REMBRANDT, portret van een man

In 2019 wordt het 350ste sterfjaar van Rembrandt van Rijn herdacht. Het hele jaar staat in het teken van tal van activiteiten en bijzondere tentoonstellingen omtrent zijn persoon. Hoewel de hoofdmoot natuurlijk plaatsvindt in het westen van het land, zijn er toch vele andere mogelijkheden elders om je te verdiepen in de werken en het leven van ‘de wereldberoemde kunstenaar uit de Gouden Eeuw’. Weet je dat ooit berekend is dat er in de Gouden Eeuw ruim vijf miljoen schilderijen zijn gemaakt? De Republiek der Nederlanden was, zeker in die tijd, een land van schilders waarvan de bekendste schilder waarschijnlijk Rembrandt is en zijn bekendste schilderij natuurlijk de Nachtwacht (1642).

Wat weten we eigenlijk verder over Rembrandt? Niet iedereen weet misschien dat Rembrandt Harmenszoon van Rijn geboren werd in Leiden. In het eerste kwart van de zeventiende eeuw was Leiden een bruisende stad van 24.000 inwoners, waar Rembrandt op 15 juli 1606 in de Weddesteeg werd geboren als het op één na jongste kind van Harmen Gerritsz. van Rijn (molenaar) en Neeltgen Willemsdr. van Zuytbrouck, een welgestelde bakkersdochter. Het echtpaar kreeg in totaal tien kinderen, van wie er drie jong stierven. Zijn vader was (mede) eigenaar van een molen ‘De Rijn’, waar mout gemalen werd voor de bierbrouwerijen. De naam Rembrandt is waarschijnlijk een spellingsvariant van Rembrant of Rembrandus, een in die tijd gebruikelijke Latijnse variant; Rembrandt zat van zijn 7de tot en met zijn 14de op de Latijnse school. Zijn achternaam houdt mogelijk verband met de molen waar zijn vader werkte (?).

Na de Latijnse school schreven zijn ouders hem in 1620 in aan de universiteit van Leiden. Dit was echter geen succes en in 1621 verliet Rembrandt de universiteit al om schilders leerling te worden bij de Leidse schilder Jacob van Swanenburch. In 1625 vertrok hij vervolgens naar Amsterdam om in de leer te gaan bij de, toen toonaangevende, schilder Pieter Lastman. Rembrandt studeerde hier slechts een half jaar. Na deze korte maar belangrijke leerperiode begon Rembrandt als zelfstandig meester in Leiden, samen met vriend en collega Jan Lievens die ook bij Lastman in de leer was geweest. Vanuit Amsterdam kwamen steeds meer opdrachten. Dat is dan nog niet zozeer te danken aan de kwaliteit van hun werk als wel aan de goede contacten die zij hadden. Rond 1628 trokken zij zelfs de aandacht van de secretaris van de prins van Oranje en zo kregen zij hun eerste opdrachten binnen van het stadhouderlijk hof in Den Haag. 

In deze periode schilderde Rembrandt veel bijbeltaferelen ‘in een precieze stijl met bonte kleuren’. Zijn vroegst gedateerde schilderij is ‘De steniging van de Heilige Stefanus’ (1625). Uit dit bijbelverhaal nam Rembrandt het meest dramatische moment, het moment waarop Stefanus buiten de muren van Jeruzalem op het punt staat gestenigd te worden. Hij beeldde hem echter niet naakt af, maar gekleed als diaken (dienaar onder de priester). Aangenomen wordt dat Rembrandt een zelfportret in dit werk opnam, dat zich vlak boven Stefanus bevindt.

1200px-Rembrandt-Lapidation-Saint-Étienne-MBA-Lyon‘De steniging van de Heilige Stefanus’ (bron: internet)

Als dit zo is, dan is dit ook het eerste zelfportret van Rembrandt. Later zal blijken dat Rembrandt gedurende zijn hele leven zelfportretten heeft gemaakt. Deze honderd geschilderde en twintig geëtste zelfportretten geven een heel scherp beeld van zijn uiterlijk en een vermoeden van zijn gevoelens. Hij maakte n.l. ook veel ‘tronies’; studies van opvallende gezichten van mannen en vrouwen, niet bedoeld als portret, maar meer als een oefening in het weergeven van karakter, gemoedstoestand of leeftijd.

riu-orig_overzicht_tronies_crop-1475845812zelfportret ‘tronie’ (bron: internet)

Deze kennis en meer wordt ons bijgebracht gedurende een lezing gegeven door kunsthistorica Margreet Breukink. Zij is een enthousiast verteller en doet voortvarend haar verhaal. Er is immers heel wat te vertellen over ‘de man en zijn werk’ en er is maar zo weinig tijd ….. Ze gaat verder met, ons al bekende feiten, dat hij geldt als één van de grootste schilders en etsers in de Europese kunst en vervolgt haar verhaal dat Rembrandt in totaal ongeveer driehonderd schilderijen, driehonderd etsen en tweeduizend tekeningen heeft gemaakt. Als je je bedenkt dat hij 63 jaar oud is geworden en dat hij zijn vroegst gedateerde schilderij op 19 jarige leeftijd geschilderd heeft, dan betekent dit gemiddeld 7 schilderijen, 7 etsen en 47 tekeningen per jaar. Geen sinecure!

de-staalmeesters.pngDe staalmeesters (bron: internet)

Hoewel hij nooit in Italië is geweest (de afstand Leiden – Amsterdam en vice versa was voor hem ver genoeg) is hij zeker wel beïnvloed door Italiaanse meesters, zoals b.v. Caravaggio. Volgens een artikel in de Volkskrant (2006) zijn Rembrandt en Caravaggio de Cruijff en Pelé van de oude schilderkunst. Het artikel vermeldt verder dat beiden meesters van licht en donker (het ‘chiaroscuro’) worden genoemd. Rembrandt kreeg al vroeg de bijnaam ‘Caravaggio degli Oltremontani’ (de Caravaggio van boven de bergen) en Caravaggio kreeg postuum de bijnaam ‘Rembrandte dell’Italia’. Hun werk wordt mooi omschreven: ‘Licht is hun instrument en wapen, het is de reden waarom ze beroemd werden, het middel om alle onderwerpen die ze schilderden aan zich te onderwerpen, en om het publiek naar hun believen te manipuleren’. Mooi eerbetoon.

