BEREND BOTJE (Drenthepad)

Drenthepad: kaarten 30 & 31

Soms hoor je een naam en dan weet je onmiddellijk waarover of zoals in dit geval over welke plaats het gaat. ‘It’s all in the name.’ Vandaag speelt Zuidlaren dus de hoofdrol in ons wandelavontuur. We starten in Midlaren en lopen, met een kanaal links van ons, eigenlijk bijna meteen door een weiland richting het Zuidlaardermeer, het grootste meer in Drenthe met een oppervlakte van maar liefst 671 ha. Het is stil om ons heen op het zoemen van een paar insecten en een het getjilp van een enkele vogel na. 

Ook aan de insecten wordt gedacht

Het meer is, in tegenstelling tot het Paterswoldsemeer en het Leekstermeer, niet ontstaan door menselijke activiteit (het graven van turf), maar heeft een natuurlijke oorsprong. In de Middeleeuwen was hier, door een directe verbinding met de zee, bij stormvloed veel wateroverlast en kon hier geen veen gevormd worden. Het meer lag wel op de route van de turfvaart van de Oostermoerse venen (ten oosten van de Hondsrug) naar de stad Groningen en moest door de zogenaamde ‘schuitenschuivers’ regelmatig worden uitgediept, met name waar de Hunze in het meer uitmondt. 

Uitgestrektheid
De fotograaf in actie

Wij weten op het moment van lopen nog niets van deze wetenswaardigheden en genieten vooral van de uitgestrektheid van het water om ons heen. In de verte is een zeilschool druk met het geven van een praktijkles en iets dichterbij vaart een zeilbootje met mooie bruine zeilen rustig heen en weer. Het is dat we nog maar net op stap zijn, dit zou een fantastische koffiestop kunnen zijn!

We laten het meer achter ons liggen en stappen rustig verder naar De Groeve, de naam van de vaarverbinding van het meer met het dorp Zuidlaren evenals het woongebied eromheen. Kennelijk is dit stukje een geliefd ommetje voor de lokale bevolking, we zien in korte tijd zoveel wandelaars voorbij komen dat het opvalt. Langs Molen de Wachter lopen we het haventje van het dorp binnen. Hier vele kleine sloepjes en motorbootjes met inspirerende namen als ‘dolfijn’ en ‘dobbertie’. De molen werd hier in 1851 gebouwd. Niet helemaal gebruikelijk voor die tijd werd deze ingezet als oliemolen. Dit had alles te maken met de belasting, die was voor olie veel lager dan voor koren. Na verloop van tijd werd toch de mogelijkheid om koren te malen toegevoegd en voor een Groningse firma werd later nog een specerijenmalerij gecreëerd. Deze molen is nu de enige molen in Nederland die deze drie verschillende malerijen heeft. Alleen dat al maakt de molen zo bijzonder. Naast een molenmuseum is De Wachter ook vooral een ambachtenmuseum. Bijna 200 vrijwilligers houden verschillende ambachten in leven. Je kunt hier b.v. kijken naar het werk van een smid, een bakker en een kruidenier. Veel van deze vrijwilligers, waaronder ook zij die de stoommachines draaiende houden, hebben in het verleden daadwerkelijk dat ambacht uitgevoerd, waardoor de traditie in leven wordt gehouden. De geur van olie en diesel walmt uit de geopende deuren naar buiten en er klinkt gelach boven het lawaai van de draaiende machines uit. We bedwingen onze nieuwsgierigheid echter en bedenken dat we dit museum misschien beter op een ander moment kunnen bezoeken…….zeker nu we misschien een extra stukje van ons pad in onze gedachten hebben voor vandaag. 

Straaltje zonlicht door de bomen (RK)

We lopen door een stukje prachtig bos van havezate (burcht) Laarwoud. Het tegenwoordige gebouw, we zien er slechts een glimp van, dateert uit het begin van de zeventiende eeuw, maar de oorspronkelijke havezate is waarschijnlijk ouder. De bewoners van huizen als deze hadden een hogere status dan andere dorpsbewoners. Ze hadden bijvoorbeeld een eigen bank in de dorpskerk en mensen namen altijd hun hoed of pet af wanneer ze de bewoners tegenkwamen. Sinds 2004 wordt het huis weer particulier bewoond, voordien was het de lokatie van het gemeentehuis van Zuidlaren. Desondanks blijft Laarwoud wel haar functie behouden als trouwlocatie (één vleugel en tuin). Ook het achter de havezate liggende bos werd aan de nieuwe eigenaar verkocht. Drenthepad-ters mogen hier, net als andere wandelaars, gelukkig nog steeds gewoon doorheen lopen om hun weg (proberen) te vervolgen. Proberen, want de herkenningstekens zijn hier sterk verouderd en afgesleten, waardoor we het bos goed bewonderd hebben op zoek naar het juiste pad.

Zoveel keuzes (RK)

Eenmaal weer op de goede weg komen we uit op één van de zeven brinken van Zuidlaren. Vroeger kwamen hier koeien en schapen samen, nu zijn het open grasvelden met eiken en populieren eromheen. De grootste brink is een begrip, want al meer dan 800 jaar wordt hier de jaarlijkse paardenmarkt gehouden. Niet alleen voor de koukleumen een belangrijke dag (volgens een oud Drents gebruik mocht de kachel pas aan op de dag van de Zuidlaardermarkt, d.w.z. op de derde dinsdag in oktober), maar zeker ook voor de paardenhandelaars en de feestvierders. Ter gelegenheid van de 800e markt werd in 2000 door (toen nog) prins Willem Alexander een beeldengroep onthuld, waarmee op realistische wijze de paardenhandel wordt uitgebeeld. Het paard dat model heeft gestaan voor dit beeld heette Tinus. Leuk om te weten, een naam geeft het beeld iets eigens. De naam Tinus betekent trouwens ‘oorlog’, laten we hopen dat die betekenis niet symbool staat voor de jaarlijkse handel alhier. 

