Weids landschap

Knp: 1-91-99-86-87-78-43.   

Vandaag lopen we het laatste stuk van ‘ons’ Westerkwartierpluspad. Dit stuk zal, denken wij, vooral weidse landschappen met vergezichten opleveren, want het is fris en zonnig.

We starten in Kommerzijl (Kommerziel) een dijkdorp aan het Kommerzijlsterdiep dat na het dorp verdergaat als Kommerzijlsterriet en tenslotte uitkomt in het Reitdiep. Wat is in deze dan het verschil tussen diep en riet? Een diep schijnt (logischerwijs) de naam te zijn ‘voor een ruim water met een flinke diepte’. Zou een riet dan ondiep water betekenen? Of een met riet begroeide oever hebben? Of is de naam een alternatief voor ‘reit’, wat betekent dat er een geul met water ontstaat door uitslijting van de bodem? Voor de naam Reitdiep blijken er twee verklaringen te zijn. De naam zou kunnen komen van de rietvelden (reit = riet) ten noordwesten van de stad Groningen waar het diep doorheen stroomde. Daarnaast zou de naam een uitvloeisel kunnen zijn van reiten (= lopen, stromen) en dus het als een rivier lopend gegraven diep betekenen. Zo leer je nog eens wat 😉

Uitzicht over het Reitdiep

Een ander weetje wat ik op mijn zoektocht tegenkom, is dat de Groningse scheldnaam voor de inwoners van Kommerzijl ‘Spierens’ (spieringen) is, mogelijk omdat ze vroeger erg mager waren? Dit duidt vast op de vroegere moeilijke omstandigheden hier. Het was geen rijke streek!

We lopen het dorp uit richting het Ruigezand. Deze naam komt van ‘de ruigte’, Gronings voor onontgonnen gebied, en verwijst naar de situatie van voor de indijking, toen het gebied nog kwelder (aangeslibd land) was. Dit aangeslibde land vormde vroeger een (schier)eiland in de monding van het Reitdiep dat destijds nog middels de Lauwerszee in verbinding stond met het Wad.

De oude situatie (internet)

Volgens de geschiedenis lagen hier in 1655 al een tweetal wierden die waren omringd door een zomerkade (kadijk). Jonkheer Onno Joost Alberda van borg Ekenstein erfde later de helft van de polder en kocht in 1753 de andere helft van de stad Groningen. Dan neemt de geschiedenis een (voor ons) verrassende wending, want ik lees: ‘In 1757 liet ene Krijthe de polder voor een klein deel (44 hectare) bedijken nabij Lauwerzijl’. Zou dit familie kunnen zijn? Een beetje speuren leert dat de oudste ‘gevonden’ Krijthe Willem Jannes is, geboren rond 1725 in Oldehove en boer op Ruigezand van beroep. Dat kan niet missen toch? Willem Jannes is in 1751 in Oldehove met Rienje Lammerts getrouwd en in 1786 in dezelfde plaats overleden. Willem Jannes kocht in 1757 (van de familie Alberda van Ekenstein) ‘de beklemming van een grote boerderij op het Ruigezand voor de stevige prijs van fl 18.000.’ Beklemrecht of recht van beklemming is ‘een eeuwigdurend, ondeelbaar zakelijk recht op een onroerende zaak van een ander’. Je wordt dus eigenaar van de zich op de grond bevindende gebouwen en beplantingen maar niet van de grond zelf.

Het Ruigezand vandaag de dag (RK)

Nadat Willem Jannes was overleden, werd ‘geheele Ruigezand, in naam 326 grazen groot, door de weduwe en kinderen op den 31ste Dec. voor fl 30.500 guldens, verkocht en den eigendom dier beklemming voor fl 16.500.’ Zoals te lezen is in een oude een akte: ‘1793 Aankoop “Ruigezand”: Verkoper Jannes Willems als gevolmachtigde van zijn Moeder Reinje Lammerts, weduwe wijlen Willem Jannes (de nazaten van het echtpaar namen later Krijthe als familienaam).’ Het land werd gekocht door de gebroeders Douwe en Aedsge Martens Teenstra en de beklemming door hun vader Marten Aedsges Teenstra. Zij bouwden twee kapitale boerderijen op twee van de oude wierden (waaronder die van 1655), dat nu de buurtschap Ruigezand vormt. Ook het bedijken van de rest van de polder was grotendeels het werk van de twee broers, die hier met ondersteuning van hun vader een modelpolder wilden inrichten. Beide boeren waren zeer vooruitstrevend voor hun tijd, met name Douwe die een aantal landbouw innovaties deed en deelnam aan de inpoldering van de Noordpolder. Beide broers werden begraven in de kerk van Oldehove. De Teenstraweg, waaraan de meeste huizen en boerderijen in de (Ruigezandster)polder liggen, is naar hen vernoemd.

Over de weg met een verhaal
Het is fris en zonnig vandaag (RK)

We lopen geïnteresseerd langs de voormalige ‘boerderij Ruigezand’ waar een groot erf, een gracht en een bomensingel eromheen kenmerkend zijn. De boerderij is nog steeds als landbouwbedrijf in gebruik.

Indrukwekkende bomensingel
De boerderij is nog steeds volop in gebruik (RK)

We lopen verder met het Kommerzijlsterriet naast ons. Het is hier mooi en het loont de moeite om goed om je heen te kijken.

Kommerzijlsterriet (RK)

Kijken is een bewuste en aandachtige vorm van zien. Om nog een stapje verder te gaan: we kijken met de ogen, observeren met de geest en zien met het hart. Hoe we naar de wereld kijken en deze observeren, bepaalt wat we daadwerkelijk zien. Een beetje diepzinnig, maar tegelijkertijd zijn we er daarmee nog niet. Ik kijk, observeer en zie hoog in de boom langs de weg een (roof)vogel, maar weet daarmee nog niet welke…… Wel herkennen we een kievit die haast niet opvalt op de kale grond.

Zowaar een kievit in schutkleuren (RK)

We lopen vlak langs natuurboerderij Lammerburen, de oudst bekende broedplaats van steenuilen in Groningen. De steenuilen komen langs een opening naast het uilenbord binnen en maken in het riet, dat nog onder de platen zit, een nestholte. De nestplaats verandert per jaar en het kan zowel in de grote schuur als in de bijschuur zijn. Ik hoor later dat een steenmarter hier flink heeft huisgehouden, maar of dat waar is, weet ik niet. In de tuin en in de directe omgeving van de boerderij broeden ook ransuilen en kerkuilen. In Saaksum zijn ook ransuilen te zien. Hemelsbreed is de afstand natuurlijk ook niet zo groot.