r0-31-1010-520-962-zelfportret_rembrandt_saskia_fries_museum-1542792710.jpgZelfportret met Saskia (bron: internet)

Zijn verdere leven in vogelvlucht. Rembrandt trouwde in 1634 met Saskia van Uylenburgh, een volle nicht van Hedrick van Uylenburgh, kunsthandelaar en buurman van Pieter Lastman in Amsterdam. In 1639 verhuisde het stel naar een eigen huis, wat nu Museum Het Rembrandthuis is. Rembrandt en zijn vrouw kenden vele tegenslagen, driemaal verloren zij een kind vlak na de geboorte, maar in 1641 kregen ze een zoon die ze Titus noemden, naar Saskia’s zuster Titia. Nog geen jaar later sterft Saskia en komt Geertje Dircx als verzorgster in dienst. Van het een kwam het ander en het stel ging met ruzie uit elkaar, waarop Geertje Rembrandt voor de ‘Huwelijkskrakeelkamer’ daagde. Meteen daarop deed Hendrickje Stoffels haar intrede. Je zou haast denken dat het één verband houdt met het ander? Met Hendrickje kreeg Rembrandt nog een dochter, Cornelia, genoemd naar Rembrandts moeder. Rembrandt gebruikte niet alleen zichzelf, maar portretteerde ook zijn familieleden in zijn schilderijen. Zijn vrouw Saskia, zijn zoon Titus, zijn vriendin/huishoudster Hendrickje en ook zijn moeder Cornelia en zelfs vader Harmen hebben dikwijls model gestaan voor Bijbelse, mythologische of historische figuren. De oude man in ‘de brillenverkoper’ zou b.v. zomaar zijn vader kunnen zijn, de Leidse molenaar Harmen Gerritsz. van Rijn, want zijn uiterlijk is bekend van een portret uit ca. 1630.

unnamedDe brillenverkoper (bron: internet)

Rembrandt leefde in die tijd boven zijn stand. Hij kocht regelmatig exotische voorwerpen waaronder bijzondere kledingstukken (Italiaanse invloed) en tulbanden, die hij vaak in zijn schilderijen gebruikte.  Ook stroopte hij veilingen af om kunst te kopen, waardoor hij in 1656 de leningen voor zijn huis niet meer kon afbetalen. De burgemeester van Amsterdam vroeg daarop Rembrandts faillissement aan, waarna (in 1658) Rembrandts huis en inboedel op een veiling werden verkocht. Rembrandt stierf op 4 oktober 1669 en werd een paar dagen later begraven in een gehuurd graf in de Westerkerk. Berooid, eigenzinnig, maar bovenal een ‘schilderkunstige geweldenaar’. We kijken uit naar meer!

Rembrandt-van-Rijn_Man-in-Oriental-Dress_1635-RijksmuseumAmsterdamMan in Oosterse kleding (bron: internet)

MATTHÄUS PASSION

Zeg je Pasen, dan zeg je Bach. Voor mij niet direct een duidelijke link, totdat …… ik lees dat Pasen voor de klassieke muziekliefhebber gelijk staat aan de Mattheus (Matthäus) Passion. Deze Mattheuspassie (om eens een Nederlands woord te gebruiken) is een oratorium gecomponeerd door Johann Sebastian Bach. Ter verklaring lees ik verder dat een oratorium een groot vocaal werk is met een vaak geestelijke inhoud voor orkest, zangsolisten en koor. Als een oratorium (komt van het Latijnse woord ‘orare’ wat bidden betekent) echter het lijdensverhaal van Christus als onderwerp heeft, dan spreek je van een passie. Als je dan ook nog weet dat hier het lijdensverhaal van Jezus vertelt wordt als in het evangelie volgens Matteüs, dan is hiermee in ieder geval de naam verklaart.

De Matthäus Passion is een van de langste en bekendste composities van Johann Sebastian Bach (1685-1750). Over Bachs karakter wordt geschreven dat hij temperamentvol en opvliegend was en dat hij bij tijd en wijle van een flinke scheut alcohol hield, alhoewel anderen dit tegenspreken, want de sfeer in zijn huis was meestal goed. Bovendien suggereren noch zijn muziekhandschrift, noch zijn muziek een driftig of opvliegend karakter. Kenners beweren zelfs dat juist de totale beheersing van de muziek zo kenmerkend is voor Bach. Hoe het ook zij, over zijn jeugdjaren en privéleven is weinig bekend, behalve het feit dat Johann Sebastian twee keer trouwde en maar liefst twintig kinderen kreeg. Zeven bij zijn eerste vrouw Maria Barbara, met wie hij in oktober 1707 trouwde en die in 1720 overleed. En dertien kinderen bij zijn tweede echtgenote Anna Magdalena, die, zo lijkt het, tussen 1723 en 1737 bijna elk jaar zwanger was. Van deze twintig kinderen stierven er tien kort na de geboorte of op jonge leeftijd. Vier zonen van Johann Sebastian Bach werden later, net als hun vader, (relatief) bekende componisten. Johann Sebastian zei het immers zelf al:  ‘Er is niets moeilijks aan, want het enige wat je hoeft te doen is de juiste toetsen aanslaan op het juiste moment en het instrument speelt vanzelf’. Hahaha, was het maar zo eenvoudig!

