VERWACHTING (Drenthepad)

Drenthepad: kaarten 39 & 40

We hebben allemaal verwachtingen over hoe iets zou moeten verlopen of hoe je wenst of hoopt dat iets verloopt. Vandaag zijn onze verwachtingen hoog gespannen, onze tocht van Buinen naar Odoorn gaat ons, op papier, veel hoogtepunten opleveren. We gaan lopen door een boswachterij met een hunebed en grafheuvels, we gaan iets zien van de grootste radiotelescoop ter wereld en gaan (eindelijk) beleven hoe een grote kudde Drentse heideschapen op de heide graast. Hoewel ze wel eens zeggen dat te hoge verwachtingen niets anders zijn dan toekomstige teleurstellingen, laten we ons hierdoor niet uit het veld slaan. We zijn er klaar voor, laat het avontuur maar beginnen! De regen is gestopt en een waterig zonnetje probeert aan kracht te winnen. We starten onze wandeling op het Buinerveld met een grote groep honden om ons heen die zin lijken te hebben in hun trainingsdag als reddingshond. ‘Och’, zegt een van de begeleiders, ‘flink aan de wandel? Mocht je verdwalen, bel ons dan maar. We zijn er klaar voor.’ Kijk, dat is toch een fijn idee.

Zoveel kleuren groen

De hele Hondsrug bestaat uit verschillende boswachterijen die allemaal sporen uit het verleden herbergen. Naast hunebedden en grafheuvels zijn dat ook de keiwegen. Deze keiwegen zijn gemaakt van veldkeien die lang geleden met het landijs vanuit Scandinavië zijn aangevoerd. Tijdens het omspitten van de grond voor de bosaanplant kwamen ze tevoorschijn en zijn toen gebruikt om de zandwegen te verharden. Naast deze keiwegen zien we echter ook grote keien waarop nummers zijn geschilderd. Die keien zijn zogenaamde ‘vakstenen’. De boswachterijen in Drenthe zijn in het begin van de vorige eeuw aangelegd volgens een vast patroon bedoeld voor het kunnen oogsten van hout. De aanplant van deze productiebossen ging ten koste van ‘woeste’ grond. Heideterreinen werden ontgonnen en daarin werden percelen of vakken ingeplant met een bepaalde boomsoort. De vakken werden vervolgens voorzien van een vaksteen, zwerfkeien met een nummer. Om die percelen heen werd vervolgens een brede zand- of keiweg aangelegd voor het transport na de kap. In boswachterij Exloo houdt Staatsbosbeheer vast aan deze indeling van vroeger omdat het enerzijds belangrijk is de bosbouw geschiedenis in Nederland te laten zien en anderzijds omdat het duurzaam oogsten van hout hoog op de agenda staat. Jaarlijks wordt in Nederland 13 miljoen kubieke meter hout gebruikt, waarvan ongeveer 1 miljoen kuub in eigen land geproduceerd wordt. Staatsbosbeheer draagt hier ongeveer 300.000 kuub aan bij, de rest wordt dus uit het buitenland gehaald.

Een oude markesteen met de eikenboom ernaast (RK)

Ondertussen zijn we aangekomen bij een markesteen. Deze rechtopstaande steen vormde, tot het midden van de 19e eeuw, het grenspunt tussen het grondgebied (marke) van de dorpen Exloo, Ees en Buinen. De grote eik ernaast is nauw met de steen verbonden, want bij een grensgeschil kon de steen immers wel worden weggesleept, maar de boom zeker niet. Al deze weetjes onderweg, op borden vermeld, voegen beslist iets toe. 

Hunebed D30
Grafheuvel iemenhees verstopt in het groen (RK

De weg voert ons, zoals verwacht, langs een hunebed en grafheuvels. Zoals bekend zijn hunebedden de restanten van stenen grafkelders. De meeste van de overgebleven hunebedden zijn niet compleet. Ze zijn in de vorige eeuwen gesloopt om de stenen te hergebruiken voor o.a. de fundering van kerken of de aanleg van wegen. In de 18e eeuw was de paalworm oorzaak van het slopen van vele hunebedden. De houten palen van de zeedijken werden aangetast, waardoor er een grote behoefte aan stenen bestond. Hunebed D30 ligt wat bleekjes vlakbij een weg met een fietspad. Het hunebed is een aantal jaren geleden beklad, waarna het grondig schoongemaakt is. Dit verklaart misschien waarom er niets groeit op de stenen? Een hunebed bestond uit een dubbele rij draagstenen met daarop dekstenen als een dak. De toegangspoort werd gebouwd in de richting waar de zon opkwam. De ruimten tussen de draag- en dekstenen werden met stopstenen gevuld en vervolgens bedekt met zand en zoden. D30 met 3 dekstenen (van de 4) en 8 draagstenen is bijna 7.5 meter lang en ligt noord-zuidelijke richting. Door de zuurgraad van de Nederlandse bodem zijn alle menselijke resten in de grafkelder volledig vergaan. In deze grafkelder zijn wel scherven gevonden van meer dan 65 potten. De volgende generaties begroeven hun doden in grafheuvels, waarvan er in de omgeving 7 liggen. Eén van de grafheuvel heeft zelfs een naam, grafheuvel iemenhees. Geen idee waarom. 

Monument voor Geallieerde Vliegers (RK)

So far so good…..we lopen weer door een prachtige omgeving en onze ‘honger’ naar het onverwachte wordt tot nu toe zeker bevredigd. We passeren ‘schuin links tussen percelen 115 en 116’ een Amerikaans vliegtuigmonument. Het ‘Monument voor Geallieerde Vliegers’ in Exloo herinnert aan tien omgekomen bemanningsleden van een Liberator B-24 bommenwerper die hier tijdens de Tweede Wereldoorlog is verongelukt. Ter nagedachtenis aan de bemanningsleden zijn in 1946 -1947 door Staatbosbeheer tien veldkeien gelegd op de plaats waar het vliegtuig is neergestort. Bij iedere kei is een beuk geplant, want de beuk symboliseert o.a. wijsheid, geborgenheid en troost. Bij het monument zijn twee bankjes geplaatst om in stilte te herdenken, de serene rust om je heen te ervaren, om een beetje te mijmeren of ‘gewoon’ als rustmomentje voor jezelf. Je ervaart hier de innerlijke rust waarover zoveel gezegd wordt! Rust is de bekende toestand na inspanning waarin er geen activiteit is, maar de diepere betekenis is ook ‘rust in je hoofd’. Innerlijke rust is dan ook een combinatie van geestelijke en lichamelijke rust, een soort ontastbaar gevoel wat we allemaal nastreven. Omdat je wordt opgeslokt door het leven van alledag wordt deze rust steeds schaarser en dus waardevoller. Op het moment dat je ervoor kiest zelf de controle te hebben over jouw gevoelens, ben jij in staat om je innerlijke rust te handhaven. Dit klinkt natuurlijk allemaal veel gemakkelijker dan het in werkelijkheid is, maar we ervaren hier zeker een klein momentje van zowel lichamelijke als geestelijke rust, terwijl we genieten van de wind, het ruisen van de bomen en de stilte om ons heen terwijl het zonlicht ons verwarmt en met haar stralen strepen licht door de bomen trekt. Gun jezelf rust, uit rust komt de kracht.