Ransuiltje in onze appelboom

We lopen verder richting het volgende ‘pareltje’ in de vorm van een groot gemaal. Meer dan een eeuw geleden vormde de afvoer van regenwater vaak een groot probleem, waardoor er, vlakbij Lammerburen, een groot gemaal werd gebouwd dat in 1920 officieel in gebruik werd genomen door koningin Wilhelmina. De bouwkosten bedroegen 3,5 miljoen gulden. Het gemaal kreeg de naam Waterwolf en het waterschap dat het gemaal beheerde, kreeg de naam Electra. Twee bijzondere namen voor een voor die tijd uniek waterstaatkundig bouwwerk.

De reddende reus (internet)

De naam van het waterschap is verwijzing met een knipoog naar de aandrijving van het gemaal, want dit gemaal was uniek voor die tijd; het eerste elektrische gemaal ter wereld en bovendien het grootste van Europa. De naam Waterwolf is een traditionele animalisering (‘verpersoonlijking’ in dierlijke vorm) van de zee of ander groot water als landvreter. Ook deze benaming is met een knipoog want hij symboliseert de grote hoeveelheid water die het gemaal in korte tijd kan verwerken. Het vreet als het ware het water uit de binnenlanden en spuwt het even verderop weer uit. In plaats van een landvreter is deze Waterwolf dus eigenlijk een watervreter die juist landverlies door overstromingen moet tegengaan. Het gemaal is nu een rijksmonument, maar het werkt nog steeds. Met alle pompen kan het 4500 kubieke meter water per minuut verwerken, oftewel het kan een tot de zolder volgelopen huiskamer in een seconde leegpompen. Sinds 1975 worden de pompen door dieselmotoren aangedreven.

Onderweg
Prachtige kleuren (RK)

Op 5 november 2020 bestond gemaal honderd jaar. Ter ere van dit jubileum heeft kunstenaar Gert Sennema een windwijzer ontworpen. Voor zijn ontwerp heeft hij het verleden, heden en toekomst van het gemaal gecombineerd met bijbehorende naam en symboliek. De in aluminium gegoten vergulde waterwolf is een directe verwijzing naar de naam van het gemaal dat het water ‘opslokt’ en daarmee het achterland droog houdt. Daarnaast zijn de jaartallen 2020 en 1920 onder de afgebeelde waterwolf aangebracht. Uitgangspunt is het heden (2020) met verwijzing naar het gemaal dat ook nu nog een belangrijke functionele schakel in het watersysteem is. Vanuit het heden wordt teruggekeken naar het verleden (1920), waarbij de bouw van het gemaal symbool staat voor de noodzaak om water af te voeren. Ook in de toekomst blijft een goede waterafvoer met behulp van de Waterwolf noodzakelijk.

Windvaan ter ere van het honderdjarig bestaan (internet)

Onze laatste parel in het Westerkwartier is Niehove, waar ‘de sobere kracht van Groningse wierden dorpen als nergens anders zo sterk voelbaar is.’

Een typisch voorbeeld van een radiaal wierden dorp (RK)

Onderweg zien we reiger stoïcijns langs de waterkant staan. Wat een imposant beest! Een reiger schijnt altijd honger te hebben. Mollen, muizen, vogels en soortgelijke dieren moeten er in de zomer vooral aan geloven, maar in de winter gaat de reiger elders op zoek. Vroeger trokken bijna alle reigers ‘s winters naar het zuiden, tegenwoordig blijven er steeds meer hier omdat de winters hier inmiddels al jaren vrij zacht zijn. Wist je trouwens dat een blauwe reiger krast en gromt in plaats van zingt?

We komen toch iets te dichtbij (RK)
De eenzame wandelaar ? (RK)

De laatste meters naar het einde van het Anne Pilat Pad zijn snel voorbij en aan het einde staan de fietsen op ons te wachten.

We zijn rond…….!

Natuurlijk willen we op de fiets nog even door Niehove zelf, hier zijn we tenslotte ook begonnen. Wandelend door de smalle straatjes van Niehove zou je niet zeggen dat dit kleine dorpje vroeger de hoofdstad van Humsterland is geweest. Van bovenaf gezien is Niehove een soort spinnenweb. Om de kerk heen staan de huizen van het dorp met de achterkanten naar de velden gekeerd. Vanaf de kerk lopen smalle kerkenpaden naar de lager gelegen ringweg. De kerk in het midden stamt uit de 13de eeuw en was tot de 16de eeuw het enige gebouw van steen in het dorp. In het begin moesten de kerkgangers tijdens de dienst staan: mannen aan de zuidzijde en vrouwen aan de noordzijde. Pas veel later kreeg de kerk banken. Dat waren nog eens tijden! Het kerkhof van Niehove was lange tijd van de straat gescheiden door een ronde gracht, die ervoor moest zorgen dat de geesten netjes op het kerkhof bleven en niet door het dorp gingen dwalen. Toch bijzonder hoe inzichten, (bij)geloven en opvattingen door de jaren heen steeds veranderen.

Hiermee hebben we het Westerkwartierpluspad volledig gelopen. Hoewel we ook gebruik hebben gemaakt van het boekje, is dat eigenlijk niet nodig. De wandelknooppunten zijn gemakkelijke wegwijzers. ‘Het boekje’ zegt wel terecht: ‘wandelen terwijl je gewapend bent met kennis van de historie van het gebied geeft een extra dimensie’. Dat hebben we zeker ondervonden! We hebben door deze tocht een nieuwe blik gekregen op onze gemeente!

# HYOH

Knp: 3-2-72-96-97-1

Simpel vertaald betekent ‘HYOH’ zoiets als ‘wandel je eigen tocht’. In essentie betekent het dat jij zelf je tocht moet lopen en dat niemand anders dat voor je doet. Dat klinkt als een open deur, maar er is meer…… want wanneer er gesproken wordt over jouw eigen pad bewandelen zoals jij het wil, gaat het eigenlijk over je gevoel. Jij bepaalt hoeveel kilometers je loopt en als een (bijna) logisch gevolg geniet je daardoor meer van je eigen reis. Het gaat immers niet alleen om de afstanden, de beleving is minstens zo belangrijk. Een wandeling van twintig kilometer klinkt een stuk zwaarder dan vier etappes van vijf kilometer. Door de totale afstand op te knippen in delen en naar de rustpunten toe te leven, kun je veel makkelijker een flinke totaalafstand afleggen….. tenminste dat is de theorie.

