Nieuwe kans?

Een nieuwe plaats biedt nieuwe kansen zullen we maar zeggen. Onze fotograaf heeft zich wederom goed uitgesloofd om details van de gekozen plaats visueel aantrekkelijk weer te geven, waarbij hij niet tegelijkertijd het antwoord wil geven op de vraag om welke plaats in Groningen het deze keer gaat. Geen sinecure!   

foto: RK
foto: RK

‘Onze’ plaats mag niet ontbreken op de lijst van mooiste dorpjes van de provincie Groningen. Dat begint al veelbelovend, toch? Wanneer het dorp precies is ontstaan, is niet bekend, maar de oudste vermelding is te vinden in de vita (meervoud vitae: de eigenlijke levensbeschrijving van een heilige) van Liudger (744-809). Liudger, ook wel de ‘apostel der Groningers’ genoemd, is een 8e eeuwse missionaris in het gebied van de Friezen (de huidige provincie Groningen wordt in die dagen ook wel het gebied der Friezen genoemd). Hij voltooide het werk waarvan evangeliepredikers als Willibrord en Bonifatius de grondleggers zijn geweest. Liudger bereikte veel vanwege zijn grote voordeel dat hij de landstaal sprak. Volgens overlevering heeft de genezing van de blinde bard Bernlef echter eveneens een grote rol in zijn succes gespeeld. Op één van zijn vele reizen in het noorden ontmoette Liudger deze bard en wilde hij hem tot het christendom bekeren. Bernlef zou als reactie hebben geantwoord: ‘als uw God zo machtig is, toon mij dan een teken’. Een uitdaging die aangenomen moet worden ;). De heilige legde vervolgens zijn handen op de ogen van de bard, sprak daarna een gebed uit en voilà ….. de blinde kon opeens weer zien. Genoeg reden om zijn naam te onthouden, toch?! 

foto: RK
foto: RK

Ons dorp kent een eeuwenlange geschiedenis, waarin de bewoners steeds meer grip op het hen omringende landschap kregen. Ook de lager gelegen delen rondom de wierde werden in gebruik genomen. Ten zuidoosten van de oorspronkelijke dorpswierde werd een klooster gesticht dat uitgroeide tot één van de grootste van Nederland. Het klooster had veel grond en verschillende boerderijen in bezit. Vermoedelijk heeft dit klooster een belangrijke rol gespeeld bij het droogleggen van de kleddernatte wildernis ten zuiden van het dorp. De buitendijkse gebieden ten noorden van het dorp werden in eerste instantie gebruikt als weiland, maar na inpolderingen in de 18de en 19de eeuw maakten de weilanden plaats voor vruchtbare akkers. Met name door de bloeiende akkerbouw kon het dorp in de 19de en 20ste eeuw uitgroeien tot een groot dorp met vele voorzieningen. De welvaart van die periode wordt onder andere weerspiegeld door vele mooie villa’s, veelal ontworpen in de stijl van de Amsterdamse School (een bouwstijl, verwant aan het expressionisme, die zich kenmerkt door gebruik van expressieve en fantastische vormen).

Ons dorp was in vroeger jaren onderdeel van een trekvaart route.Tussen 1663 en 1863 was het een komen en gaan van trekschuiten over de Groninger wateren. Het was de snelweg van die tijd, met een vaste dienstregeling. In het landschap zijn allerlei herinneringen bewaard gebleven. Denk aan rolpalen, oude veerhuizen, bruggen en oude namen als ‘Jaagpad’ of ‘Trekweg’. In ons dorp is het een oude herberg, met de prachtige naam ‘Rust een weinig’, bij de brug waar vroeger een trekvaart halte was. Het is tegenwoordig in gebruik als een woonhuis. Een grappig verhaal is dat toen in de 19e eeuw de scheepvaart terugliep en de herberg veel klandizie moest missen, de herbergier een oplossing ‘moest’ bedenken om dit probleem op te lossen. Na enige tijd bedacht hij een gewaagd plan, alleen maar geschikt voor zonnige zomerdagen. Zijn dochters moesten overgehaald worden om mee te werken. Dat deden ze! Een turfschipper zou zo zijn afgeleid dat hij zelfs met zijn schip uit de bocht vloog…  Driemaal raden wat de oplossing van die herbergier was (hahaha).

foto: RK
foto: RK

Bovenstaande foto’s laten ons zien dat de Joodse gemeenschap een belangrijke rol in het dorp heeft gespeeld. De eerste joodse families vestigden zich hier rond eind 18e eeuw. Voor hen en de latere joodse inwoners vormden de handel in vee en vlees de voornaamste bronnen van bestaan. Het aantal Joodse inwoners in het dorp was in de komende jaren echter nooit hoog genoeg om een zelfstandige gemeente te vormen, dit tot hun grote ontevredenheid, want de afstand naar de dichtstbijzijnde synagoge was gewoon te groot en kostte daardoor teveel tijd. Toen in het midden van de 19e eeuw hun aantal dusdanig was toegenomen dat ze ‘minjan’ konden vormen, regelden ze onmiddellijk hun eigen godsdienstoefening in een gehuurde ruimte in het dorp. Minjan is het aantal van tien volwassenen, dat vereist is voor het gemeenschappelijk gebed in een synagoge. Ook voor het zeggen van het kaddisj (gebed voor een dode) bij de begrafenis is de aanwezigheid van een quorum van tien personen vereist. In die tijd was ons dorp, volgens overlevering, ‘een heel gezellig, levendig dorp met veel geluiden’. Het had, om maar een paar dingen te noemen, acht slagers van wie vier joodse, een huissynagoge, een hbs (in 1886 werd hier de eerste rijks hbs op het platteland opgericht), een fanfare en allerlei verenigingen. 

De kooplieden, evenals de andere joodse inwoners, uit het dorp wilden natuurlijk graag in hun eigen dorp begraven worden op een eigen Joodse begraafplaats. Omdat de gemeente geen grond ter beschikking wilde stellen, deden de Joden een verzoek bij de Hervormde Gemeente, die hen in 1885 een deel van hun eigen begraafplaats verkocht. Op deze joodse begraafplaats staan tegenwoordig 29 grafstenen, waarvan de oudste uit 1887 stamt. Daarnaast is er nog een gedenkteken (uit 1948) voor 22 Joodse slachtoffers van WOII. In de herfst van 1942 zijn namelijk vrijwel alle Joodse inwoners van dit dorp gedeporteerd en omgekomen in de vernietigingskampen. Ook is er in 1977 een monument opgericht voor een plaatselijke joodse schrijver, die eveneens in 1942 is omgekomen in Auschwitz. Deze schrijver, Benjamin Broekema, is het enige kind van slager Jozef Broekema en zijn vrouw Reina van Dam. Zijn vader is ziekelijk en thuis hebben ze het niet breed. Daarom moet de getalenteerde Benjamin direct na de lagere school bij vader in de zaak. Hij is een kind dat opvalt, kan goed voetballen, is al jong geïnteresseerd in politiek, speelt toneel, wordt lid van de toneelvereniging en de fanfare, maar ‘Poere’ (zoals hij in het dorp genoemd wordt), voelt zich vooral schrijver. Hij ontwikkelt zich tot één van de meest productieve toneelschrijvers van het noorden. Zijn meeste werken zijn in het Gronings.

