De wijk Alfama, de oudste wijk van de stad, ligt op één van de zeven heuvels van Lissabon, tussen Castelo de São Jorge (het kasteel van St. Joris) en de rivier de Taag. In de tijd van de Moorse overheersing (van 711 tot 1147) bestond Lissabon eigenlijk alleen uit Alfama, een oude visserswijk ontstaan aan de rivier. De naam van de wijk komt ook uit de Moorse periode; Alfama komt van het Arabische ‘al hamma’ wat waterbron of fontein betekent. Logisch, want in het verleden lagen er aan de voet van de heuvel vele warmwaterbronnen. Alfama is het enige stadsgedeelte dat de aardbeving in 1755 redelijk goed overleefde. De verklaring hiervoor ligt in het feit dat de wijk gebouwd is op een massief steenplateau. Deze is harder dan de omliggende (lager gelegen) zanderige ondergrond. Bovendien was Alfama een bijzonder compacte wijk. De huizen zijn hier letterlijk bijna tegen elkaar aan geplakt. En dat is dus nog steeds te zien!
De wijk wordt omschreven als: ‘Alsof de tijd heeft stilgestaan. De schone was wapperend aan de lijn. Een oude man die sardientjes grilt op de hoek van de straat. De inmiddels verkleurde slingers, die men na de feestmaand juni gewoon laat hangen. En een gezette oude vrouw die vanuit haar huiskamer de kersenlikeur Ginjinha verkoopt. Dát is de wijk Alfama in Lissabon.’ Het is ook ‘onze wijk’, omdat wij hier logeren deze dagen, en wij nemen vandaag uitgebreid de tijd om onze wijk beter te leren kennen!
Alfama bestaat uit een labyrint van smalle straatjes, mooie poortjes en pittoreske doorkijkjes. Tijdens het wandelen is er veel te zien: veel gebouwen zijn gekleurd of bevatten authentieke mozaïek. Wasgoed hangt inderdaad vaak dwars door de straten en het is werkelijk een wirwar van nauwe steegjes en oude trappen. Het kan niet anders of je moet hier wel een goede conditie hebben/krijgen. Ik kijk dan ook vol bewondering naar al die oude mensjes die vaak langzaam maar tegelijkertijd ook kordaat hun routes omhoog of omlaag volbrengen. Herhaling, spiergeheugen, zeg het maar. Zij hebben er profijt van!
De fado muziek (het Portugese levenslied) is ook ontstaan in Alfama. Hebben we dat niet eerder gehoord bij het doorkruisen van een andere wijk? De meest authentieke fado schijn je hier te moeten beluisteren in barretjes die moeilijk te vinden zijn. Wij zien de barretjes waar deze muziek wordt aangeboden bij wijze van spreken op elke straathoek, dus die moeilijk te vinden cafeetjes moeten dan wel iets extra specials te bieden hebben. Misschien dat daar meer de sfeer van fadozangeres Amalia Rodrigues om de hoek komt kijken. Zij staat tenslotte bekend als ‘de koningin van de fado’.
Het leven van Amalia (1920-1999) is het klassieke verhaal van het arme volksmeisje, dat voor een paar stuivers zingt in de kroegen aan de haven, wordt ontdekt en uitgroeit tot een wereldster. Ze groeide op in bittere armoede. Reeds als jong meisje moest ze werken. Ze verkocht bloemen op straat en deed de was voor mensen uit de chique buurten van de stad. In juli 1939 trad ze voor het eerst officieel op. Volgens de recensies van toen ‘past haar pessimistische aard zeer goed bij de melancholie van de fado. Rodrigues wordt gezien als de verpersoonlijking van de Portugese volksaard.’ Zij was daarna van grote invloed op de bekendheid die fado elders in de wereld kreeg. Al snel werd ze Portugals favoriete exportproduct op cultuurgebied. Ze trad op tot ze in de zeventig was en gedwongen door hartproblemen moest stoppen. Eind jaren tachtig trok ze zich terug. Ze overleed in haar huis aan de Rua de São Bento in Lissabon. Bij haar dood werden drie dagen van nationale rouw afgekondigd. Haar huis is nu een museum met de prijzen die ze won, haar kleding, sieraden en brieven. We zijn, al eerder deze week, langs haar huis alias museum gelopen, maar hebben haar culturele invloed toen niet voldoende geapprecieerd.
