In de voetsporen…..

Knp: 53-52-45-44-43-67

In Lutjegast kun je niet om haar bekendste (vroegere) inwoner heen: Abel Janszoon Tasman (Lutjegast 1603 – Batavia 1659). Abel Tasman was een Nederlands ontdekkingsreiziger in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en is vooral bekend geworden door zijn reizen tussen 1642 en 1644 waarin hij o.a. Tasmanië en Nieuw-Zeeland ontdekte. Het museum ter plekke geeft antwoorden op de vragen wie deze 17e eeuwse ontdekkingsreiziger eigenlijk was en hoe hij zo ver van huis belandde?

Abel Janszoon Tasman

Toen Tasman in 1603 ter wereld kwam, lag Lutjegast niet ver van zee. Het kwam regelmatig voor de boeren in het rustige zomerseizoen naar zee gingen. Veel boerenzonen werkten tijdens hun jonge jaren als zeevarende, om zich later als boer aan land te vestigen. In het museum wordt ons verteld dat in boerenfamilies de oudste zoon vaak de boerderij erfde, de tweede zoon priester werd en de derde (en mogelijk volgende) zoon zeeman werd. Het is niet duidelijk of Abel een derde zoon was of dat hij ‘gewoon’ echt voor de zee gekozen heeft. Hoe dan ook, zoals uit de verhalen blijkt nam hij zijn carrière zeker serieus, hij studeerde navigatie, en kwam hij in 1633 in dienst van de VOC. Hoewel Abel Tasman zijn geboortedorp bij zijn tweede huwelijk, in 1631, heeft ingeruild voor Amsterdam, zal hij het nooit vergeten. Bij zijn dood in 1659 laat hij een bedrag na aan de armen van Lutjegast.

Het is maar een klein museum, toch zijn er veel verhalen en is er veel bewaard gebleven, al zijn het vaak kopieën. Zo is er ook een schilderij te zien van Abel Tasman met zijn familie uit 1637 toen hij al kapitein bij de VOC was, maar nog geen bekende ontdekkingsreiziger. De opstelling is symbolisch: Abel Tasman bij de wereldbol, afgebeeld als kundig navigator. Zijn vrouw geeft een appel aan hun dochter wat de overdracht van kennis aan de jeugd symboliseert. 

De familie Tasman in 1637

In 1636 emigreerde hij met zijn vrouw en dochter naar Batavia en in 1642 stelt Anthony van Diemen hem aan als commandant van de grote expeditie naar het Zuidland. Het was de meest ambitieuze ontdekkingsreis die de VOC ooit voorbereidde. De expeditie van Abel Tasman, in opdracht van Antonie van Diemen,  moest de kusten van het Zuidland in kaart brengen. De VOC dacht dat daar veel goud en zilver te vinden zou zijn. Letterlijk luidde zijn opdracht om, net als Christoffel Columbus en Amerigo Vespucci, een nieuw werelddeel te ontdekken dat de Republiek van goud en zilver moest voorzien. Tasman had ook als opdracht het land te onderzoeken dat toen bekend stond als Nieuw-Holland (het tegenwoordige Australië), waarvan de westkust al door Nederlanders ontdekt was, om vast te stellen of het land deel uitmaakte van het vermeende Terra Australis, een zuidelijk continent, dat zou moeten bestaan om de aarde in evenwicht te houden. Bovendien hoopte de VOC dat deze expeditie een veilige zeeweg naar Zuid-Amerika zou openleggen, want de Nederlanden waren in 1642 nog altijd in oorlog met Spanje en Portugal. Zeker een avontuurlijke en belangrijke reis!

Een kaart uit die tijd

Het verhaal gaat (opgetekend in dagboeken) dat de bemanning na zo’n 9000 km zeilen het eiland Tasmanië ontdekte, wat door Abel Tasman als het Antonie van Diemensland gedoopt werd. Deze naam werd later overgenomen door de Britten, die er, eeuwen later, de strafkolonie Van Diemensland vestigden. Hoewel ze hier aan land gingen om verse groenten en water te zoeken, hebben ze niemand van de lokale bevolking gezien ….. al hoorden ze wel muziek en zagen ze rookpluimen.

Alles nauwkeurig vastgelegd
Vakmanschap in de documentatie op reis

Verder naar het oosten kregen ‘Tasman en zijn mannen een groot hoog verheven land in zicht’. Ze zagen als eerste Europeanen de westkust van het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland. Tasman noemde het land Statenland, denkende dat het het eiland was zuidelijk van Kaap Hoorn, dat door Jacques l’Hermite (1582-1624), opperkoopman en Raad van Indië bij de VOC, zo was genoemd. 

Vlakbij de noordpunt van het Zuidereiland zette hij het anker uit in een baai. Bij het binnenlopen werd door een Maori op een soort trompet geblazen. Tasman liet deze begroeting op zijn beurt beantwoorden met trompetsignalen. De volgende dag werden vier scheepslieden, die in een prauw aan land wilden gaan, gedood. Waarschijnlijk werden de trompetsignalen van de vorige dag door de Maori’s als oorlogsverklaring uitgelegd. Tasman gaf deze plaats daarom de naam Moordenaarsbaai en besloot noordwaarts verder te zeilen.