Ook hier hebben de inwoners van het dorp een schimpnaam waaronder ze bekend staan, n.l. ‘bloklichters’. Met ‘blok’ wordt hier het kerkblok of offerblok bedoeld. Hierin werden de offergiften gestort. De scheldnaam betekent dus ‘dieven die de offerbus leeghalen’ of in mooi Gronings: ‘het schient dat in t verleden offerblok in de kerk leegstolen is’. 

Is het je ondertussen al duidelijk geworden over welke plaats dit verhaal gaat? Nog een weetje dan, voordat ik overga tot de onthulling ;). Recentelijk is de laatste waddenbank in dit dorp onthuld. De, in totaal, tien banken zijn ingelegd met een patroon van deels spiegelende tegeltjes. Een deel van elke bank heeft de Waddenkust als vast thema. De rest wordt gevuld met eigen verhalen uit het betreffende dorp. De verhalenbanken zijn onderdeel van het project ‘Kiek over Diek’, een 90 km lang fietspad over, voorlangs en achterlangs de dijk, en zijn bedoeld als rustpunt en ontmoetingsplek. Het fietspad loopt van Lauwersoog tot aan Nieuwe Statenzijl.

Het wordt inmiddels de hoogste tijd om het een en ander te verklappen, indien je de oplossing nog niet bedacht hebt.    

foto: RK
foto: RK
foto: RK

Zeg je ‘Op Roakeldais’, dan zeg je Warffum (Waarvum). Dit internationale folkloristisch dansfestival wordt sinds 1966 elk jaar in Warffum gevierd. De aanleiding voor dit dansen was een reactie op het rapport ‘bedreigd bestaan’ van de RUG waarin in 1959 werd geconcludeerd dat de toekomst van Noord-Groningen er somber uitzag. Leegloop door een trek naar de stad, scherpe scheidslijnen tussen de dorpen op het gebied van religie en sociale positie (‘dorpisme, groepisme en kerkisme’) werden gezien als struikelblokken. De oplossing werd gezocht in ‘samenwerking tussen verschillende gemeenschappen, zodat een goed sociaal-cultureel klimaat zou bijdragen aan de leefbaarheid van de streek’. De stichting ‘Opbouw de Recreatie Warffum’ nam de uitdaging aan. De Grunneger Daansers (een folkloristische dansgroep met Groninger klederdracht) uit het nabijgelegen Zandeweer vierde haar 10 jarig bestaan in 1966, maar hadden eigenlijk ruimte op het feest naar behoren te vieren.  Daarom werd uitgeweken naar Warffum, tien kilometer verderop. Als naam voor het festival werd gekozen voor ‘Op Roakeldais’, wat in het Gronings zoveel betekent als ‘op goed geluk’. Het is eigenlijk bijzonder te noemen dat juist voor nostalgie en folklore werd gekozen om Warffum en omgeving weer een boost te geven.

De naam Warffum is naar alle waarschijnlijkheid afgeleid van de woorden ‘warf’ en ‘heem’. Warf is een oud Fries woord voor een volksvergadering waar recht werd gesproken. Heem is afkomstig van het Germaanse woord ‘haima’, wat woning betekent. Het zwaard in het wapen van Warffum is een verwijzing naar deze plaats waar recht werd gesproken. 

De tweede foto laat een deel van een groter beeld zien; een tevreden, rustende en misschien genietende man. Het doet mij denken aan de zanger Ede Staal (1941-1986) die in Warffum geboren is. Een documentaire over zijn leven beschrijft hem als volgt: ‘Ede Staal bezong het Groninger land en de Groningers zoals niemand anders dat kon. Zijn donkere warme stem, zijn grappige én melancholieke liedjes hebben zowel Groningers als mensen ver daarbuiten tot fan voor het leven gemaakt’. In 2017 komt zijn muziek op Spotify. Als het aan lezers van Dagblad van het Noorden ligt, wordt de Ede-classic ’t Het nog nooit zo donker west’ het populairst op de Ede Staal-playlist. Toch is ‘Mien Hoogeland’ het eerbetoon aan zijn geboortegrond: ’t Is ’n doevetil, ’s durpsstroat, ’t Is ’n olde bakkerij, ’t Binnen de grote boernploatsen, Van Waarvum, Oskerd, zo noar Meij……..’

Dat brengt mij meteen naar de laatste foto. Voor Meij kun je immers ook Brij of Breij zingen? Grenzend aan Warffum ligt Breede (Brij of Breij), de naam een samentrekking van ‘brede’ en ‘Aa’ wat ‘brede waterloop’ betekent. De kerk van Breede is een zaalkerkje dat waarschijnlijk rond 1300 werd gebouwd in dezelfde periode dat ook het dorpje ontstond. In dat jaar werd de kerk afgescheiden van Warffum (in 1971 is de kerkelijke gemeente weer gefuseerd met Warffum). Het kerkgebouw verviel vervolgens, maar werd na een inzamelingsactie door bewoners en mensen uit de omgeving tussen 1981 en 1983 hersteld. Het kerkje kreeg vervolgens een multifunctionele bestemming. Het doet tegenwoordig dienst als trouw- en als uitvaartlocatie. Daarnaast vinden er regelmatig concerten, tentoonstellingen en lezingen plaats. Voor de geïnteresseerden: de kerk is opgetrokken in romano-gotische stijl (bouwstijlen uit de 13e en 14e eeuw). Het dak was oorspronkelijk bedekt met ‘monniken en nonnen’ (bij elkaar horende, overlappende dakpannen, die om en om gelegd worden), maar tegenwoordig met blauw geglazuurde ‘holle pannen’ oftewel Hollandse dakpannen (kenmerkend doordat het waterafvoerend gedeelte een gebogen vorm heeft). 