Wanneer Bach zijn wereldberoemde compositie precies componeerde is niet helemaal bekend. Ook is onduidelijk wanneer het stuk voor het eerst werd opgevoerd. Vermoedelijk zal dat op 11 april 1727 zijn geweest, in de Thomaskirche in Leipzig. Volgens het programmaboekje ‘paste dit werk op zich prima in de eeuwenoude traditie van muziek over het lijden van Jezus, uitgevoerd op Goede Vrijdag. Tegelijkertijd sloeg dit grootschalige werk, met zijn bekende recitatieven (declamerende gezangen), met zijn koralen (religieuze gezangen) en aria’s, momenten van collectieve en individuele reflectie, met zijn bijzondere rol voor het koor, commentaar leverend of handelend optredend, alles; hiermee bracht Bach de traditie tot een grandioos en onovertroffen hoogtepunt.’ Toch waren zijn luisteraars indertijd kennelijk niet zo enthousiast, want voor zover bekend voerde Bach dit muziekstuk zelf maar vier keer op, t.w. in 1727, 1729, 1736 en in 1740. Na zijn dood in 1750 raakte de compositie, net als zijn andere muziek, in de vergetelheid. Het zou tot 1829 duren voordat de Matthäus-Passion weer, als ingekorte versie door Felix Mendelssohn, werd opgevoerd.

In Nederland is het stuk momenteel niet meer weg te denken rond Pasen. De Nederlandse Bachvereniging in Naarden besloot de Matthäus-Passion, voor het eerst op Goede Vrijdag 14 april 1922, in zijn geheel op te gaan voeren. De opvoering in de kerk van Naarden werd daarna een traditie. Tegenwoordig wordt de uitvoering in het oude vestingstadje ook bezocht door veel hoogwaardigheidsbekleders, waarmee het, volgens de organisatie, een echt ‘society evenement’ is geworden. Gelukkig is Naarden zeker niet de enige plaats waar het stuk wordt opgevoerd. Wij gaan dit jaar genieten in Groningen, al is het dan helaas niet in een kerk, maar ‘gewoon’ in de Oosterpoort. Alhoewel, met een uitvoering die zo’n 2.5 tot 3 uur duurt kun je maar beter comfortabel zitten. 😉

Voordat we echt gaan luisteren, starten we met een uitleg zodat we weten waarop we moeten letten. Het schijnt dat er door de jaren heen veel veranderd is in zowel de uitvoering zelf als de omstandigheden rondom. Er mag tegenwoordig zelfs geklapt worden (vroeger niet!) en de man die ons de uitleg geeft vraagt zelfs of we voor de pauze ook willen applaudisseren opdat de jongens van het koor (die dan naar huis gaan) eveneens kunnen genieten van de waardering en het respect van het publiek. We leren dat de Matthäus-Passion is geschreven voor twee koren, waaraan nu dus nog een jongenskoor is toegevoegd. Bach zette de hoofdstukken 26 en 27 uit het evangelie van Mattheus op muziek. Dit zijn de hoofdstukken waarin wordt beschreven hoe Jezus wordt verraden en gekruisigd. De verhaallijn in de passie wordt, in twee delen, verteld in het recitatief van de evangelist. De overige hoofdrollen, naast Jesus zelf, worden vertolkt door een bas, een tenor, een alt en een sopraan. Het volk is het koor. Diverse bronnen zien in die twee, ongelijke, helften van de passie de vorm van een kruis: het kortere eerste deel stelt het horizontale deel voor en het langere tweede deel het verticale deel van het kruis. Zoals destijds gebruikelijk werd het eerste deel vóór de preek uitgevoerd en het tweede deel erna. Hmm, toen geen pauze ter reflectie en/of bezinning of om simpelweg even de benen te strekken. Deze opzet in lutherse preken werd trouwens een bifocale structuur genoemd, namelijk achtereenvolgens de explicatio (de bijbeluitleg) en dan de applicatio (de toepassing ervan), een praktisch en een moreel advies. De twee helften van de Matthäus-Passion zijn op dezelfde wijze opgezet.

Bach zou zich eveneens hebben laten leiden door verhoudingen, getallen en symboliek, zoals traditie voorschreef in de muziek van de zeventiende en achttiende eeuw. Neem b.v. de recitatieven. Deze worden begeleid door een instrument om de accenten aan te geven c.q. te ondersteunen. Jezus daarentegen wordt, behalve bij zijn laatste woorden, begeleid door ‘lieflijke strijkers’ als zijnde een aureool. Tijdens het uitspreken van zijn laatste woorden wordt de volledige verlatenheid van Jezus juist  benadrukt door de afwezigheid van de strijkers. Als je het weet, let je er ook op! In de zangstukken, vooral in de aria’s, zijn daarnaast veel thema’s terug te vinden welke je zou kunnen vertalen naar hedendaagse thema’s. Op deze manier maak je de muziek en de gevoelens die deze oproept begrijpelijker, het raakt je meer. Ook de muzieknoot helemaal aan het eind. Ik weet zo niet meer welke noten hier gebruikt worden, maar het komt er op neer dat een hele scherpe klank (haast dissonant) overgaat in een hele harmonieuze klank, hetgeen de verlossing symboliseert. Deze extra weetjes maken dat je met nog meer interesse naar het verhaal luistert.

Naast al het andere speelde Bach ook veel met getallen. Zo is de getalswaarde van de naam Bach 14 (B=2 etc). Ergens in de partituur, in de eerste regel van Vor deinem Tron tret ich hier mit, duikt de naam Bach op, want de getalswaarde van die regel is eveneens 14. Mogelijk een verborgen handtekening van de meest geniale componist aller tijden? Volgens kenners is de versleuteling van getalswaarde (betekenis) en klank (gevoelswaarde) in Bach’s werk vrijwel totaal. Wanneer er in de tekst gesproken wordt van het Lam Gods schrijft Bach het notenbeeld van 9 op, het getal van de volmaakte onschuld. Gaat het over de Kerk (met hoofdletter), dan creëert hij een 12, het getal van de apostelen, van de kerk als gemeenschap, maar ook van het aantal koraalzettingen in de Matthäus, namelijk 12. De passie bestaat verder uit 27 passages waarin het evangelie wordt gezongen. Het getal 27 staat bij Bach voor de drie-eenheid van God (3×3×3). Een laatste frappant voorbeeld van een mogelijke symboliek vind je wanneer Jezus met de twaalf apostelen aan het laatste avondmaal zit en aankondigt dat hij door een van hen verraden zal worden. De woorden ‘Herr, bin ich’s?’ worden elf keer herhaald en geen twaalf keer. Judas (de verrader) zingt immers niet mee. Het lijkt misschien toeval allemaal, maar dat kán het niet zijn, aldus de ‘geleerden’, ‘want als het inhoudelijk niet klopt dan werkt het niet, dan slaat de klank de plank mis.’ Ik vind het fascinerend om te leren wat de componist allemaal bedacht en (mogelijk) bedoeld heeft met het vervolmaken van zijn meesterwerk.