Moet je kijken, wat een pracht……

Ten zuidwesten van Exloo ligt een groot heideveld in een glooiend landschap met de bijzondere naam Molenveld. Bijzonder omdat er geen molen te bekennen is. In de korte periode dat Exloo wel een molen had, heeft de molen kennelijk veel indruk gemaakt. Heide is ontstaan in de middeleeuwen door het kappen van het bos. Op de overgebleven kale gebieden ontstond heide waar de vele koeien/ossen en later ook schapen graasden. De eerste vermeldingen van Drentse heideschapen, het oudste schapenras van het vasteland van west Europa, stammen uit de 15e eeuw. Vroeger waren de schapen eigendom van diverse boeren. De herder of ‘scheper’ bracht de schapen ’s ochtends naar de hei om ze ’s avonds terug te brengen naar de stal. Schapen werden toen gehouden voor wol, vlees en vooral voor de productie van mest. De stallen werden jaarlijks met verse plaggen bedekt en de plaggen met mest werden naar de akkers gebracht als bemesting. Met de komst van kunstmest daalde het aantal schapen en was het Drents heideschaap, ‘de vroegere basis van de boereneconomie’, gedoemd tot uitsterven als er in 1949 niet een kudde was gesticht met restanten van min of meer raszuivere dieren van verschillende kuddes uit Nederland. Op de heide hier kun je vandaag de dag nog steeds een schaapskudde van zo’n 250 Drentse heideschapen uit het dorp tegenkomen.

Nog even en alles kleurt paars (RK)

De heide staat bijna in bloei. We zien de eerste paarse struiken evenals een lichte lila zweem over het veld. Het is hier prachtig! Het is een raar idee om je te bedenken dat rond 1900 een vijfde deel van ons land uit ‘woeste grond’, vaak heide, bestond. Rond 2000 was slechts 1 procent van Nederland nog heide. Het huidige Molenveld van 80 hectare was niet vruchtbaar te maken vandaar dat het heidegebied bleef. De aanblik van al dit moois brengt de poëet in je naar boven en onwillekeurig moet ik denken aan Japanse haiku’s, gedichtjes geschreven in drie regels waarvan de eerste regel 5, de tweede regel 7 en de derde regel weer 5 lettergrepen telt. De haiku is ‘een vingerhoed vol emotie’ die de ervaring van het ogenblik uitdrukt.

Kleuren ontwaken – De zon kust het heideveld – Alles kleurt diep paars

In de schaapskooi
Een bijzonder schapenras (RK)

Langzamerhand naderen we het einde van onze dagetappe, maar hebben we nog geen schaap van dichtbij gezien en ook de telescoop is aan onze aandacht ontsnapt. We besluiten op de fiets naar Exloo te rijden om de schapen in hun schaapskooi midden in het dorp te bezoeken. Je moet toch wat, nietwaar? Hier lezen we dat de herder elke middag rond 16.00 uur terugkeert van zijn uitstapje met de kudde naar de hei. We hebben ze dus gemist! Gelukkig geeft dit bezoekje in ieder geval een indruk van nummer #1 van ‘the big vief’ en wie weet komen we dit bijzondere schaap, met zijn horens, veelkleurigheid, harige vacht en lange staart, later nog eens tegen ……. op de hei.

LOFAR

De enige verwachting die we nog niet hebben waargemaakt, is een blik op LOFAR (Low Frequency Array of lage frequentie telescoop). We gaan met de auto op onderzoek uit en bereiken via kleine, weinig gebruikte, dijkweggetjes inderdaad een groot antenne-veld tussen Buinen en Exloo. De telescoop bestaat uit duizenden antennes die radiogolven uit het heelal opvangen. Er zijn twee soorten antennes (de sprietjes en de antennes in de zwarte dozen) die respectievelijk radiogolven tussen de 10 en 80 Megahertz en 120-250 Megahertz opvangen. In de tussenliggende breedte (tussen 80 en 120 Megahertz) ligt onze FM band, waarvoor in dit geval geen interesse bestaat. LOFAR onderzoekt het ontstaan van het heelal, de zogenaamde oerknal (13,7 miljard jaar geleden!), evenals diverse sterrenstelsels, zwarte gaten en pulsars. Een pulsar is het snel rondtollende en pulserende overblijfsel van een geëxplodeerde ster. Het centrale deel van LOFAR ligt hier voor ons in het Hunzedal, maar verspreid over ons land en verder in Europa zijn kleinere antenne-velden die allemaal met elkaar verbonden zijn en onvoorstelbaar veel data sturen naar een supercomputer van de Rijksuniversiteit Groningen. Geofysici kunnen microfoontjes die reageren op trillingen, die heel diep in de aarde zijn geplaatst, aan het LOFAR netwerk koppelen om zo nieuwe inzichten te krijgen over bodemdaling, gaswinning en watermanagement. De diep ondergrond wordt op deze manier in beeld gebracht. In 2010 is hier, dankzij een uniek samenwerkingsverband, 400 hectare nieuw natuurgebied ingericht, waarbij het grote antenne-veld op kleine terpen ligt ingebed in een vogelrijk moeras- en graslanden gebied. ‘De natuur omarmt het heelal’, de ontwikkeling van een natuurgebied rondom de zogenaamde superterp waarop 6 LOFAR stations zijn geplaatst.  Als deze informatie niet aan je verwachtingen voldoet…….het overtreft de onze. Nooit geweten dat er zo’n bijzonder gebied zo vlakbij huis ligt. Verwachtingen raken altijd je eigen behoeften. Als je ergens niet bent, ben je óf te vroeg óf te laat (Johan Cruijff). Zo is het maar net!

Luchtfoto LOFAR gebied Exloo (bron: internet)

WANDERLUST (Drenthepad)

Drenthepad: 36, 37 & 38

De laatste dagen ben ik verschillende keren het woord ‘wanderlust’ tegengekomen, zowel als boektitel, als kop van een artikel of als onderdeel van een citaat. Wat betekent wanderlust eigenlijk? Volgens de ‘Dikke van Dale’ betekent het treklust of reislust. Ik lees echter ook dat wanderlust staat voor een sterke drang om de wereld te ontdekken met als extra toevoeging ‘gedragen door je eigen voeten’. Het woord wanderlust is immers afgeleid van het Duitse woord ‘Wandern’ hetgeen staat voor ‘wandelen’. Lust is dan ‘trek naar’, dus vrij vertaald betekent het woord dan ‘zin hebben in wandelen’. Het hoeft niet eens ver weg te zijn. Dit geeft toch perspectief? Het meest gebruikte citaat ‘not all who wander, are lost!’ (Niet iedereen die zwerft – wandelt-, is verdwaald!), geeft nog een extra dimensie aan wandelen die echte wandelaars zeker zullen herkennen. Het genieten van wat je omgeving je te bieden heeft, het ontdekken van nieuwe plekken en je realiseren dat er een grotere samenhang bestaat tussen verleden en heden dan je ooit gedacht had. Voor ons geldt absoluut dat we ons elke wandeling weer verbazen over de verschillende landschappen om ons heen en de ‘verhalen’ die erbij horen. Dat smaakt telkens naar meer en dat is, lijkt mij, toch het ‘ultieme wanderlustgevoel’? 

