Grauw en grijs

Grijs betekent meestal de kleur zelf terwijl grauw vaak wordt gebruikt om een beetje donkere situatie te beschrijven. Beide termen zijn vandaag zeker van toepassing. Het is weliwaar droog, maar tegelijkertijd is er ook mist of (zeer) laaghangende bewolking. Zoals een weerman het zo mooi uitlegde: ‘warme lucht komt in aanraking met koude lucht en het resultaat is, net als in je badkamer, condensatie.’ Het regent ook niet echt. Het lijkt eigenlijk meer alsof de wolken soms ‘lekken’, waardoor een fijne, dunne miezer ons zo af en toe besproeit. Om het weerpraatje aan te vullen: de temperatuur blijft rond de 5 °C. en er is bijna geen wind.

Wanneer het zo grauw en grijs is, blijven we vaak binnen. Zonde, volgens een enthousiaste natuurfotograaf, want de kleuren zijn dan juist vaak veel dieper en verzadigder. Natuurlijk is het dan wel donker (met name in het bos), dus neem je statief mee of werk met hoge ISO. Laat de lucht wel zoveel mogelijk buiten je foto en focus je op details en kleuren.

Focus op details en kleuren …….

Ik lees verder dat de kleur grijs in veel spirituele tradities wordt geassocieerd met balans, neutraliteit en kalmte. Het wordt gezien als een kleur van de tussenfase, die zich tussen zwart en wit bevindt en daardoor een balancerend effect heeft.
 Hoewel grijs helemaal in zijn eentje wat euh… grauw is, vormt het een fijne combi met bijvoorbeeld zwart en groen. Dan krijg je een heel fijn sfeertje! Dat hopen we vandaag dus te zien en te ervaren!

Grijs, groen en zwart geeft een fijn sfeertje

We starten in Boijl, een streekdorp uit waarschijnlijk de late middeleeuwen, dat aan de rand van het Nationaal Park Drents-Friese Wold ligt. Net buiten het dorp zien we inderdaad een grenspaaltje, waar we Friesland verlaten en verder lopen in het Drentse deel. 

Grenspaaltje tussen Friesland en Drenthe
Het kanaaltje is de grens

We lopen door het gebied van de ‘Maatschappij van Weldadigheid’, een idee wat zijn oorsprong vond rond 1815 en wat een ‘tijdperk van verandering’ in gang moest zetten.

Een eenvoudig bord, een wereld aan verhalen

De situatie was als volgt: Napoleon werd definitief verslagen en Willem I kwam aan de macht in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. De nieuwe koning had meteen grote problemen: torenhoge werkloosheid en armoede, een lege staatskas en een wankele maatschappelijke orde. Johannes van den Bosch, een generaal met veel militaire ervaring in Nederlands-Indië, kwam met een oplossing om de armoede in Nederland terug te dringen, n.l. de oprichting van de Maatschappij van Weldadigheid. Samen met andere hoge ambtenaren, edellieden en duizenden gewone burgers uit het hele land, zette hij een ambitieus plan in gang. Het idee achter dit plan was eigenlijk heel eenvoudig; de samenleving moest stukjes land en huizen aanbieden aan mensen die het minder breed hadden. In ruil daarvoor zouden zij, door te werken, voor hun eigen onderhoud kunnen zorgen en waren ze niet langer afhankelijk van de overheid voor (financiële) steun. Ook konden ze dan, op lange termijn, hun staatsschulden terugbetalen via (landbouw) overschotten.

(bron: internet)

De Maatschappij richtte zeven landbouwkoloniën op: vijf in Noord-Nederland en twee in het zuiden, het huidige België. In totaal werd zo’n 80 vierkante kilometer ongerepte, woeste heidegrond ter beschikking gesteld met als doel de grond te ontginnen en de landbouwproductie te stimuleren met behulp van nieuwe technieken. De allereerste kolonie, Frederiksoord, wordt vernoemd naar de beschermheer van de Maatschappij, prins Frederik.

Kaarsrechte lanen (RK)

Elke kolonie had zijn eigen kenmerken, maar ze leken toch opvallend veel op elkaar met kaarsrechte lanen, waterwegen en allerlei voorzieningen zoals scholen, kerken en spinnerijen. Al snel ontstond er wel een onderscheid tussen vrije en onvrije koloniën. In de vrije koloniën woonden gezinnen met (meestal) twee kinderen, die hun verblijf zelf konden beëindigen wanneer ze dat wilden. In de onvrije koloniën daarentegen werden mensen gedwongen opgenomen. Dat waren meestal gestrafte criminelen, bedelaars en zwervers. Dit laatste leidde tot veel vragen over de wettigheid en over de financiële risico’s.

Paddenstoelen op ons pad

Wij zien echter niets van dit alles. Wij lopen door het bos of langs meer open paden en volgen de, op boombast geschilderde, tekens die ons de weg moeten wijzen. De meesten zijn duidelijk zichtbaar, naar een enkele moeten we echt even zoeken!

Volg de aanwijzingen…….
Heel duidelijk 😉

In het bos is het beduidend warmer en we nemen de tijd om te genieten van de kleuren om ons heen. Ik weet niet of ze echt zoveel ‘dieper en verzadigder’ zijn, maar ze vallen ons wel op en dat zegt zeker iets.

Prachtig oranje

We zijn vandaag op stap met een nieuwe gadget, eentje die een weg wijst met behulp van GPX data (een type bestand dat informatie bevat over waypoints, routes en tracks dat vaak gebruikt wordt om locatiegegevens op te slaan en te delen). Het is nog even wennen, maar wanneer we ergens een weg-geregend teken missen, is het wel een uitkomst. Het apparaat laat zien dat we slechts ‘even’ dwars door het bos moeten lopen om ergens anders op een paralel pad uit te komen. Als een bonus zien we dan ook nog een groot ven en andere poelen. Zo word je haast overgehaald (en beloond) voor het lopen van enkele extra (kilo)meters ;).