De hoogtepunten, qua bezienswaardigheden, zijn voor ons vandaag zijn vooral Castelo de São Jorge, Miradouro Porta da Graça en Praça do Comércio met de daarachter gelegen grote winkelstraat. We gaan lopen en dwalen (zonder kaart en zonder duidelijk plan) dus we zullen ons zeker laten verrassen door wat we nog meer op ons pad aan zullen treffen.
Bijna meteen zien we de bekende Feira da Ladra, een vlooienmarkt, waar het vroeg in de ochtend al een gezellige drukte is. Dit is volgens insiders ‘één van de oudste vlooienmarkten in Lissabon, waar je naartoe gaat voor alles waarvan je niet wist dat je het nodig had!’ Feira da Ladra betekent letterlijk dievenmarkt. Vroeger was dit namelijk de plek waar dieven hun buit verkochten. Het was daarna ooit een antiekmarkt, maar vandaag de vandaag zijn er kraampjes met uiteenlopende tweedehandse en nieuwe producten waarbij je naast vaste kraampjes ook handelaars tegenkomt die hun waren op een deken op de grond uitstallen. Wij lopen er langzaam langs en besluiten dat die blik op afstand wel genoeg is. Wij zijn immers niet op zoek naar dat ene hebbedingetje of een Portugees tegeltje en willen wel nog zoveel mogelijk uit onze dag halen.
Via omzwervingen komen we terecht bij een uitzichtpunt in de schaduw van het kasteel. Vanaf het Miradouro (uitzichtpunt) Porta da Graça kun je ver uitkijken over de stad. Een ander uitkijkpunt vlakbij, Miradouro das Portas do Sol, is een must voor fotografen. De naam betekent letterlijk deuren van of naar de zon en omdat deze helling op het zuiden ligt, heb je hier de hele dag zon. Vroeger stond je hier trouwens op de grens van de stad.
Om de stad nog beter van bovenaf te kunnen zien, moet je naar het kasteel boven de heuvel. Dat is dan ook ons volgende doel.
De fundamenten van dit Castelo de São Jorge dateren al uit de 6e eeuw voor Christus! Het huidige kasteel (wat ervan over is) werd door de Moren gebouwd op de resten van een vesting uit de 5e eeuw en is daarmee één van de oudste en indrukwekkendste overblijfselen uit de Moorse tijd. Binnen de huidige kasteelmuren woonde vroeger de Moorse elite. In 1147 werd het kasteel echter veroverd door koning Alfonso Henriques. Op de binnenplaats na de hoofdingang staat dan ook ter herinnering een bronzen beeld van deze eerste koning van Portugal, want het kasteel werd het koninklijk paleis in 1255 toen Lissabon de hoofdstad werd van Portugal.
Een paar jaar later liet koning Ferdinand de stadsmuur bouwen Dit duurde even want de stadsmuur had een lengte van 5.400 meter en 77 torens. Dat was ook nodig, want bij aanvallen op de stad was dit het laatste bastion. Rond het einde van de 14de eeuw kreeg het kasteel haar naam van koning João I die getrouwd was met de Engelse prinses Philippa van Lancaster. Sint-Joris, die meestal wordt afgebeeld terwijl hij een draak bevecht, is populair in beide landen. In de 16e eeuw liet koning Manuel I een ander paleis bouwen, namelijk Ribeira Paleis, aan de Taag waardoor dit kasteel een andere functie kreeg. Het nieuwe kasteel raakte echter erg beschadigd na een aardbeving, dus Sint-Joris zou opnieuw het ‘echte’ paleis worden.
Helaas werd Portugal van 1580-1640 veroverd door Spanje en daardoor werd het kasteel opeens een gevangenis en legerkazerne. Kasteel Sint-Joris onderging tenslotte nog een metamorfose want door de heftige aardbeving in 1755 werd het kasteel erg beschadigd. Een jaar later werd het deels gerenoveerd en dat is wat wij nu gaan bekijken, compleet met kanonnen en een prachtig uitzicht over de stad vanaf de hoge verdedigingsmuren. Ze hebben zelfs een terrasje gecreëerd aan de rand van de muur. Hoe leuk is dat! Bij onze rondgang blijkt dat er op één van de torens een periscoop staat, die je kunt gebruiken om de stad (extra) goed te bekijken vanaf deze grote hoogte. Verderop is een heuse zwarte kamer waarin een Camera Obscura de stad in real time laat zien.
