Van kerk naar kerk (Jacobspad)

Jacobspad: Oldenzijl – Zeerijp – Eenum – Wirdum

De dag begint mistig, maar de zon wint al snel aan kracht en tegen de tijd dat wij voor de kerk in Oldenzijl staan, is de lucht strakblauw en kan het eerste laagje kleding alweer uit. De vroeg 13e eeuwse kerk staat vlak langs de weg op een hoge wierde en is gewijd aan Sint Nicolaas, de beschermheilige van o.a. zeevarenden, schippers en bootwerkers. Ooit lag Oldenzijl aan de Fivelboezem, de verwijde monding van de voormalige rivier Fivel.

De Fivelboezem in vroegere tijden (internet)

De rivier begon, evenals de Hunze, als een veenrivier. Het water van de Fivel kwam van de hoogveenmoerassen rond Slochteren, Hoogezand en Kolham en stroomde vervolgens naar de kust. De naam Fivel betekent trouwens ‘de reusachtige’ of ‘de verschrikkelijke’, het moet dus wel een behoorlijke rivier geweest zijn ;).

De kerk van Oldenzijl (RK)

Na Oldenzijl begint, volgens het boekje, de ‘Groninger Meseta’. Even nalezen leert dat een ‘meseta’ een Spaanse hoogvlakte is, die bestaat uit grote vlakke vlaktes in het midden van Spanje. De vergelijking van het Groninger Hogeland met de Spaanse hoogvlakte brengt het uiteindelijke eindpunt van deze pelgrimsroute, Santiago de Compostela, misschien in gedachten al een klein beetje dichterbij? Een ander kenmerk is dat het op de Spaanse hoogvlakte vaak en hard kan waaien, een vergelijking die (over het algemeen) zeker ook op kan gaan voor dit vlakke Groninger land.

Kleurrijke tulpenvelden onderweg (RK)
Wijdse blik (RK)

Vandaag hebben we echter geen last van de wind en lopen we heerlijk te genieten van alle vergezichten terwijl we ons ondertussen proberen voor te stellen hoe het hier vroeger voor de pelgrims moet zijn geweest. Op het vlakke land zien zelfs wij al overal om ons heen kerktorens net boven de bomen uitpieken. De dorpjes liggen hier niet ver uit elkaar. Waarschijnlijk herkenden de pelgrims de verschillende torenspitsen en wisten ze naar welk dorp ze liepen. Voor de pelgrim in de Middeleeuwen was de kerk immers overal aanwezig, niet alleen als een statische aanwezigheid van kerken, kloosters, abdijen, kapellen, scholen en torens, maar als een levende aanwezigheid doordrongen in alle facetten van het leven.

Ode aan het platteland (IK)

Pelgrimage is overigens geen typisch christelijke aangelegenheid. Ook voor de komst van het christendom werden in Europa bedevaarten gemaakt. Mensen reisden toen al naar bepaalde plaatsen, waarschijnlijk in de hoop op genezing van een kwaal of een verwonding. Rondom Stonehenge zijn b.v. lichamen van zieken gevonden die, zo konden archeologen aantonen, van ver waren gekomen. In het boeddhisme zijn vier belangrijkste bedevaartsplaatsen, gelegen in India en Nepal, verbonden met de vier belangrijkste gebeurtenissen in het leven van Gautama Boeddha. Boeddha zei zelf dat het bezoeken van deze vier plaatsen een sterke emotie voort zal brengen in gelovigen. Onder de belangrijke boeddhistische bedevaartsplaatsen in andere landen behoren o.a. de Schwedagon pagode in Yangon (Myanmar) en de Smaragdgroene Boeddha in Wat Phra Kaew in Bangkok (Thailand). We hebben beiden gezien en er zeker vol bewondering naar gekeken. Is dat de sterke emotie of is dat toch alleen weggelegd voor de ‘echte’ boeddhisten? Het hindoeïsme kent eveneens een traditie van vier belangrijke bedevaartsoorden (de Char Dham) en het geloof dat reizen naar deze plaatsen leidt tot ‘moksha’. Dat is bevrijding uit het samsara, de eeuwige cirkel van dood en reïncarnatie die wordt bepaald door karma. We weten allemaal dat moslims een bedevaart, de hadj, kennen naar Mekka in Saoedi-Arabië. Dit is één van de vijf zuilen van de islam en een verplichting voor iedere moslim om (als de omstandigheden het toelaten) eenmaal in het leven de hadj te volbrengen. Zo zijn er vast nog wel meer voorbeelden te bedenken. De vraag die nu naar boven komt is: met welke (geestelijke) overwegingen loopt de pelgrim annex wandelaar van vandaag de dag? Duidelijk is zeker dat overal de eigen ervaring centraal staat, onafhankelijk van het wel of niet praktiseren van welke religie dan ook.  Het gaat voor iedereen om het eigen persoonlijke doel of dat nu een religieuze insteek heeft of niet.