Vlakbij de kerk ligt de Breedenborg, een blokvormige borg uit 1857. De Breedenborg is een van de weinige borgen waarvan het bouwjaar bekend is. In dit jaar werd namelijk door Johan(nus) (of Jan) Braemsche (geboren in Emden) een stuk grond bij Breede gekocht (van wie is onbekend) voor de bouw van een borg. Hij was eerder tijdens een conflict tussen de graaf van Oost-Friesland en de stad Emden gevlucht naar de Ommelanden, waar hij zonder problemen werd opgenomen in de Ommelander adel. De oorspronkelijke borg is tot 1737 in het bezit geweest van adellijke families. Pas bij een ingrijpende verbouwing in 1850 kreeg de borg haar huidige uiterlijk. De tuin van de borg werd in de negentiende eeuw aangelegd met elementen uit de Engelse landschapstuin.

Het oorspronkelijke woonhuis ‘Breedenborg’, gelegen binnen de grachten, werd in 1963 met ruim 6 ha grond aangekocht door de gemeente Warffum. De toenmalige beheerder van de boerderij ‘Breedenburg’, Jelle Gaaikema, gaat met zijn gezin in de bungalow wonen, die op Het Kampke ernaast gebouwd is. In 1964 verpacht de gemeente het gebouw met het doel ‘het gebouw en de bijbehorende omgeving dienstbaar te maken aan de recreatie in die zin, dat de bevordering van de dagrecreatie en goede vakantiespreiding wordt nagestreefd’. Dit blijkt geen succes. Daarop wordt de borg in 1967 verbouwd tot een horecagelegenheid. Helaas verwoestte een uitslaande brand de borg in 1982 bijna helemaal. Pas in 1992 wordt het huis in oude stijl herbouwd. De kelder is bewaard gebleven en dateert nog uit de zestiende eeuw. De borg is nog omgeven door de oude gracht. Na de herbouw werd het gebouw eigendom van het bedrijf Koop Tjuchem die er een opleidings- en congrescentrum in vestigde. De Breedenborg is helaas niet toegankelijk voor publiek. Mocht je toch een beetje verleden willen proeven, dan kan dat in het openlucht museum van Warffum. Het geeft een inkijkje in het leven op het platteland van ruim honderd jaar geleden. De website roemt: ‘kijk rond in twintig oude gebouwen en ervaar hoe de mensen er vroeger woonden en werkten. Woonkamers, slaapkamers en werkplaatsen zijn met zoveel oog voor detail ingericht, dat het lijkt alsof de bewoners even weg zijn.’ Hier is ook de waddenbank, waarover ik eerder schreef, geplaatst. Helaas is het museum in deze corona tijd gesloten, maar het staat zeker op ons lijstje van ontdekkingen in een toekomstige, meer open, wereld.  

Voor de liefhebbers

‘Nogmaals voor de liefhebbers, welke plaats is hier afgebeeld?’ Deze keer lijkt de oplossing wat moeilijker te vinden, waardoor een beetje extra uitleg en verdieping hier mogelijk kan helpen?  

foto: RK
foto: RK

De eerste twee foto’s geven weinig prijs. Het laat je, met een beetje fantasie, zien dat het dorp niet zo groot is en voorzien is van een rand natuur. Hier word je dan ook langs geleid op de (mooiste) wandeling door de plaats. Het aan de rand van het dorp geplaatste kunstwerk ‘door een roze bril’ (nu niet meteen gaan opzoeken!) van Kees Romkema moet de omgeving kleur geven en ons tegelijkertijd een goede blik bieden op ‘de schitterende uitgestrektheid en kleurencombinaties die de regio ons te bieden heeft’. Grappig detail is dat kandidaten van de plaatselijke PvdA de roze bril in 2018 (tijdelijk) rood gespoten hebben. Hiermee vroegen ze aandacht voor het kijken door een rode bril. Zij beweren dat de regio weliswaar veel goeds en moois te bieden heeft (rooskleurig), maar dat er ook veel te verbeteren valt. Het ontbreekt veel mensen immers aan zekerheid; de zekerheid om niet in armoede te hoeven leven terwijl we zo’n welvarend land hebben. In deze regio komen armoede en gebrek, vaak gepaard gaan met uitzichtloze schulden, namelijk veel voor.

foto: RK
foto: RK

De tweede serie foto’s laten respectievelijk een smal straatje zien met een huis vol dichtgetimmerde ramen en daarnaast een mooi bogenspel van ramen welke onmiskenbaar tot een kerk behoren. Dichtgetimmerde huizen vaak met duidelijk zichtbare lange balken ter ondersteuning en getekend door scheuren van diverse formaten, doen denken aan een aardbevingsgebied. In 2015 heeft in deze omgeving een beving met een kracht van 2.5 op de schaal van Richter plaatsgevonden. Volgens de berichten werd de beving ingeluid ‘met gerommel in de verte, gevolgd door een lichte knal’. Nu, in 2021, is besloten dat er in ieder geval 350 huizen in dit dorp worden versterkt als een direct gevolg van deze en andere bevingen. 

Omtrent de naam van de kerk is wat verwarring ontstaan. Naar nu blijkt, in de oudste geschriften, is de kerk gewijd aan de heilige St. Dionysius en niet zoals eerder gedacht aan de apostel Jacobus de Meerdere. In die oudste schriftelijke documenten van de kerk staat ‘Dionysius’ ook afgebeeld op de stempels die de pastoors gebruikten om hun brieven en belangrijke documenten mee te verzegelen. Op deze stempels staat een bisschop (te zien aan de mijter), die zijn hoofd in zijn handen draagt……het kenmerk van St. Denis, zoals hij ook wel heet. Wie was Dionysius eigenlijk? Dionysius was in de derde eeuw bisschop van Parijs toen de stad nog voornamelijk Keltisch was. De bisschop was zo populair onder de bevolking dat de heidense priesters zich zorgen begonnen te maken, want door zijn preken verruilden velen hun geloof in de oude godenwereld voor het Christendom. De druïden voelden zich dermate bedreigd dat ze Dionysius een kopje kleiner wilden maken, letterlijk. Aldus geschiedde, op de heuvel waar zij hun heiligdom hadden en die nu bekend staat als Montmartre. Volgens de legende pakte Dionysius na de executie rustig z’n hoofd op en wandelde er nog zo’n tien kilometer mee rond, ondertussen lustig predikend. Ondanks dit wonderbaarlijke verhaal werd de heilige in ‘onze’ plaats niet altijd met evenveel eerbied en respect behandeld. Een pater uit de 17e eeuw heeft het volgende verhaal opgeschreven. Op de zolder van de kerk, inmiddels is de kerk allang in protestante handen, werd een lang vergeten houten beeld van een heilige ‘met sijn afgehouwen hooft in de hand’ gevonden. ‘Wat moet je er mee?’, zal de koster gedacht hebben, waarop hij het beeld heeft ‘neergesmeten ende gepresenteert aan een Holtcoper’. De houtkoper heeft het daarna ‘met een bijl ‘aen stucken gehouwen int vijver (vuur) geworpen’. Dit had hij beter niet kunnen doen, want zeer kort daarna is zijn vrouw bevallen van een kreupele zoon, die tot op de dag van vandaag kreupel langs de wegen gaat. Dionysius wil dus respect! 