‘Off the beaten track’
Bijzonder landschap

Opeens zijn we vlakbij onze fietsen en daarmee vlakbij het esdorp Vledder, waarvan de naam duidt op een natte plaats. Die is treffend gevonden!

Volop natte plekken

Vledder kent, net als vele andere Drentse brinkdorpen, een lange geschiedenis. In de omgeving zijn diverse grafheuvels en urnenvelden gevonden uit de nieuwe steentijd (ca. 11.000 v.Chr. tot ca 3.000 v. Chr.). Een andere keer moeten we het dorp maar eens echt bezoeken, want behalve Museum De Proefkolonie, over Johannes van den Bosch en de vrije koloniën van Weldadigheid, staat hier ook Museum Valse Kunst. Hier vind je ‘Kunst met een glimlach’ (is het echt of toch vals?), waarbij ervan wordt uitgegaan dat vervalsen ook een kunst is. Het werk van beroemde kunstenaars als Appel, Picasso, Dali, Matisse en Rodin wordt vaker vervalst dan je denkt ………….

Kunst in de natuur (RK)

Verder vind je hier een bekend oorlogsmonument. Begin 1942 werden grote groepen joodse mannen opgeroepen voor tewerkstelling ergens anders in Nederland. Zij werden samengebracht in kampen, waarvan een groot aantal in Drenthe lag. Kamp Vledder is in 1941 gebouwd. Het is niet duidelijk voor welke groep het kamp in dat jaar functioneerde, maar vanaf 10 januari 1942 tot 2 oktober 1942 verbleef er een groep van 180 joodse mannen in het kamp. Zij werden gedwongen tot allerlei werkzaamheden in de omgeving. Zo werkten ze aan een weg in Vledderveen, die tegenwoordig nog altijd ‘Jodenweg’ heet. Op 2 oktober 1942 werden alle in Drenthe verblijvende joden overgebracht naar Kamp Westerbork, waarna ze naar de concentratiekampen zijn gedeporteerd. Slechts een enkeling heeft de oorlog overleefd.

We fietsen terug naar Boijl door een nog steeds grijze en grauwe wereld. Voorlopig zal dat niet veranderen, want het uitgestrekte hogedrukgebied boven ons is niet erg beweeglijk, aldus de weerkenners. Veranderingen in de natuur werden vroeger vaak gekoppeld aan wijzigingen in het weer. Weersverwachtingen bestonden toen nog niet en als je boer of molenaar was en bovendien een scherp observator, kon je in de levende natuur bepaalde karakteristieken ontdekken die je wat houvast gaven in het ‘voorspellen’ van het weer. Een deel van de vaak ‘onzinnig klinkende’ weerspreuken is dus wel degelijk zinvol en heeft zelfs een beperkte waarde voor de verwachting van het weer, al is het dan vooral voor de korte termijn. Neem nu ‘mist vorst in de kist’. Dit slaat op een periode (vaak aan het einde van een vorstperiode), waarbij de grond nog (deels) bevroren is of in elk geval erg koud is. Als de wind dan ruimt (draaien met de wijzers van de klok mee) naar de milde zuidwesthoek met aanvoer van vochtige (warme) lucht vanaf zee, condenseert deze lucht op grote schaal boven het koude land en geeft dat op uitgebreide schaal mist. Het verhaal van condens in de badkamer (haha).


Uit veen geboren…….

We lopen in een grote boog om Drachten heen, n.l. van Houtigehage naar Ureterp, waarmee we aan de andere kant van de A7 uitkomen. Het noordelijk deel van dit pad is (bijna) afgerond. We hebben nog ergens een etappe overgeslagen vanwege een brug die niet toegankelijk was. Dat stuk is voor een andere keer.

Het is af en toe nat vandaag (RK)

Drachten is na Leeuwarden de grootste stad van Friesland en is eigenlijk ontstaan uit twee gehuchten, Noorder Dragten en Zuider Dragten, die met elkaar verbonden waren door een bochtig weggetje over een smalle zandrug. Deze oerweg bestaat nog steeds! Alles gaat veranderen als het oog van grote veencompagnieën op dit gebied valt. Zij willen het hoogveen dat zich tussen de zandruggen heeft gevormd, afgraven voor de turfwinning. Maar wat is veen eigenlijk en hoe wordt veen turf?  

Veen is een grondsoort die vooral bestaat uit (gedeeltelijk) vergane of verkoolde resten van bomen en planten (en kleine diertjes) met een vochtgehalte van meer dan 75%. Veen vormt zich min of meer op water door het sterven van de planten terwijl er geen zuurstof bij kan komen, waardoor de plantenresten niet verteren. Veen is dus opgebouwd uit organisch materiaal dat nog nauwelijks vergaan is. Dan is er nog een verschil tussen hoog- en laagveen. Beiden worden gevormd door plantenresten. Het verschil is dat laagveen wordt gevoed door grond- en oppervlakte water, terwijl hoogveen uitsluitend wordt gevoed door regenwater. Zo’n zwart/bruine laag hoogveen kan in duizenden jaren uitgroeien tot wel een pakket van zo’n 5 tot 6 meter dikte! Hoewel regenwater erg arm is, is veenmos één van de weinige plantensoorten die hierin goed kunnen gedijen. Kussens van veenmos zuigen zich vol met regenwater. Het veenmos sterft van onderen af maar groeit aan de bovenzijde door. Het hoogveen is dus zelfvoorzienend in zijn waterhuishouding en is alleen afhankelijk van regenwater. 