Een afstand van 20 km is mij (nu) nog te ver, maar met een koffiestop en een lunchpauze kom ik wel steeds verder. Kenners zeggen: ‘de afstand die je hebt afgelegd of de tijd waarin je dat deed, vergeet je, maar een verbluffend uitzicht, het zonlicht dat door de wolken breekt of een groepje reeën in een weiland blijven je bij. Zorg daarom dat je een open oog en oor houdt voor de schoonheid onderweg. Dan maar tien minuten later op de plek van bestemming.’ Lijkt mij een prima advies, want er valt veel te genieten onderweg!

Zomaar in Grijpskerk

We lopen vandaag van Grijpskerk, met een omweg, naar Kommerzijl. Het oorspronkelijke plan was om het laatste stuk naar Niehove (het einde van dit pad is in zicht) in één keer te lopen, maar we breken de afstand toch in tweeën gezien mijn beperkte conditie van dit moment. We wandelen daardoor vandaag mijn afstand, mijn beleving en mijn tocht 😉

Vrolijke borden

Grijpskerk is ontstaan vanuit een dijkdorp. Al in 1507 wordt de plaats voor het eerst Grijpskercke genoemd naar de toenmalige ‘dorpsheer’ Nicolaas Grijp. Hij liet hier, waarschijnlijk op zijn eigen borgterrein, een kapel bouwen. De kapel hoorde bij Sebaldeburen, maar werd al snel een volwaardige parochie, vermoedelijk omdat de kerk van Sebaldeburen te ver weg lag. Het kerkhof bleef voorbehouden aan de landeigenaren en de adel die meebetaalden aan de kerk en het salaris van de predikant. De overige inwoners moesten, tot het begin van de 19e eeuw, hun doden op het kerkhof van de moederkerk in Sebaldeburen begraven.

Kerk Grijpskerk (internet)

In 1582 (Tachtigjarige Oorlog) werd het kerkje verwoest door plunderende bendes. Tussen 1607 en 1614 werd de kerk weer op dezelfde plek opgebouwd onder leiding van de jonker Everhardt van Asschendorp, zoals blijkt uit de gevelsteen boven de westingang. Op de toren zie je een gouden vleugelloze griffioen of grijpvogel (grijp = griffioen) als windvaan, het familiewapen van de familie Grijp. In het wapen van Grijpskerk zie je het belang van de familie ook terug. Het bovenste gedeelte van het wapen bevat een griffioen, een fabelachtig dier wat bestaat uit half adelaar en half leeuw. De grijp in een wapen geeft in het algemeen een invloedrijke heerschappij aan en symboliseert bovendien scherpzinnigheid en overleg samen met omzichtigheid en doorzicht. Het verstand van de adelaar gaat samen met de kracht van de leeuw. Het onderste gedeelte van het wapen toont de kerk die Nicolaas Grijp zou hebben gebouwd.

Wapen van Grijpskerk

Onderweg hoor ik dat Grijpskerkers vroeger de Groningse bijnaam ‘smaalruggen’ hadden.
Geen idee waarom of wat dat dan betekende. Het was vroeger vaak een scheldnaam, dus veel fraais zal het wel niet zijn. De enige betekenis van smalrug die ik kan vinden is ‘mannelijke ree van het tweede jaar’…… Daarmee wordt het allemaal niet duidelijker!

Net buiten Grijpskerk

Op mijn zoektocht naar de verklaring van de bijnaam kom ik wel een sterk verhaal tegen. Gijpskerk heeft namelijk bijna in het rijtje van beroemde dorpen als Nieuwpoort, Heiligerlee of Waterloo gestaan. Bijna ….! Ik heb een zwak voor zulke verhalen en wil het dan ook graag delen. “Het is het jaar 1815 als knecht Jans Mol na het middageten met een hooivork op z’n schouder naar de weilanden aan de Westerhorn (Westerhorn was begin 16e eeuw de oostelijke van de drie buurtschappen waaruit Grijpskerk ontstond) loopt om het hooi te keren. Bij de herberg staan de Maire en zijn wethouders een pijpje te roken alvorens ze in vergadering gaan. Als hij de Westerhorn in slaat ziet hij iets wonderlijks en blijft hij geschrokken stokstijf staan. Tussen het aardappelloof zit een enorme haas van wel twee meter hoog. Het beest springt heen en weer en knabbelt aan het gewas en het lijkt net of zijn staart in brand staat. Jans weet niet wat hij daar mee aan moet en wil terug lopen naar Grijpskerk om hulp te halen. Dan ineens ziet hij op de Friesestraatweg, toen nog een karrenpad met keien, drie Friese soldaten lopen die net terugkomen van de Slag bij Waterloo. Jans vertelt hen wat hij heeft gezien. ‘Kin net’ zeggen de Friezen, maar ze moeten het wel geloven als ze de haas even later zelf met eigen ogen zien. Jans zegt dat ze eerst naar de Maire moeten gaan om te overleggen. Misschien kunnen ze die haas wel levend vangen. Dat zou bijzonder zijn en het dorp Grijpskerk zou wereldberoemd worden.

Als Jans het verhaal aan de Maire vertelt, wrijft deze over zijn kin en zegt ‘t Kin niet aans weeden of dat is de Duuvel. Die loat zich wel voaker als een dier zien ien e wereld’. De Maire sommeert de schout om een legertroep te verzamelen. Voorop lopen Jans Mol en de schout, daarachter de 3 Friese Soldaten, dan de Maire en zijn gevolg en tenslotte nog een paar potige mannen, waaronder de bakker, die altijd zegt dat hij voor de Duuvel niet bang is. Eenmaal bij het aardappelland aangekomen, zit de reuzenhaas nog rustig van het aardappelloof te knabbelen. Het beest heeft het Grijpskerker leger niet eens opgemerkt. ‘Laad je musket’, beveelt de schout aan de dapperste Friese soldaat, die omzichtig zijn kruit en kogels tevoorschijn haalt. ‘Nee jong, we vangen de Duuvel leemendeg’, zegt de Maire, waarop de bakker en de schout met een groot visnet voorzichtig door het groene loof richting de haas sluipen. Maar als ze omhoog willen springen om hun slag te slaan, klinkt er een luide knal. De Friese soldaat kijkt beteuterd naar de gebarsten loop van zijn musket. In het heetst van de strijd heeft hij per ongeluk de trekker overgehaald. En de haas …….., die is dan al lang opgesprongen en rent met grote sprongen weg. De ‘Slag om de Westerhorn’ is dus verloren door de Grijpskerkers en de haas hebben ze nooit weer terug gezien. Zo komt het dat Grijpskerk net niet in het beroemde rijtje staat.” Mooi toch?

