Een makkie?

‘Een makkie deze keer …. welke plaats is hier afgebeeld?’ Deze optimistische woorden zijn de start van een nieuwe uitdaging uitgebeeld in acht foto’s. 

Er zijn van die plaatsen die je alleen kent van naam, maar die je zelf nog nooit echt hebt verkend. Deze plaats is er, voor ons, eentje van. Helemaal omdat de plaats ook wel bekend staat met de eretitel ‘het Venetië van het noorden’. Is dat terecht of toch te hoog gegrepen? Ik lees dat de Venetiës van deze wereld hun eretitel danken aan de grote rol die het water er speelt, vooral als verkeersmiddel. Zeker als dit dan gecombineerd wordt met drukke (internationale) handelsactiviteiten. De stad Venetië geldt voor deze plaatsen als het archetype (een geïdealiseerd oermodel dat ten grondslag ligt aan latere varianten). Qua bouw lijkt ‘onze plaats’, tenminste volgens kenners, wel een beetje op Venetië. Maar je moet tegelijkertijd over heel wat fantasie beschikken om een overeenkomst met het Italiaanse Venetië te ontdekken. Hiermee alweer een eerste aanwijzing, alhoewel……er zijn zoveel plaatsen in Groningen waar het water een belangrijke rol speelt of speelde. 

foto:RK
foto: RK

Over de precieze ouderdom van deze plaats bestaat geen zekerheid. Volgens archeologische vondsten is gebleken dat de opkomst rond 1100 geweest moet zijn. De plaats ligt aan een water dat waarschijnlijk al voor het jaar 1000 is gegraven om de ontwatering van het achterland te verbeteren. Op de kruising van diverse water- en handelswegen ontstond daarna een nederzetting van schippers-, koop- en ambachtslieden. In een document uit 1224 is voor het eerst sprake van een markt- of vergaderplaats (Forum), waarmee waarschijnlijk deze plaats wordt bedoeld. Door de gunstige ligging, met een open verbinding met de zee, groeide de nederzetting in korte tijd uit tot een belangrijk handels- en marktcentrum. De groei van de plaats bleek ook uit de omvang van de plaatselijke kerk, die steeds groter werd en als het ware met de plaats meegroeide. De plaats had in de middeleeuwen niet alleen in economisch, maar ook in juridisch en bestuurlijk opzicht een centrumfunctie. Al in de 13e eeuw vergaderden hier de redgers (plattelandsrechters). De welvaart zorgde echter ook voor stevige conflicten met de stad Groningen, resulterend in rooftochten en belegeringen. Daarbij delfde deze plaats uiteindelijk het onderspit. De welvaart zakte in.

Tegenwoordig kent het centrum, sinds 1972, een beschermd gezicht. Het centrum was echter wel in verval geraakt, waarop de gemeente besloot het helemaal te restaureren in oude stijl. Zo kunnen wij nu genieten van een echt historisch centrum. Op een groot plein staat een beeld van een man met een, voor sommigen onder ons, bekende naam. Geboren in ‘onze’ plaats (waar we ondertussen verder over nadenken), werd hij uiteindelijk hoogleraar aan de universiteit van Leiden en een belangrijk rechtsvernieuwer vooral m.b.t. de handel en de scheepvaart. Tijdens de Tweede  Wereldoorlog werd hij landelijk bekend door de publieke protestrede die hij in 1940 hield als decaan van de Juridische Faculteit tegen het ontslag van zijn Joodse collega’s door de Duitse bezetter. Meteen daarna werd hij door de nazi’s opgepakt en gevangen gezet. Dit openlijke verzet tegen de Jodenvervolging wordt op 26 november herdacht met een jaarlijkse oratie (inaugurele rede) van zijn naam in Leiden en in lezingen in binnen- en buitenland over recht, vrijheid en verantwoordelijkheid.   

foto: RK
foto: RK
foto

In het straatbeeld geven tientallen oude panden en smalle straatjes sfeer aan de plaats. Er  is, al wandelend, veel kunst te zien. Kunst op straat, kunst aan gevels, kunst op daken, kunst achter glas, kunst onder een brug en nog veel meer. Wanneer je erop let, zie je gewoon steeds meer. De kunstig betegelde zuil hierboven is een herinnering en blijvend aandenken aan de oude gemeente omdat deze ondertussen niet meer als zodanig bestaat. Volgens de beschrijving is het ‘een replica waarop het historische en maatschappelijke verhaal in honderden gebakken tegels is afgebeeld’. De onderwerpen op de geschiedeniszuil zijn aangeleverd door mensen met historische kennis en de inwoners zelf. Je ziet nog net een stukje van de afbeelding met het woord ‘beving’. Zoals zovele plaatsen behoort ook deze tot het gebied waar de gaswinning heeft geleid tot aardschokken en bodemdaling. Dit zorgde en zorgt nog steeds voor veel problemen!

De laatste serie foto’s geven praktisch het antwoord op de vraag over welke plaats dit gaat. Het wordt daarmee tijd voor de onthulling. 

foto: RK
foto: RK

Steden zijn schaars in Groningen. Appingedam is naast de stad Groningen de enige plaats in de provincie met middeleeuwse stadsrechten. Daar hebben ze dan ook goed hun best voor gedaan. De rijkdom uit de tijd dat Appingedam een belangrijk handelscentrum was, is nog overal zichtbaar. De naam Appingedam is waarschijnlijk. een afleiding van de persoonsnaam Appe of Abbe, dan wel de familienaam Appinga of Abbinga. Appingedam betekent dan ‘dam bij de woonplaats van de mannen van Abbo’ of ‘dam bij de woonplaats van de familie Abbinga’. Een inwoner van Appingedam wordt vaak een Damster genoemd, hetgeen  ‘dambewoner’ betekent. Als scheldnaam kom ik terecht bij ‘vlinthippers’ (zij die over de straatkeien huppelen), ‘peerdekopers’ (vanwege de grote paardenmarkten) of Damster knollen (er werden veel knollen aangevoerd). Verklaringen van lokale Groningers voor de laatste bijnaam vertellen echter wat anders. ‘Damster knollen betaikent dat ze altied knollen achter de hakken haren’ of ’n Daam (Appingedammer) is krekt n knol in hoos; van verof liekt t n vlek, mor as t dichtbie bist din is t n gat’. Kun je het  nog volgen? 