foto: RK

Lopend door het dorp zien we, haast verstopt op een groot plein, een klein bronzen beeldje gemaakt door Jaap van Meeuwen. Van Meeuwen maakt mensen en dieren in hun natuurlijke beweging van brons en ijzer. Zijn materiaal haalt hij van de sloop, al wordt dat door de ontwikkeling van nieuwere machines, steeds moeilijker. Dit kunstwerk heet ‘De Kedellapper’, de naam een verwijzing naar één van de vroegere scheldnamen van de inwoners van dit dorp. Ketellappers waren reizende vaklieden die kapotte ketels, potten en pannen herstelden. De andere schimpnaam voor de inwoners van dit dorp is ‘peerdevillers’ (paardenslachters). Voor deze personen bestond in het algemeen weinig achting. Bij bezoek werd hen geen stoel aangeboden en ze werden door de jeugd vaak uitgescholden. Een andere manier om te zeggen dat het hier om een van oorsprong arme streek, of een arm dorp, gaat? Ook het volgende verhaal getuigt hier van. ‘Mijn overgrootvader was dagloner bij de boer, maar daarnaast bezat hij ook een hondenkar. Daarop laadde hij zijn handel, zoals haring, mosterd, azijn, koffie, thee, koek en kruiden. Door weer en wind liep hij met z’n handel de huizen in het dorp en omstreken af. Het was moeilijk om iets te verkopen, want hij was niet de enige handelsman in het dorp. Samen kregen mijn overgrootouders achttien kinderen en had mijn overgrootje drie miskramen.  Wanneer de avonden lang en koud waren, was er immers geen betere plek dan de knusse bedstee; de lamp en de kachel konden dan uit. Ze verloren twaalf baby’s en vier kinderen in de leeftijd van 14, 22, 33 en 51 jaar. Het was ploeteren voor het dagelijks bestaan. Veel kinderen stierven in die tijd aan ‘lepelziekte’ (honger lijden).’

Heb je ondertussen al een idee over welk dorp het deze keer gaat? Ik heb nog een heel klein beetje aanvullende informatie voordat ik overga tot de ontknoping……………. 😉 Vroeger voeren de trekschuiten nog ver het dorp in. Op een gegeven moment is de haven gedempt en ten zuiden van het dorp verlegd, maar sinds 2019 is de haven terug in het centrum. Hier was het vroeger een drukte van belang. Er stapten passagiers op de schuit en er werd handel gedreven. Bakkers, slagers, kruideniers, iedereen had wel met de haven te maken. 

foto: RK
foto: RK

De laatste twee foto’s geven het antwoord, het zijn foto’s van twee belangrijke kenmerken van ……. Uithuizen (Oethoezen). De naam betekent overigens ‘huizen uit de wierde’. Dat heeft wellicht enige uitleg nodig? Uithuizen is namelijk op zich geen wierdedorp, maar is  wel ontstaan uit een wierde, de wierde Oldörp, dat vroeger Brunwerd heette. Dit gebied zou dateren uit ca. 500 na Chr. en ligt ten zuidwesten van Uithuizen. De naam Oldörp betekent zoveel als ‘oude dorp’. Waarschijnlijk is Uithuizen, het nieuwe dorp dus, ontstaan in de 10e eeuw, toen inwoners van het oude dorp zich op deze plaats vestigden. De naam Uithuizen is afgeleid van ‘uiterste huizen’ gezien vanuit Oldörp.

Van de Middeleeuwse steenhuizen is er één bewaard gebleven: de Menkemaborg. De eerste foto symboliseert deze uit de 14e eeuw bewaard gebleven borg (een Groningse variant van een burcht of versterkt kasteel). De borg is tegenwoordig een volledig ingericht huis waar een beeld gegeven wordt van het leven en wonen op een Groninger borg in de 18e eeuw. Volgens de beschrijving zijn ‘de vertrekken levendig ingericht alsof de bewoners zo terug kunnen komen’. De moeite waard dus. Een deel van het voedsel, dat m.b.v. de trekschuiten in het dorp werd aangevoerd, was voor de chique bewoners van de Menkemaborg bestemd. Zij kregen heerlijk eten voorgeschoteld in die tijd. Een 18e eeuwse kookschrift uit de keuken van de Menkemaborg is bewaard gebleven. Ik wil je het recept om ‘düiven te vüllen’ niet onthouden, want een heer had het recht om zelf duiven te houden zodat hij van een verse lekkernij kon genieten in de wintermaanden. ‘Neemt peterceli en kapt die klein en roertje met een ey, boter suker, genljber en Corinten Doetje dan in die Düiven.’ Boter, suiker en jenever (?), wat wil je nog meer? Aan de hand van de ongeveer honderd geneeskrachtige recepten, opgenomen in het kookboek en op losse velletjes kan aardig worden afgeleid welke kwalen veel voorkwamen. Recepten voor maagklachten, nier- en galstenen, hoest of verkoudheid en jicht komen meerdere keren voor. Maar ook recepten om tanden of ogen te genezen staan vermeld. Daarnaast recepten voor gezwellen, puisten, hartkloppingen, wormen, rugpijn, aambeien, brandzalf en zalf voor winterhanden en –voeten. Een bijzonder recept beschrijft het maken van een ‘mirakel plaester’ voor allerlei wonden. En wat te denken van een recept tegen de ‘dulligheit’ of ‘dummigheit’, zowel voor mensen als dieren? Bijzonder dat dit allemaal bewaard is gebleven!

De laatste foto geeft aan dat ons dorp vlakbij de (Wadden) zee ligt. Je ziet een gedeelte van de cortenstalen ‘Poort Kaap Noord’ van Rene de Boer dat fier op de Waddendijk staat. ‘De Hemelpoort’, zoals het kunstwerk in de volksmond wordt genoemd, markeert het meest noordelijke puntje van het vasteland van Nederland. Er vlak naast ligt het ‘Wellington monument’ van Uithuizen. Dit monument is opgericht ter nagedachtenis aan de voltallige bemanning van Wellington R3202 die is neergestort in de Noordzee en daar is omgekomen. Het monument bestaat uit zes basaltblokken, symbolisch voor de zes omgekomen bemanningsleden, van verschillende grootte en hoogte met daarop een herdenkingsplaquette. Het verhaal gaat dat in augustus 1940 het lichaam van een Engelse piloot op de dijk bij Uithuizen aanspoelde. Aangenomen werd dat zijn vliegtuig door het afweerschut op Rottumeroog was neergehaald. Vervolgens spoelden er elders drie bemanningsleden aan en allen werden geïdentificeerd. Twee andere lichamen konden niet geïdentificeerd worden, maar er werd wel aangenomen dat zij alle zes bij elkaar hoorden. Uit onderzoek blijkt later dat het vliegtuig in de nacht van 2 op 3 augustus, na Hamburg gebombardeerd te hebben, op de terugweg op 100 zeemijl van thuisbasis Marham met motorpech is neergestort. In 2015 zendt RAF Marham een plaquette voor de gehele bemanning, waarmee dit monument wordt opgericht op de Waddendijk bij de Noordkaap; het symbolische hart van de verschillende aanspoel-plekken van de bemanning.