Informatie borden onderweg

Voor de turfwinning wordt in 1641 de Drachtster Compagnonsvaart (of Drachtstervaart) gegraven met even later de dwarsvaart, de Noorder Doorvaart. Met de komst van de vele turfspitters ontstaat er verderop in het veen een nieuwe nederzetting: Drachtster Compagnie. Even ter verduidelijking: turf is feitelijk niets anders dan gedroogd veen. In veengebieden is het gedroogde veen lang gewonnen als brandstof, want de gedroogde turfbroodjes branden beter en vooral ook langer dan houtblokken. 

Hard werk in barre omstandigheden (foto internet)

In de veenkolonie zijn de vele dwarswijken (waterwegen) uit de tijd van de ontginning nog steeds aanwezig. We zien ze onderweg dan ook met enige regelmaat. Op historische kaarten is te zien dat Drachtstercompagnie van oorsprong een hoogveenkolonie is. Dit is op te maken uit de hoofdvaart met de rechthoekige daarop gegraven wijken. De wijken (16) kregen namen naar hun ligging of naar de eigenaren van het aanliggende veen. Sinds 2010 hebben de wijken van Drachtstercompagnie een naambordje gekregen waarop eigenaar en datering staan vermeld.

Een beetje schuin genomen om het water ook te laten zien 😉
In deze ‘wyk’ is nog een randje ijs zichtbaar

De vervening duurde tot in de 19e eeuw, waarna de veenwinning uiteindelijk werd weggeconcurreerd door de opkomst van andere fossiele energie, zoals olie en gas. Na afloop van de verveningen trokken de veenarbeiders verder om ergens anders te helpen met de ontginning of ze verhuurden zichzelf als boerenarbeider, maar ook de boeren hadden het niet ruim. Natuurlijk bleven er ook arbeiders in de Drachtster venen wonen. Zij probeerden, met het in cultuur brengen van het land, een nieuw bestaan op te bouwen. Omdat veeteelt in die tijd betere resultaten dan de landbouw opleverde, werd veel bouwland in grasland omgezet en werd de veestapel uitgebreid. Mede door de komst van de zuivelfabrieken kwam er een zekere ommekeer.

We lopen gedeeltelijk door dit langgerekte dorp met zoveel (verborgen) geschiedenis en deels met een boog eromheen om uiteindelijk toch weer op De Feart uit te komen, een asfaltweg die ons naar het viaduct over de A7 voert. Het blijkt zowaar de ‘vlaggen viaduct’ te zijn.

Dreigende luchten ……..

Al sinds de Corona tijd zijn de vlaggen, spandoeken en zwaailichten van protesterende boeren op dit viaduct over de A7 een bekend beeld. Maar vanaf begin 2023 behoort dat ‘uiterlijk vertoon’ verleden tijd te zijn. De burgemeester heeft de demonstranten toen opgedragen hun vlaggen en spandoeken per direct thuis te laten. Het zou het verkeer teveel afleiden. De demonstranten kregen de keuze hun protest verder, zonder uiterlijk vertoon, voort te zetten of een andere plek te zoeken. Wij rijden hier regelmatig langs over de A7 en hoewel het protest echt aanzienlijk minder is geworden, is het verre van verdwenen. Zo ook vandaag!

Voorzichtig …….

Op grote afstand zien we de verschillende vlaggen wapperen op de leuningen aan weerskanten. Een man zet aan beide kanten van het viaduct van die waarschuwende, afremmende, gele poppen neer. Voor zijn eigen veiligheid of om aandacht te vragen voor zijn vlaggenparade? In elk geval wordt ons belangstellend gevraagd: ‘En ….. fynst dit leuk?’ om vervolgens snel verder te gaan met ‘Jo witte wis wêrom, krekt?’
Wij hebben echter niet zoveel zin in een discussie en bovendien is het koud vandaag. Met een temperatuur net boven het vriespunt en maar af en toe een lekker zonnetje, is het zaak om te blijven bewegen en niet stil te staan. Zeker niet boven op een koud, winderig viaduct!

Het ‘vlaggen viaduct’ (RK)
Toch een beetje rebels met een kleine tractor? (RK)

Aan de andere kant van de A7 lopen we een lang stuk over de onverharde Brouwersleane. Op zich een mooi pad, maar het het is wel erg nat, met veel bevroren stukken en vol glinsteringen van de zon, die inmiddels laag aan de hemel staat. Met andere woorden, we (ik) komen hier niet zo snel vooruit 😉

Veelal nat en drassig (RK)
Op schaduwplekken ondiep ‘bomijs’ (RK)

Dan opeens, sneller dan verwacht, komen we aan bij de weg die ons naar Ureterp leidt. Meteen aan het begin van het dorp zien we al een imposante klokkenstoel naast een, in verhouding, haast bescheiden kerk. Een eenvoudig kerkgebouw(tje) konden mensen vroeger nog opbrengen, maar een kerktoren was, zeker voor kleine, arme dorpen, teveel van het goede. De oplossing was dan een klokkenstoel, een houten stellage met een dak waarin meestal maar één klok hing. Om het geluid van de klokken ook op grote afstand goed te kunnen horen, moeten de klokken wel hoog hangen. Klokkenstoelen worden daarom ook wel ‘klokkentorens van de armen’ genoemd, omdat er geen geld was om een ‘echte’ toren te bouwen. Er staan nog diverse van deze klokkenstoelen in Friesland, vaak één of meerdere keren gerestaureerd en allemaal met de status van monument. 