Een verrassend beeld onderweg (RK)
Een stukje door het Riepster bos (IK)

Met al deze overpeinzingen staan we, voordat we het weten, voor de grote Jacobuskerk in Zeerijp. De bouw van deze kerk werd aan het eind van de13e eeuw uitgevoerd door kloosterlingen van Feldwerd, bij Delfzijl. Met de hoge gewelven en spitsboogvensters is een echt voorbeeld van de rijke romanogotiek en het is bovendien de laatste kerk die in deze stijl in Groningen is gebouwd. Ze hebben er wel de tijd voor genomen, want de bouw duurde ongeveer een eeuw. Sindsdien is er weinig aan veranderd.

We zien opvallende versieringen rondom de twee deuren aan de voorkant met witte, zwarte en rode blokken en afbeeldingen van planten. Sommigen denken dat deze versiering is aangebracht als verwijzing naar de Spaanse bedevaartplaats Santiago (Sint Jacobus) de Compostela. Spanje was immers tot 1492 gedeeltelijk in handen van de Arabieren en hun cultuur beïnvloedde die van de Spanjaarden. De vergelijking met versieringen in een moskee is daarom niet zo vreemd.

Moorse invloeden (IK)
Detail van de deurversieringen (RK)

Als je verder naar binnen loopt vallen de muren meteen op. De muren zijn, zoals tussen 1250 en 1350 bij kerken binnen het bisdom Münster gebruikelijk was, warm rood geverfd met witte schijnvoegen.

Het interieur valt op (RK)
De schelp als punt (IK)
De pelgrim staat centraal (IK)

Verder zien we een aantal grote rouwborden en verschillende grafzerken waaronder eentje van de familie Ripperda. Adelijke families trouwen regelmatig onderling en hun namen zien we dan ook overal weer terugkomen. Volgens overlevering is het belang van de familie Ripperda voor de Jacobuskerk als volgt: Maurits Ripperda (getrouwd met Margareta Clant van Menkema) schenkt grote bedragen aan de Jacobuskerk voor een nieuw orgel en een nieuwe preekstoel. Na zijn dood in 1665 wordt hij hiervoor herdacht met een rouwbord, het eerste dat in deze kerk wordt opgehangen. 

Grote rouwborden aan de muren (RK)

We vervolgen onze weg naar Eenum en vinden een mooi idyllisch plekje aan het water voor onze lunch.

Prachtig (rust)plekje (IK)

De wierde van Eenum werd al in 500 voor Christus bewoond, maar omdat deze wierde is afgegraven, is alleen nog een huiswierde overgebleven. De IJzerbaan is een schilderachtig weggetje dat de wierde oploopt naar de kerk, één van de oudste bakstenen kerken in de Ommelanden. Dit romaanse kerkje is gebouwd in de late twaalfde eeuw en is gewijd aan Sint Andreas. Naast zijn rol als beschermheilige van Schotland en verschillende andere landen, is Sint-Andreas ook de heilige van visverkopers, jicht, zangers, keelpijn, oude vrijsters, maagden, oude vrijsters en vrouwen die moeder willen worden. Een druk bezet man, lijkt me.

De kerk van Eenum op de wierde (RK)
De kerk is open (RK)

Het grootste deel van het interieur komt uit de 17e en 18e eeuw, waaronder een bijzonder Arp Schnitger orgel uit 1703. Voor orgelliefhebbers betekent de naam Arp Schnitger hetzelfde als Stradivarius voor violisten of Rembrandt voor schilders. Schnitger (1648-1719) was een orgelbouwer uit de zeventiende eeuw met een grote reputatie: zijn instrumenten hadden een herkenbare stijl en grote kwaliteit. Van Schnitger zijn dertig orgels in min of meer originele staat bewaard gebleven, waarvan er maar liefst elf in Noord-Nederland te vinden zijn. Verder zien we een gedenksteen van Reindt Alberda, één van de bewoners van Huis te Eenum (een voormalige borg die in 1800 gesloopt is) die dit orgel aan de kerk geschonken heeft.