Ondertussen lopen we dwars door de weilanden op betonnen paden waarover een enkele fietser en een nog sporadischer auto of tractor langskomt. Halverwege komen we langs het transformatorhuisje, een klein gebouwtje in de stijl van de Amsterdamse School. Tijdens WOII weigerde de burgemeester van Grijpskerk mensen te leveren ‘om in Drenthe putjes te graven voor de Duitsers’. Om de Duitsers te saboteren besloot hij samen met een paar anderen het bevolkingsregister van Grijpskerk hier te verstoppen.

Het transformatorhuisje met een verhaal

Voor het gebouw staat een bronzen fiets en op de bronzen, dichtgespijkerde deur is een plaquette te zien. Met de deur geeft de ontwerper aan dat ‘de geschiedenis is afgesloten’. Deze deur staat symbool voor de joden die in de oorlog werden weggevoerd uit hun huizen. De Duitse en ook de Nederlandse overheid spijkerde hun huizen dicht. Over de dienstfiets zegt hij: ‘Ik wilde een replica van een Fongers maken. Voor mij hebben fietsen met de oorlog te maken. Het verduisteringsglaasje op de koplamp herinnert aan de oorlog.’

De bronzen fiets
De plaquette

We staan even stil bij ’t Hoekje, vroeger ook wel Quatre Bras (kruispunt) genoemd, een gehuchtje gelegen tegen de vroegere Waarddijk. De naam van het gehucht en de omringende streek werd tot ver in de 20e eeuw aangeduid als De Waarden.

Uitzicht onderweg

De Waarden of de Ruigewaard is dus een streek en grote polder van 750 hectare in de gemeente Westerkwartier ten noorden van het dorp Grijpskerk. Ruigte is de Groningse benaming voor niet-ontgonnen land.

Een combinatie van wit en groen (RK)

De volgende (en laatste) keer gaan we verder door dit gebied en over het Ruigezand. De wandeling van vandaag is nou precies waar ‘’hike your own hike’’ voor staat, iets doen waar je plezier uit haalt. Dit kan op allerlei verschillende manieren, waarbij het oké is om langer over een tocht te doen dan boekjes je voorschrijven en je eigen keuze te maken! #HYOH


Wandelen is even alles loslaten

Knp: 87-40-85-51-50-61-63-3

De term ‘unwind your mind’ (ontspan je geest) trekt mijn aandacht. De theorie daarbij is dat je daarvoor ‘uit je hoofd en in je lichaam’ moet gaan, want leven in je hoofd betekent dat je constant in gedachten bent, waardoor je minder luistert naar je gevoel en wat je in je lichaam ervaart. Dat klinkt op zich bekend. Ook ik ben tijdens het wandelen zeker geneigd om in gedachten een ‘to do’ lijstje af te vinken of een situatie en/of een gesprek nog eens te ‘herkauwen’, situaties die eigenlijk respectievelijk in de toekomst en het verleden behoren. Je lichaam is, in tegenstelling tot je geest, wel altijd in het hier en nu en door contact te maken met wat je in of met je lichaam ervaart, ben je dus automatisch in het huidige moment. Belangrijk omdat juist dat ervoor zorgt dat je stresshormonen afnemen en je bloeddruk daalt. Dat wordt de uitdaging van vandaag. Een leeg hoofd en rustig bewegen om te ontspannen en weer op te laden, want deskundigen zeggen dat het niet de stress is die mensen onderuit haalt, maar het tekort aan herstel. Door het constant ‘aan’ staan, raak je uitgeput. Iets om rekening mee te houden, nietwaar?

We lopen vandaag van Grootegast naar Grijpskerk, een afstand van een kleine 10 km en daarmee een ‘echte’ wandeling. Een wandeling van minder dan een uur en 5 kilometer wordt ‘een ommetje’ genoemd. Wat je al niet kunt leren …..

Bevreemdend 😉 (RK)

In Grootegast zien we meteen een informatiebord waarop de geschiedenis van het ‘monster van Grootegast’ wordt verteld. Een (oud) drama om de zinnen alvast wat te verzetten. Wat was er gebeurd? De hoofdpersoon IJe Wiekstra werd in 1895 geboren als jongste van een arm gezin met vijf kinderen. Na de lagere school ging hij aan de slag als leerling-metselaar. Later verdiende hij een redelijk inkomen met voegen, klompen maken en stropen. IJe woonde lange tijd bij zijn moeder. Rond zijn twintigste leed hij aan waanvoorstellingen, waarvoor hij werd behandeld door een Groningse zenuwarts. Volgens eigen zeggen leed hij aan een ‘zenuwziekte’. In 1928 verdween IJes vriend Hendrik Wobbes achter de tralies vanwege diefstal. Niet lang daarna kreeg IJe een verhouding met Hendriks vrouw Aaltje. Hij trok bij haar in, maar ging na enkele weken toch weer terug naar het huisje waar hij met zijn oude moeder woonde. Toen de moeder na enige tijd naar één van haar andere kinderen verhuisde, trok Aaltje direct bij IJe in. Zij liet haar zes kinderen in de steek, wat voor Justitie aanleiding was om Aaltje Wobbes voor de rechtbank te dagen. Aaltje moest op 18 januari 1929 in Groningen voorkomen. Toen zij niet kwam, kreeg de burgemeester van Grootegast de opdracht om Aaltje te arresteren. Vier agenten gingen op pad om haar op te halen, maar op het moment dat de vier veldwachters verschenen, schoot IJe de veldwachters zonder pardon neer met zijn jachtgeweer. Daarna verminkte hij hun lichamen door hun keel door te snijden. Vervolgens stak IJe, inmiddels zelf gewond geraakt, zijn huis in brand. Hij bracht Aaltje naar een in de buurt wonende broer en ging zelf naar ziekenhuis in Groningen. Onderweg werd hij aangehouden. De begrafenis van de vier veldwachters werd een nationale gebeurtenis. De Groningse rechtbank veroordeelde IJe Wiekstra in april 1929 tot levenslange gevangenisstraf. Het Gerechtshof in Leeuwarden legde hem in hoger beroep twintig jaar gevangenisstraf op. In 1941 werd Wiekstra overgeplaatst van de Bijzondere Strafgevangenis in Leeuwarden naar de Rijks Psychiatrische Inrichting bij Eindhoven, waar hij enkele weken later op 45-jarige leeftijd overleed aan tuberculose.