Tinus wordt verkocht

Zeg je Zuidlaren, dan zeg je (ook) Dennenoord. Het kan dus niet missen, onze wandeling wordt vervolgd over het terrein van de psychiatrische inrichting. Vroeger moesten ‘krankzinnigen’ (zoals psychiatrische patiënten toen genoemd werden) vanuit het noorden helemaal naar Zutphen of Deventer, maar vanaf 1884 konden ze in Zuidlaren, in Dennenoord, terecht. Dennenoord moest een echt dorp worden waar patiënten zich thuis voelden. In de gebouwen woonden de patiënten samen als een soort gezin, met een huisvader en een huismoeder die ervoor zorgden dat alles goed ging. Patiënten konden in de tuin of in de werkplaatsen aan het werk, hetgeen gezond was volgens de dokters, en niemand hoefde en mocht dan ook niet van het terrein af om eten te kopen of de was te doen. Dennenoord was daardoor inderdaad een echt dorp geworden, maar wel een dorp met een toegangspoort en een hoog hek erom. Tegenwoordig worden hier nog steeds psychiatrische patiënten verzorgd, het meteen in het oog springende verschil is dat de hekken nu wagenwijd openstaan.

Tekst op het hoofdgebouw uit 1895

We wandelen rustig door de mooi aangelegde tuinen met slingerpaden, langs het hoofdgebouw en lunchen op een bankje bij het hertenkamp. Het blijft een bijzondere omgeving waarin veel mensen zich anders gedragen dan we gewend zijn. Heel vriendelijk, maar vaak zonder de gene en remmingen die wij in ons dagelijks leven wel ervaren.

Onder de weg door naar Schipborg

Ondertussen heb ik wat last van mijn knie, ik heb me waarschijnlijk ergens verstapt. Het is niet erg, wel vervelend. Het stuk naar Schipborg wil ik toch afmaken vandaag, maar het plan om er nog een stukje aan te plakken laten we varen. We lopen onder de weg door naar Schipborg om meteen na het viaduct naar rechts af te slaan. Schipborg, een klein dorpje vlakbij Zuidlaren, was voor 1600 bekend onder de naam Borck, hetgeen verwarring met het latere Westerbork opleverde. Vanaf 1600 heette de plaats een tijdlang Genneborck (genne = gindse), maar vanaf de 17e eeuw is de naam Schipbork of Schipborg in omloop. Borg of bork betekent boom, misschien een berk? De reden van het toevoegen van het voorvoegsel ‘schip’ is waarschijnlijk omdat het dorp, in tegenstelling tot Westerbork, bereikbaar was per schip. Er zijn ook mensen die schip zien als een meervoud van het Friese skêp ‘schaap’, maar dat lijkt onwaarschijnlijk aangezien het dorp niet in Friesland ligt. Toch nog onverwachts doemt het terras van herberg de Drentsche Aa op aan de horizon en even later laat ik me voldaan zakken in een heerlijke stoel met zicht op de rivier (beek) die dit landschap bepaalt.

Lodewijk Sigismund Gustaaf, Graaf van Heiden tot Laarwoud?

Ondertussen laat Berend Botje me nog niet los. Zullen we nog even door het centrum van Zuidlaren fietsen om meer te weten te komen over dit 19e eeuwse kinderliedje, want wie is nu toch Berend Botje? Er doen veel verhalen over hem de ronde. Sommige mensen beweren dat Berend Botje een boer uit Borger was. Hij voer over de Hunze naar de Zuidlaardermarkt, alwaar hij een vrouw (?) wilde kopen. Dat viel tegen, geen enkele vrouw wilde met hem mee. Hij ging daarop naar de kroeg om flink bier te drinken en werd zo dronken dat hij op weg naar huis in de Hunze viel en verdronk. Misschien is hij toen toch niet verdronken, maar stiekem naar Amerika vertrokken? Anderen geloven dat Berend Botje een visser was die op het wad bot (vis) wilde vangen en daarbij verdronk, waarop ‘zijn botten bij de botjes’ kwamen te liggen. Een enkeling bedacht dat Berend Botje mogelijk een bijnaam zou kunnen zijn voor Bommen Berend, de bisschop die in 1672 de stad Groningen met bommen bestookte. De meeste mensen geloven echter dat dit liedje gaat over Lodewijk Sigismund Gustaaf, Graaf van Heiden tot Laarwoud (1773-1850). Lodewijk werd geboren in Zuidlaren, reisde naar Amerika en later naar Rusland, waar hij in 1827 een belangrijke zeeslag won als baas van de Russische vloot. In 1832 keerde hij als held terug naar Zuidlaren, maar hij had het er niet meer naar zijn zin. Hij vertrok daarom naar Estland waar hij uiteindelijk ook is gestorven. ‘Nooit keert Berend Botje weerom.’ Klinkt logisch toch? 

Wat is de juiste weg????

DE LAATSTE BEEK (Drenthepad)

Drenthepad: kaarten 28 & 29

De vorige keer zijn we wat verder doorgelopen, wat het volgens ons gemakkelijker moest maken voor het traject van vandaag. Helaas zorgt het juist meer voor verwarring, want van welke kant je ook komt, overal zie je de bekende geel/rode strepen en alles in de omgeving lijkt (al) bekend. Even logisch nadenken leidt tenslotte wel tot de goede afslag en de juiste route door een laatste staartje van het landgoed Vosbergen. We lopen dit keer zo’n twaalf km., de afstand van Vosbergen naar Midlaren, alwaar we deze keer naast onze fietsen proberen uit te komen.

Mooie spiegelingen

Ondertussen hebben we de Drents-Groninger Wolden achter ons gelaten en zijn we beland in ‘het unieke beeklandschap van de Drentsche Aa’, waar de stroompjes en diepjes van de Drentsche Aa door een landschap slingeren dat er nog altijd uitziet zoals een eeuw geleden. Er wordt zelfs gezegd dat de Drentsche Aa de laatste beek in Nederland is die al eeuwen vrij door het landschap meandert, maar……. de Drentsche Aa bestaat eigenlijk helemaal niet. Nou ja, een klein stukje in de provincie Groningen heet daadwerkelijk Drentsche Aa, maar in Drenthe heeft de beek de naam van het dichtstbijzijnde dorp of veld waar hij langskomt. Bovendien noemen ze in Drenthe een beek geen beek, maar een loop, diep, stroom of Aa, wat, mijns inziens, toch voor een beetje verwarring zorgt. Zeker als je je bedenkt dat het stroomdal van de Drentsche Aa gezien wordt als Drenthe op haar best!