Kaart van de Hondsrug (bron: internet)

Wij lopen ondertussen nog steeds over de Hondsrug. Deze naam zou een verbastering zijn van Hunze-rug, naar de rivier de Hunze ten oosten van de zandrug vanwaar de verhoging (de rug) het best is te zien. Ik heb al eerder iets verteld over het ontstaan van de Hondsrug, maar wil dat deze keer iets uitbreiden. Tenslotte is de Hondsrug,als lange, rechte keileemrug, uniek op de wereld. Zo’n 350.000 – 100.000 jaar geleden (in de voorlaatste ijstijd) schoven er vanuit het noorden dikke pakken landijs over Nederland. De Hondsrug en de parallelle ruggen ten westen daarvan, geven de richting van dit oprukkende ijs aan. Deze enorme gletsjers, soms wel honderden meters dik, schraapten werkelijk alles van de aardkorst. Rotsblokken, grind, zand, klei en leem, alles werd verbrokkeld, vermengd en samengeperst en uiteindelijk gevormd tot het materiaal dat, na het smelten van al het ijs, toepasselijk ‘keileem’ wordt genoemd. Op deze manier werd Drenthe gevormd, waarbij de rechte Hondsrug van Groningen tot Emmen nog steeds een herinnering is aan die tijd.

Het Drouwenerzand

Op weg van Gasselte naar Borger lopen we over het Drouwenerzand, één van de weinige actieve stuifzandgebieden in Nederland. Ook weer een bijzonder gebied met een verhaal. Ongeveer 70.000 tot 10.000 jaar geleden (in de laatste ijstijd) werd het ontstane landschap, zoals eerder beschreven, bedolven onder een deken van verwaaid zand. In de nieuwe omstandigheden van toen, vergelijkbaar met de toendra’s van nu, kreeg de vegetatie nauwelijks een kans, de harde wind daarentegen des te meer. Omdat dit zand over alles heen kwam te liggen, kreeg het de naam ‘dekzand’. Doordat de ondergestoven vegetatie verstikte, kon de zandverstuiving zich steeds verder uitbreiden. Het Drouwenerzand breidde zich in de 18e en 19e eeuw dan ook uit tot een honderden hectares groot stuifzandgebied. Ons boekje meldt dat het Drouwenerzand, in het begin van de vorige eeuw, nog steeds werd beschouwd als een ramp omdat het landbouwgrond en wegen bedreigde.

De grove den

Onze tocht voert ons over de heide, langs de diepe zandkuilen en zelfs door een stukje bos. Een deel van de vroegere zandvlakte, in het westen, is inderdaad bebost. Als voorloper van de A34 bevond zich hier een zandweg, in de vorm van karrensporen, die vanaf de 17e eeuw steeds belangrijker werd. Eind 18e eeuw werd de dreiging door de zandverstuiving zo groot dat de gezamenlijke boeren (de boermarke) van Drouwen ‘zandheren’ aanstelden  voor het nemen van maatregelen. Onder leiding van deze heren werden de twee belangrijkste wapens tegen stuivend zand ingezet: wallen en bomen; in het laatste geval vooral de grove den. Aan de oostzijde werd onder het stuifzand veen aangetroffen. Hier wonnen vele Drouwenaren, vooral in de oorlogsjaren, hun turf om in de winter de kachel mee te stoken. De metersdiepe kuilen, ontstaan om de turf onder het stuifzand op te graven, zijn nog steeds goed herkenbaar. Het huidige stuifzand, slechts een restje van vroeger, is in de loop van de 20e eeuw weer begroeid geraakt. Als de successie (opeenvolging vegetatie van kaal gebied tot bosstadium) echter doorzet, veranderd het hele gebied na verloop van tijd in bos. Naast menselijk ingrijpen, zoals het verwijderen van opslag, zijn vooral schaapskudden belangrijk om dat voorkomen. Hoewel we vandaag zeker veel sporen van schapen zien, zien we helaas geen enkel schaap aan het werk om de grote stukken heide te ontdoen van alle beginnende dennen.

Een bescheiden trio

We passeren ‘een bescheiden trio’, een drietal hunebedden, in ieder geval de restanten ervan, bij elkaar. Er is weinig bekend over deze drie graven omdat er bijna niet in is gegraven. Hunebed D21 is vermoedelijk wel één van de oudste hunebedden. Volgens andere bronnen moeten hier, bij Bronneger, zelfs vijf hunebedden liggen. Met een beetje fantasie zie je hier D21 t/m/ D25, want er liggen nogal wat lossen zwerfkeien naast de drie meer herkenbare exemplaren. Mijn fantasie gaat waarschijnlijk met me op de loop, later denk ik dat wij toch alleen D23-25 hebben gezien want ik lees dat de mooiste en meest complete van de vijf, D21, samen met de kleinste, D22, op een apart veldje met grote bomen even verderop ligt. Weer wat gemist, alhoewel…..er was zoveel belangstelling voor deze grote monumenten, dat we er niet echt naar behoren van konden genieten. Zoveel graven dicht bij elkaar is zeker bijzonder. In het landschap van de Hondsrug is goed te zien hoe generaties bewoners hun doden begroeven in de nabijheid van oudere graven of in een lijn in de buurt van oude verbindingswegen. De graven lagen daarmee buiten de omgeving van de levenden, maar waren toch goed bereikbaar.

D27

Even later arriveren we in Borger, gekscherend de hunebedhoofdstad van Nederland genoemd omdat maar liefst 16 (of 19?) van de 52 Drentse hunebedden zich in haar directe omgeving bevinden. In Borger zelf ligt hunebed D27, één van de pronkstukken van de provincie. Dit hunebed is gebouwd omstreeks 3400 voor Christus en is dus zo’n 5400 jaar oud. Met zijn 9 dekstenen, 28 draagstenen, 5 poortzijstenen en 2 kransstenen en een lengte van ruim 22 meter is dit het grootste hunebed van Nederland. De stopstenen, de stenen die de openingen tussen de grote stenen opvulden en het zand waarmee het hunebed bedekt is geweest, zijn in de loop der jaren verdwenen. Alle hunebedden hebben een eigen nummer. Ze zijn genummerd van noord naar zuid. In Drenthe vind je D1 tot en met D54. Nummer D48 bleek achteraf toch geen hunebed te zijn en nummer D33 is ooit afgebroken. Wist je dat er ook een Gronings hunebed bestaat? Hunebed G1 ligt ten zuidwesten van Noordlaren. De Drentse hunebedden staan bijna allemaal aan de N34, die daarom tegenwoordig de ‘Hunebed Highway’ wordt genoemd. Doet dat je niet denken aan ‘Route 66’, de historische autoweg in de U.S.? De site van onze H.H. laat weten dat het geweldig leuk is om alle hunebedden op te zoeken, maar pas op, ‘want na te veel hunebedden begint toch echt de hunebedden moeheid toe te slaan en kun je geen kei meer zien!’ Kennen wij ook niet een vergelijkbare uitspraak in ons gezin? De meeste hunebedden hebben gewoon een nummer als naam. Er bestaan enkele uitzonderingen, n.l. de Papeloze kerk (D49), de Eexter grafkelder of de Stemberg (D13), de Stainbarg (G1) en de Huneborg (D3 + D4). 