De klokkenstoel van Ureterp met twee luidklokken

De kerk, ten westen van het dorp, werd omstreeks 1250 gebouwd. De toren heeft echter geen fundamenten, hij staat gewoon los op een bult zand. Dat hij altijd is blijven staan, is te danken aan de dikke muren. In de jaren ’50 heeft de toren een restauratie ondergaan waarmee deze weer, met oorspronkelijke kloostermoppen, in oude staat is teruggebracht. Vanaf omstreeks 1600 tot 1766 hingen er twee klokken in de toren, vandaar de galmgaten, maar omdat de toren rond 1766 in erg slechte staat was, werd besloten een aparte houten klokkenstoel voor de kerk, op het kerkhof, te bouwen.

De toren heeft twee galmgaten (RK)

In 1873 werd de stoel vernieuwd en tegelijkertijd verplaatst naar achter de kerk vanwege klachten. Paarden sloegen soms op hol bij het luiden van de klokken omdat de klokkenstoel zo dicht bij de openbare weg stond. In 1943 zijn de twee luidklokken (uit 1771 en 1932) door de Duitsers weggeroofd voor de wapenindustrie in WOII. Na de oorlog konden nieuwe klokken worden aangeschaft na een geldinzameling onder de bevolking. Eén van de klokken kreeg toen een mechanisme waardoor deze automatisch kan luiden op de bekende (belangrijke) tijden van 8.00, 12.00 en 18.00 uur. De andere klok wordt o.a. gebruikt voor bruiloften en begrafenissen. Grappig weetje is dat op beide klokken een randschrift is aangebracht. Op de ene staat geschreven: ‘Ik bounzje drôf, ik bounzje bliid – GOD jowt alles op SYN tiid’ (Ik bons droevig, ik bons blij – GOD geeft alles op zijn tijd). Op de andere: ‘Al moast ús folk yn d’oarloch hast ferbliede, foar frije Friezen meie wy wer liede’ (Al moest ons volk in de oorlog bijna doodbloeden, voor vrije Friezen mogen wij weer luiden). De geschiedenis in een notendop. De opvallende voormalige (rode) pastorie staat tegenover de kerk en werd in 1787 gebouwd en als zodanig tot 1970 gebruikt.

Voormalige pastorie

We naderen ons eindpunt als we onder de ‘Spits van Ids’ doorlopen, dat fungeert als toegangspoort tot het dorp. Het 25 m lange stalen kunstwerk is geïnspireerd op de draaibare planken, zogenaamde ‘barten’, die vroeger over de Ureterper vaart lagen.

Een gedeelte van de ‘Spits van Ids’

Wat je allemaal niet kunt leren van en over een veengebied zo dicht bij huis!




Route gewijzigd

Vanmorgen ‘zullen er ongetwijfeld nog wel enkele buitjes ontstaan. Geleidelijk wordt het overal droger met een afwisseling van zon en wolken. Er stroomt minder zachte lucht naar ons land, de dagtemperaturen stijgen tot 8 graden.’ De weersverwachting voor vandaag klinkt veelbelovend, in ieder geval droog en hopelijk een beetje zonnig. We willen verder met onze wandeling rond de Tjonger en pakken de draad weer op bij Sluis II, zoals deze sluis kennelijk officieel heet. De sluis ligt geografisch in Jubbega, terwijl de stuw naast de sluis in Nijeberkoop ligt. De Tjonger is daarmee Nederlands enige taalgrens binnen de landsgrenzen. Ter verduidelijking: een taalgrens is de lijn die twee talen scheidt, waarbij de twee talen genoeg van elkaar moeten verschillen dat sprekers elkaar niet kunnen verstaan. Op het sluiseiland staat zelfs een taalmonument dat deze grens markeert, want ten zuiden van het riviertje wordt Stellingwerfs i.p.v. Fries gesproken. Alhoewel, tegenwoordig wordt het Stellingwerfs, een Nedersaksisch dialect, eigenlijk nauwelijks meer gesproken.

De taalgrens

Bijna meteen wordt de route al gewijzigd en wijst het bordje richting Egypte. Een straat en een buurtschap met een naam die waarschijnlijk is afgeleid van een gelijknamige boerderij. Egypte ligt samen met de gehuchtjes Moskou, Canada en Frankrijk allemaal in zuidoost Friesland. Hoe grappig is dat?

Meteen al een route wijziging (internet)

Via Egypte lopen we It Fryske Gea (het Friese Landschap) in, een provinciale vereniging die zich ‘vanuit een groen hart – of liever een pompeblêdsje – inzetten voor de bescherming van natuur, landschap en cultuurhistorie.’ Er vallen behoorlijk veel gebieden onder deze vereniging. Wij zien en ervaren als eerste de Diakonievene, een ven ontstaan omdat de diaconie van Nijeberkoop hier vroeger turf (veen) uitgroef voor de armen zodat zij het als brandstof konden gebruiken. De kerkelijke armenzorg vond dat de plaatselijke bevolking ’s winters geen kou mocht lijden. Dit natuurgebied (44 ha) bestaat tegenwoordig uit een aantal plassen, overblijfselen van de vervening, die met elkaar in verbinding staan. Het is hier inderdaad prachtig! Het is van origine een pingoruïne, die in de ijstijd is ontstaan. Er werd een rondvormige wal van leem omhoog geduwd, waardoor het natte gebied is ontstaan. Tijdens de wandeling loop je continu over deze wal en heb je steeds uitzicht op het water.