Kaart Drentsche Aa (bron: internet)

Het hele stroomdal van de Drentsche Aa is grotendeels gevormd door smeltijs aan het eind van de voorlaatste ijstijd, zo’n 200.000 tot 130.000 jaar geleden. Grote gletsjers schoven vanuit Scandinavië over het noorden van Nederland en veranderden het landschap. Wat achter bleef was een groot plateau van keileem doorsneden door metersdiepe geulen vol smeltwater, waaronder de tegenwoordige Drentsche Aa. De Drentsche Aa heeft dus talloze zijtakken en vele namen. Grappig om te weten is dat het Hoornse Diep, dat langs het Paterswoldsemeer loopt, een restant van de beek is en dat in de stad Groningen straatnamen als Hoge der A, Lage der Aa, de A-Straat en de A-Weg, evenals de namen van de A-brug en de Der Aa-Kerk nog aan de beek herinneren.

Dit hele gebied is zo’n 30.000 ha groot, heeft binnen haar grenzen 21 dorpen en gehuchten en bestaat voor meer dan de helft uit landbouwgrond. Hierdoor was een nationaal park in traditionele zin, voornamelijk natuurgebied, geen optie. Zo ontstond een bijzonder nationaal park dat haar eigen sfeer en identiteit heeft kunnen behouden.

Wie kent dit nog?

We steken het Noord Willemskanaal over en vlak daarna de A28, de snelweg van Groningen richting Zwolle, in de buurt van Glimmermade. Even verderop passeren we de oprijlaan van het ‘Huis te Glimmen’. In de middeleeuwen is er al sprake van een kasteel in Glimmen dat in 1226 werd verwoest. Later werd hier een buitenhuis gebouwd. Delen van het huidige pand zouden uit de 16e eeuw stammen en op nog oudere fundamenten zijn gebouwd. In de loop der eeuwen is het huis door verschillende families bewoond geweest, meestal welgestelde burgers uit de stad Groningen die in de zomer graag hun tijd wilden doorbrengen in de mooie omgeving van Glimmen. Aan het eind van de 19e eeuw was het landgoed in bezit van de familie Quintus naar wie het Quintusbos, een parkbos met boomsingels en een lange oprijlaan, is genoemd. Huis te Glimmen is het enige landgoed, binnen het Nationaal Landschap, aan de oostzijde van de Drentsche Aa.

Verrassend kunstwerk onderweg

Onderweg zien we veel bloeiende bermen. Vooral veel fluitekruid, een enkele berenklauw en heel veel bramen. Hoewel we die laatste plant in onze eigen tuin een ware ramp vinden, zien we hier mogelijkheden voor eind augustus, wanneer de eerste bramen vol en zwart zijn. Eind augustus zijn we toch nog wel bezig met ons pad? Verder zien we ook veel springbalsemien. Die plant roept bij mij herinneringen op aan biologielessen op de middelbare school. Ik moest me verdiepen in de balsemien, de plant ontleden en elke stap in een gedetailleerde tekening vastleggen. Helaas zijn die kunstwerken niet bewaard gebleven…… De reuzenbalsemien of springbalsemien is een eenjarige plant die tot 2.5 meter hoog kan worden. Doordat de balsemien zo hoog wordt en andere planten verdrukt, wordt het beschouwd als een invasieve plant. De verspreiding van de zaden gebeurt op een bijzondere wijze. Als je de rijpe vrucht aanraakt ‘schieten‘ er zaden uit de zaaddoos. In het najaar is elke aanraking voldoende om de zaden alle kanten op te laten ‘vliegen’. Daar waar natuurbeheerders dus niet zo blij zijn met deze plant, zijn imkers er juist heel tevreden mee, want bij de balsemien is de nectar afgifte altijd raak.  

De springbalsemien trekt aandacht (RK)

Een andere plant die veelvuldig voorkomt langs ons wandelpad, kan schadelijk zijn voor de gezondheid……. het RIVM adviseert consumenten zelfs om kruidenpreparaten met sint-janskruid (daar gaat het in dit geval om) niet te combineren met bepaalde geneesmiddelen. Maar ook zonder geneesmiddelen is dit kruid niet ‘ongevaarlijk’. Zo kan de huid verbranden van mensen die na het gebruik van sint-janskruid in de zon gaan zitten of kunnen na inname klachten als duizeligheid, diarree en angst optreden. Waarom zou je zulke preparaten dan toch gebruiken? Om beter te slapen of om je minder somber te voelen bij depressieve klachten. Misschien toch iets anders verzinnen? 

Sint-Janskruid
Deels samen met het Pieterpad

We lopen inmiddels op de Pollselaan en zijn onderweg naar het Noordlaarderbos. Het Noordlaarderbos (Groningen) en de Vijftig Bunder (Drenthe) is een eeuwenoud gebied met een rijke historie. Ik lees dat ‘het Noordlaarderbos voelt als een sprookjesbos, waar de Middeleeuwse karrensporen herinneren aan de handelsroute tussen Coevorden en Groningen die hier ooit liep. De sporen lopen langs grafheuvels en het Galgenbergje, de plek waar vroeger mensen aan de galg bungelden. Je zou willen dat dit bos kon praten en zo haar verhalen kon vertellen.’ Wij zien weinig van dit sprookje. Onze tekentjes leiden ons vooral over grote zandpaden met slechts een enkele uitstapje naar ‘het magische binnen’. Desondanks genieten we volop van de stilte, de natuur en elkaar. We zijn nog niet klaar met deze ‘laatste beek’ en verheugen ons nu alweer op de verrassingen van morgen.