‘Moordenaars baey’ als ankerplaats

Eerder dit jaar heeft het museum een bijzonder geschenk gekregen; een kostbare steen afkomstig van het Zuidereiland van Nieuw Zeeland. Pounamu is het Maori woord voor jade. De steen wordt gebruikt voor het maken van gereedschappen en sieraden, is als wapen symbolisch voor de macht van een stamhoofd en kan, zoals in dit geval, ook worden gebruikt als vredesgeschenk. We lezen dat een pounamu vaak de naam van een voorouder krijgt om die in herinnering te houden. Deze ‘groene steen’ is Ruamiki genoemd, door Doug Huria als woordvoeder van de Tumatakokiri, naar zijn betovergrootvader. Op deze manier vormt Ruamiki de link tussen de huidige Maori stam en hun voorvaderen waarmee Abel Tasman in aanraking kwam. We worden uitgenodigd om onze hand op de steen te leggen omdat dit ons een goede gezondheid, een lang leven en vooral voorspoed zou geven. Bovendien stimuleert groene jade liefde, trouw, vriendschap en wijsheid. Altijd het proberen waard, we weet krijgen we er iets van mee ;).

Altijd het proberen waard (RK)

We lopen verder over het oudste deel van Lutjegast, de Abeltasmanweg,  liggend op een smalle zandrug. Aan deze zandrug dankt Lutjegast dan ook haar naam; ‘lutje’ betekent ‘klein’ en ‘gast’ betekent hier ‘geest’ (=zandgrond). Aan het eind van het dorp ligt de monumentale boerderij Rikkerda. De in 1848 gebouwde boerderij met een voorhuis uit 1860 staat nog steeds naast het vroegere perceel waar de borg Rikkerda stond. Deze boerderij gold als een van de grootste in het Westerkwartier. Sinds 1978 is het een rijksmonument en, na een verbouwing, sinds 2004, is het in gebruik als bed & breakfast. 

B&B Rikkerda (foto internet)

De borg Rikkerda werd gebouwd in 1675, maar werd aan het begin van de 19e eeuw gesloopt nadat het werd gekocht door een houtkoper uit Warfhuizen. In 1836 verkocht deze houtkoper 23 bunder van de landerijen, waarna de boerderij werd gebouwd die dus dezelfde naam kreeg. Alhoewel de gebouwen op de gronden van het huidige Rikkerda al eeuwen de naam ‘Rikkerda’ dragen, is er van een familie Rikkerda maar weinig bekend. Sommige bronnen zeggen dat de Abt van Gerkesklooster grond heeft verkocht aan Reynardus Ryquerda (een landmeter uit Oldekerk) die hier zou hebben gebouwd.

Een iets uitgebreider verhaal over de borg

We lopen rondom de huidige boerderij, over het Rikkerdapad, en lopen via het veld richting De Baak, een kunstwerk van Rob Schrefel, dat officieel ‘Compositie in majeur’ heet, maar lokaal beter bekend is als De Baak. Het woord ‘baak’ heeft meerdere betekenissen. Het meest bekend is de term als aanduiding voor een markering in het land, een punt waarop je je oriënteert: een baken. Dat is precies wat het is. Het kunstwerk van zwerfkeien, in 2006 geplaatst in het kader van de herdenking van 400 jaar handelsbetrekkingen tussen Nederland en Australië, staat op een plek waar het letterlijk een baken in het landschap is. Het ligt op het noordelijkste puntje van een uitloper van het Drents Plateau, waar  de mensen vroeger op de hoge gronden aan de rand van de Lauwerszee woonden. Een mooie herinnering en een eerbetoon aan vroegere zeevaarders. 

Een baken in het landschap; de Baak

Ondertussen wordt het (Abel Tasman) pad steeds verrassender, overal groen soms behoorlijk nat en met, typisch voor het coulissenlandschap, steeds andere doorkijkjes.

Mooi groen
Soms een beetje avontuurlijk
Maar samen staan we sterk

Het is slechts een korte wandeling vandaag, dus voordat we het weten lopen we over de Caspar de Roblesdijk. Caspar de Robles was de (Spaanse) stadhouder van de drie noordelijke provincies van 1573 tot 1576, aan het begin van de 80-jarige oorlog. Hij liet een verbindingskanaal graven om een handelsroute tussen Leeuwarden en Groningen te realiseren; het Caspar de Roblesdiep. Zijn naam bleek voor veel mensen echter zo onuitspreekbaar dat het in de volksmond al snel werd verbasterd tot het Kolonelsdiep. Of zat hier toch wat anders achter?