De Damster stadsomroeper (bovenaan dit verhaal) is, volgens de beschrijving, parmantig en dienstbaar. Hij heeft zijn plek, op een druk punt bij een bankje, goed gekozen. Hier komen mensen samen, zelfs in deze tijd. Hier kun je dus de  nieuwtjes horen en verzamelen. De stadsomroeper is er dan snel bij om het nieuws verder rond te bazuinen. 

De foto van een acht meter hoog stalen beeld met ‘ogenschijnlijk lukraak opklaar gestapelde metalen schijven’ spreekt tot de verbeelding. Voor wie het niet herkent, ‘het is geen kunst, het is een krukas…..niet meer en niet minder’. Deze krukas, een essentieel onderdeel van verbrandingsmotoren, is een geschenk van Brons Industrie aan de stad Appingedam. De beroemde ‘Bronsmotorenfabriek’ van Jan Brons (1865-1954) werd in 1906 in Appingedam gesticht. In de topjaren na de Tweede Wereldoorlog werkten bijna 450 mensen in de fabriek. De krukas symboliseert de verbondenheid van dit bedrijf met de bevolking van Appingedam.

De laatste foto is een uitkijkje vanaf één van de vele smalle bruggetjes, waar je met een beetje wil in de verte één van de meest bijzondere bezienswaardigheden van de stad kunt zien; de hangende keukens. Deze zijn bewust niet in de fotogalerie opgenomen, dat zou al te gemakkelijk zijn geweest. Drie huizen langs het water van de Damsterdiep zijn waarschijnlijk in de middeleeuwen gebouwd. Tegenwoordig zijn het woonhuizen, maar omdat de gebouwen ooit zijn gemaakt als pakhuis, was er weinig ruimte voor een keuken in het woonhuis. ‘Om ruimte te creëren terwijl je huis ingeklemd staat tussen bebouwing en het water’, vertelt een bewoner, ‘bouw je heel praktisch een deel ervan gewoon boven het water.’ Hier komt de vergelijking met Venetië weer om de hoek kijken. Deze huizen staan in het water en de uitbouw (de keuken) is zwevend boven het water gebouwd.

Challenge #2

‘Voor de liefhebbers, mijn tweede project over Groninger dorpen. Over welk dorp gaan deze foto’s?’ Ook dit dorp is geen onbekende voor de Groningers onder ons, maar het is de opzet van de fotograaf om bekende plekjes zo te fotograferen dat het wel typerend is, maar niet alles onmiddellijk weggeeft. Jules Deelder heeft dit erg mooi verwoord: 

‘Hetzelfde zien   –    Maar het zò zien.   –     Zoals niemand het zag’

Deze keer bestaat de puzzel uit maar liefst acht foto’s. Ik zal proberen om ze steeds per groepje te laten zien en daar weer iets bij te vertellen zonder de plaats te noemen. Op zich al een behoorlijke uitdaging ;).  

foto: RK
foto: RK

Langs het dorp liep vroeger een belangrijke rivier, waardoor dit dorp in de vroege Middeleeuwen waarschijnlijk een belangrijke handelsnederzetting is geweest. Dat wordt aannemelijker door een oorkonde uit 1507 waarin de Duitse koning Hendrik IV de grafelijke rechten van dit gebied en omstreken aan de aartsbisschop van Hamburg schenkt met daarbij ondermeer het recht om in dit dorp een markt te stichten en het recht om munten te slaan. Uit latere vondsten is gebleken dat hier inderdaad ooit munten zijn geslagen. Ondanks het oude markt-, munt- en tolrecht heeft deze plaats, mede door de dominante positie van de stad Groningen, zich echter niet heeft kunnen ontwikkelen tot een stad. De omslag kwam toen Groningen in de 15e eeuw de stapel- en marktrechten van de betreffende plaats in handen kreeg. Als het dan ook nog wordt platgebrand tijdens de Tachtigjarige Oorlog, gaat het stedelijke karakter helemaal verloren. Vanaf de 19e eeuw kwam er nieuw leven in de brouwerij met onder meer kalkbranderijen, steenbakkerijen en fabrieken, maar officieel een stad worden zat er niet meer in.

Uiteraard hebben de inwoners van dit dorp in het verleden ook een eigen scheldnaam gekregen. Ze worden wel ‘gladhakkers’ of ‘ledderdroagers’ genoemd. De verklaring van de bijnamen is niet zo duidelijk. Zo kom ik niet verder dan: ‘waarom precies wait ik nait’ voor beiden, waarbij er nog wel een aanvulling wordt gegeven voor de meest voorkomende naam: de gladhakkers, t.w. dat ‘hak’ (hiel) waarschijnlijk overdrachtelijk als ‘mens’ vertaald moet worden. Denk aan ‘kleumhak’ wat kouwelijk persoon betekent, ‘stommelhak’ wat staat voor iemand die langzaam voortstrompelt of ‘slofhak’ oftewel een vergeetachtig persoon. Mogelijk is de spotnaam ‘gladhakker’ voortgekomen uit de lokale dracht namelijk het dragen van hoefijzers onder de schoen om slijtage tegen te gaan?

foto: RK
foto: RK
foto: RK

Deze tweede serie foto’s gaan eigenlijk allemaal over de sfeer in het dorp. Het ijsje representeert naar mijn idee weer dat het populair is onder toeristen. Zoals een inwoner opmerkt: ‘De omgeving is hier prachtig. Een wijde blik verruimt het denken. Als je hier buiten bent, krijgt je hoofd de ruimte. Ik zie hoe mooi het is als een buitenlandse vriendin op bezoek is. Ze kijkt uit het raam en ziet de molen draaien. Ze vindt het water – ‘the little canals’ – prachtig. Het is hier oer hollands en zo’n idyllisch plekje.’    