‘VEUR DE RIEK’N’ (Drenthepad)

Drenthepad: kaarten 26 & 27

Het zuiden van Nederland is inmiddels tot rampgebied uitgeroepen vanwege de enorme regenval en de gevolgen daarvan. Een lokale (Limburgse krant) zal later vandaag melden: ‘Zware regenval zorgde donderdag voor gigantische problemen in Zuid-Limburg. Donderdagavond hielden de buien na drie dagen eindelijk op, maar de overlast is nog steeds niet voorbij. Nu het Maaswater snel stijgt zetten steden en dorpen langs de rivier zich schrap.’ Het beschrijft een ongekende situatie die door de heftige beelden krachtig wordt onderschreven. Hoe anders is het in het noorden. Vandaag is het hier weliswaar iets minder droog en zonnig dan gisteren, maar voor ons is het toch uitstekend weer voor een vervolg stukje Drenthepad. We willen vandaag lopen van Eelderwolde naar landgoed De Braak en vervolgens door naar landgoed Vosbergen. Eelde-Paterswolde is ‘veur de riek’n’ zeiden ze vroeger al in Groningen. Geld dat in Groningen verdiend was, werd uitgegeven in Eelde en Paterswolde, waar in de 18e en 19e eeuw prachtige landgoederen en buitenverblijven werden gebouwd. We zijn benieuwd!

Zorg voor de huiszwaluwen

We hebben onze eerste stappen nog niet op het graspad langs het water gezet of de regen gaat over van een enkele drup naar een gestage miezer. We zien een een emmer aan een touw op de oever liggen met daarbij de vraag of de voorbijganger bij droogte de emmer wil vullen met water uit de sloot om de keileemplaatsen (kuilen in de grond) nat te houden. De huiszwaluwen in deze buurt hebben namelijk goede keileem nodig om hun nesten te bouwen. Gezien de plassen op ons pad is dit duidelijk niet nodig vandaag. Het geeft echter wel aan hoe er in dit gebied, we lopen nog steeds in De Onlanden, aandacht aan de natuur wordt geschonken. Ondertussen doet de regen er nog een schepje bovenop en voelt het inmiddels meer alsof we onder een grote douche staan.

De regen outfit

Oei, hier moet, willen we de inhoud van de rugzak een beetje drooghouden, die oranje regenbescherming echt aan te pas komen. Ik lees dat lopen in de regen zo zijn voordelen heeft. Als eerste loop je bij regenweer in veel gezondere lucht. Vervuilende stoffen als koolstofdioxide lossen makkelijker op in water dan in (droge) lucht. Bovendien stijgt na een regenbui de (partiële) luchtdruk, wat weer zorgt voor extra zuurstof voor je spieren. Goed om te weten ;). Het schijnt dat echter vooral het psychologische effect lopen in de regen zo gezond maakt. Lopen in de regen wordt als rustgevend ervaren door de stilte (er zijn weinig mensen buiten) en het bijna hypnotiserende geluid van vallende druppels op de regenkleding. Hmmm, misschien moeten we langer in de regen wandelen om dit hypnose effect te waarderen? Op dit moment vind ik het vooral lastig dat mijn capuchon me belemmerd in mijn vrije uitzicht op mijn omgeving en neem ik mijn natte haren en beslagen bril maar voor lief om te kunnen genieten van de kleuren om me heen. Want dat is waar, de natuur ziet er inderdaad anders uit in de regen, alles glinstert meer en alle kleuren zijn intenser.

Landgoed De Braak (RK)

Na een kleine omweg, vanwege werkzaamheden aan de weg, bereiken we landgoed De Braak. Dit landgoed is in 1825 aangelegd door de bekende tuinarchitect Lucas Pieter Roodbaard. Hij heeft als één van de eersten in het begin van de 19e eeuw in het noorden tal van parken en buitenplaatsen in Engelse landschapsstijl aangelegd. Volgens kenners zijn ‘Roodbaardtuinen te herkennen aan een romantische stijl met ronde vormen en slingerpaadjes wat destijds vernieuwend was, want hoekige vormen waren meer gewoon voor tuinontwerpen’. Landgoed De Braak is een historische buitenplaats, hetgeen betekent dat het hier gaat om een monumentaal huis dat een onlosmakelijk geheel vormt met het omliggende park. Het geheel bestond al rond 1700 en was toen eigendom van luitenant ter Voet van Schelfhorst en zijn vrouw Fraulein von Braake. Het kan zijn dat de naam van het landgoed hierdoor verklaard kan worden, maar het kan ook zijn dat De Braak is afgeleid van ‘broek’, wat laag drassig land betekent.

Nostalgie

Eind negentiende eeuw kwam het landgoed in bezit van de Groninger industrieel Jan Evert Scholten. Hij liet het landhuis afbreken en stelde het park open voor het publiek. Er moest destijds een toegangskaartje van 10 cent gekocht worden voor het landgoed. Daarvan ging 5 cent naar de armen in Paterswolde en 5 cent naar het ziekenhuis in Groningen.

Wandelen in de berceau (RK)

Het is werkelijk genieten in dit park met allerlei bijzondere verrassingen. We lopen langs een meanderende rivier, langs vijvers die een belangrijke kraamkamers zijn voor padden, langs kronkelende paadjes, langs een doolhof en door een zogenaamd berceau, een pad met een koepel van haagbeuken. Dit stamt nog uit de tijd dat het mode was om vooral geen kleurtje door de zon te krijgen: de dames konden in de berceau mooi in de schaduw wandelen.

Ondertussen is de regen gestopt en schijnt er een waterig zonnetje. Via een groot hek verlaten we dit landgoed om aan de andere kant van de weg een nieuw landgoed te betreden, landgoed Vennebroek. Vennebroek is een landgoed van 17 hectare ten noorden van Paterswolde, grenzend aan het landgoed Friesche Veen. Volgens de site kun je hier ‘eindeloos wandelen door een prachtig parkbos, langs weilanden en majestueuze beuken- en eikenlanen’. In 1912 werd het landgoed gekocht door de Groninger koopman Pieter Arnold Camphuis, die een paar jaar eerder het landgoed Friesche Veen met het zich daar bevindende meertje had verworven en sindsdien vormen Vennebroek en Friesche Veen een eenheid. Weet je trouwens dat de naam Friescheveen waarschijnlijk te maken heeft met het feit dat de arbeiders voor de veenontginningen destijds uit Friesland kwamen? Zij werden aangetrokken omdat de plaatselijke bevolking niet ‘becwaem’ genoeg gevonden werd.

Huize Weltevreden

Tussen 1909 en 1910 werd aan de westzijde van het gebied een huis gebouwd, dat Huize Weltevreden werd genoemd, maar later ook wel bekend stond als ‘het Zusterhuis’ omdat er verpleegsters gehuisvest werden. Vanaf het huis loopt een betonnen steiger het meer in, zodat zwemmers niet over de modderige oever hoeven te lopen.