Een makkie?

‘Een makkie deze keer …. welke plaats is hier afgebeeld?’ Deze optimistische woorden zijn de start van een nieuwe uitdaging uitgebeeld in acht foto’s. 

Er zijn van die plaatsen die je alleen kent van naam, maar die je zelf nog nooit echt hebt verkend. Deze plaats is er, voor ons, eentje van. Helemaal omdat de plaats ook wel bekend staat met de eretitel ‘het Venetië van het noorden’. Is dat terecht of toch te hoog gegrepen? Ik lees dat de Venetiës van deze wereld hun eretitel danken aan de grote rol die het water er speelt, vooral als verkeersmiddel. Zeker als dit dan gecombineerd wordt met drukke (internationale) handelsactiviteiten. De stad Venetië geldt voor deze plaatsen als het archetype (een geïdealiseerd oermodel dat ten grondslag ligt aan latere varianten). Qua bouw lijkt ‘onze plaats’, tenminste volgens kenners, wel een beetje op Venetië. Maar je moet tegelijkertijd over heel wat fantasie beschikken om een overeenkomst met het Italiaanse Venetië te ontdekken. Hiermee alweer een eerste aanwijzing, alhoewel……er zijn zoveel plaatsen in Groningen waar het water een belangrijke rol speelt of speelde. 

foto:RK
foto: RK

Over de precieze ouderdom van deze plaats bestaat geen zekerheid. Volgens archeologische vondsten is gebleken dat de opkomst rond 1100 geweest moet zijn. De plaats ligt aan een water dat waarschijnlijk al voor het jaar 1000 is gegraven om de ontwatering van het achterland te verbeteren. Op de kruising van diverse water- en handelswegen ontstond daarna een nederzetting van schippers-, koop- en ambachtslieden. In een document uit 1224 is voor het eerst sprake van een markt- of vergaderplaats (Forum), waarmee waarschijnlijk deze plaats wordt bedoeld. Door de gunstige ligging, met een open verbinding met de zee, groeide de nederzetting in korte tijd uit tot een belangrijk handels- en marktcentrum. De groei van de plaats bleek ook uit de omvang van de plaatselijke kerk, die steeds groter werd en als het ware met de plaats meegroeide. De plaats had in de middeleeuwen niet alleen in economisch, maar ook in juridisch en bestuurlijk opzicht een centrumfunctie. Al in de 13e eeuw vergaderden hier de redgers (plattelandsrechters). De welvaart zorgde echter ook voor stevige conflicten met de stad Groningen, resulterend in rooftochten en belegeringen. Daarbij delfde deze plaats uiteindelijk het onderspit. De welvaart zakte in.

Tegenwoordig kent het centrum, sinds 1972, een beschermd gezicht. Het centrum was echter wel in verval geraakt, waarop de gemeente besloot het helemaal te restaureren in oude stijl. Zo kunnen wij nu genieten van een echt historisch centrum. Op een groot plein staat een beeld van een man met een, voor sommigen onder ons, bekende naam. Geboren in ‘onze’ plaats (waar we ondertussen verder over nadenken), werd hij uiteindelijk hoogleraar aan de universiteit van Leiden en een belangrijk rechtsvernieuwer vooral m.b.t. de handel en de scheepvaart. Tijdens de Tweede  Wereldoorlog werd hij landelijk bekend door de publieke protestrede die hij in 1940 hield als decaan van de Juridische Faculteit tegen het ontslag van zijn Joodse collega’s door de Duitse bezetter. Meteen daarna werd hij door de nazi’s opgepakt en gevangen gezet. Dit openlijke verzet tegen de Jodenvervolging wordt op 26 november herdacht met een jaarlijkse oratie (inaugurele rede) van zijn naam in Leiden en in lezingen in binnen- en buitenland over recht, vrijheid en verantwoordelijkheid.   

foto: RK
foto: RK
foto

In het straatbeeld geven tientallen oude panden en smalle straatjes sfeer aan de plaats. Er  is, al wandelend, veel kunst te zien. Kunst op straat, kunst aan gevels, kunst op daken, kunst achter glas, kunst onder een brug en nog veel meer. Wanneer je erop let, zie je gewoon steeds meer. De kunstig betegelde zuil hierboven is een herinnering en blijvend aandenken aan de oude gemeente omdat deze ondertussen niet meer als zodanig bestaat. Volgens de beschrijving is het ‘een replica waarop het historische en maatschappelijke verhaal in honderden gebakken tegels is afgebeeld’. De onderwerpen op de geschiedeniszuil zijn aangeleverd door mensen met historische kennis en de inwoners zelf. Je ziet nog net een stukje van de afbeelding met het woord ‘beving’. Zoals zovele plaatsen behoort ook deze tot het gebied waar de gaswinning heeft geleid tot aardschokken en bodemdaling. Dit zorgde en zorgt nog steeds voor veel problemen!

De laatste serie foto’s geven praktisch het antwoord op de vraag over welke plaats dit gaat. Het wordt daarmee tijd voor de onthulling. 

foto: RK
foto: RK

Steden zijn schaars in Groningen. Appingedam is naast de stad Groningen de enige plaats in de provincie met middeleeuwse stadsrechten. Daar hebben ze dan ook goed hun best voor gedaan. De rijkdom uit de tijd dat Appingedam een belangrijk handelscentrum was, is nog overal zichtbaar. De naam Appingedam is waarschijnlijk. een afleiding van de persoonsnaam Appe of Abbe, dan wel de familienaam Appinga of Abbinga. Appingedam betekent dan ‘dam bij de woonplaats van de mannen van Abbo’ of ‘dam bij de woonplaats van de familie Abbinga’. Een inwoner van Appingedam wordt vaak een Damster genoemd, hetgeen  ‘dambewoner’ betekent. Als scheldnaam kom ik terecht bij ‘vlinthippers’ (zij die over de straatkeien huppelen), ‘peerdekopers’ (vanwege de grote paardenmarkten) of Damster knollen (er werden veel knollen aangevoerd). Verklaringen van lokale Groningers voor de laatste bijnaam vertellen echter wat anders. ‘Damster knollen betaikent dat ze altied knollen achter de hakken haren’ of ’n Daam (Appingedammer) is krekt n knol in hoos; van verof liekt t n vlek, mor as t dichtbie bist din is t n gat’. Kun je het  nog volgen? 