Het dorp kent veel monumentale en karakteristieke panden, maar daarnaast ook arbeidershuisjes en voormalige kleine winkeltjes. Wat je in een stad hebt, heb je hier in het klein. Het is een bruisend dorp, maar beslist geen museumdorp. Er wordt ‘gewoon’ gewoond, gewerkt en geleefd. Het dorp bezit drie wierden, waarmee wordt aangegeven dat de oorspronkelijke drie dorpen nu aan elkaar zijn gegroeid en heeft sinds 1982 een beschermd dorpsgezicht. Twee van de oorspronkelijke wierden (de derde is totaal opgegaan in het dorpsbeeld), zijn verbonden via een stenen boogbrug, De Boog, die in de oorlog werd opgeblazen in een poging de opmars van de Duitsers te stoppen (later is de brug in ere hersteld) en een zogenaamd ‘hoogholtje’, een hoge voetbrug zodat schepen er onderdoor kunnen. Deze Jeneverbrug dankt haar naam aan het drukke verkeer van mensen over en weer. Omdat het gras altijd groener is aan de overkant, gingen de inwoners graag hun borrel halen aan de andere kant van het water. Een hachelijk onderneming, lijkt me, met al die ‘popkes nathals’ (zuipschuiten), maar zoals de Groningers zeggen: ‘nait soezen moar broezen’ geen woorden, maar daden.

Dan zijn we toe aan de laatste foto’s om een nog beter idee te krijgen over welk dorp het hier gaat. Een kerk en een molen, onmisbare attributen toch voor welke plaats dan ook?  

foto: RK
foto: RK

Vanzelfsprekend staat in beide oorspronkelijke dorpen een middeleeuwse kerk. De 13e-eeuwse Sint Nicolaaskerk staat midden op de ene wierde. Sint Nicolaas is de patroonheilige van onder meer de zeevaart, wat een herinnering is dat de scheepvaart lange tijd van groot belang was voor het dorp. Op een gegeven moment waren er zelfs drie scheepswerven. Rond deze wierde loopt een ‘ossengang’, een weg die vroeger rond de voet van een wierde liep en werd gebruikt om met het vee naar het eigen huis te lopen. Tegenwoordig tref je nog slechts bij een handvol wierden de ossengang zoals vroeger. Grappig weetje is dat de bekendste ossengang die van het dorp Leermens is. Een typisch Gronings gezegde verwijst hiernaar. Als iemand ‘om Leermens is gekomen’ dan heeft hij de zaken van alle kanten bekeken. 

De molen op de foto is een koren- en pelmolen. Met een pelmolen wordt gerst tot gort gepeld door het kaf van de graankorrel te scheiden. De gepelde korrels moesten eerst 12 uur weken en vervolgens een uur worden gekookt. Een tijdrovend werkje. Tot begin 20e eeuw werd het in Nederland nog gebruikt als maaltijdbasis, maar in die functie is het tegenwoordig vrijwel volledig vervangen door rijst en pasta. 

Mocht het nog nodig zijn, dan volgt nu de ontknoping. Het dorp, Winsum, is herontdekt met haar benoeming tot mooiste dorp van Nederland in 2020. Een jonge inwoner van het dorp vertelt: ‘Ik kom uit Winsum’  maar bijna niemand weet waar dat ligt. ‘Tussen de stad Groningen en Pieterburen’, zeg ik dan. Dan kennen ze vaak wel van de zeehondencrèche. Je hebt Giethoorn, maar nu dus ook Winsum.’ Winsum staat dus op de kaart, maar waarom heeft een jury uiteindelijk voor Winsum gekozen? Concluderend noemt de jury Winsum ‘een levendig dorp met de voorzieningen van een kleine stad, heerlijke straatjes om doorheen te dwalen, twee kerken, twee molens en dat schitterende Winsumerdiep, een blauwe ader door de bebouwing.’

Welk dorp is dit?

‘Een nieuw (zelf) project en een leuke uitdaging is om de identiteit en het karakter van een Gronings dorp vast te leggen in een beperkt aantal (abstracte) foto’s. Aan jullie om te raden om welk dorp het gaat?’ Hiermee wordt het startsein gegeven voor het opnieuw ontdekken van onze eigen provincie, zowel voor de fotograaf als de kijker. Voor alle ‘Groningers’ is deze eerste challenge misschien een inkoppertje, maar daarom zeker niet minder leuk.