Restant van een oude ‘vorstheuvel’ (RK)

We lopen om Borger heen richting het Hunzedal. Toen het landijs zich, eeuwen geleden, steeds verder terugtrok in de richting van het tegenwoordige Oost-Groningen, werd het oerstroomdal van de Hunze gevormd. Het smeltwater van de ijsmassa zorgde voor een smelwaterdal aan de oostkant van de Hondsrug van minstens 50 meter diep en enkele kilometers breed, wat later grotendeels werd opgevuld door inwaaiend zand. Door stijging van de temperatuur en stagnatie van het water begon hier veenvorming op gang te komen. Het gebied werd vanaf de 17e eeuw afgegraven voor de turfwinning. In die tijd was de Hunze een belangrijke vaarweg, waarlangs de turf kon worden vervoerd vanuit het veengebied naar de stad Groningen.

Het is weer mooi om ons heen. We lopen langs smalle overgroeide bospaadjes om uit te komen op nieuwe heidevelden. Ook hier volgen we een slingerpaadje totdat we bij een pingoruïne aankomen. Dit is een hele grote!! Een oude ‘vorstheuvel’ (pingo) is gesmolten waardoor een komvormige ruimte is achtergebleven omringd door een aarden wal ontstaan doordat de ijspegel de omringende aarde omhoog drukte, die vervolgens naar de voet van de heuvel gleed. We lopen er dwars doorheen, het gaat tenslotte om het ontdekken van nieuwe dingen, het avontuur. Avontuur betekent hier niet de extreme uitdaging of die enorme inspanning, het heeft meer te maken met je ‘mindset’, je mentale houding, waardoor je het avontuur ook in de kleine, onverwachte dingen kunt ontdekken.

Een veld vol bloemen (RK)

Onze laatste kilometers van vandaag voeren ons langs een veld met goudsbloemen die prachtig in bloei staan. De mais goudsbloem (coleostephus myconis) kun je verwarren met de pot goudsbloem (calendula officinalis) die al eeuwenlang gebruikt wordt tegen allerlei huidaandoeningen vanwege de samentrekkende, ontstekingswerende, wondhelende en verzachtende eigenschappen. Waar wordt deze mais goudsbloem dan voor gebruikt? Alleen voor de sier of is het toch een variant van die andere goudsbloem? Ik kan het niet vinden, maar geniet wel van dit veld vol helder gele goudsbloemen. Een mooie afsluiting van 15 kilometers wandelen. Ook vandaag hebben we ons opnieuw verbaasd over de afwisseling in het ons omringende landschap en hebben we ons ‘verrijkt’ met de bijbehorende verhalen. Wanderlust ten top!

DOOR HET RAVIJN (Drenthepad)

Drenthepad: kaart 35

Onverwachts hebben we een middag ‘vrij’, het weer is redelijk, dus …… wat let ons. Vandaag hebben we, evenals de afgelopen dagen, te maken met wisselvallig zomerweer. Het weerbericht van vandaag luidt dan ook: ‘het wisselvallige zomerweer houdt aan met kans op buien. Tijdens de buien is een klap onweer niet uitgesloten. Ook zijn er droge momenten met af en toe ruimte voor de zon. Aan de temperatuur verandert weinig, met overdag een graad of 20.’ We zijn hiermee op alles voorbereid. In Nederland wordt er veel over het weer gepraat, gemiddeld drie minuten per dag volgens een studie. De uitkomst van een ander onderzoek, door een Nepalese professor, stelt dat het iets met de Nederlandse genen te maken moet hebben en dat dit fenomeen gevormd is door het veroveren van land op de zee en door de eeuwenlange afhankelijkheid van het weer, bijvoorbeeld voor de oogsten. Hij ziet het praten over het weer ook als een sociaal smeermiddel, want het weer is voor iedereen hetzelfde. Of je nou rijk bent of oud, in de regen worden we allemaal nat. Een waarheid waar je niet omheen kunt, een waarheid als een koe. Zo’n spreekwoord komt waarschijnlijk uit onze oude, agrarische cultuur, waarin koeien een vanzelfsprekend onderdeel van het leven vormden. Ik lees echter ook een heel andere verklaring en wel eentje uit de Koran. Het tweede en langste hoofdstuk van de Koran heet  ‘Al-Baqarah’ (de koe) en opent met: ‘Dit is een volmaakt en waar boek. Aan zijn waarheid is geen twijfel.’ Dit klinkt toch ontegenzeggelijk ook als een logische verklaring voor ‘een waarheid als een koe’?

Wandelen over de Hondsrugweg

Net buiten Gieten lopen we over de Hondsrugweg. Over het hoogste punt van de weg kijk je uit over weilanden en landerijen in het oude gletsjerdal.  De Hondsrug is een langgerekte zandrug die zich uitstrekt van Emmen tot in de stad Groningen. Hij maakt deel uit van een groter geheel van zandruggen en stroomdalen in Drenthe en Groningen dat wel het Hondsrugsysteem wordt genoemd. De Hondsrug heeft een lengte van 70 kilometer en een gemiddelde hoogte van 20 meter boven NAP. Toch is het grootste deel van de Hondsrug slechts enkele meters hoger dan de omliggende ‘dalen’. Grappig om te weten is dat de hoogste noordelijke ‘heuvel’ (ongeveer 9 meter boven NAP) duidelijk te zien is in de Groningse Herestraat. Vandaar dat de zijstraat daar het Hoogstraatje heet. 