Even later lopen we al in de fraaie ‘Notoaristuun’ van Grootegast, die notaris Hofstede in 1884 achter zijn woning aan liet leggen. Een mooi besluit van een wandeling die vooral verliep in de voetsporen van………

Mooi licht in de Notoaristuun (RK)

‘Natuurontdekpaden’

Knp: 72-71-84-83-69-64-65-48-47-54-53

De eerder ‘overgeslagen’ stukken hebben we inmiddels gelopen waardoor we nu weer echt verder kunnen, d.w.z. we lopen vandaag van het Blotevoetenpad in Peebos naar Lutjegast. Een traject wat bijna geheel bestaat uit ‘natuurontdekpaden’, paden waarbij je ‘haast spelenderwijs van alles leert over de natuur in deze omgeving’. 

Doezumermieden en rivier de Lauwers (foto internet)

We starten in Peebos (lokaal ook Piebos), een gehuchtje net op de grens met Friesland. De naam komt van een bos dat hier ooit stond en mogelijk eigendom was van iemand die  Pebe (Piebe) heette. Vroeger werd het dan ook wel Pebebosch genoemd.

We lopen meteen de natuur in waar we over het Pettenpad al slingerend langs verschillende borden lopen waarop dieren (groter en klein) zijn uitgebeeld met daarnaast een gedichtje en soms met een opdracht erbij. Hoewel het natuurlijk bedoeld is voor kinderen, vind ik dit ook zeker de moeite waard en ik heb dan ook alle borden met interesse en plezier gelezen.

Informatieve borden langs het Pettenpad
Eentje om te lezen……..

Het gebied rond het Pettenpad wordt als volgt beschreven: ‘Hier grensden ooit land en (Lauwers)zee aan elkaar, zoet water botste op zout en geulen en slenken sleten door de zandruggen als een warm mes door de boter. Het is daardoor een afwisselend landschap geworden, met poelen en petgaten, boomwallen en open weilanden. Het resultaat is dit breiwerk van natuur, emotie en geschiedenis.’ 

Soms is het wel even zoeken naar de juiste weg 😉

Op dit eerste stuk van de route leren we van alles over petgaten, de stroken waar veen is afgegraven en die daarmee heel kenmerkend zijn voor een veenlandschap. Zulk laag en nat land is een mooie voedingsbodem voor (sterke)verhalen als een waarschuwing, waaronder dat van de ‘baggelbeer’. Luister maar: ‘Overal waren petgaten, overgebleven na de winning van baggelturf (baggelturf was van hogere kwaliteit dan hoogveenturf (droog gestoken turf), het was harder en brandde langer). De bodem bestond uit modder. Als je in die modder terecht kwam, was het net drijfzand. Hoe meer je probeerde er uit te komen, hoe dieper je wegzakte. Omdat het daar in de petgaten best gevaarlijk was vertelden ouders hun kinderen over de baggelbeer. Een gevaarlijk monster, groter dan een mens, met vreselijke klauwen, die herten, schapen, ja zelfs kinderen, opat. Ooit was er een jongen van de Peebos verdwenen en nooit meer teruggevonden. Ja, alleen een halve klomp, dat moest wel het werk van de baggelbeer zijn geweest. Dus…. luuster goed noar jim pabbe en moeke en kiek goed uut veur de baggelbeer.’ 😉

De gemeente is druk bezig met herstelwerkzaamheden. Zo hebben ze in dit natuurgebied diverse bomen en struiken weggehaald, op sommige plekken de toplaag van de grond verwijderd en hebben ze gedempte petgaten open gegraven zodat veenmossen (zeer water vasthoudend) weer kunnen groeien. Op deze manier zijn veel traditionele petgaten hersteld en worden ook trilvenen en veenmosrietland in stand gehouden. Goed voor de leefomgeving! In de petgaten drijft het groene krabbenscheer waarvan de witte bloemen vanaf mei t/m juli in bloei staan. Het leuke aan deze plant is dat de groene glazenmaker, een zeldzame libelle, erin voorkomt. Helaas hebben wij die niet kunnen ontdekken. Sowieso zijn de petgaten soms moeilijk te zien door al het hoge riet.

Een langgerekt petgat is in ere hersteld

Tussen de petgaten vind je de historische legakkers, waar turfstekers het veen, vol water en in stukken gesneden, te drogen legden. Deze legakkers vormen nu de basis van de paden waarop we lopen. In de Doezumermieden (mieden = lage graslanden) worden drie ‘natuurontdekpaden’ gecombineerd. Het Pettenpad langs de petgaten, het Melle’s pad waarover later meer en het Pebespad wat beide andere paden onderling verbindt. De paden worden ook wel laarzenpaden genoemd, want het is dikwijls ‘soppen’ geblazen.

Soms is het soppen…..

Inderdaad lopen we regelmatig door natte zompige delen pad maar over het geheel valt het me alles mee. Daarnaast ervaren we op sommige andere plekken het trilveen. Het lijkt  wel of de grond dan iets terugveert als we erover heen lopen, een beetje een trampoline gevoel. Bijzonder! Al wandelend krijgen we hier absoluut het gevoel in een afgelegen gebied te zijn. Om ons heen horen we alleen de geluiden van de natuur en de omliggende dorpen lijken heel ver weg. 