De Diakonievene (RK)
Soms loop je over een vlonder
Enkele erg natte stukken (RK)

Aan de overzijde van de Alberdalaan ligt de waterrijke Delleboersterheide, een 195 hectare groot natuurgebied, dat bestaat uit heideterreinen en waterpartijen. De rivier de Tjonger ligt vlakbij en stroomde, voordat deze gekanaliseerd werd, door deze moerasgebieden. De Diakonievene en Delleboersterheide zijn eigenlijk twee naast elkaar gelegen natuurgebieden die goed op elkaar aansluiten. We slingeren dus haast ongemerkt en moeiteloos van het ene naar het andere gebied. De heide ligt er, niet verrassend, wat uitgeblust bij en verdwijnt bijna onder hoge grassen. Volgens onze informatie wordt dit gebied begraasd door heideschapen en Exmoor pony’s of misschien ook wel door Schotse Hooglanders? Afgezien van een paar sporen zien we deze dieren echter niet. Het is ook een groot terrein zullen we maar zeggen. 

Geen waarschuwing voor de heideschapen…….

De Delleboersterheide is van oorsprong een turfwinningsgebied. Het riviertje de Tjonger werd zelfs gekanaliseerd om de afvoer van turf te vergemakkelijken. Toen het veen afgegraven was en de landbouw in opkomst kwam, werd het gebied gedeeltelijk gebruikt als cultuurgrasland. De Delleboersterheide is door It Fryske Gea zo goed mogelijk in de oude staat teruggebracht en is nu weer een beekdallandschap; een golvend land met dekzand en kommen met veen en vennen die door de hogere waterstand permanent nat blijven.

We lopen langs het mooiste ven in dit gebied, de Catspoele. Dit ven blijkt een eldorado voor libelle liefhebbers te zijn. Maar liefste 40 van de 71 in Nederland voorkomende libellen planten zich voort in deze poel. Daartoe is zelfs een speciale libellenvlonder aangelegd zodat je de beestjes goed en van dichtbij kunt bewonderen.

Waar zijn de libellen?

We volgen het graspad en ontdekken een prachtig weids zicht over het heideveld. Solitaire eiken en grove dennen versterken het beeld. Het is hier echt stil en alle dieren (dat zijn er veel!) profiteren van die rust. Misschien is dat juist de charme van dit gebied, dat het net ver genoeg van de woonkernen ligt om absoluut niet ‘overlopen’ te worden.

Prachtige natuur om ons heen (RK)

Tegelijkertijd geldt hier wel de waarschuwing om op de paden te blijven. In de velden zitten n.l. de nodige adders, ringslangen en levendbarende hagedissen die gevoelig zijn voor verstoring. Een hagedis ontmoeten is nog tot daaraantoe, maar slangen kom ik liever niet tegen, zo (relatief) ver van de bewoonde wereld…….. We blijven dus keurig op het pad!

De uitgestrekte heide
Grote solitaire bomen
Alleen op de wereld’ (RK)

Ondertussen zijn we eigenlijk best ver van de oorspronkelijke route in het boekje afgedwaald, waardoor we ook absoluut geen idee meer hebben over de nog te lopen afstand. Voor mij geen fijn vooruitzicht. De afstand van vandaag was, voor mij althans, al aan de royale kant en het idee dat daarbovenop nog meer extra kilometers komen, benauwd me wel een beetje. Volgens de aanwijzingen moeten we, om weer terug op de eigenlijke route te komen, een heel eind langs de weg teruglopen. Oei! Daarbij komt dat we vanochtend wat aan de late kant van start zijn gegaan. Bovendien blijkt, bij nadere inspectie, de zonsondergang vandaag al om 16.20 uur te zijn, in plaats van een uurtje later. Uiteindelijk besluiten we daarom, ook gezien de tijd, een hoek naar de andere kant te maken, zodat we op een ander punt verderop wel weer op de ‘echte’ route kunnen aansluiten. We zijn op de helft en hebben nog een kleine 8 kilometer voor de boeg!

Via gehucht Zandhuizen en de Bekhofweg komen we inderdaad terug op de route. Hier moet ergens in de buurt ooit een schans hebben gelegen, een onderdeel van de Friese waterlinie. Deze Bekhofschans werd in de Tachtigjarige Oorlog gebouwd als onderdeel van de waterlinie, nadat dorpen in die buurt waren geplunderd door Spaanse troepen. De schans lag langs de weg tussen Oldeberkoop en Boijl (Bekhofweg) en controleerde zo de brug over het riviertje de Linde. De schans zelf is inmiddels verdwenen en een kanon dat dienstdeed op deze schans is nu te bezichtigen in het dichtbij gelegen Oldeberkoop. De waterlinie was belangrijk en werd bijvoorbeeld gebruikt om het gebied in Zuidoost Friesland onder water te zetten tijdens de Tachtigjarige Oorlog tegen de Spanjaarden en in het Rampjaar 1672 toen  ‘Bommen Berend’, de bisschop van Munster, Noord Nederland binnenviel. De schansen waren ook de enige doorgangen richting Leeuwarden en lagen op strategische plaatsen. Op die manier kon de Friese hoofdstad worden beschermd. 

Opeens zijn we aangekomen op het laatste stuk, de kerkweg naar Boijl. We zien diverse kunstuitingen onderweg, waaronder een bankje met de tekst ‘Zit, Rust, Kijk … Verwonder’ en diverse beelden langs de kant van het pad.

De lange kerkweg naar Boijl (RK)
Zomaar een Schotse Hooglander in de heg 😉
Helaas kunnen we geen titel vinden bij dit kunstwerk (RK)

Dan lopen we toch echt ons eindpunt binnen, het dorpje Boijl. Ook weer zo’n dorp waar we nog nooit van hebben gehoord. De oorsprong van de naam is moeilijk te achterhalen. Op oude kaarten wordt het geschreven als Beul, Buil, Beuil en zelfs Boylo. Mogelijk noemde men het ‘Beul’ vanwege het harde werken oftewel het ‘beulen’, want de grond was moeilijk te bewerken. Het kan ook afkomstig zijn van het oud-Friese ‘beile/bule’ of Nederlandse ‘buil’ dat ronding of zwelling betekent, want het lag hoger dan de omgeving. Dat het in bosrijk gebied lag, duidt het lo (= bos) uit het genoemde ‘Boylo’ aan. Eigenlijk interesseert me dit alles op dit moment helemaal niet zo. Mijn blik is gericht op de klokkenstoel, waar onze fietsen staan.