In de zaal zitten we dichtbij het podium, waar we alles en iedereen goed kunnen zien. Heel bijzonder, want je hoort, ziet en voelt de intensiteit nu heel duidelijk van allen die een rol hebben in de vertolking van het stuk. De dirigent van het NNO (Noord Nederlands Orkest) is dit seizoen een van de beste koordirigenten ter wereld (Peter Dijkstra), die zelf als jongetje al in de Matthäus heeft meegezongen in het Roder jongenskoor, hetzelfde koor wat hier vanavond ook op het toneel staat. De cirkel is rond. De kritieken van de voorgaande optredens waren lovend en er is niets teveel gezegd. Vanavond was mijn vuurdoop, maar door alle verhalen, de uitleg, het enthousiasme, mijn gezelschap en de betovering alom is de avond werkelijk voorbij gevlogen.

Tot besluit nog een klein stukje wat ik gelezen heb en wat de kracht van Bach mooi omschrijft: ‘Voor niet muziek-theoretisch onderlegde lezers onder ons is het verschil tussen Bachs muziek en veel (toen veel populairdere, maar nu vergeten) muziekstukken van andere musici te vergelijken met het verschil tussen een historisch gebouw (Bach) dat met zorg van binnen en buiten is ontworpen, waarin de verhoudingen en lijnen en kleuren kloppen en dat je toch telkens weer verrast als je het vanuit een andere hoek bekijkt en (in het slechtste geval) een toneelfaçade van datzelfde gebouw; alleen een voorzijde, een buitenkant, eventjes leuk, maar het dient verder tot niets.’ Het gebouw stond vanavond en heeft zeker verrast.

KIJKEN, GENIETEN, GROEIEN

Social Media speelt een grote rol in ons dagelijks leven. Toegegeven in de wereld van de één meer dan in dat van de ander, maar we kunnen er niet omheen…..social media is het platform van vandaag de dag. Ter verduidelijking: ‘sociale media is een verzamelbegrip voor online platformen waar de gebruikers, zonder of met minimale tussenkomst van een professionele redactie, de inhoud verzorgen. Hoofdkenmerken zijn interactie en dialoog tussen de gebruikers.’ Onder deze verzamelnaam vallen weblogs, microblogs (Twitter), videosites als YouTube en sociale netwerken als Facebook om maar eens een paar bekende voorbeelden te noemen ;). En alsof er nog niet voldoende social mediakanalen zijn, blijven er steeds nieuwe initiatieven bijkomen die door gebruikers telkens enthousiast worden omarmd. Voor mijn gevoel word je door dit alles compleet overdonderd met zoveel informatie dat je inderdaad niet meer wat je moet beginnen zonder je telefoon.

Hoewel ik mij dus altijd een beetje afwerend heb opgesteld, op een enkele uitzondering na, word ik nu toch aangetrokken door een oproep op mee te doen aan de ‘Instameet’ in Groningen. Een andere bekende vorm van social media is n.l. Instagram, een gratis mobiele app om vooral digitale foto’s uit te wisselen. Dat biedt misschien interessante mogelijkheden? Hoewel ik (nog) geen Instagram account heb, besluit ik toch aan deze bijeenkomst voor instagrammers deel te nemen. Tenslotte is dit een bijeenkomst voor mensen met een passie voor fotografie, wordt er een workshop gegeven en blijkt Instagram, volgens de organisatoren, met meer dan 600 miljoen gebruikers wereldwijd het fotografie platform bij uitstek te zijn.  Voeg daarbij de slogan ‘Instagram is ‘hot and happening’ en je kunt niet meer om deze app heen, toch?

3047501379.pngInstameet 2019

Waarom een Instameet? ‘Hoe ziet Groningen eruit door de ogen van Instagrammers?’ was een vraag die een Groningse fotograaf bezighield. Naar zijn idee, in samenwerking met Marketing Groningen, werd daarop, drie aar geleden, de eerste Instameet Groningen georganiseerd. Volgens de organisatie zet Groningen bezoekers en bewoners in als ambassadeurs van Groningen. Zij laten hun eigen omgeving zien, ze laten zien hoe mooi Groningen is. Een betere reclame kun je niet krijgen, toch? Ik ben benieuwd!

Riepko.Krijthe1Portretfotografie

Deze Instameet 3.0 (de derde op rij na twee succesvolle voorgaande jaren) begon met twee verschillende workshops fotografie; portret-/straatfotografie of landschapsfotografie waarin bekende Groningse fotografen Joram Krol en Anis Hahury hun kennis deelden alvorens hun groep op straat te begeleiden voor het echte werk. Anis Hahury begon met de stelling dat het accent eigenlijk niet moet liggen op het aantal ‘likes’ dat je krijgt, maar dat het vooral belangrijk is om te kijken. Niet slechts in de betekenis van het ‘gewone’ zien, wat vrij algemeen is en in het midden laat of er opzet bij is. Het gaat hier meer om het ‘echte’ kijken, het gadeslaan, het waarnemen. Kijken veronderstelt namelijk meer opzet en opmerkzaamheid, gadeslaan bovendien belangstelling en waarnemen kent een element van nauwkeurigheid. Vervolgens speelt genieten een belangrijke rol, je moet plezier aan hetgeen je doet beleven. Een goede manier om een gevoel van geluk (of plezier) op te roepen is door te leven in het moment. En hoe zit het dan met de toekomst? Simpel. volgens deze theorie bestaat het leven niet uit ‘straksen’, het leven bestaat uit nu’s. Dus straks is er weer een nieuwe nu en in die nu kun je opnieuw geluk ervaren. Met deze zienswijze is het altijd nu en nooit straks, dus hoef je hier ook niet zoveel mee bezig te zijn. Of je er nu in gelooft of niet, één van de tips om toch vooral te genieten van het nu is: Kijk om je heen als je (door de stad) wandelt, en neem de omgeving echt in je op. Met andere woorden doe wat je leuk vindt en geniet ervan. Genieten schijnt een kunst te zijn waarin je beter kunt worden. We dwalen nu wel iets af van de workshop zelf, maar de essentie is duidelijk. Tenslotte komen we aan bij het woord groeien. Groei in de zin van eigen ontwikkeling en ontplooiing. Op het gebied van fotografie heb ik zeker nog een lange weg te gaan, maar tegelijkertijd zijn dit wel drie kernwoorden waar ik wat mee kan.