Alert en afwachtend (RK)

Vlak voor het huis zien we opeens een hert, wat zich tegoed doet aan de verse, jonge bladeren vlak langs de oever van het meer. Muisstil staan we te kijken en te genieten van dit onverwachte spektakel. Als het hert ons eindelijk opmerkt (aan haar gehoor mankeert niets!) en uit ons zicht verdwijnt, lopen wij verder over een smal pad totdat we een bankje ontdekken met fantastisch uitzicht over het meer.

Uitzicht over het Friesche Veen

Ideaal voor een reflectie momentje en om even door te praten over ‘Het Blik’, dat we zojuist gepasseerd zijn. Ook weer zo’n verhaal waarbij je verwonderd vraagt naar het hoe en waarom. Om Thomas van Aquino, een Italiaanse filosoof en theoloog, te citeren: ‘verwondering is het verlangen naar kennis.’

Een blik op Het Blik

Het blijkt dat de oostoever van het meer tussen 1900 en 1907 werd gebruikt als vuilstort van de stad Groningen omdat de dijk verstevigd moest worden. De legakkers (smalle stroken land waarop de turf te drogen werd gezet) waren door de jaren heen begroeid met bomen, die langzamerhand veel te zwaar werden en daardoor omvielen, waardoor de wind vrij spel kreeg en de dijk werd bedreigd. Het stadsvuil uit de stad moest de dijk verstevigen. Met dit afval kwamen echter ook plantenresten mee uit de Groninger stadstuinen, waaruit de wat bijzondere begroeiing voor een natuurgebied is voortgekomen. Op de dijk in noordelijke richting groeien namelijk appelbomen, druiven, frambozen en aalbessen. Tussen de planten zijn zelfs nu nog potten, pannen en deksels te zien, vandaar dat de dijk ‘de blikwal’  of kortweg ‘Het Blik’ genoemd wordt.

In de verte zien we de Witte Molen (RK)

Ondertussen zijn we aangekomen op de dijk, verlaten we dit landgoed en slaan we rechtsaf over een smal bruggetje om onze weg over een halfverharde zandweg tussen twee weilanden te vervolgen. In de verte zien we de, ons bekende, Witte Molen. Het huidige rijksmonument ‘De Witte Molen’ werd in 1892 gebouwd. Bij deze molen stroomt de Drentsche Aa onder het Noord Willemskanaal door. Hiermee is de oude beekloop hersteld en komt het water via de oude Aa in het Friesche Veen. We steken de oude Aa over en zien vrijwilligers druk bezig met het verwijderen van exoten (in dit geval: uitheemse planten die zich hier hebben gevestigd maar hier oorspronkelijk niet vandaan komen). Zwaar werk.

Een tapijt van varens

We zijn langzamerhand aangekomen bij ons eindpunt van vandaag: landgoed Vosbergen, opnieuw een onderdeel van de ‘landgoederengordel Eelde’. Hier begon het allemaal met het echtpaar Kraus-Groeneveld, dat in 1890 een boerderij en wat bos kocht. De boerderij werd in de loop van de tijd uitgebouwd tot de huidige villa en het landgoed tot zijn huidige omvang van 110 ha.  Dat het hier vochtig is, is goed te zien aan de vele uitbundig groeiende varens.

Je voelt je nietig temidden van al die hoge bomen (RK)

In dit gebied moeten zich onder andere een grafheuvel, een pinetum of naaldbomentuin met het graf van het echtpaar Kraus-Groeneveld en het Museum Vosbergen met oude muziekinstrumenten bevinden. In ons enthousiasme lopen we iets te ver door, de omgeving is hier werkelijk prachtig, waardoor we het museum al hebben ontdekt. De rest hopelijk tijdens onze volgende ontdekkingsreis door dit gebied ‘veur de riek’n? 

BEKEND TERREIN (Drenthepad)

Drenthepad: kaarten 24 & 25

Qua weer kent Nederland deze dagen een tweedeling, waarbij het noorden dit keer eens het langste lootje heeft getrokken. De afgelopen- en de komende dagen werd en wordt er, vooral in Limburg, zeer veel regen verwacht, waarbij weercomputers berekenen dat er ruim 100 millimeter kan vallen in drie dagen tijd. Meer dan normaal in een hele maand! Voor Drenthe zijn er echter geen waarschuwingen afgegeven, niet voor regen noch voor wind, terwijl de temperatuur rond de 20 graden zal blijven. Met andere woorden……ideaal wandelweer!

We lopen vandaag door bekend terrein; van het Leekstermeer naar Roderwolde en door naar Eelderwolde. Wold(e) of woud(e) is afgeleid van het Oudnederlandse woord ‘walt’ en het Middelnederlands ‘wout’, wat ‘uitgestrekt of zompig bos’ betekent. Een woud was vroeger niet alleen bos, maar meer een grote onontgonnen vlakte of ruimte. Zand, veen en klei zijn de elementen die dit gebied gevormd hebben.

Uitzicht over het Leekstermeer

We wandelen over fietspaden langs Leutingewolde, een buurtschap wat eveneens deel uitmaakt van het zgn. woldgebied, aan de ene kant en een veld vol ‘doedhaomers’…… aan de andere kant. Leutingewolde is van oorsprong een kluft. Een kluft, klauw of clauw had geen eigen kerk, maar soms wel een kapel. Een kluft kan dan als een synoniem van een wijk of buurtschap worden gezien. Leutingewolde is altijd een onderdeel geweest van  Roden, hoewel je kunt zeggen dat het eigenlijk dichter bij Leek ligt.

Wandelen over fietspaden (RK)

Dan de ‘doedhaomers’. Heerlijk zo’n merkwaardig woord in een dialect, waarvan je geen idee hebt wat de betekenis zou kunnen zijn. In dit geval is het Gronings en om helemaal precies te zijn komt het uit het oosten van die provincie. Rara, wie daar vandaan komt? Namen met het element doed– of duud– worden verklaard door de wolligheid van de bloemkolf, die vergelijkbaar is met een ‘dot’ garen. Een duudhoamer of doedhoamer is dan een ‘pluizige, zachte hamer’.