De gedenksteen (internet)
Detail op de muur; uit vroeger dagen? (RK)

Even verderop ligt ‘Kösters Toen’, de vroegere 19e eeuwse kosterij met een voor publiek gedeeltelijk toegankelijke siertuin. We lopen er met plezier doorheen en komen dan uit voor het vroegere armenhuis van de diaconie uit 1875. Hier woonden vroeger 4 gezinnen in met tot 10 kinderen elk. De tijden zijn wel veranderd!

De ingang naar de tuin van de koster (IK)

We zijn alweer toe aan onze laatste kerk van vandaag, de kerk van Wirdum. Deze kerk is gebouwd aan het begin van de 13e eeuw en ligt eveneens op een wierde. In de noordmuur is een ‘knielnis’  of hagioscoop te zien, wat vrij bijzonder is. Hagio betekent heilig, en scoop komt van skopein, zien. Dus heilig kijken, iets heiligs zien? Hier konden mensen, die niet in de kerk konden of mochten komen, knielen in het gras, om zo door een laag venster te kunnen kijken en zodoende van buiten de mis volgen die binnen in de kerk werd gehouden.

Een knielnis in Wirdum (RK)

Op het kerkhof ligt de oude gerichtssteen, een door andere keien ondersteunde platte grote steen, uit 1601. Het is de plaats waar de redger (rechter) in deze regio zitting houdt. Deze steen lag hier eeuwenlang, maar werd rond 1900 verplaatst naar Ekenstein. Ergens rond 2000 is de steen weer teruggeplaatst. Gelukkig maar. 

Hier werd vroeger recht gesproken (RK)





Pelgrimage (Jacobspad)

Uithuizen-Oldenzijl

Pelgrimeren is ‘reizen naar een heilige plaats’. Vroeger was dit eigenlijk de meest gebruikte omschrijving, want pelgrimeren was vooral een religieus gebeuren. Pelgrims gingen op stap om te bidden, een heilige te vereren, boete te doen of om vergeving te vragen. Maar zoals alles verandert, kan iedereen tegenwoordig het begrip pelgrimeren op zijn of haar eigen manier invullen, dus ook in een niet-religieuze betekenis. Pelgrimeren is populair en zeker pelgrimeren naar Santiago de Compostela. De camino’s naar Compostela spreken velen aan vanwege hun geschiedenis, cultuur, natuur en religie. In onze individualistische maatschappij van nu is er steeds meer behoefte aan rust, bezinning, beleving van diepere waarden en/of aan contact met de medemens. Dat vind je zowel op de camino’s naar Compostela als op meer stille, minder belopen, camino’s (paden).

Voor ons dichtbij huis start het Jacobspad wat deel uitmaakt van de bovengenoemde grote pelgrimsroute. Vanuit Uithuizen starten jaarlijks vele pelgrims op weg naar ‘de heilige Jacobus in het Sterreveld’. Een naam die tot de verbeelding spreekt en wel om een beetje extra uitleg vraagt. Jacobus de Meerdere (Major, de oudste leerling) was één van de twaalf discipelen van Jezus. Hij was samen met zijn broer Johannes visser en boette netten. Boeten betekent herstellen van grote gaten in de netten en dit is symbool geworden van boete doen: door boete te doen, herstel je de fouten die je zelf gemaakt hebt. Jacobus is vooral bekend geworden vanwege het feit dat zijn graf in Santiago de Compostela zou zijn. Het verhaal gaat dat twee leerlingen het lichaam van Jacobus (Sant Iago) na zijn dood, in een bootje begeleid door een engel, hebben meegenomen naar Spanje, waar hij door hen werd begraven. Zijn graf werd in de 9e eeuw gevonden omdat er een ster verscheen boven het graf, vandaar de naam ‘campus stella’ (veld van de ster of sterrenveld), verkort tot Compostela. Samen Santiago de Compostela. Op deze plek is later de beroemde kathedraal gebouwd. Bijzonder om over de achtergrond van deze bekende namen te horen. 