Wanneer we kijken naar voorwerpen of wanneer we voorwerpen zien, betekenen kijken en zien in deze context dan wel hetzelfde? Er is inderdaad een verschil in betekenis. Kijken staat voor ‘met aandacht zien’ terwijl zien ‘waarnemen met je ogen’ betekent. Zien is dus meer veelomvattend, het is weten wat er wordt waargenomen. Als we nu kijken naar deze eerste serie foto’s wat kunnen we dan waarnemen (zien)?

foto: RK

Het lijkt erop dat voor dit dorp de visserij belangrijk is. Om een tipje van de sluier op te lichten……. Vroeger was deze plaats van groot belang voor de kustvisserij, maar daarnaast tevens een tactisch belangrijke verdedigingsschans. Om met de visserij te beginnen.

foto: RK

Ruim drieduizend jaar geleden bestond een deel van de huidige provincie Groningen vooral uit eilanden, denk aan de bekendste eilanden uit die tijd ‘Middag’ en ‘Humsterland’. Naarmate dit gebied steeds minder onder water kwam te staan en meer en meer begroeid raakte, bleek deze grond uitermate aantrekkelijk voor bewoners van de zandgronden (Drenthe). Dit nieuwe land bleek vruchtbaar en tevens een goed weidegebied voor vee. De nieuwkomers bereikten dit kustgebied door de rivieren, de ‘oerstromen’, te volgen naar zee. De rivieren het Reitdiep, de Lauwers en ook het Hunsingokanaal komen hier bij elkaar; een samenvloeiing van wateren uniek in Europa. De inwoners van het dorp hadden vroeger bijnamen als ‘Schelleviskoppen’ of ‘Vlintboksems’. De eerste bijnaam lijkt me duidelijk, de tweede betekent letterlijk ‘kleibroeken’. Verzin daar maar eens een logische verklaring bij…….. Tegenwoordig is het dorp, zoals we kunnen zien, vooral bekend door de Hollandse garnaal.

foto: RK

Hoe zit het dan met het belang van de verdedigingsschans? De eerste inwoners van het dorp waren waarschijnlijk soldaten. Nederland viel sinds 1482 onder het Spaanse Rijk en de schans was een strategisch belangrijk punt. Het Reitdiep was toen de enige vaarweg vanaf zee naar de stad Groningen en stroomde zonder belemmering tot in het hart van de stad. Als verdedigingsbolwerk voor de stad werd hier (in 1576) een militaire schans gebouwd door de Spanjaarden. Om het een en ander niet helemaal weg te geven laat ik de naam van de schans achterwege. In de Tachtigjarige Oorlog (1568 – 1648), oftewel de vrijheidsstrijd van de Nederlanden tegen Spanje, werden regelmatig plundertochten door de Watergeuzen, die samenwerkten met Willem van Oranje, uitgevoerd in dit gebied. Ter verdediging tegen de vele plundertochten, brandstichtingen en aanvallen op alles Spaans of Rooms Katholiek hadden de Spanjaarden op meerdere plaatsen verdedigingswerken gebouwd. In de hier betreffende schans hadden de Spanjaarden op een gegeven moment ter verdediging zo’n honderd soldaten ondergebracht. Hoewel de schans een behoorlijke wal en gracht had, was de ruimte binnen zo krap en zo klein dat de honderd soldaten er hun verdedigingswerk eigenlijk niet goed konden verrichten. Nog lastiger voor de verdediging was echter dat de dijk door de gracht liep tot aan een bastion (een bastion is een vijfhoekige uitbouw aan de muur of de wal van een versterking, uitgevoerd in steen of aarde), waardoor de aanvallende partij dat gedeelte nogal gemakkelijk kon naderen. De langste strijd, de ’Slag om ……….’ (het blijft spannend), een strijd om dit verdedigingswerk te bezitten om de aan- en afvoer van en naar de stad Groningen te beheersen, duurde vijf dagen, waarna de Spaansgezinden zich overgaven.   

foto: RK
foto: RK
foto: RK

Kijken we naar de laatste drie foto’s dan zien we respectievelijk een dijk, ijs en vis, wat mijns inziens staat voor een kustdorp, toerisme en visserij. Zoals al eerder opgemerkt waren de inwoners grotendeels afhankelijk van de visserij. De visserij ging jarenlang goed en de bloeiende handel en economie gaf een grote impuls aan het dorp. De vis, voornamelijk schelvis en sardien, werd over het Reitdiep verscheept naar Groningen om daar bij de Vishoek en de Vissersstraat te worden verkocht. Het dorp heeft zich op deze manier langzaam maar zeker ontwikkeld tot handels- en vissersplaats. De keerzijde was dat het er steeds voller werd met kleine simpele arbeiders- of vissershuisjes. `Omdat er toentertijd door de vestingwet niet buiten de vesting mocht worden gebouwd, moesten de huisjes tenslotte dus ‘schouder aan schouder’ staan. Als iemand ging trouwen werd er gewoon een stukje aan een ouderlijk huis bijgebouwd. Het dorp stond dan ook bekend om zijn nauwe straatjes. Ook vandaag de dag is het nog steeds een pittoresk dorp. 

Mocht je de naam van het dorp nog niet geraden hebben, dan volgt nu de ontknoping.

