gezien hebben. Meteen kijk ik naar hun uitrusting, zijn dit mogelijke vogelaars? Ik zie echter geen camera of verrekijker en antwoord een beetje algemeen dat we nog geen dieren hebben gezien, behalve dan de schapen verderop. ‘Nou’, reageert één van de dames enthousiast, ‘daarginds zit wel een blauwe (of was het toch een grauwe?) kiekendief.’ Toch vogelspotters! Even nalezen leert dat er in ons land verschillende soorten kiekendieven voorkomen, waaronder de grauwe, de blauwe en de bruine kiekendief. De bruine is het talrijkst met 1200 à 1400 broedparen. De andere soorten zijn veel zeldzamer: de grauwe telt maar 45 broedparen en de blauwe slechts 11. Blauwe kiekendieven leven echter wel in open, vochtige gebieden zoals duinen, moerassen, akkers en graslanden. Wat dat betreft is de omgeving hier dus zeer geschikt. 

Een blik van bovenaf (RK)

We staan vlakbij de uitkijktoren, die in 1995 is gebouwd door leerlingen van het Bijzonder Jeugdwerk Aekinga uit Appelscha. Misschien geeft een hoger uitzicht ons een betere kijk op de weidse wereld die ons omringd?

‘Hoe verder je kijkt, hoe groter het lijkt’ (Jules Deelder)

Vanaf de toren kun je het landschap zien veranderen (mits je de toren vaker beklimt). Hoewel dit gebied is omringd met bos en heide, komt er in het gebied zelf vrijwel geen begroeiing voor. Daardoor hebben zand en wind hier vrij spel. De wind gaat alle kanten op en laat het zand steeds opstuiven. De Kale Duinen zijn, volgens onze informatie, perfect als het gaat om landschapsfotografie. Je kunt hier ‘een dynamisch contrast zien tussen droog en nat maar ook tussen het gelige zand en de blauwe lucht’. We hebben hard gewerkt (haha) om dit vast te leggen. Omdat gebieden met zandverstuivingen niet veel voorkomen, zulke gebieden zijn eigenlijk woestijnen, worden ze in heel Europa beschermd. Houthakkers, schapen en runderen houden ook hier het gebied open en daarmee het stuifzand ‘levend’. De Kale Duinen is een naam die hier past!

Drie berken spreken tot de verbeelding…….
Imposant (RK)
De wind wint langzaamaan de strijd
Eenzaam temidden van geel en blauw (RK)