Schilderij Klein Hilbingshof (bron: internet)

Bij het buurtschap Bonnen lopen we langs ‘Klein Hilbingshof’, een boerderijtje dat mogelijk een kasteel is geweest? Wat is hier het verhaal? ‘Of het echt een kasteel was, dat is de vraag’, zegt de dorpshistoricus. ‘Wel weten we zeker dat er een Havezate stond. Dat heette eerst het Huis te Bonnen en later werd het Havezate Entinge.’ Om het een en ander verder te kunnen vertellen, noem ik eerst even ter verduidelijking een aantal begrippen. Dingspels (voormalige rechtsgebieden), kerspels (kerkgemeenten), buurtschappen en eigenerfden met waardelen (grondbezitters met aandelen) in de marke (het gebied wat bij een dorp hoort) zijn kernbegrippen in het Drenthe van weleer. Het verhaal gaat verder wanneer de toenmalige burgemeester uit de stad Groningen in 1605 een waardeel in de marke Bonnen koopt, waar hij een huis op laat bouwen, het Huis te Bonnen. In de daaropvolgende decennia wordt het Huis te Bonnen genoemd in akten, documenten en oorkonden, waardoor we steeds weten wie er woonden, en wat ze deden. Het Huis kwam uiteindelijk in handen van de gebroeders Hilbing uit Gasselte. Zij waren in december 1768 voor 6738 gulden spekkoper. Je bent een spekkoper als je geluk in zaken hebt gehad. Wat deden de Hilbings met het Huis? Ze lieten het slopen! Waarschijnlijk voor de bouwmaterialen, want daar was in die tijd een enorme behoefte aan. Wat er nu nog van over is, is slechts een weiland met de restanten van een gracht en een oprijlaan met oude eiken. Aan deze eigenaar(s) ontleent het in 1604 gebouwde keuterboerderijtje Hilbingshof, ooit het oudste pand in Gieten, zijn naam. Klein Hilbingshof brandde in 2012 echter tot de grond toe af. Het is daarna opnieuw opgebouwd, maar de charme van het meer dan 400 jaar oude gebouw is met de brand verdwenen. Hoe zit dat dan met de connectie met Het Huis? Helaas schijnt het boerderijtje er nooit een onderdeel van te zijn geweest …….. waarmee het hele verhaal uiteindelijk een desillusie is. 

Het diepste punt in het ravijn

Ons volgende hoogtepunt is het ravijn. Jawel, we kennen in Nederland een heus ravijn! Bij een ravijn, een diepe, steile insnijding in een terrein, denk je niet meteen aan Drenthe, toch? De Grand Canyon of Yosemite in Amerika zijn dan meer voor de hand liggend. Desondanks is het ravijn bij Gasselte een (lokaal) begrip. Om de oude spoorlijn van Assen naar Stadskanaal de Hondsrug af te laten dalen, is er een ravijn gegraven. De trein zou het achttien meter hoogteverschil tussen Gieten en het Hunzedal nooit kunnen overbruggen, daarom werd een groot deel van het spoor tussen Gieten en Gasselte diep ingegraven in de Hondsrug. Het zand werd weer gebruikt voor de aanleg van de spoorlijn door het veengebied tussen Gasselte en Stadskanaal. Om het een en ander nog even in perspectief te zetten: de Grand Canyon is met een diepte van bijna 1.500 meter de meest spectaculaire kloof ter wereld.

Verder over het oude, denkbeeldige spoor (RK)

De spoorlijn is vandaag de dag verdwenen, maar het ravijn ligt er nog en is een bijzonder opvallend stukje natuur geworden. Het is hier inderdaad mooi. We lopen over de historische spoorbrug , linksaf de trap omlaag en vervolgen onze route door het ravijn. Wanneer je onder de oude spoorbrug staat, heb je het diepste punt bereikt.

Door het ravijn was een korte, maar zeker weer een bijzondere, route langs plekken waar de mens resoluut de schep in of haar stempel op de Hondsrug heeft gezet.

STRUINPAADJES (Drenthepad)

Drenthepad: kaarten 33 & 34

Struinen is ‘rondsnuffelen om te zien of je iets kunt vinden’. Op struinpaden kun je dat letterijk doen. Je loopt dan buiten de gebaande wegen en er zijn geen aanduidingen van een route waardoor je zelf je eigen weg kunt vinden. Een uitdaging op zich. Voor ons ligt het toch anders, want wij volgen wel de ons inmiddels zo bekende geel-rode strepen, de tekens waarmee de weg voor ons is uitgezet. Struinen betekent echter ook ‘het spoor volgen’. Kijk daarmee zijn we er. We voelen ons soms net spoorzoekers en het gebeurt regelmatig dat we even het spoor bijster zijn. Het draagt allemaal bij aan het avontuur. Ik lees dat struinen kan bestaan uit een zoektocht naar het verleden, als het ware een tijdreis te voet, waarbij je zoekt naar sporen van tijden die zijn verdwenen. Het lijkt erop dat we vandaag naar zulke sporen gaan zoeken. 

Mooie paadjes (RK)

We starten in Anloo en lopen langs akkers vol mais richting de boswachterij van het dorp, plaatselijk beter bekend als het Evertsbos. De boswachterij behoorde vroeger tot het landgoed Terborgh wat wordt beschreven als één van de mooiste landgoederen van Drenthe. Er wordt in de beschrijving verder niets gezegd over een (vroegere) burcht, borg of havezate. Wel wordt er gesteld dat een wandeling door dit gebied van rond de 160 ha een aaneenschakeling is van ‘hoogtepunten van de Drentse landschapsgeschiedenis, ‘ingekleurd’ met sporen van prehistorische bewoning, bijzondere plekken uit WOII, een prachtig Pinetum en een bijzondere begraafplaats voor urnen’.

Mammoetboom Evertsbos (bron: internet)

De dorpelingen noemden dit gebied het Evertsbos, naar de familie Everts, de eigenaren van het landgoed. In 1914 werd het eerste bos geplant op grond die de familie stukje bij beetje had aangekocht. Het Evertsbos kenmerkt zich nu, ruim honderd jaar later, door een grote variatie in begroeiing en aanplanting. Er zijn lanen en houtsingels aangelegd, waartussen gemengd bos groeit. Everts liet het bos aanleggen omdat hij – naar eigen zeggen – als houtimporteur veel bomen had laten sneuvelen en hij wilde hiermee bomen aan de natuur teruggeven. In de boswachterij zijn in de loop der tijd een aantal uitheemse bomen aangeplant, zoals de mammoetbomen of reuzensequoia. Deze altijd groene naaldboom wordt gekenmerkt door een roodbruine stam met een zachte dikke bast, die wel 50 tot 60 cm dik kan worden. We zien deze stammen wel, ze vallen op door hun uiterlijk, maar we realiseren ons pas veel later welke bomen we hier nu eigenlijk gezien hebben. Ik had, met de kennis van nu, beslist nog eens beter gekeken. De oudst levende bomen van deze ‘sequoiadendron giganteum’ zijn naar schatting tussen de 2000 en 3000 jaar oud en tussen de 50 tot 80 meter hoog. Haast onvoorstelbaar! Ter vergelijking: de bomen hier zijn veel jonger en (nog maar) rond de dertig meter hoog. De grootste mammoetboom heeft zelfs een naam. De ‘General Sherman Tree’ in het Sequoia National Park in Californië, heeft een hoogte van ruim 83 m, een omtrek van 31 m bij de bodem en 26 m op borsthoogte en een vermoedelijke ouderdom van 2300 tot 2700 jaar. Wat kun je daar nu nog op zeggen?