Riepko.Krijthe1-5Noorderplantsoen

We duiken vervolgens wat de diepte in met een uiteenzetting over ‘gear’ (je foto uitrusting), techniek (diafragma, sluitertijd, iso), compositie, weerkennis en beeldbewerking (lightroom, photoshop en nik collection). Het meeste is mij ondertussen welbekend, maar  compositie blijft een dingetje en weerkennis is voor mij een totaal nieuw aandachtspuntje. Al wordt daar waarschijnlijk mee bedoeld dat je aandacht moet hebben voor het blauwe uurtje (het uur waarin de lucht tijdens de schemering een helderblauwe kleur krijgt voordat het donker of licht wordt) en/of het gouden uur. Dit is het sterkst in het uur na zonsopgang en het uur voor zonsondergang. Het zonlicht is dan erg geel van kleur en geeft de foto een warme sfeer. Verder moet je aandacht hebben voor en profiteren van mist, wolkenpartijen die al dan niet lijnen vormen om je beeld te ondersteunen en meer van dit soort zaken.

Riepko.Krijthe1-3.jpegIn de vijver

Terug naar compositie, want wat is compositie eigenlijk? Letterlijk betekent het ‘de ordening van verschillende delen tot één geheel’. Compositie in de fotografie betekent dus eigenlijk dat je de verschillende onderwerpen dusdanig in een foto plaats dat ze samen een mooi geheel vormen. Een foto met een goede compositie is daarmee fijn om naar te kijken, de aandacht van de kijker wordt naar de juiste plaatsen getrokken. De regel van derden en de gulden snede zijn de meest bekende compositieregels. Bij de ‘regel van derden’ wordt de foto in negen denkbeeldige (gelijke) vlakken verdeeld, waarbij de interessantste of belangrijkste delen van de foto het best op één van de snijpunten geplaatst kunnen worden. Horizontale of verticale lijnen in de foto kun je ook op, of in elk geval in de buurt van, deze 1/3 lijnen plaatsen voor maximaal effect. Deze regel van derden lijkt heel veel op die van de gulden snede, maar hoewel de regel van derden mooie composities oplevert, gaat de gulden snede nog een stapje verder. Bij de gulden snede kun je niet alleen gebruikmaken van lijnen en kruispunten, maar ook van een curve om de toeschouwer op een prettige manier rond de foto te leiden naar één centraal punt. De gulden snede is een afgeleide verhouding van het Griekse getal Phi, niet te verwarren met Pi. Naast de wis- en natuurkunde, is dit getal tevens in veel schilderkunst en architectuur terug te vinden.De gulden snede kun je (gelukkig) ook afbeelden als alleen rechte lijnen. Dan bestaat de gulden snede eveneens uit negen vlakken, maar deze hebben wel verschillende verhoudingen, waarbij de vlakken in het midden een stuk kleiner zijn dan die aan de buitenkant. Alsof dit allemaal nog niet genoeg is praten we verder over ‘leidende lijnen, het aansnijden van je onderwerp, de kunst van het weglaten om tenslotte te horen dat ook het negeren van al deze theorieën zeker tot de mogelijkheden behoort. Het gaat er tenslotte om wat jij met jouw foto wilt overbrengen. Pffff. 

 

Riepko.Krijthe1-6De Nijlgans

Dan is het eindelijk zover. We mogen naar buiten en vertrekken in een lange sliert naar het Noorderplantsoen. Het is koud, maar de zon schijnt helder. In de lucht drijven grote witte wolken langzaam voorbij. Midden op de dag geeft misschien niet het meest ideale weersomstandigheden voor een fotograaf, maar ik vind het prima zo. Het is een drukte van belang in het park, waardoor het maken van foto’s een hele uitdaging wordt. Een stel nijlganzen zwemt langzaam heen en weer in de vijver met een jong tussen hen in. Een opa leert zijn kleinzoon dat de nijlgans een gansachtige eend is herkenbaar aan de donkerbruine ring om zijn ogen. Het jongetje huppelt vrolijk verder, zijn uitzicht op de ganzen is verdwenen achter een haag van fotografen. Ik doe mijn best om tussen alle mensen een paar mooie plaatjes te schieten, maar of ik zal uitblinken tussen al dat fotogeweld? Ik ga toch maar een Instagram account aanmaken om te kunnen zien wat alle anderen hebben gezien en geschoten. Door zo’n gezamenlijke actie mis ik onze ‘photo walks’ in Bangkok met het foto overzicht wat daarna gemaakt werd, maar wie weet komen we door dit soort  aanmoedigingen wel tot nieuwe inzichten en ontdekken ook wij zo meer van ‘onze’ stad.