Lopen midden in de natuur (RK)

Ondertussen zijn we aangekomen bij rivier de Lauwers, een riviertje dat voor een deel de grens vormt tussen de provincies Friesland en Groningen. Ten tijde van Karel de Grote (vanaf 25 december 800 keizer van het Heilige Roomse Rijk) werd de rivier vermoedelijk ‘Lawiki’ (Laviki, Lauuichi of Laueke) genoemd wat ‘de liefelijke’ betekent en weer verwant is met het Gotisch woord ‘galaufs’ wat je kunt vertalen met  ‘aangenaam’. De grens bleef in de loop der eeuwen gehandhaafd. Aanvankelijk was de grens van minder belang want zowel ten westen als ten oosten van de Lauwers bestond geen centraal bestuur. Door de opkomst van de stad Groningen veranderde dit echter. De Lauwers vormde tot ongeveer 1500 eveneens de taalgrens tussen de twee varianten van het Fries dat ooit gesproken werd. Het Westerlauwers Fries is het Fries dat nu nog steeds gesproken wordt in Friesland. De tegenhanger, het Oosterlauwers Fries, is een taal die nu bijna helemaal is uitgestorven. Op Schiermonnikoog wordt nog wel een dialect gesproken, het Schiermonnikoogs, dat enigszins verwant is aan het Oosterlauwers Fries en sporen bevat van de vroegere taal. Grappig toch dat je zo overal verhalen kunt ontdekken?

De rivier de Lauwers als grens (RK)

Ik weet eigenlijk niet precies waar het Pettenpad overgaat in het Pebespad en later in het Melle’s pad. Wel lopen we onderweg nog door het Bosch van Pebe, wat dus wat verder weg ligt dan het gehuchtje Peebos doet geloven. Dit zal dan wel een onderdeel van het pad naar zijn naam zijn, toch?

Bosch van Pebe
Een heel ander landschap…..

Hierna lopen we verder via planken naar de overkant van diverse slootjes en via heel veel houten klaphekjes om uiteindelijk aan te komen op Melle’s pad, waar we zelfs in een gastenboek onze ervaringen kunnen optekenen (haha).

De bruggetjes …..
…… en heel veel klaphekjes (RK)

Dit pad draagt de naam van Melle Visser. Melle en z’n vrouw Lamke hadden achterin Peebos (bos van Pebe) een keuterbedrijfje, een paar koeien en wat aardappelen op een paar hectare, wat hij later aan Staatsbosbeheer verkocht. Onder de bevolking ontstond daarop wrevel omdat zij de gebieden van Staatsbosbeheer niet mochten betreden. Daarom werden later dus deze wandelpaden aangelegd die verwijzen naar de historie van het gebied.

Wat we al niet tegenkomen 🙂
Er ligt zelfs een echt gastenboek in !

Het is nog een klein stukje naar Lutjegast, maar de verrassingen zijn nog niet voorbij. We zien opeens een bord met ‘Bombay’ of eigenlijk ‘De Bombay’ wat je uitspreekt als Bombaai. Een vreemd exotische naam in een stukje niemandsland in ‘ons’ Westerkwartier.

Een verrassende plaatsnaam

De Bombay is een streek dat ooit De Uithorn (horn = hoek) heette. Die naam verdween echter in de jaren 1960 van de kaart. Daarna is het vernoemd naar de eromheen gelegen polder Bombay, die haar naam weer ontleent aan de vroegere poldermolen Bombay, die hier in 1878 werd gebouwd ter bemaling van de polder. De molen was bekender dan het plaatsje (net als bij Electra). De herkomst van de naam Bombay is onbekend. Mogelijk is het een verwijzing naar een afgelegen plek, het idee van een soort ‘verwegistan’, maar er wordt ook weleens gezegd dat er een relatie zou zijn met het Bomsterzijlvest die zich in dezelfde hoek van de provincie bevond.

De molen bestaat (gedeeltelijk) nog steeds, op plek waar de Doezumertocht de bocht van negentig graden maakt. In 1998 werd de molenromp echter verbouwd tot woonhuis. De Molendatabase schrijft hierover: ‘Hierdoor is de molenromp wel zo grondig aangepakt, dat de historische waarde van deze molenromp bijna geheel is vernietigd.’ In de 21e eeuw waren er plannen om een grote waterplas met jachthaven aan te leggen (door een deel van de polder onder water te zetten) en er 500 vakantiewoningen te bouwen. Dit is echter nooit van de grond gekomen.

De tot woonhuis omgebouwde molen Bombay (foto internet)

Voldaan komen we aan in Lutjegast waar ons een volgende keer vast weer nieuwe verhalen wachten. Tenslotte is Lutjegast de geboorteplaats van ontdekkingsreiziger Abel Tasman, een feit waar we nu al niet omheen kunnen!