Volgens onze gegevens bevat het Evertsbos veel historische sporen uit allerlei tijden, waaronder enkele grafheuvels en een hunebed met de prozaïsche naam D11. Bordjes onderweg wijzen de weg naar een oorlogsmonument. Wij laten het links liggen, maar het verhaal vertelt dat zich tijdens WOII een hol met onderduikers op het landgoed bevond. Van de acht onderduikers werden er in september 1944 drie gevangen genomen en in Westerbork ter dood gebracht. Later, kort voor de bevrijding, werden op deze plaats tien verzetsstrijders uit Groningen geëxecuteerd. Het gedenkteken werd in de eerste plaats voor deze tien mensen opgericht, later zijn de drie in Westerbork omgebrachte onderduikers toegevoegd.

Haast sprookjesachtig (RK)

We zien inderdaad vele grafheuvels onderweg, waardoor we denken dat dit gebied wel dichtbevolkt moet zijn geweest. De zon schijnt bij vlagen prachtig door de bomen en laat ons haast sprookjesachtige taferelen zien.  Het is inderdaad waar dat de ‘verloren tijd’ veel meer aanwezig is dan je je realiseert, tenminste …. als je er oog voor hebt.

Verschillende soorten coniferen (RK)

De familie Everts nam ook het initiatief tot de aanleg van een naaldbomen tuin omdat Everhard Everts, door zijn zakenreizen naar Scandinavië en Noord Amerika, gefascineerd raakte door de naaldbomen die hij onderweg zag.  Het Pinetum Ter Borgh (1953) kent maar liefst 500 verschillende coniferen. Het ziet er indrukwekkend uit met coniferen in alle vormen en maten, maar tegelijkertijd lijkt het alsof veel planten het moeilijk hebben. Eist de droogte van voorgaande jaren nu haar tol of is dit gewoon een momentopname? Aanvankelijk was het pinetum zo’n kleine 2 ha groot en werd er van de meeste bomen of struiken slechts één exemplaar geplant. In 1993 werd een gedenksteen bij de ingang geplant in de vorm van een gespleten zwerfkei met de namen van Everhard Everts en zijn drie zusters.

Hunebed D11 (RK)

Vlakbij deze coniferen tuin, op een open plek midden in het bos, ligt hunebed D11. Wanneer ik informatie over dit hunebed op zoek, staat er: ‘dit is een tamelijk ‘gewoon’ hunebed, het is niet erg groot, niet erg klein, heeft geen speciale kenmerken maar is  gelukkig ook niet erg beschadigd.’  ‘Hoe kleiner de verwachting, hoe groter de vervulling’, een uitspraak van de aforist Erwin Koch (1932-), is hier zeker voor ons van toepassing. Hunebed D11 ligt namelijk prachtig, haast wat verscholen, temidden van hoge bomen in een spel van licht en donker. Vier dekstenen rusten op tien zij- en twee sluitstenen. Helaas ontbreekt de vijfde deksteen, maar voor de rest is het negen meter lange hunebed intact. Misschien dat andere hunebedden nog indrukwekkender zijn, maar deze mag er, wat ons betreft, zeker zijn.

reis naar de eeuwigheid (RK)

Al meer dan 12.000 jaar wonen en werken er mensen op de Hondsrug, want daar heeft onze tocht ons ondertussen gebracht. Steeds zochten de mensen de beste plek om hun overledenen te gedenken. In de Nieuwe Steentijd bouwden ze hier hunebedden, in de Late Steentijd grafheuvels of tumuli en tijdens de Late Bronstijd legden ze urnenvelden aan. Het was gebruikelijk de urnen in de grond, onder kleine heuveltjes, te plaatsen, omringd door een kringgreppel. Dit gebruik vindt eigenlijk nog steeds plaats op de ‘bijzondere begraafplaats voor urnen’, waarmee de oude grafcultuur een sprong in de toekomst heeft gemaakt. Om de Amerikaanse schrijver Brad Herzog te citeren: ‘eerbied voor het verleden is belangrijk, maar ontzag voor de toekomst ook.’ We treffen een mooie open plek omgeven door ruisende beuken aan. De bodem is bedekt met een laag bladeren en lijkt op strategische plaatsen te zijn voorzien van dikke stenen. Het geheel straalt iets sereen, iets rustgevend uit. Een boog vormt de ingang waarop de tekst ‘een reis van het verre verleden via het heden naar de eeuwigheid’ is te lezen. Eenmaal op het terrein ontwaren we opeens diverse spades, of in ieder geval de stelen daarvan, die in de grond zijn gestoken. Ze markeren de tumuli van dit urnenveld. De tumuli liggen ruim geplaatst en zijn gemarkeerd met gletsjerstenen van de Hondsrug. Hoe bijzonder is dit? Een terrein gekenmerkt door natuurschoon en stilte, ver weg van bebouwing en autowegen en helemaal gewijd aan het herdenken. Al deze elementen of ‘sporen van verleden tijden’ geven ons beslist het gevoel van een reis in de tijd. 

Onder de N34 door naar de andere kant

Terug in het heden zijn we aangekomen bij de N34. We gaan verder aan de andere kant van deze drukke verkeersweg richting Gieten. Gieten ligt aan de kruising van de rijkswegen N33 en N34, beide belangrijke middeleeuwse routes. Deze beide wegen behoorden tot de eerste in Drenthe die in de 19e eeuw werden verhard en zijn van groot belang geweest voor de ontwikkeling van het gebied. Op de kaart lijkt dit vervolg een wat ‘recht toe, recht aan’ wandeling te worden, voornamelijk door of langs weilanden. Niets is minder waar. Zo zie je maar dat je niet alles op uiterlijk alleen moet beoordelen. We lopen grotendeels over de Oude Groningerweg, een vroegere belangrijke handelsroute tussen Groningen en Coevorden. In de late Middeleeuwen bestond het ons omringende landschap uit eindeloze heide en zandruggen. Etenswaren als kaas, traan, boter en stokvis werden met paard en wagen vanuit Groningen naar Coevorden en de Duitse handelsplaatsen vervoerd en andersom kwamen zandsteen, hout, rogge, wol, canvas en andere handel naar Groningen.

De hei begint al te bloeien
Klein Duimpje in het land der reuzen…… (RK)

De hele weg werd en wordt nog steeds bepaald door kilometerslange zandruggen zoals de Hondsrug.  Op weg naar het Zwanemeerbos lopen we opeens over een stuk overgebleven heide. Weliswaar geen ‘eindeloze heide’, maar zeker wijds en uitnodigend als rustpunt om er nog even langer van te kunnen genieten. Dat meerdere mensen er zo over denken, blijkt wel uit de hoogte van het strategisch geplaatste bankje. De grond eronder is helemaal uitgesleten (of weggespoeld?), waardoor ik me een beetje als Klein Duimpje in het land der reuzen voel. We nemen onze tijd en nemen alles om ons heen goed op, want dat ‘verbreedt’ immers je wereld en geeft je ervaringen waar je nog vaak over kunt praten. Psychologen zijn het erover eens dat ervaringen je veel gelukkiger maken dan materiële zaken, reden genoeg om er zo vaak als je kunt op uit te gaan! 