‘Doedhaomers’

De naam van de grote lisdodde (typha latifolia), want daar gaat het hier over, kan zijn afgeleid van ‘tiphos’ wat moeras of plas betekent, wat zou verwijzen naar de plek waar deze plant groeit. Het kan echter ook komen van ‘typhe’ wat wordt vertaald als kattenstaart en zou refereren naar de vorm van de bloei. Om het nog lastiger te maken zou de naam ook afgeleid kunnen zijn van ‘typhein’ wat branden betekent of van ‘typhè’ wat staat voor rook maken, smeulen of verbranden. Vroeger zou de ‘sigaar’ zeer waarschijnlijk gebruikt zijn als tondel bij het maken van vuur. Doordat de pluizen in de aar zo dicht opeen gepakt zijn, blijft de binnenste pluis altijd droog, ook bij regen. De vijfde mogelijkheid ter verklaring van de naam is een afleiding van ‘typhos’ wat zich iets verbeelden betekent. Misschien omdat deze plant met gemak 2 meter hoog kan worden?

We steken de Rodervaart over en lopen verder over de Sandebuursedijk. Links van ons zien we ‘een rij boerderijen naast elkaar gelegen in een ogenschijnlijk eenzame wereld’, Sandebuur. Sommige historici denken dat er tussen de meest oostelijke boerderij van Sandebuur en de begraafplaats van Roderwolde ooit meer huizen hebben gestaan. Hoe het ook zij, voor ons is Sandebuur inmiddels een bekende plek vanwege de kaas van Eytemaheert. Op deze natuurboerderij maken ze van ‘de melk van onze raszuivere Polderpanda’s de heerlijkste kaas. Niet alleen zijn onze Blaarkop koeien puur Blaarkop, ook hun voeding is dat (100% gras) en de manier waarop onze Polderpanda’s leven is zo natuurlijk mogelijk. Wanneer je deze kaas koopt, draag je bij aan de instandhouding van dit zeldzame runderras.’ Wij dragen graag ons steentje bij :). 

Ondertussen komt de molen van Roderwolde in zicht.  Het is langzamerhand tijd voor een lunch, waarvoor we de grote ‘flint’, het Drentse woord voor veldkei, bij het haventje in gedachten hebben. Met zicht op zowel het water als de molen is het daar volop genieten van onze meegebrachte etenswaren. 

Lunchen rond de flint (RK)

De olie- en korenmolen Woldzigt (opeens begrijp je de betekenis van zo’n naam ook beter) is volgens velen de mooiste molen van Drenthe, en misschien wel van heel Nederland. De molen, ‘een achtkante bovenkruier met stelling’, is niet alleen bijzonder vanwege de ouderdom en de gaafheid, maar ook vanwege het feit dat de molen twee functies kent. Naast het feit dat de molen ‘maalvaardig’ is, wordt er ook regelmatig olie geslagen, waarbij op een ambachtelijke wijze lijnolie wordt verkregen. De verwerking van lijnzaad tot lijnolie gebeurt nog precies op dezelfde manier als vroeger.

Woldzigt

We lopen eigenlijk de hele dag al door De Onlanden, een laagveengebied ingeklemd tussen de zandgronden van Drenthe en de Groningse klei. Vroeger was dit gebied één groot veenmoeras, ongeschikt voor landbouw en ook verder onbegaanbaar voor de mens; een echt ‘Onland’, hetgeen zoveel betekent als ‘onbruikbaar woest land, met name moerasland’. Hoewel De Onlanden tegenwoordig wordt beschouwd als een nieuw natuurgebied waarvan de inrichting in 2005 is afgerond, klopt dat niet helemaal. In feite is De Onlanden een wetland (een watergebied van internationale betekenis) dat al vanaf het einde van de laatste ijstijd, dus al meer dan 10.000 jaar, bestaat. Pas gedurende de laatste eeuw werd dit wetland stapsgewijs ingepolderd en drooggelegd tot een natuurgebied van circa 3.500 aaneengesloten voetbalvelden groot met volop ruimte voor overtollig water. Bij langdurige, hevige regenval zorgt dit gebied ervoor dat de stadjers (Groningers) droge voeten houden. Volgens velen is dit gebied de ‘kroon op de kop van Drenthe’. ‘De kop hoort erop’ is een sentiment wat ook nu nog veel bijval krijgt. Wist je dat dit stukje Drenthe bijna bij de provincie Groningen had gehoord? In 1975 waren er acties tegen het voornemen van de regering om Nederland in 26 provincies te verdelen. De nieuwe indeling had tot doel de provincie Groningen uit te breiden met de Noord-Drentse gemeenten Eelde, Peize, Roden en Zuidlaren. De Drentenaren voelden hier echter weinig voor en met de campagne “de Kop hoort erop!” ging het plan niet door. Leuk om te weten is dat De Onlanden ook eeuwenlang de natuurlijke noordgrens van Drenthe vormde. Het reizen over land eindigde bij Peize, Roden en Roderwolde. Deze dorpen waren toen in feite havenplaatsen. Om verder naar ‘Stad’ te gaan moest je met de beurtschipper door het uitgestrekte wetland varen. In de tijd voor de aanleg van goede wegen, dus ruwweg voor 1900, was vervoer over water één van de belangrijkste transportmiddelen voor zowel goederen als personen. De dorpen Peize en Roderwolde hadden dan ook elk een gegraven verbinding met het Peizerdiep, respectievelijk de Peizer- en Roderwolder Schipsloot, en een kleine haven. Deze vaarverbinding sloot aan op het Hoendiep waardoor een verbinding met de stad Groningen een feit was. De ticheloven (steenoven waarin je tegels bakt) aan het Peizerdiep heeft waarschijnlijk omstreeks 1670 voor het laatst gebrand. Daarna diende het haventje aan het einde van de Schipsloot als aanvoerhaven voor stenen die in Groningen en Friesland waren gebakken. Het haventje van Peize bestaat inmiddels allang niet meer als zodanig, maar het haventje van Roderwolde is in 2006 weer in ere hersteld na initiatieven vanuit de bevolking.