Het welbekende teken van dit pelgrimspad

Vandaag maken wij een start met onze eigen pelgrimage of bedevaart in de vorm van een eerste stukje Jacobspad. We starten in Uithuizen bij, hoe kan het ook anders, de St. Jacobus de Meerdere kerk. Helaas is de kerk zelf gesloten, maar het is overduidelijk dat het pad hier begint, want voor de kerk staat het Jacobus monument dat twee Jacobsschelpen, de pelgrimsstaf en een ransel laat zien. De schelp is een herkenningsteken geworden voor elke pelgrim op weg naar Santiago de Compostela. De schelp is ook een verwijzing naar ‘onze’ Jacobus. Volgens een legende kwam een ridder met een paard in zee terecht. Hij bad vervolgens tot Jacobus voor hulp waarop hij, bedekt met schelpen, weer aan land kon komen. Anderen beweren dat de schelp verwijst naar de pareloester. De pelgrimstocht wordt in dit kader gezien als de zoektocht naar de kostbare parel, waarbij de parel staat voor de diepste zin van het menselijk bestaan. De schelp is de moederschoot en de parel het embryo of het begin van het nieuwe leven. Hoe dan ook, het monument staat vooral symbool voor de betekenissen die de pelgrim overdenkt op zijn of haar pad. De twee gesloten schelpen geven de suggestie dat het gaat om een noot (of vrucht) die onderweg geplukt en gegeten wordt. De onderste schelp kun je zien als een kom die regenwater opvangt om je dorst te lessen en jezelf te verfrissen. De andere schelp is dan het deksel dat je bescherming kan bieden. Het golfpatroon op de schelpen tenslotte staat voor water wat symbolisch is voor ‘leven’ in het algemeen. Naast op schelpen op een sokkel staat de pelgrimsstaf (de pelgrim zoekt rust) waaraan een ransel hangt.

Het Jacobus monument voor de Jacobus de Meerdere kerk (IK)
De tekst op de sokkel (RK)

We zien de eerste aanwijzing in de vorm van de schelp op een lantarenpaal en gaan enthousiast op pad, al is het dan zonder staf en ransel.

De eerste aanwijzing (RK)

We lopen dwars door het dorp. Uithuizen is ontstaan in de 10e eeuw. Mensen gingen wonen in de ‘Uthuzen’, wat ‘uiterste huizen’ betekent. Op deze plek werden de eerste huizen naast de wierde i.p.v. op de wierde Brunwerd gebouwd. Brunwerd kreeg hierdoor de naam Oldorp (het oude dorp). Bij Uithuizen hebben vele steenhuizen en borgen gestaan, maar de belangrijkste borg was toch wel, de nog altijd bestaande, Menkemaborg, een steenhuis uit de 14e eeuw.

Met de Menkemaborg op de achtergrond

We lopen de brede oprijlaan van de borg op. Het is druk, we zijn niet de enigen die profiteren van een mooie dag! Het zonnetje schijnt uitbundig, dus we laten ons verleiden tot een kop koffie op het terras en proberen ondertussen wat meer te ontdekken over de familie Menkema (de oorspronkelijke bewoners). Van deze familie is helaas weinig bekend, maar we leren wel dat de geschiedenis van de Menkemaborg terug gaat tot de vroege 15e eeuw. Een gevelsteen in een muur van de borg vermeldt dat het ‘Menckemahues’ in 1400 verwoest wordt en daarna meerdere keren is verbouwd en vergroot. Verschillende families zoals de families Menckema en Clant bewoonden de borg en hebben er hun sporen achtergelaten. In 1682 werd de borg gekocht door Mello Alberda. Zijn zoon Unico Allard laat de borg rond 1705 ingrijpend verbouwen door de latere stadsbouwmeester van Groningen, Allert Meijer. De ingang wordt dan naar het noorden verlegd waardoor het huis een barokke symmetrische indeling krijgt. Voor het verfraaien van het interieur worden kunstenaars aangetrokken. De familie Alberda bewoonde de Menkemaborg als buitenhuis. In 1902 overlijdt de laatste bewoner van de Menkemaborg, Gerhard Alberda van Menkema en Dijksterhuis. In 1921 schenken zijn erfgenamen de borg aan wat nu het Groninger museum is. De borg en de tuinen worden gerestaureerd. De tuin wordt in 1923 opengesteld voor publiek, gevolgd door de borg zelf in 1927. De kamers, waaronder de grote zaal, herenkamer, studeerkamer, slaapkamer, keuken en kelders zijn volledig ingericht met mooie meubelen, zilver, porselein, koperwerk en portretten uit de 17de en 18de eeuw. De vertrekken zijn ‘levendig’ ingericht alsof ‘de bewoners zo terug kunnen komen’. Dit geeft een unieke inkijk van hoe het leven er vroeger uitzag.

