Knp: 1-91-99-86-87-78-43.
Vandaag lopen we het laatste stuk van ‘ons’ Westerkwartierpluspad. Dit stuk zal, denken wij, vooral weidse landschappen met vergezichten opleveren, want het is fris en zonnig.
We starten in Kommerzijl (Kommerziel) een dijkdorp aan het Kommerzijlsterdiep dat na het dorp verdergaat als Kommerzijlsterriet en tenslotte uitkomt in het Reitdiep. Wat is in deze dan het verschil tussen diep en riet? Een diep schijnt (logischerwijs) de naam te zijn ‘voor een ruim water met een flinke diepte’. Zou een riet dan ondiep water betekenen? Of een met riet begroeide oever hebben? Of is de naam een alternatief voor ‘reit’, wat betekent dat er een geul met water ontstaat door uitslijting van de bodem? Voor de naam Reitdiep blijken er twee verklaringen te zijn. De naam zou kunnen komen van de rietvelden (reit = riet) ten noordwesten van de stad Groningen waar het diep doorheen stroomde. Daarnaast zou de naam een uitvloeisel kunnen zijn van reiten (= lopen, stromen) en dus het als een rivier lopend gegraven diep betekenen. Zo leer je nog eens wat 😉
Een ander weetje wat ik op mijn zoektocht tegenkom, is dat de Groningse scheldnaam voor de inwoners van Kommerzijl ‘Spierens’ (spieringen) is, mogelijk omdat ze vroeger erg mager waren? Dit duidt vast op de vroegere moeilijke omstandigheden hier. Het was geen rijke streek!
We lopen het dorp uit richting het Ruigezand. Deze naam komt van ‘de ruigte’, Gronings voor onontgonnen gebied, en verwijst naar de situatie van voor de indijking, toen het gebied nog kwelder (aangeslibd land) was. Dit aangeslibde land vormde vroeger een (schier)eiland in de monding van het Reitdiep dat destijds nog middels de Lauwerszee in verbinding stond met het Wad.
Volgens de geschiedenis lagen hier in 1655 al een tweetal wierden die waren omringd door een zomerkade (kadijk). Jonkheer Onno Joost Alberda van borg Ekenstein erfde later de helft van de polder en kocht in 1753 de andere helft van de stad Groningen. Dan neemt de geschiedenis een (voor ons) verrassende wending, want ik lees: ‘In 1757 liet ene Krijthe de polder voor een klein deel (44 hectare) bedijken nabij Lauwerzijl’. Zou dit familie kunnen zijn? Een beetje speuren leert dat de oudste ‘gevonden’ Krijthe Willem Jannes is, geboren rond 1725 in Oldehove en boer op Ruigezand van beroep. Dat kan niet missen toch? Willem Jannes is in 1751 in Oldehove met Rienje Lammerts getrouwd en in 1786 in dezelfde plaats overleden. Willem Jannes kocht in 1757 (van de familie Alberda van Ekenstein) ‘de beklemming van een grote boerderij op het Ruigezand voor de stevige prijs van fl 18.000.’ Beklemrecht of recht van beklemming is ‘een eeuwigdurend, ondeelbaar zakelijk recht op een onroerende zaak van een ander’. Je wordt dus eigenaar van de zich op de grond bevindende gebouwen en beplantingen maar niet van de grond zelf.
Nadat Willem Jannes was overleden, werd ‘geheele Ruigezand, in naam 326 grazen groot, door de weduwe en kinderen op den 31ste Dec. voor fl 30.500 guldens, verkocht en den eigendom dier beklemming voor fl 16.500.’ Zoals te lezen is in een oude een akte: ‘1793 Aankoop “Ruigezand”: Verkoper Jannes Willems als gevolmachtigde van zijn Moeder Reinje Lammerts, weduwe wijlen Willem Jannes (de nazaten van het echtpaar namen later Krijthe als familienaam).’ Het land werd gekocht door de gebroeders Douwe en Aedsge Martens Teenstra en de beklemming door hun vader Marten Aedsges Teenstra. Zij bouwden twee kapitale boerderijen op twee van de oude wierden (waaronder die van 1655), dat nu de buurtschap Ruigezand vormt. Ook het bedijken van de rest van de polder was grotendeels het werk van de twee broers, die hier met ondersteuning van hun vader een modelpolder wilden inrichten. Beide boeren waren zeer vooruitstrevend voor hun tijd, met name Douwe die een aantal landbouw innovaties deed en deelnam aan de inpoldering van de Noordpolder. Beide broers werden begraven in de kerk van Oldehove. De Teenstraweg, waaraan de meeste huizen en boerderijen in de (Ruigezandster)polder liggen, is naar hen vernoemd.
We lopen geïnteresseerd langs de voormalige ‘boerderij Ruigezand’ waar een groot erf, een gracht en een bomensingel eromheen kenmerkend zijn. De boerderij is nog steeds als landbouwbedrijf in gebruik.
We lopen verder met het Kommerzijlsterriet naast ons. Het is hier mooi en het loont de moeite om goed om je heen te kijken.
Kijken is een bewuste en aandachtige vorm van zien. Om nog een stapje verder te gaan: we kijken met de ogen, observeren met de geest en zien met het hart. Hoe we naar de wereld kijken en deze observeren, bepaalt wat we daadwerkelijk zien. Een beetje diepzinnig, maar tegelijkertijd zijn we er daarmee nog niet. Ik kijk, observeer en zie hoog in de boom langs de weg een (roof)vogel, maar weet daarmee nog niet welke…… Wel herkennen we een kievit die haast niet opvalt op de kale grond.