Gedicht onderweg

Onderweg komen we een gedicht tegen over de Peizermade. Een made (maat, mede, meet of (Fries) miede) is een stuk grasland dat meestal als hooiland gebruikt wordt. Het natuurgebied De Peizer- en Eeldermaden, onderdeel van het grotere natuurgebied De Onlanden, wordt doorsneden door het Eelderdiep, waarbij de Peizermade ten westen hiervan ligt en de Eeldermade ten oosten. Enkele wegen in De Onlanden liggen er trouwens ook al honderden jaren, zoals b.v. de Roderwolderdijk, waar we eerder vandaag overheen gelopen zijn. Deze dijk is ooit aangelegd als een verbinding tussen het klooster van Aduard en De Kleibosch, een natuurgebied net ten oosten van het dorpje Foxwolde, om potklei te kunnen delven. We zijn hier niet echt doorheen gelopen, maar hebben het wel rechts van ons zien liggen. Daar herinneren tal van uitgegraven kleiputten en restanten van oude kanaaltjes nog aan de industriële bedrijvigheid van toen. Toch bijzonder zo’n stukje geschiedenis op bekend terrein. De Franse schrijver Gustave Flaubert (1821-1880) zei in zijn tijd al: ‘Reizen maakt je bescheiden. Je ziet wat een verschrikkelijk klein plekje je inneemt op de wereld.’ We eindigen onze tocht vandaag in de Onlanderij waar je midden in de natuur terecht kunt voor koffie met huisgemaakt gebak ‘bereid met ambacht, liefde voor het vak en een natuurlijke lach!’ Als dat geen goede afsluiting is…….

‘THE BIG VIEF’ (Drenthepad)

Drenthepad: kaarten 20, 21 & 22

De laatste dagen hebben we met diverse mensen over de zogenaamde ‘big five’ gesproken. Je kunt het tegenwoordig niet zo gek bedenken of er bestaat wel een ‘grote vijf’ van en mocht dat nog niet het geval zijn, dan bedenk je er toch eentje?! De bekendste reeks is natuurlijk de ‘Wildlife Big Five’ uit Afrika. Deze bestaat, zoals je waarschijnlijk wel weet, uit de leeuw als de koning der dieren, de olifant als het grootste landdier ter wereld, de buffel als het gevaarlijkste dier van deze vijf, de neushoorn als de meest bedreigde soort en het luipaard als het moeilijkst te spotten dier van het stel. De term big 5 komt uit de tijd van de ‘big game’ jagers. Dit waren destijds de vijf lastigste grote wilde dieren om op te jagen. Ook in Nederland kennen we een ‘grote vijf’ die bestaat uit de ree, het edelhert, het wilde zwijn, de bever en de zeehond. Zeker bijzonder, maar ik denk niet dat we deze dieren veel tegen zullen komen op ons Drenthepad. Gelukkig, voor ons, kennen ze in Drenthe hun persoonlijke ‘Big Vief’ met hun eigen unieke rassen. Zeldzame dieren die deel uitmaken van het Nederlands levend cultureel erfgoed. Het rijtje dat ik het meest tegenkom omvat het Drents Heideschaap, de Nederlandse Landgeit, de Bonte Bentheimer (een varken), de Drentse Hoen en de Groninger Blaarkop. Hee, de Groninger Blaarkop? De verklaring is dat Drenthe lang haar eigen soort runderen heeft gehad, vooral voor de mestproductie, maar dat ze de komst van kunstmest en de vraag naar hoog producerende melkrassen niet hebben overleefd. De koe van de buurprovincie heeft daarom een plek in de Drentse Big Vief gekregen met name omdat de blaarkop of de ‘polderpanda’, zoals deze koe ook wel genoemd wordt, bijna even zeldzaam blijkt te zijn als de Chinese panda. Een merkwaardig feit! Desondanks lijkt me dit wel een uitvoerbaar lijstje, dus we gaan ervoor!

We willen vandaag het ontstane gat (van de vorige keer) dichten. We lopen eerst van Roderesch naar Mensinge, dan door naar Roden en vervolgens verder naar Leek. Een totaal van zo’n 13 kilometer, meer dan ik tot nu toe heb gelopen. Je weet echter nooit wat je kunt, totdat je het probeert. Met dat sentiment gaan we welgemoed van start.

Roderesch ligt vlakbij het dorpje Eén, waar de kapper eens een begrip was en misschien (in de herinnering) nog steeds is. Deze kapper werd vlak na de oorlog beroemd door zijn behandeling van kaalhoofdigen met een speciaal haarwater. Het middel werkte echter niet goed, de zaken gingen steeds slechter en de kapper werd uiteindelijk steeds meer gezien als oplichter. Grappig hoe zulke verhalen blijven hangen. Vandaag lopen wij echter de andere kant op en wanen we ons al snel ver van de bewoonde wereld. Heerlijk hoe je zo midden in de natuur loopt en alleen soms ver weg de geluiden van ‘de beschaving’ hoort. De geluiden dichtbij zijn die van vogels en insecten. Deze zomerse dag is een heerlijke dag om te wandelen, minder fijn zijn sommige beestjes die bij dit warme weer horen. Wat mij betreft zouden de teek, de mug en de eikenprocessierups zeker in de ‘big 5 gevaren in de natuur’ mogen voorkomen. Over die andere twee moet ik nog wat langer nadenken……. wespen?, berenklauw? 

Jeukende rode vlekken of blaasjes van berenklauw

Een groot deel van deze etappe loopt door het Mensingebos en het Moltmakersstuk, het grootste stuk heide dat hier dwars doorheen loopt. Een moltmaker of moutmaker kiemt koren (vooral gerst) in water, droogt het en brouwt er vervolgens bier van. Heeft dat hier vroeger plaatsgevonden? Ik kan het nergens terugvinden. Wel moeten hier ergens Nederlandse Landgeiten lopen om de heide gezond en open te houden. Helaas………..