Een luchtfoto van de borg (internet)

Hoe intrigerend ook, we hebben vandaag geen tijd voor de borg, ons einddoel ligt een stukje verder. We lopen om de grote gracht heen, langs de Menkemaheerd (heerd betekent boerderij) en volgen het Meedstermaarpad langs het Meedstermaar (maar betekent afvoerkanaal, gracht) en het Baalkjepad. ’t Baalkje is de naam van het ijzeren bruggetje waarmee je het (Uithuizer)meedstermaar kunt oversteken om langs boerderij ‘Iturea’ verder te lopen richting Oldenzijl.

Even genieten langs het Meedstermaar (IK)
Op het ‘Baalkje’ (RK)

Met deze boerderij is iets bijzonders aan de hand, want de eigenaren van deze boerderij betalen al sinds de Middeleeuwen een jaarlijks bedrag aan lampengeld aan de kerk. Daarmee werd oorspronkelijk de ‘godslampe’ brandend gehouden. Een godslamp verlichtte in de katholieke tijd het sacramentshuisje waarin de hostie werd bewaard. De olie die nodig was om de lamp brandend te houden, werd betaald uit de huuropbrengst van een stuk land behorend bij de boerderij die tegenwoordig ‘Iturea’ heet, Een vermelding van deze betaling is onder andere te vinden in het handschrift ‘Ommelands Eer’ (1664) van de jezuïetenpater Franciscus Mijleman: ‘Tot Oldenzijl was een eeuwelijcke brandende lampe geordonneert ende gefondeert. Noch allen jaere word sekere huusmansplaets aldaer (…) afgehaelt lampegeld.’ De lamp was in de zeventiende eeuw, na de overgang tot het protestantse geloof in 1594, al verdwenen, maar de betalingsverplichting bleef. Met andere woorden het gebruik overleefde de Reformatie en wist zich tot in de 21e eeuw staande te houden. Hoe dat kan? Dat is mogelijk omdat de betaling deel uitmaakt van de beklemming (vaste huur) en deze is door de eeuwen heen amper veranderd. In de achttiende eeuw bedroeg de termijn twee gulden en vijf stuivers. De tegenwoordige eigenaar van ‘Iturea’ betaalt ruim een euro per jaar aan de kerk. Een bescheiden bijdrage in de elektriciteitsrekening, want olie wordt al lang niet meer verbruikt voor de verlichting van de Oldenzijlster kerk. De betaling van lampengeld is redelijk uniek in Nederland gezien de lange tijd dat het zich weet te handhaven zonder ergens centraal te zijn geregistreerd. Dergelijke grondlasten worden wel ‘de levende dinosauriërs van het recht’ genoemd. Bijzonder toch?

We eindigen onze dag bij de kerk van Oldenzijl, het is tenslotte een pelgrimstocht ;). Een mooi gelegen, romaans kerkje uit de 13de eeuw waar we o.a. de wapenschilden van de families Alberda en Clant kunnen bewonderen. 

Het wapen rechts van de familie Alberda en links van de familie Clant (RK)
‘Rechts een omziende rood getongde gouden leeuw, links een omziende gesneuvelde gouden griffioen met opgeheven vleugel waarop drie zilveren vissen’

Veenwandeling (WK+ Pad)

Knp: 54-44-43-42-21

Volgens de deskundigen hebben we te maken met de op één na natste lente ooit gemeten. Over het hele land viel 254 millimeter regen, tegen normaal maar 157 millimeter. Alleen in 1983 hebben we een nog nattere lente gehad. Ook was de lente record warm met een gemiddelde temperatuur van 11,7 graden tegen 9,9 graden normaal. Dat staat gelijk aan het record gemeten in de lente van 2007. El Niño. het natuurverschijnsel waarbij het zeewater voor de kust van Peru en Ecuador opeens heel sterk opwarmt, waardoor het hele weer op zijn kop komt te staan, heeft zeer waarschijnlijk een rol gespeeld in de natte lente dit jaar. Inmiddels is deze lente overgegaan in een even natte en zeer wisselvallige zomer. Het wil nog niet zo lukken met de zon en de warmte op een enkele uitspatting na.