Alles over ‘het monster’

Terwijl wij de gebeurtenissen overpeinzen, lopen we het dorp uit en de Grootegasterpolder, een voormalig waterschap (molenpolder), in. De polder, bijna 140 ha groot, maakt deel uit van de ecologische hoofdstructuur, een netwerk van natuurgebieden die door heel Nederland met elkaar zijn verbonden. In dat kader werd in 2012 gestart met de aanleg van ‘nieuwe natuur’. Het aanleggen van petgaten, poelen en natuurvriendelijke oevers en het bouwen van stuwen en dammen om zo de waterhuishouding in het gebied te verbeteren en het gebied aantrekkelijker te maken voor weide- en watervogels en andere dieren zoals libellen, salamanders en kikkers. Het is hier mooi en wijds en we nemen de tijd om de omgeving goed in ons op te nemen.

Leuk om zo informatie over het gebied te lezen…..

Verderop zien we nog een molen staan. Nadere inspectie leer dat het hier gaat om ‘de Eendracht’, een poldermolen gebouwd in 1887 speciaal voor het bemalen van de aangelegen polders. Voor de Reformatie (16e eeuw) in de Nederlanden waren het vaak kloosters die opdracht gaven tot het oprichten van molens, voor het malen van graan, maar ook voor het bemalen van polders. In protestantse streken kwam dit minder vaak voor, maar het ontstaan van deze molenpolder is onlosmakelijk verbonden met de kerkelijke geschiedenis. Het was dominee Nikolaas Westendorp (1773-1836) die in 1801 aan het begin stond van de oprichting van de Sebaldebuurster Molenpolder. Hij was een erg belezen man, maar zijn bijdragen getuigden, volgens geleerde tijdgenoten, van weinig kritisch besef. Het verhaal gaat dat de Leidse universiteit hem had benaderd voor een leerstoel, maar dat hij de aanstelling had afgewezen toen hij begreep dat zijn vrouw in Leiden haar kap met gouden oorijzers niet zou kunnen dragen. Naast predikant was Westendorp ook schoolopziener. Hij is met name bekend geworden door zijn publicaties over archeologische, oudheidkundige en godsdiensthistorische onderwerpen waaronder een geschiedenis van de provincie Groningen tot 1493, bekend als de Jaarboeken van Nikolaas Westendorp.

‘De Eendracht’ in volle glorie (RK)

De eerste poldermolen alhier werd dus in 1801 gebouwd. Nadat deze molen in 1887 afgebrand was, werd de huidige molen, die nu als ‘De Eendracht’ bekend staat, gebouwd. De Eendracht heeft tegenwoordig een functie als noodbemaling. De molen was in de periode van de Koude Oorlog ook een zogenaamde ‘BWO’-molen. BWO staat voor de wet Bescherming Waterstaatswerken in Oorlogstijd, een wet die ervoor dat molens in staat van paraatheid waren om op windkracht te kunnen malen in het geval de elektriciteitsvoorziening door oorlogshandelingen niet meer aanwezig zou zijn. Deze wet betekende de redding voor heel wat poldermolens. Net over de brug staat een oude gele ANWB praatpaal, die is aangepast om naar de verhalen over de molen en de omliggende polders te luisteren. Bijzonder.

Molen met praatpaal
De verleiding om te luisteren….. (RK)

We lopen verder langs de Grootegastertocht (een tocht is een afvoersloot van polderwater) richting het Van Starkenborghkanaal en verder richting Gaarkeuken. Gaarkeuken zou zijn naam te danken hebben aan één van beide herbergen die vroeger bij de sluis in het Kolonelsdiep stonden, zo’n 2 km ten zuiden van de huidige sluis, waar schippers een warme maaltijd konden halen. Dit stuk Kolonelsdiep is opgegaan in het Van Starkenborghkanaal dat op haar beurt weer een onderdeel is van de 119 km lange ‘aorta van het noorden’. Het Van Starkenborghkanaal is in 1938, grotendeels met de hand, aangelegd in het kader van de werkverschaffing. Dankzij doorlopende vernieuwing en opwaardering voldoet deze waterweg aan de op één na hoogste categorie van Europese waterwegen. Alleen bij de grote zeehavens zijn de kanalen breder en dieper.

Langs het Van Starkenborgkanaal (RK)
Een helpende hand

De huidige schutsluis in Gaarkeuken is in de jaren 1975-1980 aangelegd en kostte destijds 20 miljoen gulden, ongeveer tweemaal zoveel als het graven van het hele Van Starkenborghkanaal! Voor de bouw van de nieuwe sluis moesten vijf sluiswachterswoningen afgebroken en 575 bomen gekapt worden. De sluisdeuren, elk met een gewicht van 27 ton, zijn voorzien van openingen met schuiven voor het nivelleren van het waterpeil in de sluiskolk. Het nivelleren kost ongeveer 6 minuten, het sluiten en openen van de deuren ongeveer een minuut. Op het moment dat wij er langs lopen ligt er geen groot binnenvaartschip in de sluis, maar je kunt je wel voorstellen dat het een machtig gezicht is wanneer je er zo vlak voor staat. Toch heel anders dan wanneer je het vanuit een rijdende auto bekijkt.

Gaarkeuken (RK)

Dit is bekend terrein voor ons. Nog even over het spoor en dan het laatste stukje richting het centrum van Grijpskerk.

Station Grijpskerk (RK)

Het was weer een heerlijke wandeling! ‘Unwind your mind’ is vandaag zeker gelukt.

In de voetsporen…..

Knp: 53-52-45-44-43-67

In Lutjegast kun je niet om haar bekendste (vroegere) inwoner heen: Abel Janszoon Tasman (Lutjegast 1603 – Batavia 1659). Abel Tasman was een Nederlands ontdekkingsreiziger in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en is vooral bekend geworden door zijn reizen tussen 1642 en 1644 waarin hij o.a. Tasmanië en Nieuw-Zeeland ontdekte. Het museum ter plekke geeft antwoorden op de vragen wie deze 17e eeuwse ontdekkingsreiziger eigenlijk was en hoe hij zo ver van huis belandde?