Langs het pad naar Lutjegast

Etappes als deze maken het wandelen en het ontdekken van de natuur rondom ons zeer de moeite waard!

‘Loop mor deur’

Knp: 18-14-15-8-11-9-16-92-52-54

Opmerkelijk genoeg leer ik dat ‘onze’ gemeente een eigen dialect heeft en dat het Westerkwartiers (Westerkertiers) van alle Groningse dialecten het meest op het Fries lijkt. Evenals het Fries bezit het Westerkwartiers geen werkwoorden met wederkerende voornaamwoorden. Zo wordt ‘zich wassen’ b.v. ‘hom wassen’, terwijl in de rest van Groningen ‘zuch wassen’ of ‘zok wassen’ gebruikt wordt. Ook het woord voor ‘in’ is in dit gebied ‘ien’, in uitspraak gelijk aan het Friese ‘yn’. Zelfs binnen dezelfde provincie kun je dus al spraakverwarring krijgen ;).

Nu beheers ik geen enkel Gronings dialect, maar met een beetje moeite is het wel te begrijpen. Zo lees ik een ‘Westerkwartiers’ verhaal wat zich afspeelt in het gebied waar we vandaag gaan lopen; de Jilt Dijksheide. ‘Een arme boer woonde in een heel klein boerderijtje met zijn vrouw, een koe, wat schapen en een paar varkens. Al met al geen vetpot! Dat najaar had de boer al een paar keer een witte haas op de Jilt Dijksheide gezien. Een vette haas die de stroper echter steeds te slim af was. Nu het winter was ging de haas op zoek naar voedsel en had de boer hem dicht achter zijn huis gezien. ‘Ik goa dommit nog eemen t veld ien! Die verrekte witte hoas liep hier om en ik zil m kriegen. Mörgen n lekker stukje vlees ien e pan’. Zijn vrouw steekt hem de gek aan. ‘Bist al zo voak achter die hoas aan west. Hij is veul te tuuk veur dij. Butendes, zilst hem niet eens zien  ien de snij. Allemoal wit met nander!’ 

Goed te begrijpen toch?

De Jilt Dijksheide is één van de weinige heidevelden in de provincie Groningen en het laatste heideveld van het Westerkwartier. We zijn nog wat vroeg in het jaar, maar zien toch al een paarse zweem over het land tevoorschijn komen, terwijl een eindje verderop koeien druk bezig zijn het gras tussen de heide weg te grazen.

Een eerste zweem paars tussen het gras

De naam zegt het eigenlijk al, dit heidegebied was vele generaties in het bezit van de familie Dijk. Jilt Dijk, één van de kinderen uit deze familie, heeft hier nog lang turf gestoken. Pal langs de Jilt Dijksheide loopt een oude trambaan. Deze lijn werd in 1913 aangelegd en onderhield een lijndienst tussen Groningen en Drachten. Het werd later ook wel de Philips-lijn genoemd, omdat deze in Drachten gevestigde firma de lijn gebruikte voor het transport van goederen. De lijn deed nog tot 1985 dienst en werd daarna volledig ontmanteld. Over het voormalige tracé loopt nu een fietspad. We zien op onze wandeling geen restanten van deze oude trambaan, maar het is wel interessant om je te realiseren dat het landschap steeds verandert.

Overal vind je informatieborden …….

We lopen verder het bos van Trimunt in. De naam Trimunt verwijst naar het klooster In Tribus Montibus (= bij de drie bergen) dat hier in de middeleeuwen heeft gestaan. Van het vrouwenklooster is niet veel bekend, maar oorspronkelijk hoorde het tot de orde van de benedictinessen. In de veertiende eeuw kwam het onder de hoede van het klooster van Aduard en werd het een cisterciënzerklooster. Vandaag de dag is het klooster verdwenen en kan ook niet meer bepaald worden wat de exacte ligging ervan was. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is er op Trimunt een radarstation gebouwd door de Duitsers. De bedoeling was dat deze vliegbasis Leeuwarden zou ondersteunen, maar de basis was niet voor het einde van de oorlog voltooid. De bunkers van deze basis staan nog in het ontginningsbos en zijn half in de grond weggezakt. Ook zijn tijdens de april-meistakingen in 1943 16 bewoners uit de buurt op Trimunt doodgeschoten, waaronder een jongen van 13 jaar. Ter nagedachtenis aan hen is er een monument, omringd door 16 eiken, opgericht op de plek waar de executies hebben plaatsgevonden, waar ze elk jaar op 4 mei nog worden herdacht.