De waterdruppels zijn nog zichtbaar 😉

We moeten onze momentjes om te wandelen daarom zorgvuldig plannen. Vandaag lijkt het in ieder geval een vrij droge dag te worden, dus we trekken onze wandelschoenen aan en kiezen voor een korter stuk op onze route, n.l. van Drachtstercompagnie naar Houtigehage. Daarmee lopen we in de ‘Friese plus’ van het pad rondom onze gemeente. 

Drachtstercompagnie is in de tweede helft van de 18de eeuw ontstaan uit een paar gehuchtjes aan het water. Aan het einde van die eeuw meldde een beschrijving dat er in het oosten een grote uitgestrektheid aan ‘hoog en vergraaven Veenland, naast aan de Drachten, tot aan de Ommelanden uitloopt, onder den naam van Folger Veenen’, het huidige Drachtstercompagnie met een ‘verscheidenheid van buurten en huizen.’ Na afloop van de verveningen in deze hoek trokken de meeste veenarbeiders verder naar plaatsen waar nieuw werk lag te wachten. Net als andere dorpen heeft Drachtstercompagnie haar naam eigenlijk te danken aan de vervening.

Kleur tussen het groen (RK)

De verveners, verenigd in de ‘Drachtster Compagnie’ lieten vaarten en wijken graven om het veen droog te leggen en vervolgens om de turf te winnen en te vervoeren. Terwijl de oprichters van de Compagnie steenrijk waren, waren de turfstekers zelf vaak straatarm. Ze woonden in primitieve hutten van zoden en plaggen, zogenaamde spitketen. Zelfs vrouwen en kinderen moesten helpen met het zware werk om te zorgen dat het gezin kon rondkomen. In het begin van de negentiende eeuw was het landschap grotendeels in cultuur gebracht. Langs de vaart werden boerderijen gebouwd, waar de arbeiders gingen werken. Het werd nu ook echt een dorp, waarbij de verschillende buurtjes langzaam maar zeker naar elkaar toe groeiden.

Aan de Aldewei in Drachtstercompagnie staat sinds 1989 een kunstwerk dat de geschiedenis van het dorp weergeeft. De drie gestapelde hardstenen rechthoeken verbeelden de lagen turf, die als het ware uit de grond steken. De roestvrijstalen buizenconstructie houdt de lagen gescheiden en omkaderd de hardstenen vorm. 

‘De gelaagdheid van turf’ van Henk Rusman (internet)

We starten aan de rand van het dorp en lopen bijna meteen een bospad op richting Rottevalle. We lopen langs bospaden, maar ook veel over fietspaden langs de weg. Een koppeltje zwanen trekt onze aandacht. Een symbool voor de liefde, want ze zijn één van de weinige diersoorten die monogaam zijn. Wanneer de partner overlijdt, nemen ze ook echt de tijd om een nieuwe relatie aan te gaan. Grappig weetje: volgens een oude wet is het staatshoofd van het Verenigd Koninkrijk eigenaar van alle knobbelzwanen in Engeland en Wales. In de middeleeuwen (en nu nog steeds) was zwanenvlees een delicatesse voor de rijken; zo is de wet ontstaan. Ik heb nog nooit ergens zwanenvlees op het menu zien staan, maar wij behoren dan ook niet tot de rijken ;).

De koninklijke zwaan (RK)
Vissers in de regen (RK)

Rottevalle is ontstaan in het midden van de 17e eeuw en bestond toen uit niet veel meer dan een herberg, een bierbrouwerij en een molen. Alles wat belangrijk is om te kunnen overleven in het veen …… alhoewel een kerk ook beslist belangrijk was, want de mensen hadden een enorm ontzag voor het veen. Hier huisden goden en geesten die je maar beter gunstig kon stemmen. Het veen/moeras was moeilijk toegankelijk en behoorlijk angstaanjagend, zeker bij nacht, en werd liever gemeden. De vaak voorkomende grondmist droeg nog bij aan het griezelige karakter.

Coulissenlandschap (RK)

De naam van het dorp komt van de sluis die door haar vorm de bijnaam Rattenval had. Tot 1956 liep het riviertje de Lits nog dwars door het dorp. In dat jaar werd dat deel van de Lits gedempt en om het dorp gelegd. Het is een pittoresk dorp met in het hart van het dorp de monumentale Herberg van Smallingerland, een rijksmonument met de sfeer van weleer. Het bouwjaar zou, volgens de datering in een houten stijl, 1791 kunnen zijn, maar dit jaartal kan ook refereren aan een verbouwing of een andere gedenkwaardige gebeurtenis. Zeker is wel dat er op de locatie van De Herberg al in 1734 een pand stond waar pachtgeld geïncasseerd werd.