Abel Janszoon Tasman

Toen Tasman in 1603 ter wereld kwam, lag Lutjegast niet ver van zee. Het kwam regelmatig voor de boeren in het rustige zomerseizoen naar zee gingen. Veel boerenzonen werkten tijdens hun jonge jaren als zeevarende, om zich later als boer aan land te vestigen. In het museum wordt ons verteld dat in boerenfamilies de oudste zoon vaak de boerderij erfde, de tweede zoon priester werd en de derde (en mogelijk volgende) zoon zeeman werd. Het is niet duidelijk of Abel een derde zoon was of dat hij ‘gewoon’ echt voor de zee gekozen heeft. Hoe dan ook, zoals uit de verhalen blijkt nam hij zijn carrière zeker serieus, hij studeerde navigatie, en kwam hij in 1633 in dienst van de VOC. Hoewel Abel Tasman zijn geboortedorp bij zijn tweede huwelijk, in 1631, heeft ingeruild voor Amsterdam, zal hij het nooit vergeten. Bij zijn dood in 1659 laat hij een bedrag na aan de armen van Lutjegast.

Het is maar een klein museum, toch zijn er veel verhalen en is er veel bewaard gebleven, al zijn het vaak kopieën. Zo is er ook een schilderij te zien van Abel Tasman met zijn familie uit 1637 toen hij al kapitein bij de VOC was, maar nog geen bekende ontdekkingsreiziger. De opstelling is symbolisch: Abel Tasman bij de wereldbol, afgebeeld als kundig navigator. Zijn vrouw geeft een appel aan hun dochter wat de overdracht van kennis aan de jeugd symboliseert. 

De familie Tasman in 1637

In 1636 emigreerde hij met zijn vrouw en dochter naar Batavia en in 1642 stelt Anthony van Diemen hem aan als commandant van de grote expeditie naar het Zuidland. Het was de meest ambitieuze ontdekkingsreis die de VOC ooit voorbereidde. De expeditie van Abel Tasman, in opdracht van Antonie van Diemen,  moest de kusten van het Zuidland in kaart brengen. De VOC dacht dat daar veel goud en zilver te vinden zou zijn. Letterlijk luidde zijn opdracht om, net als Christoffel Columbus en Amerigo Vespucci, een nieuw werelddeel te ontdekken dat de Republiek van goud en zilver moest voorzien. Tasman had ook als opdracht het land te onderzoeken dat toen bekend stond als Nieuw-Holland (het tegenwoordige Australië), waarvan de westkust al door Nederlanders ontdekt was, om vast te stellen of het land deel uitmaakte van het vermeende Terra Australis, een zuidelijk continent, dat zou moeten bestaan om de aarde in evenwicht te houden. Bovendien hoopte de VOC dat deze expeditie een veilige zeeweg naar Zuid-Amerika zou openleggen, want de Nederlanden waren in 1642 nog altijd in oorlog met Spanje en Portugal. Zeker een avontuurlijke en belangrijke reis!

Een kaart uit die tijd

Het verhaal gaat (opgetekend in dagboeken) dat de bemanning na zo’n 9000 km zeilen het eiland Tasmanië ontdekte, wat door Abel Tasman als het Antonie van Diemensland gedoopt werd. Deze naam werd later overgenomen door de Britten, die er, eeuwen later, de strafkolonie Van Diemensland vestigden. Hoewel ze hier aan land gingen om verse groenten en water te zoeken, hebben ze niemand van de lokale bevolking gezien ….. al hoorden ze wel muziek en zagen ze rookpluimen.

Alles nauwkeurig vastgelegd
Vakmanschap in de documentatie op reis

Verder naar het oosten kregen ‘Tasman en zijn mannen een groot hoog verheven land in zicht’. Ze zagen als eerste Europeanen de westkust van het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland. Tasman noemde het land Statenland, denkende dat het het eiland was zuidelijk van Kaap Hoorn, dat door Jacques l’Hermite (1582-1624), opperkoopman en Raad van Indië bij de VOC, zo was genoemd. 

Vlakbij de noordpunt van het Zuidereiland zette hij het anker uit in een baai. Bij het binnenlopen werd door een Maori op een soort trompet geblazen. Tasman liet deze begroeting op zijn beurt beantwoorden met trompetsignalen. De volgende dag werden vier scheepslieden, die in een prauw aan land wilden gaan, gedood. Waarschijnlijk werden de trompetsignalen van de vorige dag door de Maori’s als oorlogsverklaring uitgelegd. Tasman gaf deze plaats daarom de naam Moordenaarsbaai en besloot noordwaarts verder te zeilen.

‘Moordenaars baey’ als ankerplaats

Eerder dit jaar heeft het museum een bijzonder geschenk gekregen; een kostbare steen afkomstig van het Zuidereiland van Nieuw Zeeland. Pounamu is het Maori woord voor jade. De steen wordt gebruikt voor het maken van gereedschappen en sieraden, is als wapen symbolisch voor de macht van een stamhoofd en kan, zoals in dit geval, ook worden gebruikt als vredesgeschenk. We lezen dat een pounamu vaak de naam van een voorouder krijgt om die in herinnering te houden. Deze ‘groene steen’ is Ruamiki genoemd, door Doug Huria als woordvoeder van de Tumatakokiri, naar zijn betovergrootvader. Op deze manier vormt Ruamiki de link tussen de huidige Maori stam en hun voorvaderen waarmee Abel Tasman in aanraking kwam. We worden uitgenodigd om onze hand op de steen te leggen omdat dit ons een goede gezondheid, een lang leven en vooral voorspoed zou geven. Bovendien stimuleert groene jade liefde, trouw, vriendschap en wijsheid. Altijd het proberen waard, we weet krijgen we er iets van mee ;).

Altijd het proberen waard (RK)

We lopen verder over het oudste deel van Lutjegast, de Abeltasmanweg,  liggend op een smalle zandrug. Aan deze zandrug dankt Lutjegast dan ook haar naam; ‘lutje’ betekent ‘klein’ en ‘gast’ betekent hier ‘geest’ (=zandgrond). Aan het eind van het dorp ligt de monumentale boerderij Rikkerda. De in 1848 gebouwde boerderij met een voorhuis uit 1860 staat nog steeds naast het vroegere perceel waar de borg Rikkerda stond. Deze boerderij gold als een van de grootste in het Westerkwartier. Sinds 1978 is het een rijksmonument en, na een verbouwing, sinds 2004, is het in gebruik als bed & breakfast. 