We lopen vlak langs natuurboerderij Lammerburen, de oudst bekende broedplaats van steenuilen in Groningen. De steenuilen komen langs een opening naast het uilenbord binnen en maken in het riet, dat nog onder de platen zit, een nestholte. De nestplaats verandert per jaar en het kan zowel in de grote schuur als in de bijschuur zijn. Ik hoor later dat een steenmarter hier flink heeft huisgehouden, maar of dat waar is, weet ik niet. In de tuin en in de directe omgeving van de boerderij broeden ook ransuilen en kerkuilen. In Saaksum zijn ook ransuilen te zien. Hemelsbreed is de afstand natuurlijk ook niet zo groot.
We lopen verder richting het volgende ‘pareltje’ in de vorm van een groot gemaal. Meer dan een eeuw geleden vormde de afvoer van regenwater vaak een groot probleem, waardoor er, vlakbij Lammerburen, een groot gemaal werd gebouwd dat in 1920 officieel in gebruik werd genomen door koningin Wilhelmina. De bouwkosten bedroegen 3,5 miljoen gulden. Het gemaal kreeg de naam Waterwolf en het waterschap dat het gemaal beheerde, kreeg de naam Electra. Twee bijzondere namen voor een voor die tijd uniek waterstaatkundig bouwwerk.
De naam van het waterschap is verwijzing met een knipoog naar de aandrijving van het gemaal, want dit gemaal was uniek voor die tijd; het eerste elektrische gemaal ter wereld en bovendien het grootste van Europa. De naam Waterwolf is een traditionele animalisering (‘verpersoonlijking’ in dierlijke vorm) van de zee of ander groot water als landvreter. Ook deze benaming is met een knipoog want hij symboliseert de grote hoeveelheid water die het gemaal in korte tijd kan verwerken. Het vreet als het ware het water uit de binnenlanden en spuwt het even verderop weer uit. In plaats van een landvreter is deze Waterwolf dus eigenlijk een watervreter die juist landverlies door overstromingen moet tegengaan. Het gemaal is nu een rijksmonument, maar het werkt nog steeds. Met alle pompen kan het 4500 kubieke meter water per minuut verwerken, oftewel het kan een tot de zolder volgelopen huiskamer in een seconde leegpompen. Sinds 1975 worden de pompen door dieselmotoren aangedreven.
Op 5 november 2020 bestond gemaal honderd jaar. Ter ere van dit jubileum heeft kunstenaar Gert Sennema een windwijzer ontworpen. Voor zijn ontwerp heeft hij het verleden, heden en toekomst van het gemaal gecombineerd met bijbehorende naam en symboliek. De in aluminium gegoten vergulde waterwolf is een directe verwijzing naar de naam van het gemaal dat het water ‘opslokt’ en daarmee het achterland droog houdt. Daarnaast zijn de jaartallen 2020 en 1920 onder de afgebeelde waterwolf aangebracht. Uitgangspunt is het heden (2020) met verwijzing naar het gemaal dat ook nu nog een belangrijke functionele schakel in het watersysteem is. Vanuit het heden wordt teruggekeken naar het verleden (1920), waarbij de bouw van het gemaal symbool staat voor de noodzaak om water af te voeren. Ook in de toekomst blijft een goede waterafvoer met behulp van de Waterwolf noodzakelijk.
Onze laatste parel in het Westerkwartier is Niehove, waar ‘de sobere kracht van Groningse wierden dorpen als nergens anders zo sterk voelbaar is.’
Onderweg zien we reiger stoïcijns langs de waterkant staan. Wat een imposant beest! Een reiger schijnt altijd honger te hebben. Mollen, muizen, vogels en soortgelijke dieren moeten er in de zomer vooral aan geloven, maar in de winter gaat de reiger elders op zoek. Vroeger trokken bijna alle reigers ‘s winters naar het zuiden, tegenwoordig blijven er steeds meer hier omdat de winters hier inmiddels al jaren vrij zacht zijn. Wist je trouwens dat een blauwe reiger krast en gromt in plaats van zingt?
De laatste meters naar het einde van het Anne Pilat Pad zijn snel voorbij en aan het einde staan de fietsen op ons te wachten.
Natuurlijk willen we op de fiets nog even door Niehove zelf, hier zijn we tenslotte ook begonnen. Wandelend door de smalle straatjes van Niehove zou je niet zeggen dat dit kleine dorpje vroeger de hoofdstad van Humsterland is geweest. Van bovenaf gezien is Niehove een soort spinnenweb. Om de kerk heen staan de huizen van het dorp met de achterkanten naar de velden gekeerd. Vanaf de kerk lopen smalle kerkenpaden naar de lager gelegen ringweg. De kerk in het midden stamt uit de 13de eeuw en was tot de 16de eeuw het enige gebouw van steen in het dorp. In het begin moesten de kerkgangers tijdens de dienst staan: mannen aan de zuidzijde en vrouwen aan de noordzijde. Pas veel later kreeg de kerk banken. Dat waren nog eens tijden! Het kerkhof van Niehove was lange tijd van de straat gescheiden door een ronde gracht, die ervoor moest zorgen dat de geesten netjes op het kerkhof bleven en niet door het dorp gingen dwalen. Toch bijzonder hoe inzichten, (bij)geloven en opvattingen door de jaren heen steeds veranderen.
Hiermee hebben we het Westerkwartierpluspad volledig gelopen. Hoewel we ook gebruik hebben gemaakt van het boekje, is dat eigenlijk niet nodig. De wandelknooppunten zijn gemakkelijke wegwijzers. ‘Het boekje’ zegt wel terecht: ‘wandelen terwijl je gewapend bent met kennis van de historie van het gebied geeft een extra dimensie’. Dat hebben we zeker ondervonden! We hebben door deze tocht een nieuwe blik gekregen op onze gemeente!




































