De Damster stadsomroeper (bovenaan dit verhaal) is, volgens de beschrijving, parmantig en dienstbaar. Hij heeft zijn plek, op een druk punt bij een bankje, goed gekozen. Hier komen mensen samen, zelfs in deze tijd. Hier kun je dus de  nieuwtjes horen en verzamelen. De stadsomroeper is er dan snel bij om het nieuws verder rond te bazuinen. 

De foto van een acht meter hoog stalen beeld met ‘ogenschijnlijk lukraak opklaar gestapelde metalen schijven’ spreekt tot de verbeelding. Voor wie het niet herkent, ‘het is geen kunst, het is een krukas…..niet meer en niet minder’. Deze krukas, een essentieel onderdeel van verbrandingsmotoren, is een geschenk van Brons Industrie aan de stad Appingedam. De beroemde ‘Bronsmotorenfabriek’ van Jan Brons (1865-1954) werd in 1906 in Appingedam gesticht. In de topjaren na de Tweede Wereldoorlog werkten bijna 450 mensen in de fabriek. De krukas symboliseert de verbondenheid van dit bedrijf met de bevolking van Appingedam.

De laatste foto is een uitkijkje vanaf één van de vele smalle bruggetjes, waar je met een beetje wil in de verte één van de meest bijzondere bezienswaardigheden van de stad kunt zien; de hangende keukens. Deze zijn bewust niet in de fotogalerie opgenomen, dat zou al te gemakkelijk zijn geweest. Drie huizen langs het water van de Damsterdiep zijn waarschijnlijk in de middeleeuwen gebouwd. Tegenwoordig zijn het woonhuizen, maar omdat de gebouwen ooit zijn gemaakt als pakhuis, was er weinig ruimte voor een keuken in het woonhuis. ‘Om ruimte te creëren terwijl je huis ingeklemd staat tussen bebouwing en het water’, vertelt een bewoner, ‘bouw je heel praktisch een deel ervan gewoon boven het water.’ Hier komt de vergelijking met Venetië weer om de hoek kijken. Deze huizen staan in het water en de uitbouw (de keuken) is zwevend boven het water gebouwd.

Challenge #2

‘Voor de liefhebbers, mijn tweede project over Groninger dorpen. Over welk dorp gaan deze foto’s?’ Ook dit dorp is geen onbekende voor de Groningers onder ons, maar het is de opzet van de fotograaf om bekende plekjes zo te fotograferen dat het wel typerend is, maar niet alles onmiddellijk weggeeft. Jules Deelder heeft dit erg mooi verwoord: 

‘Hetzelfde zien   –    Maar het zò zien.   –     Zoals niemand het zag’

Deze keer bestaat de puzzel uit maar liefst acht foto’s. Ik zal proberen om ze steeds per groepje te laten zien en daar weer iets bij te vertellen zonder de plaats te noemen. Op zich al een behoorlijke uitdaging ;).  

foto: RK
foto: RK

Langs het dorp liep vroeger een belangrijke rivier, waardoor dit dorp in de vroege Middeleeuwen waarschijnlijk een belangrijke handelsnederzetting is geweest. Dat wordt aannemelijker door een oorkonde uit 1507 waarin de Duitse koning Hendrik IV de grafelijke rechten van dit gebied en omstreken aan de aartsbisschop van Hamburg schenkt met daarbij ondermeer het recht om in dit dorp een markt te stichten en het recht om munten te slaan. Uit latere vondsten is gebleken dat hier inderdaad ooit munten zijn geslagen. Ondanks het oude markt-, munt- en tolrecht heeft deze plaats, mede door de dominante positie van de stad Groningen, zich echter niet heeft kunnen ontwikkelen tot een stad. De omslag kwam toen Groningen in de 15e eeuw de stapel- en marktrechten van de betreffende plaats in handen kreeg. Als het dan ook nog wordt platgebrand tijdens de Tachtigjarige Oorlog, gaat het stedelijke karakter helemaal verloren. Vanaf de 19e eeuw kwam er nieuw leven in de brouwerij met onder meer kalkbranderijen, steenbakkerijen en fabrieken, maar officieel een stad worden zat er niet meer in.

Uiteraard hebben de inwoners van dit dorp in het verleden ook een eigen scheldnaam gekregen. Ze worden wel ‘gladhakkers’ of ‘ledderdroagers’ genoemd. De verklaring van de bijnamen is niet zo duidelijk. Zo kom ik niet verder dan: ‘waarom precies wait ik nait’ voor beiden, waarbij er nog wel een aanvulling wordt gegeven voor de meest voorkomende naam: de gladhakkers, t.w. dat ‘hak’ (hiel) waarschijnlijk overdrachtelijk als ‘mens’ vertaald moet worden. Denk aan ‘kleumhak’ wat kouwelijk persoon betekent, ‘stommelhak’ wat staat voor iemand die langzaam voortstrompelt of ‘slofhak’ oftewel een vergeetachtig persoon. Mogelijk is de spotnaam ‘gladhakker’ voortgekomen uit de lokale dracht namelijk het dragen van hoefijzers onder de schoen om slijtage tegen te gaan?

foto: RK
foto: RK
foto: RK

Deze tweede serie foto’s gaan eigenlijk allemaal over de sfeer in het dorp. Het ijsje representeert naar mijn idee weer dat het populair is onder toeristen. Zoals een inwoner opmerkt: ‘De omgeving is hier prachtig. Een wijde blik verruimt het denken. Als je hier buiten bent, krijgt je hoofd de ruimte. Ik zie hoe mooi het is als een buitenlandse vriendin op bezoek is. Ze kijkt uit het raam en ziet de molen draaien. Ze vindt het water – ‘the little canals’ – prachtig. Het is hier oer hollands en zo’n idyllisch plekje.’    