B&B Rikkerda (foto internet)

De borg Rikkerda werd gebouwd in 1675, maar werd aan het begin van de 19e eeuw gesloopt nadat het werd gekocht door een houtkoper uit Warfhuizen. In 1836 verkocht deze houtkoper 23 bunder van de landerijen, waarna de boerderij werd gebouwd die dus dezelfde naam kreeg. Alhoewel de gebouwen op de gronden van het huidige Rikkerda al eeuwen de naam ‘Rikkerda’ dragen, is er van een familie Rikkerda maar weinig bekend. Sommige bronnen zeggen dat de Abt van Gerkesklooster grond heeft verkocht aan Reynardus Ryquerda (een landmeter uit Oldekerk) die hier zou hebben gebouwd.

Een iets uitgebreider verhaal over de borg

We lopen rondom de huidige boerderij, over het Rikkerdapad, en lopen via het veld richting De Baak, een kunstwerk van Rob Schrefel, dat officieel ‘Compositie in majeur’ heet, maar lokaal beter bekend is als De Baak. Het woord ‘baak’ heeft meerdere betekenissen. Het meest bekend is de term als aanduiding voor een markering in het land, een punt waarop je je oriënteert: een baken. Dat is precies wat het is. Het kunstwerk van zwerfkeien, in 2006 geplaatst in het kader van de herdenking van 400 jaar handelsbetrekkingen tussen Nederland en Australië, staat op een plek waar het letterlijk een baken in het landschap is. Het ligt op het noordelijkste puntje van een uitloper van het Drents Plateau, waar  de mensen vroeger op de hoge gronden aan de rand van de Lauwerszee woonden. Een mooie herinnering en een eerbetoon aan vroegere zeevaarders. 

Een baken in het landschap; de Baak

Ondertussen wordt het (Abel Tasman) pad steeds verrassender, overal groen soms behoorlijk nat en met, typisch voor het coulissenlandschap, steeds andere doorkijkjes.

Mooi groen
Soms een beetje avontuurlijk
Maar samen staan we sterk

Het is slechts een korte wandeling vandaag, dus voordat we het weten lopen we over de Caspar de Roblesdijk. Caspar de Robles was de (Spaanse) stadhouder van de drie noordelijke provincies van 1573 tot 1576, aan het begin van de 80-jarige oorlog. Hij liet een verbindingskanaal graven om een handelsroute tussen Leeuwarden en Groningen te realiseren; het Caspar de Roblesdiep. Zijn naam bleek voor veel mensen echter zo onuitspreekbaar dat het in de volksmond al snel werd verbasterd tot het Kolonelsdiep. Of zat hier toch wat anders achter?

Even later lopen we al in de fraaie ‘Notoaristuun’ van Grootegast, die notaris Hofstede in 1884 achter zijn woning aan liet leggen. Een mooi besluit van een wandeling die vooral verliep in de voetsporen van………

Mooi licht in de Notoaristuun (RK)

‘Natuurontdekpaden’

Knp: 72-71-84-83-69-64-65-48-47-54-53

De eerder ‘overgeslagen’ stukken hebben we inmiddels gelopen waardoor we nu weer echt verder kunnen, d.w.z. we lopen vandaag van het Blotevoetenpad in Peebos naar Lutjegast. Een traject wat bijna geheel bestaat uit ‘natuurontdekpaden’, paden waarbij je ‘haast spelenderwijs van alles leert over de natuur in deze omgeving’. 

Doezumermieden en rivier de Lauwers (foto internet)

We starten in Peebos (lokaal ook Piebos), een gehuchtje net op de grens met Friesland. De naam komt van een bos dat hier ooit stond en mogelijk eigendom was van iemand die  Pebe (Piebe) heette. Vroeger werd het dan ook wel Pebebosch genoemd.

We lopen meteen de natuur in waar we over het Pettenpad al slingerend langs verschillende borden lopen waarop dieren (groter en klein) zijn uitgebeeld met daarnaast een gedichtje en soms met een opdracht erbij. Hoewel het natuurlijk bedoeld is voor kinderen, vind ik dit ook zeker de moeite waard en ik heb dan ook alle borden met interesse en plezier gelezen.

Informatieve borden langs het Pettenpad
Eentje om te lezen……..

Het gebied rond het Pettenpad wordt als volgt beschreven: ‘Hier grensden ooit land en (Lauwers)zee aan elkaar, zoet water botste op zout en geulen en slenken sleten door de zandruggen als een warm mes door de boter. Het is daardoor een afwisselend landschap geworden, met poelen en petgaten, boomwallen en open weilanden. Het resultaat is dit breiwerk van natuur, emotie en geschiedenis.’ 

Soms is het wel even zoeken naar de juiste weg 😉

Op dit eerste stuk van de route leren we van alles over petgaten, de stroken waar veen is afgegraven en die daarmee heel kenmerkend zijn voor een veenlandschap. Zulk laag en nat land is een mooie voedingsbodem voor (sterke)verhalen als een waarschuwing, waaronder dat van de ‘baggelbeer’. Luister maar: ‘Overal waren petgaten, overgebleven na de winning van baggelturf (baggelturf was van hogere kwaliteit dan hoogveenturf (droog gestoken turf), het was harder en brandde langer). De bodem bestond uit modder. Als je in die modder terecht kwam, was het net drijfzand. Hoe meer je probeerde er uit te komen, hoe dieper je wegzakte. Omdat het daar in de petgaten best gevaarlijk was vertelden ouders hun kinderen over de baggelbeer. Een gevaarlijk monster, groter dan een mens, met vreselijke klauwen, die herten, schapen, ja zelfs kinderen, opat. Ooit was er een jongen van de Peebos verdwenen en nooit meer teruggevonden. Ja, alleen een halve klomp, dat moest wel het werk van de baggelbeer zijn geweest. Dus…. luuster goed noar jim pabbe en moeke en kiek goed uut veur de baggelbeer.’ 😉

De gemeente is druk bezig met herstelwerkzaamheden. Zo hebben ze in dit natuurgebied diverse bomen en struiken weggehaald, op sommige plekken de toplaag van de grond verwijderd en hebben ze gedempte petgaten open gegraven zodat veenmossen (zeer water vasthoudend) weer kunnen groeien. Op deze manier zijn veel traditionele petgaten hersteld en worden ook trilvenen en veenmosrietland in stand gehouden. Goed voor de leefomgeving! In de petgaten drijft het groene krabbenscheer waarvan de witte bloemen vanaf mei t/m juli in bloei staan. Het leuke aan deze plant is dat de groene glazenmaker, een zeldzame libelle, erin voorkomt. Helaas hebben wij die niet kunnen ontdekken. Sowieso zijn de petgaten soms moeilijk te zien door al het hoge riet.