De eerste vermelding van ‘onze’ plaats komt uit een akte uit 1418. In deze akte wordt o.a. gesproken over de Redgerrechten (een Redger was een plaatselijke bestuurder, die optrad als plattelandsrechter en notaris) van ‘Waelkamaheert’ te ‘Soltcampum’. De betekenis van de naam heeft waarschijnlijk te maken met de buitendijkse winning van zout. ‘Solt’ betekent dan ‘zout’ en een ‘kamp’ is een omheind stuk land of veld. De zoutwinning zou hier gestopt zijn door de Tachtigjarige Oorlog. Later is de naam veranderd in het bekende Zoutkamp of Soltkamp zoals volgends haar inwoners de juiste uitspraak is. In 1877 werd het Reitdiep tussen Zoutkamp en de Nittershoek afgesloten met een Provinciale dijk met daarin de grote Provinciale sluis. De sluis kreeg de bijnaam ‘Poort tot Groningen’ of simpelweg Reitdiepsluis. De reden voor de afsluiting was het beter kunnen controleren van het water. Het Reitdiep was immers een uitloper van de Lauwerszee en liep tot in de binnenstad van Groningen. Bij storm en hoog water gaf dit dus een behoorlijk risico. Na de watersnood van 1953 werd besloten dat de hele kustlijn in Nederland moest worden aangepakt. Voor het Lauwerszeegebied zag Rijkswaterstaat twee opties: ophoging van de dijk of afsluiting van de zeearm. Tot grote teleurstelling van de vissers in Zoutkamp viel de keuze op de tweede optie. In 1969 werd de Lauwerszee afgesloten en ontstond het Lauwersmeer. Inwoners van Zoutkamp ervoeren dit als een regelrechte ramp, want met de afsluiting verdwenen niet alleen het eb en vloed, maar ook de vissersschepen en de bedrijvigheid uit het dorpsbeeld. Volgens bewoners was het dorp meteen na de afsluiting ‘zo dood als een pier’, ‘een verdrietig dorp in ruste’. Nu, zoveel jaren later, is Zoutkamp weer een levendig dorp. Hoewel de visafslag is verhuisd naar Lauwersoog, waar weer een vissersvloot van ruim 30 schepen, net zoveel als in 1969, ligt, staat op de zijkant van die schepen nog steeds fier ZK, zoals het dorp destijds heeft afgedwongen. In het dorp zelf hangen weer visjes (paling) te drogen, leggen schepen aan, stromen de terrassen zomers vol en flaneren toeristen langs de kade. De nu zo geroemde, populaire en vaak gefotografeerde gekleurde huisjes waren vroeger niet meer dan een paar verveloze loodsen waar weinig gebeurde. ‘Zonder mij was Zoutkamp dood geweest,’ zegt Van der Ploeg, eigenaar van garnalen- en schelpenhandel De Rousant én de man achter de gekleurde huisjes, dan ook. Zijn overgrootouders legden de basis voor het (bekende) garnalen verwerkingsbedrijf Heiploeg, waarna zijn opa en vader het bedrijf runden. Halverwege de jaren 90 verkocht hij zijn aandelen en begon met garnalen-en schelpenhandel De Rousant. Met De Rousant bracht Van der Ploeg de garnalenafslag en daarmee ook de schippers- en vissersboten terug in Zoutkamp. Grappig is zijn verhaal hoe het familie- bedrijf ooit ‘hofleverancier’ is geworden. Officieel is een hofleverancier een bedrijf dat of een persoon die producten of diensten levert aan een koninklijk of keizerlijk hof. In Nederland is het tegenwoordig een eretitel, waarbij het niet meer zo is dat de hofleverancier ook werkelijk goederen of diensten aan het hof levert. Zijn verhaal: ‘Toen koningin Juliana in 1950 in Hotel de Doelen in Groningen verbleef, wilde ze graag garnalen eten. Mijn opa kreeg een telefoontje met de bestelling. Diezelfde avond nog is mijn oma ze gaan pellen en bracht mijn opa ze met zijn T-Ford naar Groningen. Later ontvingen zij een telegram waarin de koningin hen bedankte en vertelde dat de garnalen zo lekker waren. Nou, ben je dan hofleverancier of niet?’

APPELHOF

Naar het schijnt werden er al appels gegeten in de steentijd (300.000 tot 2.000 jaar voor Christus). Dit weten we omdat er bij archeologische opgravingen in de gemeente Tiel (2017) gesneden en gedroogde wilde appels van zesduizend jaar oud werden gevonden. De appelbomen in onze tuin zijn weliswaar niet zo oud, maar er zitten misschien wel (oer)oude rassen tussen? Onze boomgaard wordt ook wel eens een appelhof genoemd, een naam die van oudsher werd gegeven aan ‘een hof of een huisweide met appel- en andere vruchtbomen, grenzend aan het erf van de boerderij of woning van notabelen als de dokter of de dominee. Het was een teken van rijkdom. Een letterlijk appeltje voor de dorst? 😉

Wist je trouwens dat er heel veel spreekwoorden en gezegdes bestaan met fruit in de hoofdrol? Neem alleen al de appel. Naast de meer algemene als ‘door de zure appel heen bijten’, ‘een schip met zure appelen’ en ‘appeltje-eitje’ zijn er ook anderen die ik nog niet eerder gehoord had. Wat denk je van: ‘als het appeltje rijp is, valt het vanzelf’ (wees geduldig), ‘dat is geen appelgebak’ (dat is niet niks), ‘dat zijn appelkoekjes’ (dat is flauwekul) of ‘dat zijn appels op gouden benen’ (dat is zeer zeldzaam)? Helemaal apart vind ik ‘als de appel rijp is, valt hij, ook al is het in een moddersloot’ wat betekent dat wie te snel trouwt om maar een man of vrouw te hebben, vaak bedrogen uitkomt. Bijzonder hoor!

Via via komen we in contact met een pomoloog. Pomologie komt van het Latijnse ponum wat boomvrucht betekent of mogelijk van Pomona, de godin van de boomvruchten. Het is de leer van het fruit en de fruitsoorten en wordt ook wel ooftkunde genoemd. Onze pomoloog is nog in opleiding en bruist van enthousiasme. Ze loopt heen en weer langs onze appelbomen, keurt, snuift, observeert, maar is toch niet helemaal zeker van zichzelf. Ze besluit van elke appelboom een vrucht mee te nemen om zich, de volgende dag, met haar collega’s over het probleem van de juiste soortnaam te buigen. Om het zichzelf gemakkelijker te maken maakt ze een snelle schets van onze bomen en voorziet ze de bijbehorende appels van een stickertje, zodat ze straks precies weet welke appel bij welke boom hoort, want ze wil ons straks geen appelen voor citroenen verkopen.