Het dorp kent veel monumentale en karakteristieke panden, maar daarnaast ook arbeidershuisjes en voormalige kleine winkeltjes. Wat je in een stad hebt, heb je hier in het klein. Het is een bruisend dorp, maar beslist geen museumdorp. Er wordt ‘gewoon’ gewoond, gewerkt en geleefd. Het dorp bezit drie wierden, waarmee wordt aangegeven dat de oorspronkelijke drie dorpen nu aan elkaar zijn gegroeid en heeft sinds 1982 een beschermd dorpsgezicht. Twee van de oorspronkelijke wierden (de derde is totaal opgegaan in het dorpsbeeld), zijn verbonden via een stenen boogbrug, De Boog, die in de oorlog werd opgeblazen in een poging de opmars van de Duitsers te stoppen (later is de brug in ere hersteld) en een zogenaamd ‘hoogholtje’, een hoge voetbrug zodat schepen er onderdoor kunnen. Deze Jeneverbrug dankt haar naam aan het drukke verkeer van mensen over en weer. Omdat het gras altijd groener is aan de overkant, gingen de inwoners graag hun borrel halen aan de andere kant van het water. Een hachelijk onderneming, lijkt me, met al die ‘popkes nathals’ (zuipschuiten), maar zoals de Groningers zeggen: ‘nait soezen moar broezen’ geen woorden, maar daden.

Dan zijn we toe aan de laatste foto’s om een nog beter idee te krijgen over welk dorp het hier gaat. Een kerk en een molen, onmisbare attributen toch voor welke plaats dan ook?  

foto: RK
foto: RK

Vanzelfsprekend staat in beide oorspronkelijke dorpen een middeleeuwse kerk. De 13e-eeuwse Sint Nicolaaskerk staat midden op de ene wierde. Sint Nicolaas is de patroonheilige van onder meer de zeevaart, wat een herinnering is dat de scheepvaart lange tijd van groot belang was voor het dorp. Op een gegeven moment waren er zelfs drie scheepswerven. Rond deze wierde loopt een ‘ossengang’, een weg die vroeger rond de voet van een wierde liep en werd gebruikt om met het vee naar het eigen huis te lopen. Tegenwoordig tref je nog slechts bij een handvol wierden de ossengang zoals vroeger. Grappig weetje is dat de bekendste ossengang die van het dorp Leermens is. Een typisch Gronings gezegde verwijst hiernaar. Als iemand ‘om Leermens is gekomen’ dan heeft hij de zaken van alle kanten bekeken. 

De molen op de foto is een koren- en pelmolen. Met een pelmolen wordt gerst tot gort gepeld door het kaf van de graankorrel te scheiden. De gepelde korrels moesten eerst 12 uur weken en vervolgens een uur worden gekookt. Een tijdrovend werkje. Tot begin 20e eeuw werd het in Nederland nog gebruikt als maaltijdbasis, maar in die functie is het tegenwoordig vrijwel volledig vervangen door rijst en pasta. 

Mocht het nog nodig zijn, dan volgt nu de ontknoping. Het dorp, Winsum, is herontdekt met haar benoeming tot mooiste dorp van Nederland in 2020. Een jonge inwoner van het dorp vertelt: ‘Ik kom uit Winsum’  maar bijna niemand weet waar dat ligt. ‘Tussen de stad Groningen en Pieterburen’, zeg ik dan. Dan kennen ze vaak wel van de zeehondencrèche. Je hebt Giethoorn, maar nu dus ook Winsum.’ Winsum staat dus op de kaart, maar waarom heeft een jury uiteindelijk voor Winsum gekozen? Concluderend noemt de jury Winsum ‘een levendig dorp met de voorzieningen van een kleine stad, heerlijke straatjes om doorheen te dwalen, twee kerken, twee molens en dat schitterende Winsumerdiep, een blauwe ader door de bebouwing.’

Welk dorp is dit?

‘Een nieuw (zelf) project en een leuke uitdaging is om de identiteit en het karakter van een Gronings dorp vast te leggen in een beperkt aantal (abstracte) foto’s. Aan jullie om te raden om welk dorp het gaat?’ Hiermee wordt het startsein gegeven voor het opnieuw ontdekken van onze eigen provincie, zowel voor de fotograaf als de kijker. Voor alle ‘Groningers’ is deze eerste challenge misschien een inkoppertje, maar daarom zeker niet minder leuk.

Wanneer we kijken naar voorwerpen of wanneer we voorwerpen zien, betekenen kijken en zien in deze context dan wel hetzelfde? Er is inderdaad een verschil in betekenis. Kijken staat voor ‘met aandacht zien’ terwijl zien ‘waarnemen met je ogen’ betekent. Zien is dus meer veelomvattend, het is weten wat er wordt waargenomen. Als we nu kijken naar deze eerste serie foto’s wat kunnen we dan waarnemen (zien)?

foto: RK

Het lijkt erop dat voor dit dorp de visserij belangrijk is. Om een tipje van de sluier op te lichten……. Vroeger was deze plaats van groot belang voor de kustvisserij, maar daarnaast tevens een tactisch belangrijke verdedigingsschans. Om met de visserij te beginnen.

foto: RK

Ruim drieduizend jaar geleden bestond een deel van de huidige provincie Groningen vooral uit eilanden, denk aan de bekendste eilanden uit die tijd ‘Middag’ en ‘Humsterland’. Naarmate dit gebied steeds minder onder water kwam te staan en meer en meer begroeid raakte, bleek deze grond uitermate aantrekkelijk voor bewoners van de zandgronden (Drenthe). Dit nieuwe land bleek vruchtbaar en tevens een goed weidegebied voor vee. De nieuwkomers bereikten dit kustgebied door de rivieren, de ‘oerstromen’, te volgen naar zee. De rivieren het Reitdiep, de Lauwers en ook het Hunsingokanaal komen hier bij elkaar; een samenvloeiing van wateren uniek in Europa. De inwoners van het dorp hadden vroeger bijnamen als ‘Schelleviskoppen’ of ‘Vlintboksems’. De eerste bijnaam lijkt me duidelijk, de tweede betekent letterlijk ‘kleibroeken’. Verzin daar maar eens een logische verklaring bij…….. Tegenwoordig is het dorp, zoals we kunnen zien, vooral bekend door de Hollandse garnaal.