Licht en donker in het bos van Trimunt (RK)
Het lichtspel blijft fascinerend (RK)

Zo ontdekken we steeds weer iets nieuws en zijn er iedere keer weer verhalen en plaatsen waar we (nog) zo weinig van weten. Dat geeft het wandelend ontdekken van onze gemeente zeker een extra dimensie. Dus we lopen door om een deel van een gedicht van Geert Zijlstra uit 2011 in het Westerkwartiers te citeren: ‘Loop mor deur, met dien kop een e wind, loop mor deur – Loop mor deur, dizzy wereld is dienent, loop mor deur – Loop deur, loop deur, kiek niet achterom – Want ver veur dij uit, lijt e horizon – Soamen onderweegens, de zun die schient – Soamen onderweegens, de wiede wereld ien!’

We lopen letterlijk op de grens tussen Groningen en Friesland. Anderhalve eeuw nadat beide provincies hun grenzen hadden bepaald, werd de scheidslijn in 1874 gemarkeerd met 25 ijzeren grenspalen. Al voor de turfwinning begon waren er in dit ontoegankelijke hoogveengebied grens-geschillen over het weiden van schaapskudden uit de omliggende dorpen. In 1724, gelijktijdig met het vaststellen van de provinciegrens, werd een grens tussen Ureterp (Opsterland) en Smallingerland getrokken: ‘in een rechte lijn tussen de in 1644 gegraven Nautagreppel en de Puntpaal’. Ureterp krijgt er een hele punt bij. Het is mogelijk dat de Puntpaal zijn naam aan deze gebeurtenis ontleent, maar het zou ook kunnen dat deze paal op dit punt al eerder een oude grensmarkering vormde. Zo’n 150 jaar later zijn er van de 25 palen 4 palen verdwenen, maar is de rest nog terug te vinden in allerlei gedaantes: van prachtig, historisch verantwoord, gerestaureerd of fantasievol opgeschilderd tot volkomen vervallen en onttakeld. Wij lopen langs De Puntpaal. Deze ligt aan de Scheiding (Skieding) waar deze de Leidijk kruist en markeert ook de plaats waar vier gemeenten bij elkaar komen: Grootegast en Marum aan de Groningse kant en Opsterland en Smallingerland aan de Friese kant. Dit is één van de gerestaureerde palen, strak wit in de verf met aan beide kanten een provincieschildje en het nummer (nr 13) duidelijk zwart geverfd. Voor de oude grenspalen was destijds bepaald dat het provinciewapen aan de kant van het eigen grondgebied moest zijn aangebracht in tegenstelling tot de provinciegrens van nu. 

Het verhaal over ‘De Skieding
Grenspaal 13 (RK)

Het laatste stukje van onze wandeling lopen we vandaag in Friesland. De grootschalige vervening in de omgeving van Drachtstercompagnie is in de zeventiende eeuw gestart vanaf de Noorderdwarsvaart in Drachten en heeft zich steeds verder uitgebreid tot aan ‘De Skieding’, de grens met de provincie Groningen. In 1641 kwamen ook Hollandse geldschieters naar hier. Er werden vaarten en dwarsvaarten gegraven en loodrecht op die dwarsvaarten werden weer brede sloten in het veen gegraven, de zogenaamde ‘wyken’ (wijken). Het veen waterde op deze wijken af waarop de met ‘bruin goud’ volgeladen pramen en skûtsjes de turf konden vervoeren naar de nieuwe eigenaren. Een hele bedrijvigheid in die tijd. Veel van die ‘wyken’ bestaan nog en geven een beeld van hoe het landschap er toen uitgezien moet hebben.

Overal ‘wyken’

In Drachtstercompagnie lopen we langs een begraafplaats met een prachtige klokkenstoel, een stellage waarin een (of meerdere) klok hangt, bedoeld ‘om de doden te beluiden’. De klokkenstoel als losstaand bouwwerk dankt zijn ontstaan waarschijnlijk aan het feit dat bepaalde gebieden in Friesland te arm waren, of de gemeenschappen te klein, om een eigen kerk te bouwen. Soms werd er een kerkje gebouwd zonder toren en werd de klok in een aparte klokkenstoel geplaatst. Slechts enkele klokkenstoelen bevinden zich buiten de provincie Friesland en daarom mag de klokkenstoel een typisch Fries bouwwerk genoemd worden.

Typisch Fries (foto internet)

Naast deze klokkenstoel heeft oorspronkelijk wel een kerk gestaan, maar die is in 1979 afgebroken. Een miniatuur model staat nu op datzelfde pleintje naast een grafsteen met een informatiebord van Pieter Klazes Pel.

Een replica van de oorspronkelijke kerk
Informatie naast de grafsteen van deze bijzondere man

Deze Pieter Klazes Pel (1797-1878) was hoofdbestuurslid van de Friesche mij. van landbouw, gemeenteraadslid en werd in 1855 tot wethouder verkozen. Aanvankelijk was hij ‘genees-, heel- en vroedmeester’ in Oenkerk maar na overlijden van zijn echtgenote en de pasgeboren tweeling vestigde hij zich in 1821 als huisarts in Drachten. Hij was een veelzijdig man en heeft veel voor de ontwikkeling van Drachtstercompagnie en de wijde omgeving gedaan. Hij ‘wordt door velen nog lang dankbaar herdacht’. Bijzondere mensen vind je echt overal.