Vlak voor we Boijl echt inlopen (RK)

Ik maak nog een snelle foto van deze typische klokkenstoel die wordt geluid als iemand is overleden of tijdens het Sint Thomasluiden. Sint Thomasluiden, ook wel pluisluiden of duiveljagen genoemd, is een traditie waarbij er, tussen 21 december (de feestdag van apostel Thomas) en 31 december, klokken worden geluid. Door het luiden van de klokken zouden de kwade geesten, die de dagen doen korten, verdreven worden. Deze traditie wordt met name in ere gehouden in Zuidoost-Friesland waar veel vrijstaande klokkenstoelen zijn die gemakkelijk geluid kunnen worden. Ondanks verboden door de overheid (op kerkhoven waar klokkenstoelen stonden, werden soms vernielingen aangericht) heeft de traditie steeds stand gehouden. Zover is het echter nog niet, maar mochten we tegen die tijd weer in deze buurt lopen, dan zullen we goed luisteren! 

De klokkenstoel in Boijl






Van sluis tot sluis

Om meteen maar met de eerste sluis te beginnen …… het Hemrikerverlaat (verlaat = schutsluis) in de Opsterlandse Compagnonsvaart wordt nog helemaal met de hand bediend. Het verval is een kleine 90 cm, wat goed te zien is als wij over de brug naar de andere kant van de vaart lopen. Het water links staat hoog, het water rechts staat veel lager en borrelt en bruist bovendien volop. De sluis wordt weliswaar vandaag niet gebruikt, maar het water kan via een smalle doorgang toch afgevoerd worden naar de lager gelegen andere kant.

Het water borrelt en bruist……..

Even een stukje geschiedenis, want zoals we weten ‘helpt geschiedenis ons te begrijpen hoe gebeurtenissen in het verleden de dingen hebben gemaakt zoals ze vandaag de dag zijn’. Het vlakbij gelegen streekdorp Hemrik is in de late Middeleeuwen ontstaan op een zandrug tussen de heide in het noorden en het hoogveen in het zuiden. In het midden van de 18de eeuw werd de Opsterlandse Compagnonsvaart gegraven om het hoogveen te kunnen gaan exploiteren, waardoor het tot dan toe vooral agrarische dorp door turfwinning een impuls kreeg. De vaart werd vrij dicht ten zuiden van het dorp gegraven en in 1755 werd het volledig van hout gemaakte Hemrikerverlaat in de Compagnonsvaart geslagen. Het buurtschap eromheen, ontstaan tijdens het graven, kreeg dezelfde naam. De sluis is precies een eeuw later in steen vervangen en in 1902 zelfs helemaal vernieuwd.

Vanaf de sluis gezien lopen we aan de linkerkant van de vaart

We lopen aan de stille kant van de vaart totdat we bij een smal schelpenpaadje komen waar we ‘het binnenland’ in mogen. Je bent dan meteen in een andere wereld. Het geluid van verkeer is praktisch verdwenen (was ook al niet heel veel verkeer), we horen vooral het geruis van de wind in de laatste bladeren en het onrustige gefladder van de eenden in het watertje naast ons. Het is nog koud, net boven het vriespunt, en dat is goed te zien aan de dunne streepjes ijs op het water. 

Een heel dun laagje ijs op het water
Het landschap achter de sloot 😉

We moeten een beetje stevig doorstappen om warm te blijven, ondanks de laagjes, want als de zon verdwijnt heeft de (water)koude wind vrij spel. We zien een aantal kleine huisjes in de verte. Je woont hier behoorlijk ver weg van alles, lijkt me. Dat gevoel klopt aardig, want ik lees later dat zich hier in de buurt één van die plekken bevindt ‘die afgesloten lijken van de wereld’, we lopen zelfs langs de afslag ernaartoe. Afgesloten zijn gold vroeger zeker voor Welgelegen, vlakbij Jubbega, genoemd naar een herberg die daar ooit stond. Een smal, vaak modderig, pad was jarenlang de belangrijkste verbinding met de ‘bewoonde wereld’. Pas in 1967 komt er verbetering en krijgen de bewoners eindelijk een verharde weg!

Onderweg langs smalle paadjes (RK)
Een ‘niemandsland gevoel’ (RK)

We blijven lopen over bospaden, zandweggetjes of halfverharde paden met slechts een enkel stukje asfalt om van het ene pad naar het andere te komen. Het is hier werkelijk heel mooi en heel stil, alsof we mijlenver van de bewoonde wereld verwijderd zijn. Toch is dat niet werkelijk zo gezien het bord met ‘verse koffie’ langs de kant van de weg en de ‘Bȇd & Bosk’ mogelijkheid in de d’Alde Pastorije.