Wanneer ze even later op haar gemak bij ons in de keuken zit, wil ze ons graag van alles en nog wat over ‘haar appels’ vertellen. Ze begint vol verve dat iedereen in zijn of haar tuin, hoe klein dan ook, wel een plekje kan vinden voor een appelboom, want zeg nu zelf, een boom vol appels geeft je immers een rijk gevoel? Natuurlijk heeft niet iedereen een grote tuin, maar mocht dat wel het geval zijn……ga dan voor een heuse boomgaard waarin appelbomen natuurlijk niet mogen ontbreken! Ik lees later dat in een eigen boomgaard naast de appelboom, eveneens een peer, een kers, een pruim, een kweepeer, een abrikoos en/of een walnoot horen. Wij scoren maar liefst 5 van de 6 of 7. Niet gek. Onze dame laat het andere fruit uiteraard links liggen, ze is tenslotte slechts deskundig op haar eigen terrein, dat van de ‘malus domestica’. Ze weet ons verder nog te vertellen dat appels oorspronkelijk uit centraal Azië komen, vervolgens via handelsroutes naar het vroegere Perzië gebracht werden, via de oude Grieken in Italië belandden en tenslotte door de Romeinen meegebracht werden naar onze gebieden. Met recht een wereldreis. Haar verhaal loopt/staat als gouden appels op zilveren schalen; het wordt gebracht met overtuiging en mooie woorden. Ze vertrekt met de belofte ons op de hoogte te houden.

appels

Enige tijd later ontvangen we een email met een ingevulde schets van onze boomgaard. We lezen namen als ‘Bramleys Seedling’, ‘Schone van Boskoop’, ‘Notaris’, ‘Casseler Reinette’ (zowel groot als klein) en ‘Jonagold’. De andere appelbomen zijn gelaten voor wat ze zijn, maar dit is absoluut een eerste stap. Behalve de laatste zijn de namen voor mij onbekend. Tijd voor verdieping.

Bramley's_Seedling_Apples.jpgBramley’s Seedling (foto; internet)

Bramley’s Seedling staat bekend als de groene (moes)appel met de rode blos. Deze appel is groot tot zeer groot, onregelmatig van vorm, zeer geschikt voor taarten en desserts en een schaarse appelsoort in Nederland. De eerste Bramley’s Seedling groeide uit een pit die in 1809 door een jong Engels meisje in haar tuin was geplant. Deze ‘heerlijke appel’ werd daarna aan een kweker verkocht, meneer Bramley, die hem op zijn beurt over de hele wereld verspreid heeft. Oud ras nummer 1. Leuk!

malus-domestica-schone-van-boskoop-oogst.jpgGoudrenet (foto; internet)

De ‘Schone van Boskoop’ is een oud Nederlands ras (1835), maar is in de volksmond beter bekend als de Goudrenet. Dat is een verrassing, want deze soort is mij natuurlijk wel bekend. De appels zijn dofgeel tot lichtrood met een verfrissend zurige smaak. Deze appel is prima geschikt als handappel, maar kan ook goed verwerkt worden in warme gerechten. Volgens de beschrijving komt de goudrenet echt perfect tot zijn recht in een appeltaart. Top!

Malus-Natarisapfel.jpgNotarisappel (foto; internet)

De Notarisappel of ‘Notaris’, in 1890 gekweekt door notaris van den Ham in Lunteren, is misschien de bekendste appel van ons land. De notaris (de man) hield zich bezig met het ontwikkelen van o.a nieuwe appelrassen uit zaailingen, waarbij dit ras waarschijnlijk een zaailing van de ‘Princesse Noble’ is, die veel overeenkomsten heeft. Toch is deze (oude) appel sinds de jaren ’60 steeds onbekender geworden. Jammer, want het is een lekkere appel die op vele manieren geconsumeerd kan worden. Ondertussen hebben we daarmee al drie oude rassen in onze tuin. Dat belooft wat.

De Jonagold is echter geen oud ras. Hij is ontstaan door een kruising van de ‘Golden Delicous’ en de ‘Jonathan’ in de VS en is eind jaren 60 in Europa geïntroduceerd. Met z’n sappige vruchtvlees en zeer goede smaak is dit alweer een veelzijdig exemplaar.

Volgens het lijstje blijven de kleine en grote ‘Casseler Renette’ nog over. Renet, renette of reinet(te), je raakt ervan in de war. De namen van rassen mochten voor 1951 vertaald worden in de eigen taal, maar sindsdien geldt dat de oorspronkelijke naam gebruikt moet worden. Dat betekent dat je bij Franse rassen ‘Reinette’ gebruikt, bij oude Duitse rassen ‘Renette’ en bij Nederlandse rassen ‘Renet’. Nu dit duidelijk is, is ook duidelijk dat de Kasseler Renette een met de Goudrenet vergelijkbaar ras is. De Nederlandse Goudrenet is waarschijnlijk een afstammeling van de van oorsprong Duitse appel.

DSC_3949.jpgOogstappel (foto: internet)

Nu hebben we naast al deze bovenstaande varianten ook nog een jong appelboompje met erg vroege appels in de boomgaard staan. Zouden wij zelf kunnen determineren welke appelsoort het hier betreft? Omdat de schil heel licht groen is en bijna doorzichtig, komen we uit bij de ‘Transparente Blanche’. Ook wel bekend onder de naam ‘oogstappel’, omdat de appel rijp is in de oogstmaand juli. Zo van de boom smaakt hij friszuur en sappig. Hij is echter maar een week of vier houdbaar, maar door de appels alleen te plukken als je er zin in hebt, kun je er toch lang van genieten. Dit is echt een aanwinst in het geheel. We zijn hiermee zeker een heel stuk wijzer geworden. Zullen we op de open plek in ons appelhof nog een oud Gronings appelras neerzetten? Appelrassen met namen als ‘Zoete kroon, ‘Sterappel’, ‘Dubbele Bellefleur’ en ‘Groninger Kroon’ spreken toch tot de verbeelding?