Loop mor deur!

Veenwandeling

Knp: 54-44-43-42-21

Volgens de deskundigen hebben we te maken met de op één na natste lente ooit gemeten. Over het hele land viel 254 millimeter regen, tegen normaal maar 157 millimeter. Alleen in 1983 hebben we een nog nattere lente gehad. Ook was de lente record warm met een gemiddelde temperatuur van 11,7 graden tegen 9,9 graden normaal. Dat staat gelijk aan het record gemeten in de lente van 2007. El Niño. het natuurverschijnsel waarbij het zeewater voor de kust van Peru en Ecuador opeens heel sterk opwarmt, waardoor het hele weer op zijn kop komt te staan, heeft zeer waarschijnlijk een rol gespeeld in de natte lente dit jaar. Inmiddels is deze lente overgegaan in een even natte en zeer wisselvallige zomer. Het wil nog niet zo lukken met de zon en de warmte op een enkele uitspatting na.

De waterdruppels zijn nog zichtbaar 😉

We moeten onze momentjes om te wandelen daarom zorgvuldig plannen. Vandaag lijkt het in ieder geval een vrij droge dag te worden, dus we trekken onze wandelschoenen aan en kiezen voor een korter stuk op onze route, n.l. van Drachtstercompagnie naar Houtigehage. Daarmee lopen we in de ‘Friese plus’ van het pad rondom onze gemeente. 

Drachtstercompagnie is in de tweede helft van de 18de eeuw ontstaan uit een paar gehuchtjes aan het water. Aan het einde van die eeuw meldde een beschrijving dat er in het oosten een grote uitgestrektheid aan ‘hoog en vergraaven Veenland, naast aan de Drachten, tot aan de Ommelanden uitloopt, onder den naam van Folger Veenen’, het huidige Drachtstercompagnie met een ‘verscheidenheid van buurten en huizen.’ Na afloop van de verveningen in deze hoek trokken de meeste veenarbeiders verder naar plaatsen waar nieuw werk lag te wachten. Net als andere dorpen heeft Drachtstercompagnie haar naam eigenlijk te danken aan de vervening.

Kleur tussen het groen (RK)

De verveners, verenigd in de ‘Drachtster Compagnie’ lieten vaarten en wijken graven om het veen droog te leggen en vervolgens om de turf te winnen en te vervoeren. Terwijl de oprichters van de Compagnie steenrijk waren, waren de turfstekers zelf vaak straatarm. Ze woonden in primitieve hutten van zoden en plaggen, zogenaamde spitketen. Zelfs vrouwen en kinderen moesten helpen met het zware werk om te zorgen dat het gezin kon rondkomen. In het begin van de negentiende eeuw was het landschap grotendeels in cultuur gebracht. Langs de vaart werden boerderijen gebouwd, waar de arbeiders gingen werken. Het werd nu ook echt een dorp, waarbij de verschillende buurtjes langzaam maar zeker naar elkaar toe groeiden.

Aan de Aldewei in Drachtstercompagnie staat sinds 1989 een kunstwerk dat de geschiedenis van het dorp weergeeft. De drie gestapelde hardstenen rechthoeken verbeelden de lagen turf, die als het ware uit de grond steken. De roestvrijstalen buizenconstructie houdt de lagen gescheiden en omkaderd de hardstenen vorm. 

‘De gelaagdheid van turf’ van Henk Rusman (internet)

We starten aan de rand van het dorp en lopen bijna meteen een bospad op richting Rottevalle. We lopen langs bospaden, maar ook veel over fietspaden langs de weg. Een koppeltje zwanen trekt onze aandacht. Een symbool voor de liefde, want ze zijn één van de weinige diersoorten die monogaam zijn. Wanneer de partner overlijdt, nemen ze ook echt de tijd om een nieuwe relatie aan te gaan. Grappig weetje: volgens een oude wet is het staatshoofd van het Verenigd Koninkrijk eigenaar van alle knobbelzwanen in Engeland en Wales. In de middeleeuwen (en nu nog steeds) was zwanenvlees een delicatesse voor de rijken; zo is de wet ontstaan. Ik heb nog nooit ergens zwanenvlees op het menu zien staan, maar wij behoren dan ook niet tot de rijken ;).

De koninklijke zwaan (RK)
Vissers in de regen (RK)

Rottevalle is ontstaan in het midden van de 17e eeuw en bestond toen uit niet veel meer dan een herberg, een bierbrouwerij en een molen. Alles wat belangrijk is om te kunnen overleven in het veen …… alhoewel een kerk ook beslist belangrijk was, want de mensen hadden een enorm ontzag voor het veen. Hier huisden goden en geesten die je maar beter gunstig kon stemmen. Het veen/moeras was moeilijk toegankelijk en behoorlijk angstaanjagend, zeker bij nacht, en werd liever gemeden. De vaak voorkomende grondmist droeg nog bij aan het griezelige karakter.