Een langgerekt petgat is in ere hersteld

Tussen de petgaten vind je de historische legakkers, waar turfstekers het veen, vol water en in stukken gesneden, te drogen legden. Deze legakkers vormen nu de basis van de paden waarop we lopen. In de Doezumermieden (mieden = lage graslanden) worden drie ‘natuurontdekpaden’ gecombineerd. Het Pettenpad langs de petgaten, het Melle’s pad waarover later meer en het Pebespad wat beide andere paden onderling verbindt. De paden worden ook wel laarzenpaden genoemd, want het is dikwijls ‘soppen’ geblazen.

Soms is het soppen…..

Inderdaad lopen we regelmatig door natte zompige delen pad maar over het geheel valt het me alles mee. Daarnaast ervaren we op sommige andere plekken het trilveen. Het lijkt  wel of de grond dan iets terugveert als we erover heen lopen, een beetje een trampoline gevoel. Bijzonder! Al wandelend krijgen we hier absoluut het gevoel in een afgelegen gebied te zijn. Om ons heen horen we alleen de geluiden van de natuur en de omliggende dorpen lijken heel ver weg. 

Lopen midden in de natuur (RK)

Ondertussen zijn we aangekomen bij rivier de Lauwers, een riviertje dat voor een deel de grens vormt tussen de provincies Friesland en Groningen. Ten tijde van Karel de Grote (vanaf 25 december 800 keizer van het Heilige Roomse Rijk) werd de rivier vermoedelijk ‘Lawiki’ (Laviki, Lauuichi of Laueke) genoemd wat ‘de liefelijke’ betekent en weer verwant is met het Gotisch woord ‘galaufs’ wat je kunt vertalen met  ‘aangenaam’. De grens bleef in de loop der eeuwen gehandhaafd. Aanvankelijk was de grens van minder belang want zowel ten westen als ten oosten van de Lauwers bestond geen centraal bestuur. Door de opkomst van de stad Groningen veranderde dit echter. De Lauwers vormde tot ongeveer 1500 eveneens de taalgrens tussen de twee varianten van het Fries dat ooit gesproken werd. Het Westerlauwers Fries is het Fries dat nu nog steeds gesproken wordt in Friesland. De tegenhanger, het Oosterlauwers Fries, is een taal die nu bijna helemaal is uitgestorven. Op Schiermonnikoog wordt nog wel een dialect gesproken, het Schiermonnikoogs, dat enigszins verwant is aan het Oosterlauwers Fries en sporen bevat van de vroegere taal. Grappig toch dat je zo overal verhalen kunt ontdekken?

De rivier de Lauwers als grens (RK)

Ik weet eigenlijk niet precies waar het Pettenpad overgaat in het Pebespad en later in het Melle’s pad. Wel lopen we onderweg nog door het Bosch van Pebe, wat dus wat verder weg ligt dan het gehuchtje Peebos doet geloven. Dit zal dan wel een onderdeel van het pad naar zijn naam zijn, toch?

Bosch van Pebe
Een heel ander landschap…..

Hierna lopen we verder via planken naar de overkant van diverse slootjes en via heel veel houten klaphekjes om uiteindelijk aan te komen op Melle’s pad, waar we zelfs in een gastenboek onze ervaringen kunnen optekenen (haha).

De bruggetjes …..
…… en heel veel klaphekjes (RK)

Dit pad draagt de naam van Melle Visser. Melle en z’n vrouw Lamke hadden achterin Peebos (bos van Pebe) een keuterbedrijfje, een paar koeien en wat aardappelen op een paar hectare, wat hij later aan Staatsbosbeheer verkocht. Onder de bevolking ontstond daarop wrevel omdat zij de gebieden van Staatsbosbeheer niet mochten betreden. Daarom werden later dus deze wandelpaden aangelegd die verwijzen naar de historie van het gebied.

Wat we al niet tegenkomen 🙂
Er ligt zelfs een echt gastenboek in !

Het is nog een klein stukje naar Lutjegast, maar de verrassingen zijn nog niet voorbij. We zien opeens een bord met ‘Bombay’ of eigenlijk ‘De Bombay’ wat je uitspreekt als Bombaai. Een vreemd exotische naam in een stukje niemandsland in ‘ons’ Westerkwartier.

Een verrassende plaatsnaam

De Bombay is een streek dat ooit De Uithorn (horn = hoek) heette. Die naam verdween echter in de jaren 1960 van de kaart. Daarna is het vernoemd naar de eromheen gelegen polder Bombay, die haar naam weer ontleent aan de vroegere poldermolen Bombay, die hier in 1878 werd gebouwd ter bemaling van de polder. De molen was bekender dan het plaatsje (net als bij Electra). De herkomst van de naam Bombay is onbekend. Mogelijk is het een verwijzing naar een afgelegen plek, het idee van een soort ‘verwegistan’, maar er wordt ook weleens gezegd dat er een relatie zou zijn met het Bomsterzijlvest die zich in dezelfde hoek van de provincie bevond.

De molen bestaat (gedeeltelijk) nog steeds, op plek waar de Doezumertocht de bocht van negentig graden maakt. In 1998 werd de molenromp echter verbouwd tot woonhuis. De Molendatabase schrijft hierover: ‘Hierdoor is de molenromp wel zo grondig aangepakt, dat de historische waarde van deze molenromp bijna geheel is vernietigd.’ In de 21e eeuw waren er plannen om een grote waterplas met jachthaven aan te leggen (door een deel van de polder onder water te zetten) en er 500 vakantiewoningen te bouwen. Dit is echter nooit van de grond gekomen.

De tot woonhuis omgebouwde molen Bombay (foto internet)

Voldaan komen we aan in Lutjegast waar ons een volgende keer vast weer nieuwe verhalen wachten. Tenslotte is Lutjegast de geboorteplaats van ontdekkingsreiziger Abel Tasman, een feit waar we nu al niet omheen kunnen!

Langs het pad naar Lutjegast

Etappes als deze maken het wandelen en het ontdekken van de natuur rondom ons zeer de moeite waard!