Straatje in Rottevalle
Graffiti in het fietstunneltje

Na Rottevalle is het verder richting Houtigehage. Deze plaatsnaam zou zijn afgeleid van smalle stroken land (hage) die met houtige struiken waren begroeid. Rond 1900 heerste er veel armoede in en rond Houtigehage. De bewoners woonden in spitketen en het analfabetisme was hoog. In deze tijd trok predikant Johannes Antonie Visscher met zijn vrouw en een kofferorgeltje in een kruiwagen hier door het gebied om geïmproviseerde kerkdiensten te houden. Naast preken bekommerde hij zich ook om de erbarmelijke sociale omstandigheden. Een gedenksteen in de kerk met zijn naam herinnert hier aan. 

Ter herinnering aan ………
Aanwijzingen te over

Pas halverwege de twintigste eeuw werd de turfwinning uiteindelijk weggeconcurreerd door de opkomst van andere fossiele energie, zoals olie en gas.

Een kleine wijngaard vlakbij Houtigehage

De voorwerpen en lichamen die bij de turfwinning tevoorschijn kwamen, zijn niet bij toeval in het veen terechtgekomen. Je verwacht namelijk weinig in het moeras te vinden omdat de oude nederzettingen en begraafplaatsen zich op de hogere zandgronden bevonden. De mens had uit economisch oogpunt immers niet veel te zoeken in de gevaarlijke en onbewoonbare moerassen. De meeste in het veen gevonden voorwerpen zijn individuele vondsten, het gaat steeds om één voorwerp. Bovendien gaat het meestal om min of meer complete voorwerpen die nog goed bruikbaar waren op het moment dat ze in het veen terechtkwamen en dus een bepaalde waarde vertegenwoordigden. Dit betekent zeer waarschijnlijk dat ze er bewust neergelegd zijn en dit kan alleen gebeurd zijn als een offer. Je offert aan een hogere macht in de hoop daarvoor iets terug te krijgen. Dit kan variëren van regen, een goede oogst en gezondheid tot een omvangrijk nageslacht. Of de belofte een dankoffer te brengen als aan de wens of behoefte is voldaan of wanneer een bepaald probleem verholpen is. Regelmatig zijn bij het turfsteken ook menselijke resten in het veen gevonden. In die gevallen werd meestal onmiddellijk de politie erbij gehaald, omdat men in eerste instantie uitging van een recente misdaad. Veel later werd bedacht dat de dood mogelijk in een ver verleden kon zijn ingetreden. Maar of het hier dan ook om offers gaat? 

Huisje ter vervanging van de spitkeet
Nu museum ‘t Wâldhûske

Het is ook vreemd om je te bedenken dat er zo’n drie eeuwen geleden nog werd gecontroleerd op de grens tussen Groningen en Friesland. In de eerste helft van de 18de eeuw was een groot deel van de grens tussen het Groninger Westerkwartier en het aangrenzende Friesland min of meer een niemandsland. Pas in 1737 zouden de grenzen tussen beide provincies officieel worden vastgelegd. Vanaf Groningen liep een aantal verbindingen door het Westerkwartier naar Friesland, waarvan eentje tussen Trimunt en Rottevalle. Dit pad, een smokkelroute, liep achter Drachtstercompagnie langs door het veen. Bij het grensdorp Frieschepalen waren drie ‘cherchers’ gestationeerd, een  soort belastingambtenaren die ervoor moesten zorgen dat er geen zaken, waarop invoerbelasting werd geheven, over de grenzen zouden worden gesmokkeld. In totaal waren er hier in de buurt slechts zes van dergelijke beambten wat niet veel is voor een groot, onoverzichtelijk grensgebied. De ‘sluikers’ (smokkelaars) noemden zichzelf ‘passagiers over de heide’ en riepen de cherchers op zich vooral niet te bemoeien met hun nachtelijke tochten. 

Smokkelverhalen op de grens tussen Groningen en Friesland (internet)

Een veenwandeling lijkt door zulke verhalen wel wat op een avonturentocht. Het heeft wel iets om al wandelend de verhalen te ontdekken over een bepaald gebied en zo (nog) beter te begrijpen hoe het landschap om ons heen is ontstaan en gevormd.