Coulissenlandschap (RK)

De naam van het dorp komt van de sluis die door haar vorm de bijnaam Rattenval had. Tot 1956 liep het riviertje de Lits nog dwars door het dorp. In dat jaar werd dat deel van de Lits gedempt en om het dorp gelegd. Het is een pittoresk dorp met in het hart van het dorp de monumentale Herberg van Smallingerland, een rijksmonument met de sfeer van weleer. Het bouwjaar zou, volgens de datering in een houten stijl, 1791 kunnen zijn, maar dit jaartal kan ook refereren aan een verbouwing of een andere gedenkwaardige gebeurtenis. Zeker is wel dat er op de locatie van De Herberg al in 1734 een pand stond waar pachtgeld geïncasseerd werd.

Straatje in Rottevalle
Graffiti in het fietstunneltje

Na Rottevalle is het verder richting Houtigehage. Deze plaatsnaam zou zijn afgeleid van smalle stroken land (hage) die met houtige struiken waren begroeid. Rond 1900 heerste er veel armoede in en rond Houtigehage. De bewoners woonden in spitketen en het analfabetisme was hoog. In deze tijd trok predikant Johannes Antonie Visscher met zijn vrouw en een kofferorgeltje in een kruiwagen hier door het gebied om geïmproviseerde kerkdiensten te houden. Naast preken bekommerde hij zich ook om de erbarmelijke sociale omstandigheden. Een gedenksteen in de kerk met zijn naam herinnert hier aan. 

Ter herinnering aan ………
Aanwijzingen te over

Pas halverwege de twintigste eeuw werd de turfwinning uiteindelijk weggeconcurreerd door de opkomst van andere fossiele energie, zoals olie en gas.

Een kleine wijngaard vlakbij Houtigehage

De voorwerpen en lichamen die bij de turfwinning tevoorschijn kwamen, zijn niet bij toeval in het veen terechtgekomen. Je verwacht namelijk weinig in het moeras te vinden omdat de oude nederzettingen en begraafplaatsen zich op de hogere zandgronden bevonden. De mens had uit economisch oogpunt immers niet veel te zoeken in de gevaarlijke en onbewoonbare moerassen. De meeste in het veen gevonden voorwerpen zijn individuele vondsten, het gaat steeds om één voorwerp. Bovendien gaat het meestal om min of meer complete voorwerpen die nog goed bruikbaar waren op het moment dat ze in het veen terechtkwamen en dus een bepaalde waarde vertegenwoordigden. Dit betekent zeer waarschijnlijk dat ze er bewust neergelegd zijn en dit kan alleen gebeurd zijn als een offer. Je offert aan een hogere macht in de hoop daarvoor iets terug te krijgen. Dit kan variëren van regen, een goede oogst en gezondheid tot een omvangrijk nageslacht. Of de belofte een dankoffer te brengen als aan de wens of behoefte is voldaan of wanneer een bepaald probleem verholpen is. Regelmatig zijn bij het turfsteken ook menselijke resten in het veen gevonden. In die gevallen werd meestal onmiddellijk de politie erbij gehaald, omdat men in eerste instantie uitging van een recente misdaad. Veel later werd bedacht dat de dood mogelijk in een ver verleden kon zijn ingetreden. Maar of het hier dan ook om offers gaat? 

Huisje ter vervanging van de spitkeet
Nu museum ‘t Wâldhûske

Het is ook vreemd om je te bedenken dat er zo’n drie eeuwen geleden nog werd gecontroleerd op de grens tussen Groningen en Friesland. In de eerste helft van de 18de eeuw was een groot deel van de grens tussen het Groninger Westerkwartier en het aangrenzende Friesland min of meer een niemandsland. Pas in 1737 zouden de grenzen tussen beide provincies officieel worden vastgelegd. Vanaf Groningen liep een aantal verbindingen door het Westerkwartier naar Friesland, waarvan eentje tussen Trimunt en Rottevalle. Dit pad, een smokkelroute, liep achter Drachtstercompagnie langs door het veen. Bij het grensdorp Frieschepalen waren drie ‘cherchers’ gestationeerd, een  soort belastingambtenaren die ervoor moesten zorgen dat er geen zaken, waarop invoerbelasting werd geheven, over de grenzen zouden worden gesmokkeld. In totaal waren er hier in de buurt slechts zes van dergelijke beambten wat niet veel is voor een groot, onoverzichtelijk grensgebied. De ‘sluikers’ (smokkelaars) noemden zichzelf ‘passagiers over de heide’ en riepen de cherchers op zich vooral niet te bemoeien met hun nachtelijke tochten. 

Smokkelverhalen op de grens tussen Groningen en Friesland (internet)

Een veenwandeling lijkt door zulke verhalen wel wat op een avonturentocht. Het heeft wel iets om al wandelend de verhalen te ontdekken over een bepaald gebied en zo (nog) beter te begrijpen hoe het landschap om ons heen is ontstaan en gevormd.