De appel zelf heeft trouwens voor diverse mensen een verschillende betekenis; dit kan of een letterlijke, een zedelijke (deugdelijke) of een mythische betekenis zijn. Het volgende verhaal/sprookje van de auteur Werner Bergengruen (1892-1964) getuigt hiervan: ‘Boven een muur was een tak van een appelboom te zien waaraan één enkele appel hing. Deze appel had een bijzonder mooie kleur en een volkomen ronde vorm. Drie mensen liepen langs deze muur, keken omhoog en zagen de appel. De eerste dacht: ‘Dit is een heerlijke vrucht. Zijn geur is zoet en zijn vruchtvlees is zeker wit en stevig. De hand die deze appel zal plukken en de tong die hem zal proeven, mag zich gelukkig prijzen.’ De tweede dacht: ‘Er was veel nodig om deze vrucht te laten worden tot wat hij is: de wilde oerboom, een edele loot om te enten, de ervaring van vele menselijke generaties, zon, regen en vooral geduld.’ De derde passant dacht: ‘Deze appel is zo rond als een wereldbol en net zo rijk gekleurd. Hij omsluit alle rijken en hun heerlijkheid. Onze voorouders hebben ervan gegeten. Wie ertoe aangewezen is, zal de rijksappel wegen zoals het kind van de Maagd naar de appel in de hand van zijn moeder greep en hem speels in zijn handpalm woog, want zo hebben de grote meesters het geschilderd.’ Zo zie je maar weer…..er is meer te vertellen over een appel of een appelras dan je op het eerste gezicht zou denken.

SKEEP en LANTSKAP (Texel)

Met de gedachte: ‘we weten niet precies waar we naar toe gaan, maar we zijn onderweg’ rijden we naar Texel om een weekje heerlijk te relaxen, bij te praten, buiten te zijn en te genieten van elkaar. We hebben er zin in! Eigenlijk kennen we Texel niet echt goed en we zijn dan ook nieuwsgierig naar wat dit grootste waddeneiland ons te bieden heeft.

Riepko.Krijthe1-12.jpgEr is veel te zien (foto: RK)

Wist je trouwens dat onze waddeneilanden ongeveer 8000 jaar geleden zijn ontstaan? Door het smelten van de ijskappen in het noorden van Nederland steeg de zeespiegel van de Noordzee waardoor grote hoeveelheden zand naar de kust verplaatst werden. Deze zandplaten kwamen bij eb droog te staan en stroomden onder bij vloed. De geulen ertussen sleten op den duur zover uit dat er uiteindelijk zandplaten ontstonden die ook bij vloed droog bleven. Texel is echter een verhaal apart, want dit eiland ontstond toen het tijdens de Allerheiligenvloed van 1170 gescheiden werd van het vasteland. Noord Holland veranderde ingrijpend door deze enorme overstroming, waarbij duizenden mensen omkwamen. Texel bestond vroeger uit twee eilanden; het zuidelijke Texel en het noordelijke Eierland. Grappig om te horen hoe dat laatste eiland aan haar naam gekomen is. De Texelse boerenkeuken was vroeger praktisch hetzelfde als elders in Nederland, maar de Texelaars waren erg bedreven in het ‘droele’, dialect voor vogels vangen. Mensen van de Overkant (het vasteland) ontdekten al vroeg de waarde van de Texelse eieren. Bakkers uit Amsterdam gebruikten voor hun koeken zelfs eieren ‘die in de noordelijkste duinen verzameld werden’, uit Eierland dus. In 1630 werden de twee eilanden met elkaar verbonden door middel van een zanddijk en kreeg Texel haar huidige vorm.

2da7c1fc-d2e1-4438-a399-41e7b06087b5De Slufter (foto: IK)

Een bijzonder natuurgebied, De Slufter, is ontstaan na de aanleg van die zanddijk tussen beide voormalige eilanden en de daaropvolgende verschillende mislukte pogingen om westelijk hiervan de duinenrij te sluiten. Het Sluftergebied is een uniek natuurgebied dat bestaat uit een krekenstelsel, in open verbinding met de Noordzee, wat soms na een storm onder water staat. Daardoor is slibvorming en verzilting ontstaan en moest de vegetatie zich aanpassen. Zo vind je er nu zout-tolerante planten als b.v. zeekraal en lamsoor, waarvan de bloemen in de zomer het hele gebied paars kleuren. Wij zijn hiervoor niet in het juiste jaargetijde, maar een wandeling door zo’n gebied is toch altijd de moeite waard?

Riepko.Krijthe1-9.jpgTexelaars (foto: RK)

Texel is natuurlijk vooral bekend om haar schapen. Op Texel leven zelfs net zoveel schapen als inwoners! Van beide leven er een kleine 14.000 op het eiland, maar elk voorjaar komen daar vele duizenden lammetjes bij. In Nederland wordt het schapenras van Texel ‘Texelaar’ genoemd, in het buitenland zeggen ze Texelsheep of gewoon Texel. Een Texelaar staat bekend als een schaap met een sprekende kop en een middelgroot ruim gebouwd lijf. Naast de witte texelaar zien we ook een ‘blauwe’ variant. Meer grijs/bruin dan echt blauw, maar als onderscheid zeker opvallend. De Haagse schilder Pieter van Cuyck (1720-1787) kwam veelvuldig op Texel en schreef gedurende zijn leven een boek over zijn verblijf op Texel waarin hij zich o.a. zeer enthousiast over zijn culinaire ontdekkingen. Zo schrijft hij over de bereiding van de in die tijd zeer beroemde schapenkaas: ‘de boerin schept de room, welke zeer vet is, van de melk en legt een doekje, met versche schaapenkeutels  gevult, in die room te weeken; daar na wringt zy het doekje uit; en dat uitgewrongen vogt geeft aan de kaas haare scherpte en kleur.’ Onnodig om te constateren dat de keuringsdienst van waren hier uiteindelijk een einde aan heeft gemaakt? Om de verschillende kazen van nu goed te proeven en te vergelijken is kaasboerderij Wezenspyk de aangewezen plek. Niet alleen wordt hier al 35 jaar op ambachtelijke wijze kaas gemaakt, volgens de eigenaar heeft de kaas hier ook een eigen smaak. Dit komt omdat de zoute wind het gras, dat de dieren eten, droger en zouter maakt wat je weer kunt proeven in de melk en daardoor ook in de kaas. Zijn kazen vallen geregeld in de prijzen; zijn ‘Orekéés’, een oude schapenkaas met lamsoor, kreeg in 2014 het predicaat Super Gold bij de World Cheese Awards in Londen. Lekker hoor!