Zwanemeerbos (RK)

De weg loopt verder dwars door het Zwanemeerbos bij Gieten, een natuurgebied wat bestaat uit een zogenaamd ‘eikenhakhout complex’. In het verleden werd het grondgebied van Drentse dorpen verdeeld in ‘marken’, gezamenlijke grondgebieden van de boeren om hun boerenbedrijven te kunnen laten voortbestaan. Het ging daarbij om veen, dat brandstof leverde, om bos, voor de levering van bouwmaterialen en brandstof, om heide, waar de schapen graasden en om de weide en hooilanden langs de riviertjes. De scheiding tussen de marken was exact bepaald en met twee stenen op elkaar gemarkeerd. Hieruit stamt nog ons spreekwoord “de onderste steen boven”, als we iets heel precies willen weten.

Het is vochtig in het bos

In het Zwanemeerbos bevindt zich nog altijd de wal die de scheiding tussen de marken van Gieten en Eext aangaf. Naast een mooie natuur en vele wandelpaden bevinden zich ook hier allerlei sporen uit het verleden, waaronder 26 grafheuvels. Uit onderzoek is gebleken dat deze grafheuvels hoofdzakelijk uit de ijzertijd (tussen 800 v. Chr. en het begin van de jaartelling) stammen. De meeste heuvels zijn ‘brandheuvels’, d.w.z. dat de kern bestaat uit de houtskool van een crematie met soms wat resten van aardewerk.

Prachtig lunchplekje (RK)

In het bosgebied ligt ook het Zwanemeer, een waterplas ontstaan na de zandwinning in het gebied. Het meer is laaggelegen tussen vrij steile, beboste oevers. Prachtig plekje! Al die sporen uit het verleden leveren verrassende ontdekkingen op die vragen om de verhalen te ontrafelen die erbij horen. 

‘POMPEÏ’ van Drenthe (Drenthepad)

Drenthepad: kaart 34

Bij Pompeï denk ik meteen aan verwoestingen en opgravingen op grote schaal. Weet je nog? Een uitbarsting van de vulkaan de Vesuvius markeerde in 79 het abrupte einde van de Romeinse stad Pompeï. Bedolven onder een laag as en puin conserveerde de vulkaan het dagelijks leven van al haar inwoners. Sindsdien wordt er al honderden jaren gegraven in de dikke aslagen die de stad hebben bedolven. Tegenwoordig is een groot gedeelte van de stad reeds opgegraven, maar nog lang niet alles. Wat heeft die uiteenzetting nu met Drenthe te maken? Het blijkt dat wij in Nederland een eigen archeologisch terrein hebben….. in Drenthe. Sinds 2000 is De Strubben Kniphorstbosch, een gebied tussen Schipborg en Anloo, het eerste, en tot nu toe het enige, archeologisch reservaat van Nederland. We gaan dit gebied vandaag doorkruisen. Onnodig om te zeggen dat onze verwachtingen hoog gespannen zijn? 

Strubben (RK)

De dubbele naam van het gebied is te danken aan de hier veel voorkomende ‘strubben’ of ‘stobbige eiken’ en aan de familie Kniphorst die in de 19e eeuw eigenaar en ontginner was van de toenmalige heidevelden om er een bos aan te leggen voor de houtteelt. ‘Strubben’ (strubbe betekent kreupelhout) zijn typisch Drents, het zijn ‘eiken die stelselmatig afgevreten werden door schapen en daardoor opzij zijn gaan groeien’. Het hout werd hier vroeger om de 10 tot 15 jaar gekapt door zogenaamde ‘eekschillers’. Zij verkochten de eikenbast aan de leerindustrie voor het maken van looizuur en de bundeltjes hout als brandhout in de dorpen. Op de stronken liepen dan weer nieuwe eikenstammen uit, waar de schapen graag aan knabbelden. Toen de schapen verdwenen, zijn de eiken in grillige vormen verder gegroeid met fantastische bomen als resultaat. We blijven ons verbazen. 

De eik in volle glorie (RK)

Hebben eiken nog een bijzondere betekenis?  Even zoeken leert dat eiken waardigheid, wijsheid en de verbinding tussen hemel en aarde symboliseren. Het Griekse woord voor eik is ‘drus’ wat lijkt op het woord druïde (Keltische priesters die ook wel ‘eikmensen’ genoemd werden). Eens per jaar klommen de Druïden, gekleed in witte gewaden, in hun eiken om er met gouden sikkels maretakken uit te snijden. Een overblijfsel van dit oude gebruik is de mistletoe met Kerst. De eik was trouwens voor veel volkeren een magische boom. Voor prehistorische volkeren vormde de eik een kanaal waarmee de kracht van de goden op de mensheid kon worden overgebracht. Dit werd zichtbaar wanneer een eik na een blikseminslag in brand vloog. Bij de Germanen was de eik gewijd aan Donar, de God van donder en bliksem. Het is opvallend dat de bliksem vaker eiken treft dan andere bomen. Misschien omdat eiken vaak op kruispunten van ondergrondse wateraders staan? Bij onweer zou het veiliger zijn om onder een beuk te schuilen dan onder een eik……..getuige het gezegde: ‘eiken moet je wijken, maar beuken moet je zeuken’.

Restanten van het militair oefenterrein

Dit hele gebied werd duizenden jaren geleden al bewoond en haar bewoners hebben overal opvallende en zichtbare sporen achtergelaten, zoals hunebedden, grafheuvels en zelfs een galgenberg, maar ook minder in het oog springende overblijfselen als karrensporen en bomkraters uit WOII zijn hier terug te vinden. Wij lopen ondertussen langs een voormalig militair oefenterrein. We zien geen bomkraters noch de twee overgebleven bunkers uit die tijd. Hoewel de bunkers nu niet meer als zodanig worden gebruikt, spelen ze tegenwoordig een belangrijke rol als overwinteringsplek voor vleermuizen. In het najaar gaan vleermuizen namelijk op zoek naar een rustige, vochtige, donkere en vorstvrije plek met een constante temperatuur om te overwinteren. Een bunker is dus de perfecte plek. 

Even pauze (RK)

We lopen verder door een klaphek en wandelen zo het gebied van de grote grazers binnen. Het is hier inderdaad prachtig. We lopen langs grafheuvels, waarvan er zo’n zestig in het gebied liggen, en fantaseren wat we zouden ontdekken als we zo’n heuvel af zouden graven. Zo merkwaardig is dat niet, ’liefhebbers’ van oudheden doen dat immers al eeuwenlang in het archeologisch zo rijk bedeelde Drenthe. Albert Egges van Giffen (1884-1973), voor ons bekend vanwege de afgravingen bij Ezinge, is de archeoloog met de meeste opgravingen in Drenthe. Hij werd door de Drentse bevolking dan ook liefkozend ‘het Spittertien’ (de kleine graver) genoemd.