Verrassend, terwijl we verder niks zien (RK)

Deze pastorie is in 1832 gebouwd voor de nieuwe pastoor van de dorpen Jubbega, Schurega en Hoornsterzwaag. Een kleine honderd jaar later (1920) werd het gebouw veranderd in een boerderij, omdat er een nieuwe pastorie werd gebouwd in Hoornsterzwaag. Tegenwoordig is d’Alde Pastorije in gebruik als woonboerderij en B&B (Bed & Bos) midden in de prachtige natuur. Bijzondere plek! We lopen verder over, hoe toepasselijk, het Tsjerkepad om vervolgens de weg over te steken en het weiland in te gaan. Over dit stuk had ik zo mijn bedenkingen. Het is de afgelopen dagen zo nat geweest dat het grondwaterpeil, zeker in Friesland, erg hoog staat. Dusdanig dat alle gemalen, inclusief het Woudagemaal, volop aan het draaien zijn om het water onder controle te houden. Gelukkig valt het ons alles mee. De weilanden staan open, we hoeven dus niet via een overstapje over de prikkeldraadafrastering heen te klauteren. Ook hier lopen we weer langs een smal water, Friesland staat niet voor niets bekend als waterland, al zien we hier geen steigertjes, kleine bootjes of andere aanwijzingen dat dit water gebruikt wordt voor watersport. Ondanks dat het doodlopend is, kan dat hier wel. Het is helder water en zeker voor kinderen lijkt me dit ideaal in de zomer.

Ideaal ‘speelwater’ toch?

Naast het pad waarop we lopen is het op sommige plekken wel heel nat. Waarschijnlijk liggen deze stukken land net wat lager.

Erg natte stukken land
Stil en geconcentreerd (RK)
De hertjes zijn meer op hun hoede (RK)

Uiteindelijk komen we uit bij het riviertje de Tjonger. De Tjonger (ook wel De Kuinder in het Stellingwerfs – Fries officieel is De Tsjonger of De Kuunder) is een oud riviertje dat door Zuidoost Friesland loopt van grofweg Kuinre naar Oosterwolde. De Tjonger maakt samen met de Opsterlandse Compagnonsvaart deel uit van de Friese Turfroute. De naam Tjonger heeft te maken met het Oudfriese ‘tiona’ en het oud-Saksisch tiunan, teona. Woorden die allen verwijzen naar ‘schade doen’, schade toebrengen. De Tjonger werd als een ‘kwaadaardige’ rivier beschouwd, het was een ‘razend water’. Als de naam Kuinder de oudste is, zou deze onder Keltische invloed kunnen zijn ontstaan en is dan vergelijkbaar met het Welsh ‘Gwenddwr’ (uit te spreken als: Keundeur), dat de betekenis heeft van ‘schoon water’. Anderen beweren dat Kuinder of Tjonger van Keunirà zou zijn af te leiden. Keunira hangt samen met (a)keun en betekent ‘schitterend’. Wat een naam al niet teweeg brengt 😉

Hoe je de rivier ook noemt …… (RK)
De Tjonger met het eindpunt al in zicht (RK)

Opeens is daar ook onze tweede sluis van vandaag. Op ons kaartje staat de naam Sluiszicht vermeld, maar waarschijnlijk is dat de naam van een restaurantje dat hier vroeger gestaan heeft? Ik kan hier niet echt iets over vinden. Wel lees ik nog een grappig weetje dat de Tjonger niet alleen een grensrivier, maar ook een taalgrensrivier blijkt te zijn. ‘Een rivier met een dubbele tong’ wat ook al bleek uit de verschillende benamingen. Om verder te citeren: ‘een helaas gekanaliseerd spraakwater tussen de van oorsprong West Germaanse Friese taal op de noordoever en het Stellingwerfs, een Nedersaksische taal, op de zuidwal’. Een volgende keer horen we hier vast meer over!



Het andere Friesland

Wanneer je denkt aan Friesland, dan denk je waarschijnlijk meteen aan Friese Meren, zeilen, schaatsen en Leeuwarden. Misschien zijn bossen wel het laatste wat je in Friesland verwacht en toch zijn ze er …… in het ‘Andere Friesland’. Daar vind je eeuwenoude bossen en statige landgoederen. Met koninklijke allure! Zo ook in Beetsterzwaag (Beetstersweach), het mooie, karaktervolle dorp met statige herenhuizen en omringd door oude eiken en beuken, waar we vandaag onze wandeling beginnen.

Eeuwenoude bomen

In de bekende Hoofdstraat zien we prachtige historische panden. Deze panden van drieënhalve eeuw oud, zijn de stille getuigen van de adel die het dorp in de 18e en 19e eeuw bewoonde. Beetsterzwaag was vroeger een dorp met aanzien. Niet voor niets wordt het ook wel het ‘Wassenaar van het Noorden’ genoemd. De tuinen bij de landgoederen, ooit dus slechts voor enkelen, staan nu open voor iedereen.

Veel groen

Wij starten tegenover het monumentale pand Lyndensteyn, wat tegenwoordig een revalidatiecentrum is. Het is in 1821 gebouwd voor de grietman (rechter, bestuurder) van Opsterland; Frans Godaert Baron van Lynden. Huize Lyndensteyn dankt haar bestaan aan freule Cornelia Johanna Maria van Lynden, de kleindochter van Frans Godaert die met haar ouders in de zomermaanden op Lyndensteyn woonde. Cornelia was begaan met het lot van de zieke en minder bedeelden in Beetsterzwaag en omgeving. In 1880 overleed ze op twintigjarige leeftijd aan tuberculose. Ter nagedachtenis werd Huize Lyndensteyn en de bijbehorende bezittingen ondergebracht in de Cornelia Stichting met als doel: het kosteloos opnemen van zieke, gebrekkige of behoeftige minderjarige kinderen. Vanaf 1915 werd Lyndensteyn een kinderziekenhuis en in 1958 werd besloten het kinderziekenhuis om te vormen tot een revalidatiecentrum voor kinderen omdat het gebouw was verouderd en niet meer voldeed aan de eisen van die tijd. Al met al is er een hele geschiedenis aan dit gebouw verbonden.