LENTEGELUK

Zo rond de tweede helft van maart raken we bijna allemaal onder de invloed van de lentekriebels, die op hun beurt weer zorgen voor (lente)geluk. Praktisch niemand ontkomt aan de charme van de eerste zonnestralen in het voorjaar. We worden er blij van! Deze blijheid wordt veroorzaakt door de krachtiger wordende zonnestralen, die op hun beurt zorgen voor vitamine D aanmaak in je lichaam. Vitamine D is weer belangrijk voor de productie van hormonen als serotonine en dopamine, die invloed hebben op het bioritme en het ‘geluksgevoel’. Dit lentegeluk is dus een signaal dat de winter voorbij is en tegelijkertijd voor veel mensen een signaal om het roer om te gooien en weer naar buiten te gaan. Het leven is mooi!

IMG_4448Lammetjes op de dijk

Mooi is het zeker! Al heel vroeg dit jaar (nog midden in de winter) kunnen wij in onze tuin al volop genieten van heel veel sneeuwklokjes. Hoewel de maanden januari en februari de bloeimaanden van het sneeuwklokje zijn, geven ze je alvast een sprankje lentegevoel. Het sneeuwklokje staat dan ook symbool voor hoop, (opnieuw) ontwaken en lenteverwachting.

28515038_10212092369008724_8686366224699803481_o.jpg‘Galanthus Nivalis’

Even later volgt een tapijt met krokussen, want het effect van krokussen is beslist het mooist wanneer er veel bij elkaar geplant worden. Wist je trouwens dat de wetenschappelijke naam ‘crocus’ stamt van het Latijnse ‘croceus’ wat saffraan betekent? De bloem van de ‘echte’ saffraan krokus heeft drie rode stempels en drie gele meeldraden. De stempels worden geplukt en gedroogd waardoor saffraan gewonnen wordt. Er zijn maar liefst 13.000 stampers (drie stempels per stamper) nodig voor 100 gram saffraan! Wij hebben natuurlijk geen saffraan krokussen in de tuin, maar misschien wel boerenkrokussen? Dit is een stinsenplant die oorspronkelijk uit de Balkan komt. Stinsenplanten zijn meestal verwilderde voorjaarsbloemen met opvallende bloemen (check!). Het woord komt van het Friese woord ‘stins’, dat stenen huis betekent. Hier wordt een versterkt en met stenen gebouwd huis mee bedoeld; woningen van adellijke of welgestelde heren die dikwijls landgoederen bezaten. Is dat ook op ons van toepassing? 😉 Hoe het ook zij, ons voorjaarstapijt ziet er prachtig uit.

IMG_4559.JPG‘Crocus’

Eigenlijk begint de ‘echte’ lente pas vandaag, want de lente begint als de zon loodrecht boven de evenaar staat. Het is de lente-equinox, die ook wel maart-equinox, lentenachtevening of lentepunt wordt genoemd. Alle seizoenen beginnen op de 21ste, maar 21 maart als begin van de lente klopt niet helemaal. De seizoensindeling wordt immers gebaseerd op de stand van de aarde ten opzichte van de zon. De astronomische lente begint daarom dit jaar op 20 maart, wat, volgens de mensen die het kunnen weten, ook de komende decennia zo zal zijn. Dit is het tijdstip waarop de lengte van de dag en de nacht ongeveer even lang zijn. Om praktische, maar ook om klimatologische redenen begint de meteorologische lente echter al op 1 maart en duurt dan tot 1 juni. De weerkundige lente is vandaag dus al drie weken aan de gang. Alle meteorologische instanties (waaronder ook het KNMI) hebben met elkaar afgesproken om de weerkundige seizoenen op de eerste dag van de maand te laten beginnen (lente: 1 maart, zomer: 1 juni, herfst: 1 september en winter: 1 december). De wisselvalligheid van de ‘echte’ startdatum heeft de weerkundigen ertoe genoodzaakt een andere definitie te kiezen, alhoewel iedereen het erover eens is dat de astronomische lente de start is van de enige echte lente.

Het woord lente is een oude afleiding van ‘lang’ en heeft betrekking op het lengen van de dagen (lengte). Het is verwant aan het Duitse ‘Lenz’ (voorjaar) en het Engelse ‘lent’, de veertig dagen durende vastentijd voor Pasen. Het begin van de lente is van belang voor de berekening van Pasen. We vieren het Paasfeest op de eerste zondag na de volle maan op of na 21 (of 19 of 20) maart. Dat klopt niet dit jaar, lijkt me? Het blijkt dat de christelijke kerk een heel wat ingewikkeldere methode gebruikt voor het berekenen van de datum van Pasen, waarbij termen als ‘het gulden getal’, ‘schrikkelcorrectie’ en het aantal volle manen in een jaar een rol spelen. Geen eenvoudige methode, maar dat is ook eigenlijk niet zo belangrijk (voor ons). Het resultaat van al deze berekeningen is dat Pasen altijd valt tussen 22 maart en 25 april en daarmee aan het begin van de lente.

Pasen was vroeger dan ook een seizoensgebonden landbouwfeest. Het markeerde het einde van een tijd van schaarste, die heerste als de voorraden van de winter opraakten. Veel paasgebruiken zijn afgeleid van dit niet-christelijke lentefeest, zoals het rapen van eieren. Boeren beschouwden eieren als een kiem van kracht. Ze begroeven eieren in hun velden opdat ze hun kracht op de bodem over zouden brengen en voor een goede oogst zouden zorgen. Later dienden de eieren voor de katholieken ook om na de veertigdaagse vastenperiode (die na de viering van Carnaval begon) weer op krachten te komen. Met Palmpasen (de zondag voor Pasen) werden de eieren ingezameld. Voor de christenen wordt met Palmpasen de feestelijke intocht van Jezus in Jeruzalem herdacht, waarbij hij werd onthaald als een koning en mensen jonge (palm)takken voor hem op de grond legden. Je zou bijna zeggen dat er voor elk wat wils uit Pasen valt te halen :).