Vanaf het kasteel slingeren we door de stad naar beneden richting het grote plein met de enorme triomfboog. Voordat we daar aankomen kruisen we een ander groot plein, het Praça do Rossio. Rossio (betekent gemeenschappelijk plein) is de populaire naam van het Pedro IV-plein, al sinds de Middeleeuwen één van de hoofdpleinen van de stad. Vroeger stond het bekend als plaats voor executies, stierengevechten, demonstraties en als ontmoetingsplek, echt belangrijke dus. In de Romeinse tijd vonden hier vooral paardenrennen plaats, hetgeen je nu nog steeds kan zien aan de ronde vorm met de 3-baansweg eromheen. Het is sowieso wel een bijzonder plein met in het midden een hoog standbeeld van Pedro IV met aan de voet van de zuil beelden die recht, moed, terughoudendheid en wijsheid voorstellen. Ook is het hele plein bedekt met zwarte en witte mozaïektegels, die de ontmoeting van de Atlantische Oceaan en de rivier de Taag vertegenwoordigen. Al lopend krijg je haast het idee dat de grond onder je beweegt, het idee van rollende golven, toch is dit gezichtsbedrog.
Via de Rua Augusta, één van de belangrijkste en bekendste winkelstraten van de stad, lopen we verder naar het grote plein aan het water, het Praça do Comércio. Deze Rua is een royale achttiende-eeuwse boulevard die in zijn geheel autovrij is. De straten zijn eveneens belegd met mozaïek en behalve de grote winkelketens zijn er ook tal van straatverkopers, straatartiesten en menselijke standbeelden te vinden, evenals diverse terrassen in het midden van de straat. Geen wonder dat het hier druk is! Er valt gewoon veel te zien, zeker voor de diehard shoppers onder de toeristen.
Aan het eind van de straat loop je dan onder de Arco da Rua Augusta het grote plein op. De boog is 20 jaar na de aardbeving gebouwd ter nagedachtenis aan deze verschrikkelijke gebeurtenis waarbij veel mensen zijn omgekomen. Op de boog zijn verschillende Portugezen te zien die belangrijk zijn voor de Portugese geschiedenis en daarnaast is ook de rivier de Taag afgebeeld. Dat moet je maar geloven, de boog is te hoog om het een en ander goed te kunnen bestuderen.
Het plein zelf heette vroeger ‘Terreiro do Paço’, het paleisplein. Het is met zijn 36.000 m² één van de grootste pleinen van Europa. Het ligt direct aan de rivier de Taag, wat het hier aangenaam toeven maakt. Voorheen was dit de locatie van het koninklijk paleis. Na de, inmiddels bekende, aardbeving was dit paleis compleet verwoest en het was Marquês de Pombal die besloot hier het nieuwe handelscentrum van Lissabon te maken, dichtbij de scheepswerf ‘Ribeira das Naus’. Het standbeeld van de man in het midden van het plein is Dom Joao I, de koning van Portugal in de tijd dat Marquês de Pombal de leiding had over de wederopbouw. De grote open ruimte wordt omringd door imposante, zonnige gebouwen met opvallende gele gevels, waardoor het plein een opvallende en uitnodigende sfeer krijgt. De gedachte dat dit plein rijkdom en welvaart moest uitstralen is goed gelukt. Je voelt je hier echt klein en nietig op deze grote vlakte.
Tegenwoordig zijn er aan het plein voornamelijk overheidsgebouwen en veel horecazaken te vinden. Verder is het plein een belangrijke vervoershub. Er stoppen meerdere trams en bussen of je kunt ervoor kiezen om vanaf hier in te stappen in één van de vele tuktuks of andere prachtige autootjes voor een meer persoonlijke ervaring. Tot slot vertrekt er vanaf een steiger voor het plein met regelmaat een pendelboot die je naar de overzijde van de Taag brengt, waardoor het geen wonder is dat het altijd een komen en gaan van toeristen op het plein is.
Wij gaan voor de tip om ‘wat verkoeling te zoeken na al dat gewandel’ en zoeken een plaatsje op een heerlijk terras met uitzicht over het plein en de mensen die daar rondlopen. Een goed besluit van een paar heerlijke dagen!


























































































