Om meteen maar met de eerste sluis te beginnen …… het Hemrikerverlaat (verlaat = schutsluis) in de Opsterlandse Compagnonsvaart wordt nog helemaal met de hand bediend. Het verval is een kleine 90 cm, wat goed te zien is als wij over de brug naar de andere kant van de vaart lopen. Het water links staat hoog, het water rechts staat veel lager en borrelt en bruist bovendien volop. De sluis wordt weliswaar vandaag niet gebruikt, maar het water kan via een smalle doorgang toch afgevoerd worden naar de lager gelegen andere kant.
Even een stukje geschiedenis, want zoals we weten ‘helpt geschiedenis ons te begrijpen hoe gebeurtenissen in het verleden de dingen hebben gemaakt zoals ze vandaag de dag zijn’. Het vlakbij gelegen streekdorp Hemrik is in de late Middeleeuwen ontstaan op een zandrug tussen de heide in het noorden en het hoogveen in het zuiden. In het midden van de 18de eeuw werd de Opsterlandse Compagnonsvaart gegraven om het hoogveen te kunnen gaan exploiteren, waardoor het tot dan toe vooral agrarische dorp door turfwinning een impuls kreeg. De vaart werd vrij dicht ten zuiden van het dorp gegraven en in 1755 werd het volledig van hout gemaakte Hemrikerverlaat in de Compagnonsvaart geslagen. Het buurtschap eromheen, ontstaan tijdens het graven, kreeg dezelfde naam. De sluis is precies een eeuw later in steen vervangen en in 1902 zelfs helemaal vernieuwd.
We lopen aan de stille kant van de vaart totdat we bij een smal schelpenpaadje komen waar we ‘het binnenland’ in mogen. Je bent dan meteen in een andere wereld. Het geluid van verkeer is praktisch verdwenen (was ook al niet heel veel verkeer), we horen vooral het geruis van de wind in de laatste bladeren en het onrustige gefladder van de eenden in het watertje naast ons. Het is nog koud, net boven het vriespunt, en dat is goed te zien aan de dunne streepjes ijs op het water.
We moeten een beetje stevig doorstappen om warm te blijven, ondanks de laagjes, want als de zon verdwijnt heeft de (water)koude wind vrij spel. We zien een aantal kleine huisjes in de verte. Je woont hier behoorlijk ver weg van alles, lijkt me. Dat gevoel klopt aardig, want ik lees later dat zich hier in de buurt één van die plekken bevindt ‘die afgesloten lijken van de wereld’, we lopen zelfs langs de afslag ernaartoe. Afgesloten zijn gold vroeger zeker voor Welgelegen, vlakbij Jubbega, genoemd naar een herberg die daar ooit stond. Een smal, vaak modderig, pad was jarenlang de belangrijkste verbinding met de ‘bewoonde wereld’. Pas in 1967 komt er verbetering en krijgen de bewoners eindelijk een verharde weg!
We blijven lopen over bospaden, zandweggetjes of halfverharde paden met slechts een enkel stukje asfalt om van het ene pad naar het andere te komen. Het is hier werkelijk heel mooi en heel stil, alsof we mijlenver van de bewoonde wereld verwijderd zijn. Toch is dat niet werkelijk zo gezien het bord met ‘verse koffie’ langs de kant van de weg en de ‘Bȇd & Bosk’ mogelijkheid in de d’Alde Pastorije.
Deze pastorie is in 1832 gebouwd voor de nieuwe pastoor van de dorpen Jubbega, Schurega en Hoornsterzwaag. Een kleine honderd jaar later (1920) werd het gebouw veranderd in een boerderij, omdat er een nieuwe pastorie werd gebouwd in Hoornsterzwaag. Tegenwoordig is d’Alde Pastorije in gebruik als woonboerderij en B&B (Bed & Bos) midden in de prachtige natuur. Bijzondere plek! We lopen verder over, hoe toepasselijk, het Tsjerkepad om vervolgens de weg over te steken en het weiland in te gaan. Over dit stuk had ik zo mijn bedenkingen. Het is de afgelopen dagen zo nat geweest dat het grondwaterpeil, zeker in Friesland, erg hoog staat. Dusdanig dat alle gemalen, inclusief het Woudagemaal, volop aan het draaien zijn om het water onder controle te houden. Gelukkig valt het ons alles mee. De weilanden staan open, we hoeven dus niet via een overstapje over de prikkeldraadafrastering heen te klauteren. Ook hier lopen we weer langs een smal water, Friesland staat niet voor niets bekend als waterland, al zien we hier geen steigertjes, kleine bootjes of andere aanwijzingen dat dit water gebruikt wordt voor watersport. Ondanks dat het doodlopend is, kan dat hier wel. Het is helder water en zeker voor kinderen lijkt me dit ideaal in de zomer.
Naast het pad waarop we lopen is het op sommige plekken wel heel nat. Waarschijnlijk liggen deze stukken land net wat lager.
Uiteindelijk komen we uit bij het riviertje de Tjonger. De Tjonger (ook wel De Kuinder in het Stellingwerfs – Fries officieel is De Tsjonger of De Kuunder) is een oud riviertje dat door Zuidoost Friesland loopt van grofweg Kuinre naar Oosterwolde. De Tjonger maakt samen met de Opsterlandse Compagnonsvaart deel uit van de Friese Turfroute. De naam Tjonger heeft te maken met het Oudfriese ‘tiona’ en het oud-Saksisch tiunan, teona. Woorden die allen verwijzen naar ‘schade doen’, schade toebrengen. De Tjonger werd als een ‘kwaadaardige’ rivier beschouwd, het was een ‘razend water’. Als de naam Kuinder de oudste is, zou deze onder Keltische invloed kunnen zijn ontstaan en is dan vergelijkbaar met het Welsh ‘Gwenddwr’ (uit te spreken als: Keundeur), dat de betekenis heeft van ‘schoon water’. Anderen beweren dat Kuinder of Tjonger van Keunirà zou zijn af te leiden. Keunira hangt samen met (a)keun en betekent ‘schitterend’. Wat een naam al niet teweeg brengt 😉
Opeens is daar ook onze tweede sluis van vandaag. Op ons kaartje staat de naam Sluiszicht vermeld, maar waarschijnlijk is dat de naam van een restaurantje dat hier vroeger gestaan heeft? Ik kan hier niet echt iets over vinden. Wel lees ik nog een grappig weetje dat de Tjonger niet alleen een grensrivier, maar ook een taalgrensrivier blijkt te zijn. ‘Een rivier met een dubbele tong’ wat ook al bleek uit de verschillende benamingen. Om verder te citeren: ‘een helaas gekanaliseerd spraakwater tussen de van oorsprong West Germaanse Friese taal op de noordoever en het Stellingwerfs, een Nedersaksische taal, op de zuidwal’. Een volgende keer horen we hier vast meer over!






