Hoe zit het trouwens met de paashaas? Het verhaal van de paashaas zou zijn oorsprong vinden bij de Teutonen, een Germaanse stam in de laatste eeuw voor Christus. Deze stam kende diverse mythes, waaronder een mythe over de godin Ostara (Ostern is het Duitse woord voor Pasen). Ostara, de godin die ervoor zorgt dat de lente begint, was in een bepaald jaar iets te laat, waardoor de lente ook pas laat op gang kwam. Om haar fout enigszins goed te maken, besloot ze een jong vogeltje, dat bijna door de kou bezweken was, te redden. Maar de kou had zijn werk al gedaan en het vogeltje kon niet meer vliegen. De godin veranderde de vogel daarop in een haas. Niet zomaar een haas, maar eentje die één dag in het jaar in staat was om eieren te leggen en wel op de dag waarop Ostara werd vereerd. Geweldig verhaal.

Riepko.Krijthe1.jpegVoorjaar

Terwijl ik me nog wat verder verdiep in de christelijke gebruiken (je moet wel toch, als je in een pastorie woont?) leer ik dat met Palmzondag de Goede Week begint, waarin christenen het lijden en sterven van Jezus herdenken. Tijdens deze laatste zeven dagen van de Vastentijd worden belangrijke gebeurtenissen uit de Bijbel herdacht die  voorafgingen aan Jezus’ sterven. Een aantal dagen hebben een speciale betekenis. Zo wordt op Witte donderdag het laatste avondmaal herdacht. Deze dag dankt zijn naam aan de gewoonte om kruisbeelden en andere beelden op deze dag met een wit kleed te bedekken. Goede Vrijdag staat in het teken van Jezus’ lijden en sterven. ‘Goede’ verwijst naar het offer als verzoening voor zonden. In andere verklaringen wordt de verklaring van Goede Vrijdag meer gezien als verbastering van ‘Gods Vrijdag’ of als synoniem voor heilige vrijdag, omdat goed een oud woord voor heilig is. Stille Zaterdag tenslotte herinnert aan de tijd dat Jezus’ lichaam in het graf lag. Op deze dag worden de kerkklokken niet geluid.

IMG_4744.JPG‘Narcissus’

Langzamerhand ben ik wel een heel eind afgedwaald van het lentegeluk, alhoewel….. als ik zo’n veld met prachtige paasbloemen zie dan is mijn lentegeluk weer volop aanwezig.

IMG_4745.JPGLentegeluk

 

SCHUDDEN AAN MIJN BOOM

Geïnspireerd door een theatershow van Jörgen Raymann, waarin de oude wijsheid ‘als je wilt weten waar je naartoe wilt gaan, moet je weten waar je vandaan komt’ centraal staat, begin ik aan een eigen reflectie van mijn stamboom. Ik ga schudden aan mijn persoonlijke boom! Een duik in het verleden om te onderzoeken of daar nog nieuwe verrassingen uit voort zullen komen……

Omdat we nog steeds leven in een min of meer patriarchale samenleving (al zullen velen dat misschien betwisten) begin ik met de wortels van mijn vader. Al vanaf zeer jonge leeftijd werd ik doordrongen van het feit dat ik afstam van de schrijver P.A. Daum. Als opa van mijn opa en bekend schrijver in en over Nederlands Indië werd zijn naam dikwijls genoemd, want mijn opa hield van familielijnen uitpluizen, het onderhouden van contacten met verre leden van onze wijdverspreide familie en uiteraard over het vertellen daarover. Het was toen nog niet zo aan mij besteed.  

Paulus Adrianus (Paul Adriaan) Daum (de latere schrijver) werd op 3 augustus 1850 geboren in een Haagse volksbuurt als zoon van een ongehuwde moeder. Dat is op zich al interessant, wat is het verhaal daarachter? Tijd voor verder onderzoek? Eerst even verder over deze Paulus (1850-1898) . Hij groeide op aan de rand van het zuidoostelijk kwartier van Den Haag, wat in die tijd werd omschreven als: ‘door het Spui in tweeën gesneden krioelt aan de ene zijde het kroost Abrahams van mindere gehalte, mannen, vrouwen, kinderen en insecten…… Aan de andere kant van het water vind je armoede, landloperij, weelderige losbandigheid en lage ontucht ……’ Met andere woorden er woonden onbetrouwbare vreemdelingen en er werd ‘geraasd (veel lawaai gemaakt) door het schuim van Den Haag’. Een pittig buurtje dus. Daarentegen was deze wijk niet alleen het armste deel van de stad, het was ook het meest dynamische.

Paulus (of Paul) kreeg in zijn jeugd weinig onderwijs (mogelijk door gebrek aan geld) en wordt daarom wel beschouwd als een autodidact, iemand die zijn kennis door zelfstudie, zonder begeleiding door een educatieve organisatie of opleiding, heeft verkregen. Paul was leergierig en hij had het geluk dat hij goed werd opgevangen o.a. door de familie van zijn latere vrouw Hendrika Vink. Hij las en studeerde veel en begon al vroeg met het schrijven van novellen die werden gepubliceerd. Ik lees dat hij zich later ondanks dit succes schaamde voor dit werk; ‘ ik zou geld geven als ik dit prulwerk ongedaan kon maken’. Toch bezorgde dit vroege werk hem een baan als redacteur van het Haagse dagblad ‘Het Vaderland’. Ruim twee jaar (1878) kreeg hij een baan aangeboden in Semarang (Indonesië) bij het nieuwe dagblad ‘De Locomotief’ waardoor zijn carrière tot ongekende hoogten steeg, zeker binnen Indonesië.  Hij werd hoofdredacteur van verschillende Indische kranten en schreef zelf ook feuilletons (de voorloper van de ‘blog’, hahaha) onder het pseudoniem Maurits. ’Uit de Suiker in de Tabak’ was zijn eerste boek in afleveringen. Hierover werd later geschreven dat Daum zich, in de vijf jaar die lagen tussen zijn aankomst in Indië en de publicatie van zijn eerste boek, had ontwikkeld van een ‘zoveelste rang auteurtje’ tot een ‘uitstekend romancier’.