foto: RK

Hoe zit het dan met het belang van de verdedigingsschans? De eerste inwoners van het dorp waren waarschijnlijk soldaten. Nederland viel sinds 1482 onder het Spaanse Rijk en de schans was een strategisch belangrijk punt. Het Reitdiep was toen de enige vaarweg vanaf zee naar de stad Groningen en stroomde zonder belemmering tot in het hart van de stad. Als verdedigingsbolwerk voor de stad werd hier (in 1576) een militaire schans gebouwd door de Spanjaarden. Om het een en ander niet helemaal weg te geven laat ik de naam van de schans achterwege. In de Tachtigjarige Oorlog (1568 – 1648), oftewel de vrijheidsstrijd van de Nederlanden tegen Spanje, werden regelmatig plundertochten door de Watergeuzen, die samenwerkten met Willem van Oranje, uitgevoerd in dit gebied. Ter verdediging tegen de vele plundertochten, brandstichtingen en aanvallen op alles Spaans of Rooms Katholiek hadden de Spanjaarden op meerdere plaatsen verdedigingswerken gebouwd. In de hier betreffende schans hadden de Spanjaarden op een gegeven moment ter verdediging zo’n honderd soldaten ondergebracht. Hoewel de schans een behoorlijke wal en gracht had, was de ruimte binnen zo krap en zo klein dat de honderd soldaten er hun verdedigingswerk eigenlijk niet goed konden verrichten. Nog lastiger voor de verdediging was echter dat de dijk door de gracht liep tot aan een bastion (een bastion is een vijfhoekige uitbouw aan de muur of de wal van een versterking, uitgevoerd in steen of aarde), waardoor de aanvallende partij dat gedeelte nogal gemakkelijk kon naderen. De langste strijd, de ’Slag om ……….’ (het blijft spannend), een strijd om dit verdedigingswerk te bezitten om de aan- en afvoer van en naar de stad Groningen te beheersen, duurde vijf dagen, waarna de Spaansgezinden zich overgaven.   

foto: RK
foto: RK
foto: RK

Kijken we naar de laatste drie foto’s dan zien we respectievelijk een dijk, ijs en vis, wat mijns inziens staat voor een kustdorp, toerisme en visserij. Zoals al eerder opgemerkt waren de inwoners grotendeels afhankelijk van de visserij. De visserij ging jarenlang goed en de bloeiende handel en economie gaf een grote impuls aan het dorp. De vis, voornamelijk schelvis en sardien, werd over het Reitdiep verscheept naar Groningen om daar bij de Vishoek en de Vissersstraat te worden verkocht. Het dorp heeft zich op deze manier langzaam maar zeker ontwikkeld tot handels- en vissersplaats. De keerzijde was dat het er steeds voller werd met kleine simpele arbeiders- of vissershuisjes. `Omdat er toentertijd door de vestingwet niet buiten de vesting mocht worden gebouwd, moesten de huisjes tenslotte dus ‘schouder aan schouder’ staan. Als iemand ging trouwen werd er gewoon een stukje aan een ouderlijk huis bijgebouwd. Het dorp stond dan ook bekend om zijn nauwe straatjes. Ook vandaag de dag is het nog steeds een pittoresk dorp. 

Mocht je de naam van het dorp nog niet geraden hebben, dan volgt nu de ontknoping.

De eerste vermelding van ‘onze’ plaats komt uit een akte uit 1418. In deze akte wordt o.a. gesproken over de Redgerrechten (een Redger was een plaatselijke bestuurder, die optrad als plattelandsrechter en notaris) van ‘Waelkamaheert’ te ‘Soltcampum’. De betekenis van de naam heeft waarschijnlijk te maken met de buitendijkse winning van zout. ‘Solt’ betekent dan ‘zout’ en een ‘kamp’ is een omheind stuk land of veld. De zoutwinning zou hier gestopt zijn door de Tachtigjarige Oorlog. Later is de naam veranderd in het bekende Zoutkamp of Soltkamp zoals volgends haar inwoners de juiste uitspraak is. In 1877 werd het Reitdiep tussen Zoutkamp en de Nittershoek afgesloten met een Provinciale dijk met daarin de grote Provinciale sluis. De sluis kreeg de bijnaam ‘Poort tot Groningen’ of simpelweg Reitdiepsluis. De reden voor de afsluiting was het beter kunnen controleren van het water. Het Reitdiep was immers een uitloper van de Lauwerszee en liep tot in de binnenstad van Groningen. Bij storm en hoog water gaf dit dus een behoorlijk risico. Na de watersnood van 1953 werd besloten dat de hele kustlijn in Nederland moest worden aangepakt. Voor het Lauwerszeegebied zag Rijkswaterstaat twee opties: ophoging van de dijk of afsluiting van de zeearm. Tot grote teleurstelling van de vissers in Zoutkamp viel de keuze op de tweede optie. In 1969 werd de Lauwerszee afgesloten en ontstond het Lauwersmeer. Inwoners van Zoutkamp ervoeren dit als een regelrechte ramp, want met de afsluiting verdwenen niet alleen het eb en vloed, maar ook de vissersschepen en de bedrijvigheid uit het dorpsbeeld. Volgens bewoners was het dorp meteen na de afsluiting ‘zo dood als een pier’, ‘een verdrietig dorp in ruste’. Nu, zoveel jaren later, is Zoutkamp weer een levendig dorp. Hoewel de visafslag is verhuisd naar Lauwersoog, waar weer een vissersvloot van ruim 30 schepen, net zoveel als in 1969, ligt, staat op de zijkant van die schepen nog steeds fier ZK, zoals het dorp destijds heeft afgedwongen. In het dorp zelf hangen weer visjes (paling) te drogen, leggen schepen aan, stromen de terrassen zomers vol en flaneren toeristen langs de kade. De nu zo geroemde, populaire en vaak gefotografeerde gekleurde huisjes waren vroeger niet meer dan een paar verveloze loodsen waar weinig gebeurde. ‘Zonder mij was Zoutkamp dood geweest,’ zegt Van der Ploeg, eigenaar van garnalen- en schelpenhandel De Rousant én de man achter de gekleurde huisjes, dan ook. Zijn overgrootouders legden de basis voor het (bekende) garnalen verwerkingsbedrijf Heiploeg, waarna zijn opa en vader het bedrijf runden. Halverwege de jaren 90 verkocht hij zijn aandelen en begon met garnalen-en schelpenhandel De Rousant. Met De Rousant bracht Van der Ploeg de garnalenafslag en daarmee ook de schippers- en vissersboten terug in Zoutkamp. Grappig is zijn verhaal hoe het familie- bedrijf ooit ‘hofleverancier’ is geworden. Officieel is een hofleverancier een bedrijf dat of een persoon die producten of diensten levert aan een koninklijk of keizerlijk hof. In Nederland is het tegenwoordig een eretitel, waarbij het niet meer zo is dat de hofleverancier ook werkelijk goederen of diensten aan het hof levert. Zijn verhaal: ‘Toen koningin Juliana in 1950 in Hotel de Doelen in Groningen verbleef, wilde ze graag garnalen eten. Mijn opa kreeg een telefoontje met de bestelling. Diezelfde avond nog is mijn oma ze gaan pellen en bracht mijn opa ze met zijn T-Ford naar Groningen. Later ontvingen zij een telegram waarin de koningin hen bedankte en vertelde dat de garnalen zo lekker waren. Nou, ben je dan hofleverancier of niet?’