Het informatiebord van ‘de overtuin’

Het tegenover Huize Lyndensteyn liggende park is een zgn. overtuin, omdat het aan de overzijde van de straat ligt. Oorspronkelijk was het een park in Franse stijl, maar na 1832 kreeg de tuin een ander aanzicht door een ontwerp van de beroemde tuinarchitect Lucas Pieters Roodbaard (1782-1851). Zijn stijl was gerelateerd aan de Engelse landschapsstijl en kenmerkt zich door romantische, ronde vormen, slingerpaden en een schijnbaar oneindig doorlopende vijverpartij. Deze elementen zie je hier ook zeker terug. De tuin eindigt op een kunstmatige heuvel recht tegenover Lyndensteyn, waar zich oorspronkelijk een zomerhuis bevond. Rondom de vijver loopt een wandeling in de vorm van een slingerend pad waar aan weerszijden nog enkele oude linden staan die tot de eerste aanleg behoren. Inmiddels is de tuin erkend als een rijksmonument. Vandaag wordt er druk gewerkt aan herstel van een bruggetje, waardoor we alleen rechts van de vijver kunnen wandelen. De tuin is zeker de moeite waard.

Terugblik over de vijver naar Huize Lyndensteyn

We slingeren verder ‘langs de randen’ van Beetsterzwaag waarna we uitkomen op de landerijen die bij landgoed Lauswolt horen, genoemd naar de oorspronkelijke bezitters, de familie Lauswolt. In de loop van de 19e eeuw kwam het landgoed in het bezit van Augustinus Lycklama à Nijeholt, zoon van de burgemeester van Beetsterzwaag, die in 1867 de opdracht gaf om op het landgoed een herenhuis te bouwen. Hij heeft er zelf maar betrekkelijk kort gewoond, want na zijn huwelijk in 1872 vertrok hij vrij snel met zijn gezin uit Beetsterzwaag. In 1878 verkocht hij het landgoed aan Reinhard baron van Harinxma thoe Slooten voor de som van 100.000 gulden. Ter vergelijking f 100,- toen is bijna € 1.600,- nu. In 1954 kwam het landgoed Lauswolt in het bezit van de Algemeene Friesche Levensverzekering Maatschappij, waarop het tot een hotel werd gemaakt. Het hotel werd in 1990 verkocht aan de Bilderbergroep. Grappig weetje: op één van de boerderijen van het landgoed heeft acteur Rutger Hauer gewoond.

Even pauze

Beetsterzwaag kreeg landelijke bekendheid met het landgoed en hotel Lauswolt als de ‘geheime’ locatie voor de besprekingen die uiteindelijk leidden tot het kabinet Balkenende IV begin 2007. Het was de bedoeling om deze locatie geheim te houden, maar die lekte op de eerste dag al uit…….

Ook staat Lauswolt bekend om de ernaast gelegen 18-hole golfbaan, gelegen midden in de natuur, waar druk gebruik van wordt gemaakt als wij erlangs lopen.

Fraai gelegen midden in de natuur
Wat we hier mogelijk kunnen zien ……..

Even later slaan we een zandweg met fietspad in waar we de Lippenhuisterbrug oversteken. Het pad loopt langs de Lippenhuisterheide, een uitgestrekt natuurgebied. Het overgrote deel is eigendom van de familie Van Harinxma thoe Slooten. In het gevarieerde gebied komen zowel natte als droge heideterreinen voor, afgewisseld met bomen en struiken. Grote natte delen zijn begroeid met gewone dopheide, terwijl op de drogere plaatsen kraaiheide en stekelbrem groeien. De heide staat al een beetje in bloei. Helaas zien we er niet zoveel van vanwege de bomen en struiken die tussen de heide en ons pad staan. Bovendien moet ik toch eens opzoeken hoe kraaiheide er precies uit ziet, want ik betwijfel of ik het wel zou herkennen.

De ‘gewone’ dopheide
Bloeiende kraaiheide (foto internet)

De vroegere vervening van dit gebied is nog te zien door de in de heide aanwezige sloten en greppels. Zo komen we op een gegeven moment uit bij de Compagnonsfeart, een vaart die tussen 1630 en 1680 is gegraven om de turf, toen zeer waardevolle brandstof, te kunnen vervoeren. In deze omgeving vind je vele rechte kanalen met (ooit) hele armzalige huisjes langs de oevers. Het was hard werken voor een karig loon! Tegenwoordig zijn de huisjes van toen vervangen, maar het kanaal en de vele zijkanalen (wijken), die er haaks opstaan en nodig waren voor de afvoer van turf en de afwatering van het natte hoogveen, zijn stille getuigen van de wereld van weleer. 

Ons eindpunt van vandaag is een sluis in de Opsterlandse Compagnonsvaart bij het dorp Hemrik in de buurschap Hemrikverlaat. Er staat een sluiswachterswoning bij die uit ongeveer 1880 dateert. De sluis werd in 1755 volledig van hout gebouwd, maar werd in 1902 vervangen door het huidige stenen verlaat (= kleine sluis). Het verval is 0,89 meter en de sluis wordt (nog steeds) met de hand bediend. Op het moment dat wij bij de sluis staan te kijken, wordt deze net handmatig gesloten voor de nacht. Het werk voor vandaag zit erop. De man vertelt dat hij toch regelmatig dagen meemaakt dat er zo’n 30 boten langskomen, hoewel dat niet wil zeggen dat hij de sluis zo vaak moet bedienen :). Hij blijft er fit bij, want het moet allemaal wel met spierkracht ….. en beleid.

Ik ben benieuwd wat het andere Friesland ons de volgende keer te bieden heeft.