Terug naar zijn moeder, Maria, oudste dochter van Paulus Daum en Maria Borsboom. Om het een en ander goed te begrijpen, moeten we een klein stukje verder terug in de geschiedenis. Omstreeks 1848 verhuisden moeder Maria Borsboom, op dat moment al weduwe, en haar kinderen naar het zuidoostelijk deel van Den Haag, naar de ‘Bogt van Guinea’ (het tegenwoordige Huijgenspark). Echtgenoot Paulus was in 1847 overleden en het wegvallen van de broodwinning was vast de reden van de verhuizing naar deze, sociaal minder in aanzien staande, wijk. In de wijk woonden toen vooral de zogenaamde ‘fatsoenlijke volksklasse’, waartoe de familie Daum ook behoorde. Paulus was eerst tapper (café houder) en later bode geweest. De oudste zoon was ‘werkman’, wat betekende dat hij een ambacht uitoefende. Andere kinderen waren ‘bediende’, waaronder Maria. De vader van haar kind was n.l naar alle waarschijnlijkheid iemand uit de ‘betere kringen’ die zich, zoals ze dat zo mooi zeggen, aan de dienstbode had vergrepen om zich daarna weer terug te trekken in de anonimiteit. Onderzoek naar vaderschap was in die tijd wettelijk verboden. Een bescherming van de hogere standen? Dochter Maria vernoemde haar zoon naar haar vader Paulus en haar jongste broer Adriaan Cornelis. Met de vernoeming van het kind naar zijn naaste familie werd benadrukt dat zowel Maria als haar zoon bleven behoren tot het gezin Daum, hetgeen in die tijd niet vanzelfsprekend was. Maria werd daarna wel, door haar omgeving, gezien als een ‘gevallen vrouw’, want in de publieke opinie werd er in die dagen een nauw verband gelegd tussen een ongehuwde moeder en een prostituee. Moeilijke jaren volgden. 

Ondertussen zijn er zo al diverse verhalen uit mijn boom gevallen. We zijn inmiddels aangekomen bij Maria (1824-1881) en haar vader Paulus (1797-1847). Tot en met de schrijver Daum allemaal afkomstig uit Den Haag. Al speurend en napluizend kan ik nog één verdere voorouder vinden en wel Johannes Daum, de opa van Maria en de overgrootvader van de schrijver. Veel meer dan dat hij geboren is in 1771 en overleden in 1855 is er echter niet bekend. Opvallend is wel dat zijn geboorteplaats Leiden is, alhoewel Leiden en Den Haag natuurlijk relatief dichtbij elkaar liggen. Johannes is de overgrootvader van de grootvader van mijn grootvader. Wat maakt hem dat van mij?

De opa van mijn opa is mijn betovergrootouder (Paul Adriaan/Maurits), zijn moeder (Maria) is mijn oudouder, haar vader (Paulus) wordt dan mijn oudgrootouder en zijn vader (Johannes) is dan tenslotte mijn oudovergrootouder. Een mond vol! Dit is dan nog maar de 8e generatie terug, de lijst met namen is vele malen langer. Ik vraag me af of iemand ooit al die voorouders kan vinden?

Ik ben mijn verhaal begonnen met de schrijver Paul Adriaan Daum en ben teruggegaan in de tijd om te eindigen bij Johannes Daum, waarna ik niets meer kan vinden. Mijn eigen opa vertelde altijd dat wij afstammen van de Hugenoten. Vanaf de jaren 1680 verspreidden tussen de 200.000 en 600.000 Fransen zich over Europa en verder. Onze familienaam veranderde, volgens hem, van Dame in Daum toen wij in Nederland terecht kwamen. Ik kan helaas niet ‘controleren’ of dat waar is. Wat we nu wel weten is dat de schrijfwijze van de familienamen in de loop der eeuwen evolueerde, dus een andere schrijfwijze behoort beslist tot de mogelijkheden.

Na de schrijver Paulus Adrianus gebeurde er natuurlijk ook nog het een en ander, anders zou ik er niet zijn, nietwaar? De oudste zoon van Paulus werd weer een Paulus Adrianus (1872-1922). Geboren in Utrecht werd hij ergens gedurende zijn leven directeur van de stoomvaartmaatschappij Nederland, waardoor ook hij terecht kwam in Indonesië. Sinds zijn vertrek naar Nederlands Indië werd het gebruikelijk dat de kinderen geboren werden en opgroeiden in de tropen. Voor hun studie vertrokken ze naar Nederland om daarna carrière te maken terug in hun geboorteland. Met het eerste verlof nog eenmaal terug naar Nederland om een vrouw te zoeken en vervolgens terug naar Indonesië waar de cyclus opnieuw begon.

Zijn oudste zoon Paul Adriaan (mijn opa) werd dus geboren in Indonesië uit een huwelijk met Suzanna Boucher (een française). Vanaf nu wordt de wereld kleiner en het leven avontuurlijker ;-D. Deze Paul Adriaan trouwt met, de in Johannesburg geboren, Maria Livia Christina de la Lande Cremer, waaruit onder meer mijn vader Paul Adriaan geboren werd in 1930 (Medan, Indonesië). Driemaal raden…..inderdaad de oudste zoon van de oudste zoon. De WOII gooide roet in het eten en de familietraditie met begrip tot de tropen stopt hier dan ook. Met mijn vader houdt eveneens onze (Daum) stamboom op, althans onze directe lijn. Mijn ouders kregen drie dochters en om aan te geven dat er toch echt niet nog een kind zou komen, gaven ze hun jongste dochter de initialen P.A. mee. Inmiddels hebben mijn zussen en ik zelf kinderen, maar geen van onze kinderen draagt ‘onze’ achternaam, dus van ons hoef je geen ‘daum appeltjes’ meer te verwachten. Ook de broers van mijn vader hebben gezamenlijk maar één zoon voortgebracht. Het is aan hem om de naam hoog te houden :).

Het uitzoeken van mijn stamboom (genealogie) bleek echt een beetje verslavend, maar dan in de allerbeste vorm. Het laat je niet los, je móet verder zoeken, je wilt steeds meer weten…….. Blijven schudden dan maar?