_DSF4804-bewerkt.JPGTuunwal (foto: IK)

Voor 1560 werd op Texel ‘overal weide’ toegepast. Negen maanden van het jaar kon elke Texelaar (in dit geval de mens) vee beweiden op het hele eiland, maar vanaf circa 1640 mocht dit alleen nog maar op gemeentegrond. Vanaf die tijd zijn daarom perceel afscheidingen ontstaan in de vorm van een zogenaamde ‘tuunwal’ omdat het vanwege het duingebied en het gebrek aan hout niet mogelijk om sloten te graven of rasters te zetten. Een typische tuunwal is ongeveer 1 meter hoog, en 1 meter breed en wordt gemaakt van ter plekke afgestoken plaggen, die op een speciale manier gestapeld worden. Vervolgens worden deze zoden verder opgevuld met zand. Bij oude tuinwallen gemaakt van grasplaggen die niet bemest zijn, vind je een speciale vegetatie. De schapen begrazen de wal, waardoor de grond verschraalt en de stikstof uitspoelt met als gevolg dat er planten groeien als Engels gras, grasklokje, muizenoor, geel walstro, zandblauwtje, zandhoornbloem en fijne kervel (dit voor de kenners). Zes plantensoorten, die op de lijst van bedreigde soorten staan, zijn aangetroffen op deze Texelse tuinwallen. Wanneer je je dan bedenkt dat er op Texel ooit meer dan 350 kilometer tuunwal heeft gestaan, dan besef je je ook dat je de laatste stukjes echt moet koesteren. Wij zien onderweg prachtige voorbeelden met nog volop bloeiende bloemen, waarin ik vooral de klaproos en de kamille herken. Mijn botanische kennis laat behoorlijk te wensen over.

_DSF4784-bewerkt.JPGKarakteristiek (foto: IK)

Iedereen die op Texel is geweest, herkent natuurlijk de schapenboet. Van oudsher werd de schapenboet gebruikt als opslagplaats voor hooi en gereedschap. Opvallend is dat de platte kant (ingang) altijd naar het noordoosten gericht is om de boeren tijdens het werk te beschermen tegen de wind, die vooral uit het zuidwesten waait. Door schaalvergroting en afname van het aantal schapenhouders wordt de schapenboet tegenwoordig weinig meer gebruikt, waardoor steeds meer boeten vervallen. Jammer, want ze zijn wel zeer karakteristiek in het landschap. Op onze route ten oosten van Den Hoorn zien we er vele.

Riepko.Krijthe1-8.jpgIn de Prins Hendrikpolder (foto: RK)

We lopen, langs de rand van de Prins Hendrikpolder (in 1849 ingepolderd), over oude dijken en zien de restanten van oude dijkdoorbraken. De kolken (of wielen) hier zijn  stille getuigen van deze vroegere doorbraken. Bij een dijkdoorbraak wordt het gat zo diep uitgeschuurd, dat herstel van de dijk op de oude plek meestal niet mogelijk is. De nieuwe dijk wordt daarom om het gat gelegd. Deze kolken of poelen deden in het verleden in de eerste plaats dienst als drinkplaats voor vee, maar door ruilverkaveling en verandering van grondgebruik (akkerbouw ipv schapenhouderij) is het aantal kolken in 50 jaar teruggelopen van ongeveer 1000 tot 250.

Riepko.Krijthe1-7 11.54.26.jpgOver dijken (foto: RK)

Op onze ontdekkingstochten horen en zien we dat Texel in WOII een belangrijke rol in de kustverdediging (Atlantikwall) van Nederland heeft gespeeld. Aan de Texelse kustlijn zijn indertijd grote bunkers en kustbatterijen gebouwd om de vijand te bestrijden. Het betonnen gebouw vlakbij Den Burg is in 2018 vrijgemaakt nadat het zeventig jaar onder de grond had gelegen. Dit was ooit het hoofdkwartier van de landtroepen met verderop de communicatiebunker; de verbinding tussen de vaste wal en de rest van het eiland. Wat ik eigenlijk niet wist is dat de WOII langer doorging op Texel dan in de rest van Nederland. Tussen 5 april en 20 mei 1945 woedde hier een laatste bloedige slag tussen de Duitse bezetters en Georgische soldaten, toen de Georgiërs, die meevochten aan de Duitse kant, in opstand kwamen. 

Riepko.Krijthe1-4Yeaaaahhhh (foto: RK)

Gezelligheid kent geen tijd is deze week zeker van toepassing. Voordat we het weten is onze vakantie voorbij en genieten we van een laatste ‘skuumkoppe’, want zoals ze het zelf zo mooi verwoorden: ‘Texel is schuimkoppen op de golven, de frisse wind in je haar…….en bier.’ Of was het kaas…… of schapen ……of het landschap? Ontdek het zelf!