Op weg naar de markesteen (RK)

Eén van de grootste grafheuvels is de Galgenberg. Een naam die weinig aan de verbeelding overlaat. We zien bovenop de heuvel een markesteen (grenssteen) staan. Volgens de informatie gaat het hier om een steen waarmee een soort ‘drie gebieden punt’, oftewel de samenkomst van drie markegrenzen t.w. Anloo, Schipborg en Zuidlaren, wordt aangegeven. Heel lang geleden begroeven mensen hun doden o.a. in een grafheuvel. Waarschijnlijk werden er meerdere mensen in één grafheuvel begraven. Later zijn in de grafheuvels voorwerpen gevonden die samen met de doden werden begraven, omdat er gedacht werd dat de doden deze in een volgend leven weer zouden kunnen gebruiken. Voor mannen waren dat bijlen, speerpunten en potten van aardewerk, terwijl vrouwen vooral sieraden en potten meekregen. In de Middeleeuwen werden diezelfde grafheuvels gebruikt om boeven en dieven te straffen. Op deze opvallende plekken werden veroordeelden opgehangen, waarna ze er dagenlang bleven hangen om een ieder te laten zien dat het echt slecht afloopt met mensen die niet willen deugen. De galg die er ooit stond, is gelukkig verdwenen, maar de grenssteen staat er al sinds de zestiende eeuw! 

Enorme zwerfkeien vormen samen hunebed D8 (RK)

Vlakbij de Galgenberg ligt hunebed D8 langs de weg die ons dwars door het Kniphorstbos voert. Rond elk hunebed hangt nog iets van de mystiek van vijftig eeuwen geleden, ‘toen de kolossale stenen gevaarten indringers duidelijk maakten dat de mensen die hier woonden, hun voorouders hoog achtten.’ Wat weten we eigenlijk van de hunebedbouwers, van hun leven, hun gewoontes en hun geloof? Het wordt tijd om in ieder geval mijn kennis te vergroten. Hunebedbouwers worden ook wel de mensen van de Trechterbekercultuur genoemd. Vele eeuwen geleden leefden op en rond de Hondsrug jagers die achter het wild aantrokken en leefden van alles wat ze in de natuur vonden. Rond 5000 v.Chr. kwam er langzaam maar zeker een einde aan het zwervende bestaan van de bewoners en werden ze boeren die bij hun akkers en weidegrond bleven wonen. Ze maakten aardewerk versierd met allerlei motieven. Vanwege de wijd uitlopende hals hebben archeologen dit de naam trechterbekercultuur gegeven. Archeologen gaan ervan uit dat de mensen van de trechterbekercultuur de eerste boeren waren die zich permanent in Drenthe hebben gevestigd.

Een blik onder de deksteen (RK)

Het is niet bekend wat de hunebedbouwers precies geloofden, maar we weten wel dat de hunebedbouwers prachtige graven voor hun doden bouwden. In deze hunebedden of stenen grafkamers werden eveneens meerdere mensen begraven en ook hier kregen de overledenen geschenken mee, zoals eten en drinken in potten, maar eveneens gereedschap, sieraden en wapens. Deze grafgiften bewijzen dat ook de hunebedbouwers geloofden in een tweede leven of leven na de dood. Eerder dachten mensen dat alleen reuzen (hune = reus) zulke grote stenen konden tillen en stapelen, maar tegenwoordig weten we dat elk hunebed is gebouwd door het vele werk van heel veel mensen. Hunebedden waren eveneens een plek waar mensen bij elkaar kwamen om na te denken, om vragen te stellen en om belangrijke gebeurtenissen bij te wonen. Een hunebed was dus zowel een graf als een plek met een speciale betekenis. De zware zwerfkeien, waarvan de zwaarste meer dan 4 ton wegen, spreken nog steeds enorm tot de verbeelding! Het is jammer dat hun namen niet bijdragen aan de mystiek van weleer. 

Veel oude karrensporen (RK)

Karrensporen ontstaan in de tijd dat dit gebied nog één groot heideveld was, gebruikten de kerktorens van Zuidlaren, Anloo en Gieten als oriëntatiepunten. De sporen werden verlegd als ze onbegaanbaar werden, maar de kerktorens bleven de bakens onderweg. Het was dus wel belangrijk dat deze torens genoeg van elkaar verschilden om ze individueel te herkennen. In de eerste reis- en zakatlasjes uit de achttiende eeuw stonden de silhouetten van de verschillende kerktorens eveneens als verre bakens aangegeven. Die van Anloo met haar vierkante toren en het ‘parmantige dakruitertje’ is ook nu nog duidelijk herkenbaar, lijkt me.

Langs de bosrand (GK)

We verlaten het bos langs een een rij beukenbomen en lopen vervolgens langs een bosrand en verschillende akkers richting de kerk van Anloo. De romaanse Sint-Magnuskerk van Anloo, gebouwd rond 1100, is genoemd naar Magnus, bisschop van Trani, die na zijn marteldood heilig werd verklaard. Oorspronkelijk was de kerk een ‘eigenkerk’ van de aartsbisschop van Utrecht, die hier recht sprak. Later werden er in deze kerk zittingen gehouden van de Etstoel, tot 1791 het hoogste rechtscollege in de provincie Drenthe. De Etstoel sprak niet alleen recht, het stelde ook regels vast. Sinds de jaren ’80 keert het dorp Anloo op de derde dinsdag van augustus terug in de 17e eeuw. Helaas zal dit festijn ook dit jaar geen doorgang vinden als gevolg van de corona pandemie.

Maria in het kraambed

De deuren van de kerk staan uitnodigend open en die kans willen we niet voorbij laten gaan. Binnen worden we enthousiast ontvangen. Voortvarend licht onze vertelster ons in over alle verhalen die bij deze kerk horen. We zien de witgekalkte muren uit de tijd van de reformatie en de daaronder deels blootgelegde muurschilderingen. Op de muur naast het ‘melaatsen poortje’ zien we een voorstelling van Maria in het kraambed met op haar buik haar ‘kindeke’. Heel bijzonder volgens onze dame, want het kraambed wordt meestal overgeslagen in de verhalen en de uitbeeldingen daarvan. We leren hier meer over de pragmatische kanten van het geloof. De herenbank is bijvoorbeeld voor de vroegere toegangsdeur voor de vrouwen gezet vanwege een verbouwing. De redenering was dat die deur wel afgesloten kon worden omdat de hoge herenbank niet meer op zijn oude plaats paste en vrouwen minder belangrijk waren in het grotere geheel. Of zou het toch zo kunnen zijn dat het inzicht in die tijd veranderde en mannen en vrouwen daarom de kerk door dezelfde deur mochten betreden? Voortschrijdend inzicht……………… En passant horen we nog dat de uitdrukking ‘rijke stinkerds’ voortkomt uit de gewoonte rijke mensen te begraven in de kerk, hetgeen uiteraard gaat stinken na verloop van tijd.

‘Rijke stinkerds’ (RK)

Al met al een wandeling met vele indrukken en wetenswaardigheden. Als PompeÏ staat voor ontdekkingen en verrassingen, dan is dit gebied de naam Pompeï van Drenthe zeker waardig.