De omgeving van Roden bestond eeuwenlang uit heidelandschap totdat Jan Wilmsonn Kymmell (1761-1823), burgemeester van Roden, besloot hier bossen aan te leggen. Hout kon namelijk goed verkocht worden, hetgeen generaties lang op havezate (burcht) Mensinge gebeurd is. Ook het Sterrebos hoorde bij Mensinge. Vroeger heette dit bos, wat al is aangelegd rond 1700, toepasselijk het ‘oude bos’. De acht paden die op dit punt samenkomen vormen op de plattegrond een ster, een ontwerp vorm dat toentertijd vaker werd gebruikt om de allure van parken en landgoederen te versterken. De lange rechte paden waren speciaal aangelegd voor de jacht, maar tegelijkertijd gold toen ook de regel: hoe meer paden in een bos, hoe groter het aanzien van het landgoed, hetgeen uiteindelijk een willekeur aan paden in het bos heeft opgeleverd. Jan’s nazaat Coenraad Wolter Jan Kymnell (1863-1924) was in zijn tijd geen bekende kunstschilder, maar hij was wel de broer van Christina Sophia Kymnell die tot haar dood in 1949 op Mensinge heeft gewoond. Tijdens zijn vele verblijven op de havezate heeft hij het omringende landschap vaak geschilderd. Op een aantal plekken staat een lijst in het landschap met daarnaast het schilderij van toen. Het valt niet mee om het landschap van destijds te herkennen, er is veel veranderd in honderd jaar!

Hier heeft Coenraad destijds het landschap geschilderd

In een wedstrijd om de titel ‘Drenthe in een notendop’ zou dit hele gebied hoge ogen gooien, want op twee vierkante kilometer vind je hier bijna alle elementen van het klassieke Drentse landschap bij elkaar. We lopen langs prachtige overhangende bomen, smalle kronkelpaadjes, heide, houtwallen, verstilde vennen en het beekdal van het Peizer Diep om te eindigen bij een havezate. Inderdaad een magnifiek gebied. 

Veel varens in het Mensingebos
Vistrap in het Peizer Diep
Langs het Peizer Diep (RK)

Ons volgende stuk loopt naar Roden. We ronden de havezate en zien aan de achterkant een eerbetoon aan de dichteres M. Vasalis, pseudoniem van Margaretha (Kiekie) Drooglever Fortuyn-Leenmans (1909-1998). ‘Vasalis’ is een Latijnse vorm van haar achternaam ‘Leenmans’. Ze woonde van 1964 tot haar overlijden in 1998 in Roden (Huis De Zulthe). Ter gelegenheid van haar honderdste geboortedag ontwierp Eric de Lyon het monument ‘Tijd’. Hij verbeeldt met zijn kunstwerk een vijftal dichtregels in de vorm van betonnen balken op een plateau van gras. Geschuurde zwerfstenen waarop letters zijn uitgestraald vormen samen de dichtregel ‘ik droomde dat ik langzaam leefde… langzamer dan de oudste steen’. Ze zijn met lange pennen in de betonnen balken (regels) bevestigd. De andere regels zijn kaal; ‘ze nodigen uit om te gaan zitten, kijken en genieten te midden van de fruitbomen en stinzenplanten.’ Naast de vaste regels zijn losse stenen met letters gemaakt die in een soort dozen van draadstaal klaarliggen voor een creatieve geest. Misschien iets voor een andere keer?

Poezie monument Vasalis

Voor nu laten we het dorp links liggen en vervolgen we onze weg over een zogenaamd schouwpad. Een schouwpad is een pad langs een watergang waar een vertegenwoordiger van het waterschap de schouw (inspectie van de sloten) kan uitvoeren. Talrijke bruggetjes onderbreken het waterlint. We steken het water over en lopen via een bospaadje, een schelpenpaadje en graspaden letterlijk achterlangs het leven. Vaak paralel aan een grotere weg, maar dusdanig door bomen en/of wallen gescheiden dat we (bijna) niet in de gaten hebben dat we zo dicht langs de huizen lopen. Onze mooiste ervaringen zijn niet de luidruchtigste, maar onze stilste momenten (Friedrich Nietzsche). 

Langs het schouwpad

Met het oversteken van een drukke weg beginnen we aan onze laatste kilometers van vandaag. Ook nu voert het pad ons door de natuur, weg van het lawaai van de nabij gelegen verkeersweg. Bospaden, knuppelpaden (houten vlonderpaden) en schelpenpaden leiden ons naar ven ‘Het Vagevuur’, een naam die tot de verbeelding spreekt. Dit vennetje, in het gebied ‘Natuurschoon’, is één van de oudste nog herkenbare elementen in de omgeving. In een resolutie van Gedeputeerde Staten van Groningen van 8 augustus 1626, dus tijdens de 80-jarige oorlog, wordt al gesproken van een garnizoen op ‘het fort Vegevuir’. Later heeft het vennetje de naam ‘Vagevuur’ gekregen en wordt de nabijgelegen boerderij ‘Veghevuir’ genoemd.

Ven ‘Het Vagevuur’ (RK)

Maar de geschiedenis van het Vagevuur gaat nog veel verder terug. Dit ven is een mooi voorbeeld van een zogenaamde pingoruïne, één van de tientallen, zo niet honderden in Drenthe. Pingoruïnes zijn vennetjes die aan het eind van de Weichsel-ijstijd (maar liefst 116 tot ruim 11 duizend jaar geleden) werden gevormd doordat eerder gevormde ijsheuvels (pingo’s) smolten. Maar niet elk Drents waterplasje is een pingo-ruïne. Door boringen in de ondergrond kan het bodemprofiel van een ven, meertje of kuil in kaart gebracht worden. Uit de karakteristieke opbouw en vervormingen in de grondlagen kan dan worden bepaald of het inderdaad om een oude pingo gaat. In 2000 is het slib uit het Vagevuur gebaggerd. De stobben die in droge tijden boven het water uitstaken zijn toen ook grotendeels verwijderd. Een C14 onderzoek, om de ouderdom vast te stellen, bracht aan het licht dat deze stobben bijna 8000 jaar oud waren. Verbazingwekkend, zo dicht bij huis!

Een kogelronde vijver (RK)

Even later lopen we door het bos om een kogelronde vijver. Dit moet haast wel door mensenhanden zijn aangelegd, maar is daarom niet minder mooi. Met het eindpunt dichtbij hebben we ondertussen eigenlijk nauwelijks (op grote afstand telt niet) iets van de Drentse Big Vief gezien. We hebben echter nog een kleine 300 kilometer te gaan, dus ik heb er alle vertrouwen in dat dat uiteindelijk wel goed zal komen. Tenslotte ligt alles op loopafstand als je maar tijd genoeg hebt (Steven Wright).